erfgoedobject

Rust- en verzorgingstehuis Vinck-Heymans

bouwkundig element
ID: 6465   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6465

Juridische gevolgen

Beschrijving

Oorspronkelijk pensionaat voor meisjes uit de betere kringen, opgericht door de Congrégation des Réligieuses de Notre Dame de Sion, een van oorsprong Franse zusterorde die voordien gevestigd was aan de Mechelsesteenweg. Het hoofdgebouw in eclectische stijl werd opgetrokken naar een ontwerp door de architecten August Cols en Alfried Defever uit 1907, en voltooid in 1909. Vermoedelijk omvatte het programma klaslokalen, gemeenschapsruimten en kamers of slaapzalen voor de internen, een kapel en een klooster voor de religieuzen. Het complex werd later door de ‘Dames de Sion’ vergroot met een bijkomende vleugel links van het hoofdgebouw, die onder meer de nieuwe schoolkapel en extra klaslokalen huisvestte. Architect Simon Van Craen tekende in 1928 voor het ontwerp van deze uitbreiding in art-decostijl, die op 18 juni 1930 werd ingewijd. Het complex werd in 1958 aangekocht door de toenmalige Commissie voor Openbare Onderstand van Antwerpen (COO), en omgevormd tot een bejaardentehuis met een capaciteit van 116 bedden, geopend in 1962. De naam van de instelling verwees naar de weduwe Vinck-Heymans, die in 1947 een belangrijk legaat aan de COO had vermaakt. In de volgende decennia onderging het tehuis meerdere verbouwingen, uitbreidingen en renovaties. Als eerste werd de kapelvleugel in 1965 omgevormd tot een feestzaal en verzorgingsafdelingen voor 70 andersvaliden, en in 1970-1973 uitgebreid met een volledig nieuwe vleugel voor 88 senioren. De renovatie van het hoofdgebouw in 1988-1991 ging gepaard met een nieuwbouwuitbreiding op het aanpalende perceel, achter de bewaarde voorgevel van een gesloopt burgerhuis. Ten slotte werd in 1994-1996 de kapelvleugel eveneens met behoud van het gevelfront vervangen door een volwaardige nieuwbouw. Het Rust- en verzorgingstehuis Vinck-Heymans van het OCMW huisvest vandaag 225 bewoners, en grenst met een beboomde tuin aan het openbare park "Hof Van Leysen" in de Markgravelei.

Hoofdgebouw

Het hoofdgebouw vormt een imposant, langgerekt volume, met een souterrain en vier bouwlagen onder een schilddak (leien). Architecten Cols en Defever, die van 1899 tot minstens 1912 een gezamenlijke praktijk voerden, lieten zich in hun beginjaren opmerken door een opvallende reeks burgerhuizen in de wijk Zurenborg, waarbij zowel de art-nouveau-, neo-Grec- als neorococostijl op uitbundige wijze werden toegepast. Het pensionaat van de ‘Dames de Sion’, dat samen met het klooster van de Soeurs de l'Espérance uit 1903 in de Lamorinièrestraat tot hun meest omvangrijke opdrachten behoort, is ontworpen in een gestrenge eclectische stijl met vooral invloeden van het Franse neoclassicisme. Verwijzingen naar de religieuze achtergrond van de instelling, zijn in deze van karakter seculiere architectuur beperkt tot het absolute minimum.

Het statige gevelfront dat aan een volkomen symmetrische compositie beantwoordt, heeft een verzorgd parement in witte Silezische brikken. Natuursteen wordt gebruikt voor de vensteromlijstingen en speklagen, het hoofdgestel en het fronton, arduin voor de sokkel, de puilijst, de kordonvormende lekdrempels en het inkomportaal. Volgens de klassieke driedeling is de gevel horizontaal opgebouwd uit de pui belijnd door de geprofileerde puilijst, de twee hoofdverdiepingen afgewerkt door het hoofdgestel met een zware kroonlijst op klossen, en de attiekverdieping. Verticaal ligt de klemtoon op het brede middenrisaliet, dat hoger is opgetrokken dan de beide hoekrisalieten. Waar de hoofdverdiepingen van de drie risalieten eenvormig gevat zijn in een brede rondboogomlijsting met tweelichten en een rankwerkmedaillon, krijgt het middenrisaliet een bijkomend accent door het inkomportaal en de monumentale attiekbekroning. Het rondboogportaal, dat op zuiltjes met een bewerkt kapiteel steunt, is beschermd door een keperboogvormige waterlijst. Dit motief wordt vervolgens herhaald in de met rankwerk versierde attiekbekroning, daar onderbroken door een portieknis waarin een Mariabeeld onder een driehoekig fronton en een smeedijzeren kruis. De vensters gevat in een geprofileerde omlijsting vormen alternerende registers: getoogd met oren en een voluut- of diamantkopsleutel, of rechthoekig onder een entablement met voluutconsoles, en in de attiek een bijkomend driehoekig fronton. Een rij rondbogige dakkapellen lijnt de compositie af. Het smeedijzeren voortuinhek werd verwijderd, en behalve de houten inkomdeur is het schijnwerk vernieuwd.

Vermoedelijk werd de plattegrond oorspronkelijk per verdiep gestructureerd door een centrale gang over de volledige lengte van het gebouw, met de diverse vertrekken en lokalen naar belangrijkheid gegroepeerd aan beide zijden. Klas- en gemeenschapslokalen namen destijds allicht de lagere verdiepingen in, de slaapvertrekken de hogere verdiepingen, en de dienstruimten het souterrain. De vestibule en de grote traphal bevonden zich in de middenas, en de secundaire trappenhuizen aan beide uiteinden van het gebouw. Deze structuur wordt tot op vandaag veruitwendigd in de soberder uitgewerkte achtergevel die in totaal achttien traveeën telt, en eveneens is opgetrokken uit witte baksteen met contrasterende speklagen, hoekblokken en ontlastingsbogen. De trappenhuizen, die opvallend uit het gevelvlak springen, in de middenas zelfs opgevangen door een open colonnade, onderscheiden zich verder door rondbogen. Een attiek met fronton bekroont het centrale trappenhuis, een lantaarn met tentdak de secundaire trappenhuizen. Het interieur is aangepast.

Kapelvleugel

De kapelvleugel omvatte oorspronkelijk de ruime schoolkapel, gesitueerd op de bovenverdieping met een polyvalente zaal op de begane grond, en aanpalend een lagere klassenvleugel van twee, later verhoogd tot vier bouwlagen. Een galerij verzekerde op beide niveaus de verbinding tussen de kapel en het hoofdgebouw. Het gevelfront, waarvan de kapel drie traveeën beslaat en de klassenvleugel twee brede traveeën, heeft een parement in natuursteen op een plint in arduin. Het ontwerp behoort tot het vroege werk van de Mechelaar Simon Van Craen, die na zijn architectuurstudies stage liep bij architect Jef Huygh. Als debuut realiseerde hij in zijn geboortestad samen met Huygh de Sint-Gummaruskapel en -school, en in Wilrijk de Sint-Jan-Vianneykerk, beide nog sterk onder invloed van de Pelgrimbeweging. Zijn gebouw voor de Dames de Sion, dat chronologisch op deze twee kerken volgt, is opgevat in een versoberde art-deco-stijl. De architectuur die in gestileerde vorm teruggrijpt naar de romaanse of vroeg-christelijke bouwkunst, vormt de voorbode van zijn kerkelijke ontwerpen uit de jaren 1930, zoals de kapel van het Sint-Jozefseminarie in Sint-Katelijne-Waver, veruit zijn belangrijkste realisatie. Nog tijdens de bouw werd Van Craen in Mechelen aangesteld als restauratiearchitect van de Sint-Romboutskathedraal. Van het oorspronkelijke complex rest enkel het gevelfront, waarvan de ordonnantie bij de verbouwing van 1965 al was aangepast aan de nieuwe functie.

De hoog oprijzende kapelgevel heeft de vorm van een gedrukte tuitgevel met schouderstukken en een Grieks kruis als bekroning. Deze wordt geflankeerd door een schoorsteen en een campanile. Oorspronkelijk verticaal geleed door klimmende rondbooglisenen, weerspiegelde de compositie de driedeling van het interieur: de begane grond met het middenportaal correspondeerde met de polyvalente zaal, het eerste vensterregister met de kapelvloer, het tweede later aangepaste vensterregister met het galerijniveau en de lichtbeuk. Veeleer vlak behandelt, onderscheidt het parement zich door een verfijnde decoratie in bas-reliëf, met een zowel geometrische als florale vlechtband- en rankwerkornamentatie, en keperlijsten. Deze wordt in friezen geconcentreerd ter hoogte van het boogveld van het portaal, en onder de aanzet van de geveltop. Het rondboogportaal ingeschreven in een keperboog, rust op gegroefde zuiltjes met kapiteel, en wordt geflankeerd door lege beeldnissen. Het wapen van de zusterorde met opschrift "IN SION FIRMATA SUM" prijkt in het fronton; een vierpas doorbreekt de geveltop. De slanke campanile, die Van Craen later in gelijkaardige vorm herneemt in de kapel van het Sint-Jozefseminarie, kenmerkt zich door een opengewerkte lantaarn met een zadeldakje, en rondboogdrielichten als galmgaten. Later verhoogd, toont de klassenvleugel, die via een smalle inspringende travee aansluit op de kapel, een eenvoudige ordonnantie met drielichten. Ook hier werd het smeedijzeren voortuinhek verwijderd, en is behalve de houten inkomdeur het schijnwerk vernieuwd.

Het kapelinterieur was opgevat als een driebeukige zaalkerk met een narthex en vier traveeën, aan beide zijden verlicht door hoge rondboogtweelichten, en afgedekt door een gewelfde of vlakke zoldering waarin mogelijk bovenlichten. Opgetrokken met een gewapend betonskelet, werd de ruimte in beuken en traveeën ingedeeld door een structuur van korfbogige gordelbogen op pijlers met kapiteel. De koortravee was vermoedelijk afgewerkt als een halfronde apsis, boven de narthex bevond zich een doksaal, en de ondiepe zijbeuken werden opgedeeld door een galerij. In de interieurinrichting trokken vooral de marmeren lambrisering en mozaïekvloer met tapijtboord de aandacht. De belangrijkste kunstwerken waren de figuratieve glas-in-lood-ramen waarvan de auteur niet bekend is, en de bas-reliëf-kruisweg door de beeldhouwer Albert Poels in de borstwering van de galerij.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1907#1268 en 1928#31120.
  • Architectuurarchief Vlaanderen, archief Simon Van Craen, dossier Zusters van Sion Antwerpen.
  • PLOMTEUX G., MACLOT P., KOSCHAK L., ELAUT A. en STEENMEIJER R. 1992: Open Monumentendag Vlaanderen Antwerpen 13 september 1992. Deel 2. Herenhuiswandeling, Antwerpen, 12.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2012


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Rust- en verzorgingstehuis Vinck-Heymans [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6465 (Geraadpleegd op 12-12-2019)