Geografisch thema

Meeuwen

ID: 14592   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14592

Beschrijving

Voor het eerst vermeld in 1146 als Mewa.

Meeuwen is een Kempische gemeente, gelegen op het Kempisch Plateau. Het noordelijk deel van het grondgebied behoort tot het traditionele landschap Land van Peer en Meeuwen, het zuidelijk deel tot het Limburgs heide- en bosgebied.

Meeuwen ontstond als een typische Kempische rivierdalnederzetting op de oostelijke valleiwand van de Abeek, met een straatdorppatroon tot gevolg. In de beekvalleien werden van oudsher vochtige beemden als hooi- en weiland in cultuur gebracht (Ferrariskaart, 1771-77). Tot 1940 werd het merendeel van de vallei op deze manier gebruikt. Na de Tweede Wereloorlog raakten veel van de hooilanden in onbruik; ze werden aangeplant met populieren, verruigden tot rietlanden of evolueerden terug tot elzenbroekbossen of laagvenen. Het historische landschap van de gemeente werd bovendien bepaald door het akkerareaal, dat gelegen was aan weerszijde van de vallei, op de hoger gelegen gedeelten. Meeuwen bezat een langgerekte communautaire akker ten oosten van het dorp, die exact overeenkomt met het plaggenbodemcomplex aldaar. Dit gebied is echter thans sterk verstedelijkt. De landbouw evolueerde in de loop van de eerste helft van de 20ste eeuw van akkerbouw naar intensieve veeteelt (hokdieren) en in mindere mate rundveehouderij, met bijhorend grasland en voedergewassen als bodemgebruik.

Het zeer uitgestrekte grondgebied van Meeuwen was van oudsher verdeeld in verschillende, dun bebouwde gehuchten in de vorm van straatdorpen: Berenheide, Koestraat, Broekkant, Luttel Meeuwen, Hensem, Genits, Vliegeneinde, Gestel. Door de toenemende lintbebouwing zijn deze gehuchten als zodanig niet meer duidelijk te herkennen. Het grootste gedeelte van het grondgebied bleef echter eeuwenlang onbewoond, en sommige delen zijn dit nog steeds, met name het volledige zuidelijk gedeelte van de gemeente (De Grote Heide), dat militair domein werd (schietveld van Helchteren). Het waren uitgestrekte heidegebieden, waardoor zelfs geen wegen liepen. Nog in 1844 bezat de gemeente 2.150 hectare van deze heide, bijna twee derden van haar grondgebied. Dit landschap, zoals het voorkomt op de Ferrariskaart (1771-77), bleef zeer goed bewaard, met droge en natte heide, stuifduinen en vennen. Deze gebieden waren tot het midden van de 19de eeuw nog eigendom van de gemeente, en schijnen nooit in ontginning gebracht. Een gedeelte ervan werd vanaf 1850 bebost; de grootste beboste oppervlakte werd in het vierde kwart van de 19de eeuw bereikt, met 568 hectare bossen.

Op het grondgebied werd neolithisch materiaal gevonden en een aantal voorromeinse begraafplaatsen, onder meer te Luithegge; in 1970 werd een ringwalheuvel met gespreide palenkrans opgegraven; in 1971 werd een bronstijdgraf op de Gielisheide ontdekt; in 1980 werd een mogelijke polijststeen gevonden.

Meeuwen behoorde tot het domein van de graven van Loon. Zij en na hen de prins-bisschoppen van Luik, waren gedurende het ancien régime heer van Meeuwen.

De schepenbank van Meeuwen, benoemd door de graven van Loon, later de prins-bisschoppen van Luik was ook bevoegd over Wijshagen en Ellikom.

Op het grondgebied bevonden zich een aantal belangrijke laathoven: het van de Wijerhof (curia de Vivario), een leen van de leenzaal van Kuringen, in 1367 door ridder Dirk van Chiny geschonken aan het huis van de Duitse Orde in Maastricht; later eigendom van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Maastricht; het Holihof; het Sint-Mertenshof, eigendom van de pastorie; het hof van 't Maselant gelegen in het dorp bij de kerk, voor het eerst vermeld in 1382; het laathof van Horion, waarschijnlijk te identificeren met het hof In den Ghilis of Gielishof, dat in 1549 door het klooster van Onze-Lieve-Vrouw ter Riviere van Bree werd gekocht van de familie van Horion; het werd later door het klooster verkocht en was in 1703 eigendom van P. Cortenbach; het Donderslaghof, eigendom van de abdij van Herkenrode; de abdij had een groot domein in de gemeente, rondom de hoeve Donderslag; domein en hoeve kocht ze in 1209 van het Sint-Bartholomeuskapittel van Luik, en ze wist dit domein in 1219 uit te breiden met goederen verworven van het St.-Servaaskapittel van Maastricht; de hoeve zelf lag op grondgebied Wijshagen. De goederen van het Sint-Servaaskapittel in Meeuwen worden reeds vermeld in een bevestiging van schenking in 1146.

Op bestuurlijk gebied vormde Meeuwen een gemeente met twee jaarlijks verkozen burgemeesters, bijgestaan door vier gezworenen en een schatheffer.

Gedurende eeuwen ontstonden geregeld twisten met naburige gemeenten over de grenzen in de gemene heidegebieden, zoals met Peer in 1450.

In de Donderslagheide had op Sint-Nikolaasdag 1648 het beruchte, bloedige treffen plaats tussen de Kempische huislieden en Lorreinse troepen. De hertog van Lotharingen, Karel IV, in 1633 door Richelieu uit Frankrijk gezet en van zijn hertogdom beroofd, stond vanaf 1635 in dienst van het Spaanse gouvernement te Brussel. Door zijn condottieri-houding verloor hij echter snel het vertrouwen van zowel Brussel, de republiek, Gullik en Luik. Bij de ondertekening van de Vrede van Münster in 1648, die een einde maakte aan de Dertigjarige Oorlog, mislukte hij in zijn poging het hertogdom Lotharingen terug in zijn bezit te krijgen. Hij hield zijn troepen echter in dienst, en aangezien hij van geen enkele instantie meer soldij ontving, liet hij ze de plattelandsgemeenten plunderen. Het prinsbisdom Luik beschikte niet over een leger. Prins-bisschop Gerard van Groesbeek (1564-80) had daarom een reglement uitgevaardigd waardoor de dorpen hun eigen verweer mochten organiseren. Er mochten officieel wapens gedragen worden, en alle weerbare mannen konden gemobiliseerd worden; dit waren de zogenaamde huislieden of schutten. Groepen van 300 man moesten een kapitein hebben, aan de top van een ambt of drossaardschap stond een kolonel. Jonker van Keverberch uit Opoeteren was in de hier besproken periode kolonel. Op 6 december 1648, om circa 11 uur in de voormiddag trokken Lorreinse troepen onder graaf Longueville vanuit de buurt van Peer in de richting van Meeuwen. Jonker van Keverberch riep de huislieden van het land van Ham, de buitingen van Beringen, die van Tessenderlo, de buitingen van Peer, al de dorpen van het drossaardambt Stokkem, Bocholt en Grote Brogel bijeen en begon de achtervolging van de Lorreinen tot in Meeuwen op de Donderslagheide. Daar stortten de zwaar gewapende Lorreinen zich op de huislieden, die vrijwel zonder zich te kunnen verweren werden verslagen. Er vielen bij de huislieden 367 doden en 294 gewonden. Meeuwen zelf telde in deze slag zes doden.

De omstreken van Meeuwen hadden in 1749-50 (Oostenrijkse Successieoorlog) grote schade te lijden van Hongaarse huzaren, vele inwoners moesten met vee en bezit naar Bree vluchten of naar de schans. De schans van Meeuwen lag in het gehucht Berenheide, ten noorden van het dorp; ze staat aangeduid op de Ferrariskaart (1771-77) als Bernhyde Schans en was vlak bij de Abeek gelegen, wat ten zuiden van de Berenheidermolen; ze was reeds in het midden van de 19de eeuw verdwenen.

Op kerkelijk gebied behoorde Meeuwen tot de Sint-Martinusparochie. Patronaatsrecht en tienden waren oorspronkelijk in het bezit van particulieren, die ze in leen hielden van de graven van Loon; waarschijnlijk was de kerk dus een stichting van de graven. Reeds in 1367 zijn patronaat en tienden in handen van het huis van de Duitse Orde van Sint-Antonius te Maastricht. In de tweede helft 17de - eerste helft 18de eeuw hief de commandeur de grote tienden, de pastoor de kleine tienden en een deel van de novaaltienden. Na de opheffing van het Antonietenklooster gingen zij over naar het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Maastricht. De Sint-Genovevakapel, waarschijnlijk gelegen aan de Molenweg in het gehucht Klein-Gestel, zoals aangeduid op de Ferrariskaart (1771-77), werd tijdens de Franse tijd in 1799 afgebroken.

Meeuwen was steeds een Kempische landbouwgemeente, temidden van uitgestrekte heidegebieden. In de 14de - 15de eeuw ontstond een zekere welvaart door de schapen- en bijenteelt op de heidegebieden. Door de expansie van de Genkse steenkoolmijnen in de jaren 1920 evolueerde Meeuwen steeds meer tot een woongemeente van arbeiders. Vanaf de jaren 1960 is de beroepsbevolking werkzaam in omliggende industriegebieden in Genk, Bree, Opglabbeek en in Meeuwen zelf. Op de Abeek functioneerden twee watermolens: de Dorpermolen en de Berenheidermolen.

De belangrijkste hoeve van Meeuwen, de Kilbershoeve, een hoeve met losstaande bestanddelen in vakwerk, waarschijnlijk daterend uit de 18de eeuw, bevindt zich thans in het Openluchtmuseum van Bokrijk.

Oppervlakte: 3.497 hectare.

  • Meeuwen: 100 jaar vrij katholiek onderwijs, Meeuwen, 1979.
  • De Vlaamse Landschapsatlas, OC-GIS-Vlaanderen, Brussel, 2001.
  • BAUWENS-LESENNE M., Bibliografisch repertorium van de oudheidkundige vondsten in Limburg behoudens Tongeren-Koninksem (vanaf de vroegste tijden tot de Noormannen), (Oudheidkundige repertoria, Reeks A: Bibliografische repertoria; 8), Brussel, 1968, p. 220-223.
  • BLOEMEN E., De Teutenaanwezigheid in de Noordlimburgse Kempen (einde 18e eeuw), Leuven, 1984.
  • BOSMANS J. - e.a., De Berenheidermolen, (De Reengenoten Meeuwen, 5, (1), 1984, p. 44-50).
  • BOSMANS J., Kruis op molensteenfragment te Meeuwen, (Ons Heem, 38, (1), 1984, p. 21-22).
  • BOSMANS J. - e.a., De Dorpermolen, (De Reengenoten Meeuwen, 5, (2), 1984-85, p. 53-65).
  • BOSMANS J., De kerk in het midden, (De Reengenoten Meeuwen, 5-6, (2; 1), 1984-85; 1985-86, p. 5-8; 6-12).
  • BOSMANS J., 70 jaar Rijkswacht in Meeuwen-Gruitrode, 1990, .
  • BUSSELS L., Meeuwen, Wijshagen en Ellikom onder de Franse Tijd, volgens de kroniek van Jan Reyners (1789-1802), (Ellikomkommertjes, 4, (4; 5), 1973, p. 80-84; 96-101).
  • BUSSELS L., Meeuwen 200 jaar geleden, (Ellikomkommertjes, 4, (3), 1973, p. 58-63).
  • BUSSELS L., De Veldslag van (de) Donderslag, op 6 dec 1648, (Heidebloemke. Orgaan van de Heemkring Genk, 32, (5-6), 1973, p. 119, 122-125).
  • CLAASSEN A., Meeuwen: bronstijdgraf, (Archeologie, (1), 1971, p. 8-9).
  • CLAASSEN A., De Bronstijd in Limburg, (Limburg, 50, 1971, p. 152).
  • CLAASSEN A., Het bronstijdgraf op de Gielisheide te Meeuwen, (Limburg, 50, (6), 1971, p. 241-257).
  • CLAASSEN A., Meeuwen: middeleeuwse kelders, (Archeologie, (1), 1974, p. 23).
  • CLAASSEN A. - NAUTS R., Silex-artefacten uit Meeuwen, (Limburg, 57, 1978, p. 271-273).
  • CLAASSEN A., Een prehistorische polijststeen te Meeuwen?, (Limburg, 59, 1980, p. 79-85).
  • CREEMERS G., Post-Middeleeuwse vindplaats te Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 4, (1), 1983, p. 19-22).
  • CREEMERS G., Meeuwen: vuistbijl, (Archeologie, 2, 1985, p. 96-97).
  • CREEMERS G., De eerste mensen in de streek van Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 6, (1), 1985-86, p. 39-45).
  • CREEMERS G., Potten kijken...: een blik op het archeologisch onderzoek te Meeuwen-Gruitrode, Meeuwen-Gruitrode, 1987.
  • CREEMERS G., Een prehistorische gepolijste bijl van het Katteven in Meeuwen-Gruitrode, (Limburg, 68, (1), 1989, p. 61).
  • CUPPENS H. - SMET W., Limburgse watermolens. Molens op de Aabeek-Bosbeek en Itterbeek, St.-Niklaas, 1980.
  • DRIESSEN R. - (rec.), Meeuwen 6 december 1648 St.-Niclaesdag. Naar aanleiding van de heruitgave van het gelijknamige werk van G. Geerkens, (Limburg, 77, 1998, p. 273-281).
  • GEERKENS G., De verdwenen windmolen van Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 3, (1), 1982-83, p. 2-12).
  • GEERKENS G., Verdwenen windmolen van Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 5, (2), 1984-85, p. 49-50).
  • GOOLE F., De grote lenen in het Kwartier Maaseik-Stokkem en Bree, in Maaslandia, 1984: Rekem. p. 60-68. Maaseik
  • GRAUWELS J., Kroniek van Jan Reyners uit Meeuwen (1789-1802), Haselt, 1964.
  • GRAUWELS J., De aartsdiakonale visitaties van het dekenaat Maaseik (1646-1726), (Het Oude Land van Loon, 38, 1983, p. 137-143).
  • HOUSEN J., Monografie van Meeuwen, Hasselt, 1968.
  • IMPE L. VAN, Ringwalheuvels in de Kempense bronstijd: Typologie en datering, (Taxandria, 48, 1980, p. 39-58).
  • JAENEN T., Bijdrage tot de toponymie van Meeuwen, Leuven, 1978.
  • JAENEN T. - BOSMANS J., De kerk in het midden, (De Reengenoten Meeuwen, 1, (1, 2), 1980-1981.
  • JAENEN T., 12 oude boerderijnamen van Hensem en Broekkant, (De Reengenoten Meeuwen, 1, (1; 2), 1980-1981, p. 27-32; 28-32).
  • JAENEN T., De laathof van Hensem, (De Reengenoten Meeuwen, 2, (1), 1981-1982, p. 49-51).
  • JAENEN T., Oude boerderijnamen van Luithegge en Luttelmeeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 3, (1), 1982-83, p. 23-28).
  • JAENEN T., 12 boerderijen van Luttelmeeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 5, (1), 1984, p. 24-28).
  • JANSSEN de LIMPENS K.J.T., Leen- en laathoven in de Maaslandse territoria voor 1795, Maastricht, 1974, p. 126.
  • JUUVENS-GEERKENS G., Meeuwen 6 dec. 1648 St.-Niclaesdag. Studie van de gebeurtenissen in de heide bij Meeuwen op 6 december 1648 waarbij 400 huislieden gedood en evenveel zwaar gewond werden, Meeuwen, 1984.
  • KERFS J., Volkstelling te Meeuwen anno 1762, (De Reengenoten Meeuwen, 1; 2; 3, (1, 2; 1), 1981-82-83, p. 3-9; 14-18).
  • LAENEN M., Provinciaal Openluchtmuseum Bokrijk, Tielt, 1992, p. 30-31.
  • MAES S.F. - DREESEN J., De geschiedenis van Bree. De parochie, de oude kloosters, Heverlee, 1946.
  • MANDERS J. - VERHEIJEN M., Koren op de molen. Langs de Itter, Echt, 1992.
  • NAUTS R. - CLAASSEN A., Silex-artefacten uit Meeuwen, (Limburg, 57, (6), 1978, p. 271-273).
  • PAESEN J., Meeuwen, Hasselt, 1978, .
  • PALMERS M., Ikonografie van en devotie tot de H. Brigida van Ierland in Limburg, Leuven, 1985.
  • PEETERS H., Het kanton Bree tijdens de Franse revolutie, Bree, 1985.
  • REMANS A., Vreselijke St-Nikolaasdag 1648 in de Meeuwerheide, (Limburg, 47, 1968, p. 129-139).
  • SCHROOTEN Q., De St.-Antoniusverering te Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 1, (1), 1980-1981, p. 21-25).
  • SCHROOTEN Q. - KERFS J., De H. Brigidaverering te Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 1, (2), 1980-1981, p. 16-24).
  • SCHROOTEN Q. - KERFS J., De St.-Martinusverering te Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 2, (1), 1981-1982, p. 2-8).
  • SMEESTERS J., Meeuwen: munt van Traianus, (Archeologie, (2), 1979, p. 24).
  • THAENS J., De pastoors van Meeuwen, (De Reengenoten Meeuwen, 5, (1), 1984-85, p. 4-7).
  • VLIEGEN M., Meeuwen rond 1900, (De Reengenoten Meeuwen, 5-6, 1984-85; 1985-86, p. 12-34; 16-29).
  • WEERD H. VAN DE, Het landdekenaat Eyck. Meeuwen. Ellicom, (Limburg, 5, 1923-24, p. 267-270).
  • WEERD H. VAN DE, Kerken en kapellen in de Limburgsche Kempen, (Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundige Studiekring te Hasselt, 2, 1926, p. 12-30).
  • WIT J. DE, Geschiedkundige gegevens aangaande Meeuwen en Wijshagen, (Limburg, 8, 1926-27, p. 201-202).
  • WIT J. DE, De pastoors van Meeuwen, (Limburg, 14, 1932-33, p. 221).

Bron     : Schlusmans F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda
Datum  : 2005


Relaties

  • Omvat
    Berenheide

  • Omvat
    Berkenstraat

  • Omvat
    Dorpmolen

  • Omvat
    Genitsstraat

  • Omvat
    Gestelstraat

  • Omvat
    Hoogstraat

  • Omvat
    Houten kruis

  • Omvat
    Kapel van Onze-Lieve-Vrouw Moeder van Zeven Weeën

  • Omvat
    Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes

  • Omvat
    Kerkplein

  • Omvat
    Kloosterstraat

  • Omvat
    Peerderbaan

  • Omvat
    Resten hoeve

  • Omvat
    Sint-Brigidakapel

  • Omvat
    Steentijdsites In Den Damp

  • Is deel van
    Meeuwen-Gruitrode