Geografisch thema

Kanton Borgloon

ID: 16240   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16240

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Borgloon, met de gemeenten Alken, Borlgoon, Heers, Kortessem en Wellen, maakt deel uit van het administratief arrondissement Tongeren. Het is een aaneengesloten gebied, deel uitmakend van de Haspengouwse regio in het zuiden van Limburg, en vormt de ontbrekende schakel tussen de twee reeds bestudeerde gebieden van Haspengouw: de streek van Sint-Truiden in het westen en die van Tongeren en Riemst in het oosten.

Administratief wordt het gebied ten westen en ten noorden begrensd door het arrondissement Hasselt (Sint-Truiden en Gingelom), ten oosten door het kanton Tongeren (stad Tongeren) en Bilzen (Hoeselt), en ten zuiden door de taalgrens met Wallonië (gemeenten Waremme en Oreye).

Geografisch behoort het gebied volledig tot Haspengouw, doch de grens tussen het zuidelijk gelegen Droog-Haspengouw en het noordelijk gelegen Vochtig Haspengouw loopt er ongeveer in het midden doorheen. Het vertoont dan ook het boeiende verloop van de gesloten Vochtig-Haspengouwse landschappen, naar de weidse akkergebieden van zuidelijk Haspengouw. De uitzonderlijke geschiktheid van de bodem bepaalde van oudsher het uitsluitend agrarische karakter van de streek, dat mede bepalend was voor de duidelijk onderscheiden nederzettingspatronen in beide regio's. Al deze nederzettingen, met uitzondering van Borgloon, zijn landelijke dorpen en gemeenten.

De noordelijk gelegen gemeenten van Vochtig-Haspengouw, vooral Alken, in mindere mate Wellen en Kortessem, door hun bodemgesteldheid reeds minder geschikt voor de landbouw, kenden in de laatste decennia een sterke daling van de activiteit op dit gebied, waardoor mogelijkheden ontstonden tot ander bodemgebruik, onder meer industriële vestigingen en wonen, wat resulteerde in bevolkingstoename en toenemende bebouwing. Hierdoor kwamen het historische landschap en nederzettingspatroon sterk onder druk te staan.

De vruchtbare zuidelijke gemeenten van Droog-Haspengouw bleven landbouwdorpen bij uitstek en kenden door het gebrek aan tewerkstelling in de eerste helft van deze eeuw eerder een bevolkingsdaling dan een toename; hierdoor behielden ze gaver hun historische structuur, met een duidelijke kern, omgeven door nog ruime, groene gebieden. In deze tendens schijnt in het laatste decennium echter een kentering te komen.

De vrij grote gemeenten van Vochtig-Haspengouw contrasteren met de talrijke, soms zeer kleine gemeenten van het zuiden, waar de waarde van de grond door het feodale systeem reeds vanaf de vroege Middeleeuwen leidde tot versnippering van het gebied, en resulteert in de talrijke en dikwijls zeer kleine gemeenten; Groot-Loon is qua oppervlakte de kleinste gemeente van België. De traditionele rijkdom blijkt uit de kerken en kastelen waarvan al deze kleine gemeenten zijn voorzien.

De enige stedelijke kern in het gebied is Borgloon, de oude, historische hoofdplaats van het graafschap Loon. De stad werd echter reeds vroeg in haar ontwikkeling afgeremd, en verloor, samen met het graafschap, haar plaats in de geschiedenis toen Loon in 1366 deel ging uitmaken van het prins-bisschop Luik. Het bleef een klein, landelijk centrum met een beperkt hinterland, dat misschien juist hierdoor zijn historische kern en specifieke sfeer vrij intact wist te behouden.

LANDSCHAPSTYPERING

Het bestudeerde gebied behoort volledig tot Haspengouw. Dit is een plateau, dat zacht afhelt van zuid naar noord. Het bleef het best bewaard in het zuiden; in het noorden hebben de Demer en zijn bijrivieren het sterk ingesneden.

De bodem wordt gekenmerkt door de vruchtbare, quartaire lössbedekking, het leem. De dikte van de lösslaag, die onregelmatig is, en de samenstelling van de ondergrond bepalen de vruchtbaarheid. Vooral laatstgenoemde factor speelt hierin de doorslaggevende rol. In Limburgs Haspengouw onderscheidt men drie regio's, afhankelijk van de ondergrond. Deze landschapstypen hebben hun duidelijke weerslag op de landbouw en het nederzettingspatroon van de betrokken gebieden.

In het uiterste zuiden bestaat de ondergrond uit krijt of kalkhoudende gesteenten, waarin zich in de onderste zone silexbanken bevinden. Dit gebied is het meest typische van Droog-Haspengouw. De ondergrond is poreus, wat een diepliggende watertafel tot gevolg heeft, afwezigheid van bronnen en een zeer beperkt stroomstelsel. Het maakt ook dat het regenwater makkelijk doordringt en de leemlaag niet verspoelt. Dit gebied was oorspronkelijk bebost en werd voor de landbouw ontbost; deze oude bosbodem is de vruchtbaarste zone van Haspengouw. Dit landschapstype komt in het bestudeerde gebied niet voor.

Ten noorden hiervan bevindt zich een gebied met zand- en kleilagen als ondergrond, dat op zijn beurt twee onderscheiden regio's omvat. Dit gebied behoort nog volledig tot Droog-Haspengouw.

In de streek tussen Horpmaal, Mettekoven, Mechelen-Bovelingen en Opheers komt wit krijt en witachtige mergel voor (Heersiaan of onderste Landiaan), tot grijze klei verwerend; de gemeente Heers met haar deelgemeenten behoort tot dit type. In de noordelijk gelegen gebieden komt fijn, groenachtig zand voor (Tongeriaan), verspreid over de zone Hoepertingen, Bommershoven, Tongeren. De gemeenten Rijkel, Hoepertingen, Gotem, Hendrieken, Voort, Broekom, Groot-Loon en Bommershoven, evenals het zuidelijk gedeelte van Borgloon behoren tot dit type. Door de geringere doordringbaarheid van de ondergrond is de leemlaag meer verspoeld, de dalen zijn talrijker. Voor het overige vertoont het al de kenmerken van het eerste type, het landschap kent echter een sterkere versnijding. Op de hoger gelegen gedeelten van het plateau ligt het akkerland met een typisch open-field landschap, in de vallei grasland en (populieren)bos. Holle wegen en graften vormen de enige lineaire vegetatie-elementen. De streek wordt gekenmerkt door een grote dichtheid van kleine nederzettingen van het hoopdorptype, met vallei- of plateaurandsite. Op het plateau zelf komen grote, alleenstaande hoeven voor. De open ruimte bedraagt circa 80 %, wat hoog is voor Vlaanderen. Er is zeer weinig dichte bebouwing en lintbebouwing. Een recente ontwikkeling zijn de talrijke ruilverkavingen en de expansie van de laagstam-fruitteelt.

Het noordelijk gedeelte van de gemeente Borgloon - het noorden van Hoepertingen, Kuttekoven, Jesseren, Kerniel, Gors-Opleeuw- en het zuidelijk deel van Kortessem - Guigoven, Vliermaal, Vliermaalroot en Wintershoven - is een overgangsgebied, dat kenmerken vertoont van zowel Droog- als Vochtig-Haspengouw.

Onmiddellijk noordelijk van de stad Borgloon begint Vochtig-Haspengouw. Het wordt ten noorden begrensd door de Demer. De ondergrond bestaat uit een ondoorlaatbare kleilaag, de compacte, blauw-groene klei van Henis, die dagzoomt in het sterk geaccentueerde gebied van Borgloon, Gors-Opleeuw, Wellen en Kortessem. Op de kleilaag bevinden zich talrijke bronnen, en het leem is hier veel sterker verspoeld dan in Droog-Haspengouw, waardoor de grond veel minder vruchtbaar is. De noordelijke gemeenten van het kanton, Alken, Wellen, Kortessem, behoren tot dit gebied. Minder hoog gelegen dan Droog-Haspengouw, vertoont het een onregelmatig, wisselend reliëf, met afwisselend open en gesloten zichten. De landbouwbedrijven zijn veel kleiner dan in Droog-Haspengouw. Concentratie in de dorpen van het hoopdorp-type geldt nog steeds, maar er is ook veel lineaire bebouwing en secundaire nederzettingen op interfluvia, aan verbindingswegen en kruispunten.

De belangrijkste waterlopen zijn de Herk en de Mombeek. De Mombeek vloeit in Sint-Lambrechts-Herk, net ten noorden van het gebied, samen met de Herk. Deze is een bijrivier van de Demer. Deze waterlopen met hun talrijke bronnen en beken bepaalden in hoge mate het nederzettingspatroon. Het overgrote deel van de gemeenten in het zuiden van het gebied heeft een valleirandsite bij één van de oevers van de Herk of haar beken. De Herk heeft zich in haar bovenloop diep ingesneden in het plateau, wat het landschap in deze gemeenten hun typisch uitzicht geeft is. De Mombeek was bepalend voor het nederzettingspatroon van Kortessem en haar deelgemeenten. Al deze waterlopen gaven bovendien het ontstaan aan de talrijke watermolens, die het gebied nog rijk is.

BODEM EN STREEKEIGEN MATERIAAL

Tot het oudste bouwmateriaal, aangewend in de romaanse bouwkunst van de streek, horen de verschillende soorten breuksteen, die waarschijnlijk afkomstig zijn uit de plaatselijke ondergrond. Hiertoe behoort vooral silex, dat voorkomt in banken in de onderste zones van de krijt- en kalkhoudende gesteenten van Droog-Haspengouw. Het werd reeds in de Romeinse tijd ontgonnen.

Vanaf de 14de eeuw wordt dit lokaal ontgonnen materiaal verdrongen door de ingevoerde mergelsteen, een materiaal dat een belangrijke rol in de traditionele bouwkunst speelt tot het midden van de 17de eeuw. Het is een zeer zacht gesteente, wit tot geel van kleur, hoofdzakelijk bestaande uit CaCO3, al dan niet met bijmengingen. In Limburg worden drie soorten mergel ontgonnen. De "tuffeau van Maastricht" (Maastrichtiaan) is een zachte, witgele steen, met groeven te Zichen-Zussen, Kanne en Sint-Pietersberg; er zal verder steeds als "mergelsteen" naar verwezen worden. Tot de andere twee soorten, die in het westen van de provincie gewonnen worden, behoort het Heersiaan of onderste Landiaan, dat voorkomt in de gemeenten Heers, Veulen, Mechelen-Bovelingen en Vechmaal; in laatstgenoemde gemeente liggen de mergelgroeven van Hinnisdael, waar waarschijnlijk reeds in de Romeinse tijd mergel en silex werden gewonnen; de mergel van Vechmaal werd onder meer gebruikt bij de bouw van de basiliek van Tongeren; de laatste ontginningen dateren er van 1835. Het gebruik van het Heersiaan was echter veel minder verspreid dan dat van het hogervermelde Maastrichtiaan. De mergelsteen afkomstig uit de groeve van Sibbe bij Valkenburg (Nederland), de enige groeve die nog wordt uitgebaat, wordt thans hoofdzakelijk gebruikt voor restauraties. De Naamse kalksteen werd reeds vroeg in beperkte mate ingevoerd, doch vanaf de tweede helft van de 17de eeuw verdringt hij de mergelsteen vrijwel volledig. Hij kende een zeer ruim verspreidingsgebied, dat de huidige provincies Luik en Limburg omvat, doch ook buiten de grenzen in het hele Maasland gebruikt werd. Hij onderscheidt zich van de andere hardstenen door het ontbreken van fossielen en de mooie, egale zilvergrijze verweringskleur. Deze steen werd vanuit het zuiden van België via de Maas ingevoerd; de meest noordelijke groeve is die van Visé, 15 kilometer ten zuiden van Maastricht. Het was tot het midden van de 19de eeuw de enige gebruikte natuursteen; daarna verdwijnt hij als bouwmateriaal, om plaats te maken voor natuursteen van diverse, dikwijls buitenlandse oorsprong.

Naast het gebruik van bak- en natuursteen kent het bestudeerde gebied een rijke traditie van hout- en leembouw, die zich tot het begin van deze eeuw wist te handhaven, en in detail zal besproken worden in de paragraaf over de burgerlijke architectuur.

HISTORISCHE ACHTERGROND

De oudste bewoningssporen in het bestudeerde gebied dateren uit het neolithicum. Vondsten uit de La Tène-periode werden gedaan in Groot-Loon en Gutschoven. In deze periode trekken Germaanse stammen over de Rijn en vestigen zich in deze streken. Limburg behoort dan tot het stamgebied van de Eburonen.

Deze stam wordt in 51 voor Christus door Caesar vrijwel volledig uitgeroeid. Het gebied wordt onder de naam Civitas Tungrorum ingelijfd bij het Romeinse rijk, als deel van de Provincia Belgica, met als hoofdplaats Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren. Naast Tongeren wordt Maastricht als Maasovergang een belangrijk centrum. De ontsluiting van het veroverde gebied gebeurde via de in deze periode aangelegde heirbanen. Voor het bestudeerde gebied is vooral de weg Cassel-Tongeren via Tienen van uitzonderlijk belang. Hij doorkruist het gebied van west naar oost doorheen de gemeenten Rijkel, Hoepertingen, Voort, Mettekoven, Borgloon en Bommershoven. De belangrijke heirbaan Bavai-Tongeren-Maastricht-Keulen vormt de zuidoost-grens van het kanton (Vechmaal). Deze ontsluiting werkt een intense kolonisatie in de hand. Resten van villae werden gevonden in de buurt van de heirbanen, gewoonlijk aan diverticula van deze wegen; op sommige plaatsen zoals in Heurne (Vechmaal) volgen de omliggende landwegen nog steeds hun tracé. De oudste villae dateren uit de tweede helft van de 1ste eeuw. Bij deze villae hoorden begraafplaatsen, dikwijls in de vorm van een tumulus; zo schijnt het verband tussen de villa van de Sassenbroekberg (Broekom) en de tumulus van Gutschoven vrij zeker. Dergelijke tumuli bevinden zich in Hoepertingen, Jesseren, Gutschoven, Klein-Gelmen, Vechmaal en Berlingen. Er werd bovendien een belangrijk Romeins grafveld uit de 2de eeuw ontdekt in Gors-Opleeuw en een Romeinse begraafplaats in Vechmaal.

Gelijk met de kolonisatie verloopt de christianisatie van het gebeid. Tongeren, als hoofdstad van de Civitas Tungrorum, is zetel van een bisdom; deze zetel wordt mogelijk in de 4de eeuw reeds naar Maastricht overgebracht. Dit heeft te maken met de toenemende onrust in het Romeinse rijk. In 257 trekken de Franken de eerste keer de Rijn over, en in 275-276 trekken zij opnieuw plunderend door de streek. De meeste villae worden in deze periode verwoest en niet meer heropgebouwd. Met de val van Keulen en het wegtrekken van de troepen aan de Rijn in het midden van de 5de eeuw komt een einde aan de Romeinse heerschappij in deze streken. Er zijn weinig gegevens voorhanden met betrekking tot het bestudeerde gebied in de Frankische periode. In Tongeren en Maastricht kan een zekere continuïteit in de bewoning verondersteld worden, terwijl het christendom er behouden bleef. Dit geldt zeker niet voor het platteland; slechts in een beperkt aantal gevallen, zoals in Terhove in Bommershoven en mogelijk ook in Borgloon, schijnt een Gallo-Romeins domein door Franken overgenomen. De nieuwe bewoners vestigen zich niet in de Romeinse sites, maar richten hun eigen nederzettingen op, die de oorsprong vormen van de huidige dorpen.

Het bestudeerde gebied maakt, zeker na de Rijksdeling van 561, deel uit van Austrasië. In deze periode komt het machtscentrum van het Frankische rijk in het Rijn-Maasgebied te liggen, het stamgebied van de Pepiniden, een zuid-Limburgs geslacht, dat hier uitgestrekte domeinen bezit.

Op deze domeinen worden in de 7de eeuw belangrijke abdijen gesticht - Wintershoven, één van de oudste abdijen van het land, Sint-Truiden, Munsterbilzen - van waaruit de herkerstening van de streek en de missionering van de noordelijke gebieden wordt ingezet. De bisschopszetel wordt in het begin van de 8ste eeuw van Maastricht naar Luik overgebracht.

In de bestuurlijke indeling van het rijk ressorteert het bestudeerde onder Haspengouw; de juiste afbakening van deze Karolingische gouwen is niet bekend.

Bij het verdrag van Verdun (834) komt het gebied binnen Lotharingen te liggen. Doch de opvolgers van Karel de Grote zijn niet in staat de toenemende desintegratie van het rijk af te wenden. Oude gouwen en graafschappen verbrokkelen om plaats te maken voor nieuwe entiteiten. Vanuit twee kernen, de 10de-eeuwse graafschappen Hocht, met kern in Lanaken, en Avernas, ten westen ervan, vormen de graven van Loon, vazallen van de Duitse keizer, in de 11de eeuw hun graafschap. Zij bezaten een aanzienlijk persoonlijk domein, waarvan het zwaartepunt en de meest vruchtbare gronden binnen het bestudeerde gebied liggen; het is dan ook logisch dat zij hier hun hoofdplaats, Borgloon, inrichten. Het grootste gedeelte van de beschreven gemeenten behoorden oorspronkelijk tot dit domein, of waren allodiale goederen die de graven zich reeds vroeg wisten toe te eigenen. De graven van Loon gaven hun bezittingen in leen aan de machtige families van de streek. De bloem van de Loonse adel, die behoorde tot de onmiddellijke entourage van de graaf, zoals de heren van Sassenbroek, de heren van Leeuw en Opleeuw, de ridders van Gotem, de heren van Hoepertingen, de heren van Heers, de ridders van Hinnisdael en de heren van Langdries, is afkomstig uit het bestudeerde gebied.

Slechts enkele heerlijkheden onstonden als kerkelijke goederen. Luiks waren Alken, één van de oudste bezittingen van de bisschop, Broekom, eigendom van het Sint-Lambertuskapittel, Rijkel, en Mettekoven. Haren maakte deel uit van de belangrijke bezittingen van de abdij van Corbie (Picardië) in deze streek. Groot-Loon behoorde tot de zogenaamde Elf Banken van Sint-Servaas, vrije rijksheerlijkheden, door de Duitse keizer aan het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht geschonken; de hertog van Brabant was voogd over deze gebieden; na 1632 maken de Verenigde Provinciën er aanspraak op, wat door het verdrag van Fontainebleau in 1785 wordt bekrachtigd. Heks en Klein-Gelmen gaan door schenking van de grafelijke familie in kerkelijk bezit over. Rukkelingen-Loon was oorspronkelijk eigendom van de abdij van Stavelot, die het in 1166 aan de abdij van Averbode schenkt. Wellen behoorde tot het domein van de abdij van Munsterbilzen. Ulbeek was een allodiaal goed, gekocht in 1067 door de prins-bisschop en door hem geschonken aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Huy.

Een apart geval vormen de zogenaamde Redemptiedorpen, waarvan er zich in het bestudeerde gebied twee bevonden: Hoepertingen en Veulen. Hoepertingen was een Loons bezit, dat wordt afgestaan aan Heeswijk onder 's-Hertogenbosch, ressorterend onder de soevereiniteit van de hertog van Brabant; Veulen behoorde tot het persoonlijk domein van de Duitse keizer, dat deze in leen geeft aan de hertog van Brabant. Na de verovering van respectievelijk 's-Hertogenbosch in 1629 en Maastricht in 1632 maken de Verenigde Provinciën aanspraak op deze goederen, wat hen door de koning van Spanje, als opvolger van de hertog van Brabant betwist wordt. Door het verdrag van Westfalen (1648) worden de gebieden aan de Verenigde Provinciën toegewezen, doch de conflicten hieromtrent blijven aanslepen tot het Verdrag van Fontainebleau (1785). Ondertussen kochten deze gemeenten hun verplichtingen tegenover Brussel en Den Haag af met een jaarlijkse vaste som aan elk van beide.

De enige stad in het bestudeerde gebied is Borgloon. Zij ontstond bij de oorspronkelijke burcht van de graven, en groeide op deze wijze uit tot hoofdplaats van het graafschap. Vóór 1200 ontving zij de stadsrechten. Dat zij nooit uitgroeide tot belangrijk centrum is te wijten aan verschillende factoren. De keuze van de grafelijke residentie, te midden van de belangrijkste goederen en omringd door de sterkste vazallen, was logisch in de vroegmiddeleeuwse militaire en economische situatie, waarin grondbezit en agrarische productie centraal stonden, maar bleek een vergissing in de nieuwe economische situatie, waarbij de handelsfunctie van marktcentra, bepaald door ligging en afzetgebied, een doorslaggevende rol ging spelen. Hierbij had Borgloon af te rekenen met de verstikkende nabijheid van de veel belangrijkere steden Sint-Truiden en Tongeren, die niet tot het graafschap behoorden. Bovendien bleek de ligging vlak bij de grens met het steeds sterker wordende prinsbisdom Luik fataal; na twee rampzalige belegeringen, in 1171 en 1180, met in het laatste geval de verwoesting van burcht, kerk en omgeving, wordt de grafelijke residentie reeds vóór 1232 naar Kuringen bij Hasselt verplaatst.

Het bisdom Luik had zich ondertussen immers ontwikkelt tot een wereldlijke macht: in 980 verleent Otto II de immuniteit aan bisschop Notger (972-1001), waardoor de prins-bisschoppen als wereldlijke vorsten in hun gebied vazallen zijn van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het prinsbisdom kent in de tweede helft van de 10de eeuw en de 11de eeuw, de Ottoonse renaissance, een periode van geweldige culturele bloei en uitstraling, terwijl de Maas een belangrijke handelsweg blijkt die de economische ontplooiing mede in de hand werkt. Aanvankelijk is de machtsconsolidatie van de graven van Loon vooral gericht tegen deze toenemende macht aan hun zuidelijke grens. Onder druk van de Brabantse expansiedrang naar het oosten zijn beide rivalen echter verplicht tot wederzijdse steun; hierdoor kan het Brabantse gevaar definitief geweerd worden.

De kinderloze dood van graaf Lodewijk IV van Loon is aanleiding tot een reeks conflicten, de Loonse Successieoorlogen (1336-1366), uitlopend op de inlijving van Loon bij het prinsbisdom. Het graafschap wordt opgenomen in de bestuurlijke organisatie van het prinsbisdom. Juridisch had dit tot gevolg dat de steden, zoals de gemeenten die reeds voordien bij Luik hoorden, thans het Luikse recht volgden, met beroep bij de schepenbank van Luik; de overige gemeenten behielden het Loonse recht, een gewoonterecht dat in 1580 door de Tongerse jurist Servaas Haegen gecodificeerd werd, met als beroepshof het Oppergerecht van Vliermaal. Vliermaal was de zetel van de oude gouwrechtbank, opgericht door de graven van Loon als beroepshof voor de verschillende lokale schepenbanken. Het werd bijgestaan door de regionale banken van Bilzen, Borgloon, Montenaken en Rotem. De prins-bisschoppen behouden de instelling als beroepshof voor de gemeenten met Loons recht, doch vanaf 1469 wordt het naar Hasselt overgebracht, hoewel de benaming "Oppergerecht van Vliermaal" blijft bestaan, en het hof nog regelmatig in Vliermaal vergaderde.

De 14de eeuw wordt gekenmerkt door de opkomende macht van de ambachten. Nadat de Luikse ambachten de macht van de grote families weten uit te schakelen, komen zij in conflict met de prins-bisschoppen zelf. Dit conflict gaat niet onopgemerkt voorbij in het bestudeerde gebied: Jan van Heers kiest de zijde van prins-bisschop Adolphe de La Marck, en in 1328 worden zijn kasteel en het dorp door zijn vijanden verwoest. Dat de van oudsher machtige families van het bestudeerde gebied betrokken raakten bij de slopende strijd tussen de adellijke geslachten Awans en Waroux (1297-1335), blijkt uit het feit dat Gilbert van Heers (circa 1327-1334) aan de zijde van de Waroux streed. Dit conflict decimeerde de adel van Haspengouw en verzwakte sterk haar positie, wat mede bijdroeg tot de uiteindelijke triomf van het gildewezen. Deze sterke positie maakte de aanhechting van Loon bij Luik voor de Loonse steden een aantrekkelijker alternatief dan de verouderde politiek van de graven, die weinig aandacht voor de stedelijke interesses getoond hadden.

De telkens hernieuwde strijd voor de democratische rechten tegen de prerogatieven van de prins-bisschoppen krijgt in de 15de eeuw de dimensie van een nationale strijd: de prins-bisschoppen (Jean de Bavière, 1390-1417; Jean de Heinsberg, 1419-1455; Louis de Bourbon, 1456-1482) richten zich meer en meer tot de Bourgondische hertogen voor hulp, terwijl de de ambachten een natuurlijke bondgenoot vinden in de Franse koning, vijand van Bourgondië. Een belangrijke rol wordt hierin gespeeld door Raes de Riviere, genaamd Raes van Heers, die leider wordt van de opstand tegen de door Filips de Goede voorgedragen en gesteunde prins-bisschop Louis de Bourbon; als aanvoerder van de Loonse gemeenten van het prinsbisdom wordt hij samen met de Luikse steden verslagen te Montenaken (1465), waarna Luik wordt gedegradeerd tot Bourgondisch protectoraar. Bij de dood van Filips de Goede komen de Luikse steden opnieuw in opstand, gesteund door een akkoord met Lodewijk XI. Raes van Heers staat aan het hoofd van een deel van de stedelijke milities, die het oprukkende Bourgondische leger in 1467 te Brustem aanvallen en daar verslagen worden. Karel de Stoute laat de steden ontmantelen en schaft alle privileges af; de Bourgondische troepen trekken plunderend en verwoestend door Haspengouw. Nog eenmaal komt Luik in opstand; de stad wordt ingenomen en met de grond gelijk gemaakt (1468). De dood van Karel de Stoute maakt een einde aan de Bourgondische overheersing; Maria van Bourgondië schenkt de steden hun privileges terug, en herstelt de edelen in hun geconfisqueerde bezittingen.

Het einde van de 15de en het begin van de 16de eeuw worden beheerst door het conflict tussen de machtige familie de La Marck, gesteund door de Franse koning, en de prins-bisschoppen Louis de Bourbon en Jean de Horne (1483-1505), met aan hun zijde Maximiliaan van Oostenrijk. Het conflict groeit uit tot een ware burgeroorlog en heeft zijn repercussies in het bestudeerde gebied.

Het episcopaat van Erard de La Marck (1506-1538) is voor het land een periode van herstel en bloei, in de hand gewerkt door de neutraliteitspolitiek van de bisschop. Hieraan maken de godsdienstoorlogen een einde. De Hervorming beroert het land van Luik slechts weinig en de repressie is zeer mild, een tolerantie mede ingegeven door de handelsbetrekkingen met de Verenigde Provinciën. Ondanks deze neutraliteit ligt het land van Luik open voor de doortrekkende troepen wanneer het openlijke conflict tussen Willem van Oranje en Spanje begint bij de eerste overtocht van de Maas door Willem in 1568. Plunderingen door Hollandse en Spaanse troepen zijn legio. In 1579 verovert Alexander Farnese, hertog van Parma, Maastricht na een lang beleg. Het beleg en de aanwezigheid van het Spaanse garnizoen in Maastricht was zeer zwaar voor de bevolking van het omliggende Haspengouw door de strooptochten van de Spaanse troepen, die bovendien op het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw niet meer betaald worden en aan het muiten slaan.

Omdat de prins-bisschop het neutraliteitsprincipe van Luik niet wilde in het gedrang brengen door het oprichten van een eigen leger, verplichtten de reglementen van Gerard de Groesbeek (1564) en Ernest de Bavière (1587) de landelijke gemeenten zich militaire te organiseren; deze dienstplichtigen waren de zogenaamde "huyslieden", met een kapitein aan het hoofd, de landelijke tegenhangers van de stedelijke milities. Zij gaven het ontstaan aan de verschillende schuttersgilden.

Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) brengt een korte periode van rust en herstel. Doch in 1629 raakt het gebied betrokken bij de Dertigjarige Oorlog, wanneer generaal Jan 't Serclaes graaf de Tilly, leider van de keizerlijke troepen van de Katholieke Liga, Borgloon bezet.

In 1632 wordt een nieuw Staats offensief ingezet, resulterend in de inname van Maastricht. Ondertussen heeft Frankrijk zich verbonden met de Protestantse Unie tegen het Spaans-Oostenrijkse huis. Holland en Frankrijk sluiten een verdrag om de Spaanse Nederlanden te veroveren. Spanje verklaart de oorlog aan Frankrijk. In 1635 trekken Franse en Spaanse troepen door Haspengouw.

Ondertussen hadden de staten van Luik zich afgekeerd van de absolutistische prins-bisschoppen van het huis van Beieren. De Luikse volkspartij, de Grignoux, kiezen in 1635 de zijde van Frankrijk tegen prins-bisschop Ferdinand de Bavière (1612-1650). Hij roept in 1636 de hulp in van generaal Jan van Weert, die aan de zijde van de keizer vocht. Zijn leger bestond uit 4.000 Polen, Kroaten en Beieren. De troepen plunderen gedurende vier maanden het land. Deze periode is waarschijnlijk één van de zwartste bladzijden uit de geschieden van Haspengouw. De stropende en plunderende troepen brengen met zich een reeks besmettelijke ziekten het gebied binnen, die tot echte epidemieën uitgroeien. In Borgloon worden in 1636 231 sterfgevallen opgetekend, een belangrijk deel van de toenmalige bevolking; in Horpmaal, waar de sterfgevallen jaarlijks tussen de zes en negen schommelen, loopt dit in 1636 op tot twintig.

Ook de nasleep van de Dertigjarige Oorlog is bijzonder zwaar voor het Haspengouwse gebied. In de eindfase van de oorlog heeft Haspengouw te lijden onder de troepen van Karel IV, hertog van Lotharingen, die nadat zijn hertogdom door Lodewijk XIII was geannexeerd, in dienst van de regering te Brussel was getreden; aangezien deze niet voldoende aan zijn vorderingen tegemoet komt, verhaalt hij zich op de plaatselijke bevolking. Ook na het verdrag van Munster en Westfalen (1648) blijven vreemde troepen in het land, omdat de oorlog tussen Spanje en Frankrijk bleef voortduren. Vreemde legerbenden, vooral Franse, blijven het gebied onveilig maken. Deze muitende soldateska van allerhande herkomst kreeg de verzamelnaam "Lorreinen", waartoe naast de troepen van Karel van Lotharingen ook algemeen de troepen van de prins de Condé worden gerekend. Franse en Lorreinse troepen blijven het gebied plunderen en terroriseren tot circa 1655.

Pas in de tweede helft van de jaren 1650 keert de rust terug, doch is slechts van korte duur. In 1672 eist Lodewijk XIV een deel van Zuidelijke Nederlanden op; de Verenigde Provinciën wensen Frankrijk niet als zuiderbuur en weten Engeland en Zweden aan hun kant te krijgen; het conflict duurt tot 1678. In 1688 breekt de Negenjarige Oorlog uit, waarbij een alliantie van de Republiek, Spanje, Engeland en Duitsland in het veld treedt tegen Frankrijk. Door de deelname van Duitsland aan het conflict wordt ook het prinsbisdom betrokken; het land van Loon is voor Frankrijk vijandelijk gebied, waarvan vooral Haspengouw te lijden heeft. Het conflict wordt beëindigd met de Vrede van Rijswijk (1696). In de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), waarbij de Duitse keizer, de Republiek, Engeland en de koning van Pruisen staan tegenover Lodewijk XIV en Spanje schaart Luik zich aan Franse zijde. Hoewel Maastricht de spil is van de krijgsverrichtingen, hebben ook de Loons gebieden weer te lijden. Het conflict wordt gesloten met de Vrede van Utrecht.

Door het voortdurende doortrekken van troepen die plunderen, de oogst opeisen of verwoesten, het vee roven en huizen en kerken verwoesten, staan de meeste Loonse gemeenten bij het begin van de 18de eeuw aan de rand van het bankroet; zware leningen, aangegaan om de schulden terug te betalen, hypothekeren de welstand van de plattelandsgemeenten voorjaren. De privatisering van de gemene gronden begint in deze periode, omdat vele gemeenten verplicht zijn ze te verkopen.

Vanaf 1745 raakt Loon betrokken bij de Oostenrijkse Successie-oorloog, waarbij Lodewijk XV, samen met de keurvorst van Beieren en Pruisen strijd voert tegen Maria Theresia, met aan haar zijde Engeland en de Republiek. Na de vrede van Aken, en door de toenadering tussen Frankrijk en Oostenrijk komt na 1748 eindelijk stabiliteit in het gebied.

Een voor Belgisch en Nederlands Limburg typisch fenomeen zijn de Bokkenrijders. Het ontstaan van een wijdvertakte bende is reeds in de eerste helft van de 18de eeuw te situeren, maar pas vanaf de tweede helft van de eeuw wordt het duidelijk dat het karakter van deze benden afwijkt van die van de gewone rovers- en dievenbenden, die ook elders opereren. Het gaat om inheemse bevolking, van een lager ambachtelijk niveau, op een merkwaardige manier omgeven door een occulte sfeer, die door de Bokkenrijders zelf gecultiveerd werd. Het fenomeen verwijst naar het klimaat van sociale onvrede onder invloed van het toenemend kapitalisme, dat zich in deze periode situeert. Wellen was een belangrijk centrum van de Bokkenrijders (1746-74), met de daaropvolgende typische, repressieve terreur onder leiding van drossaard Hollanders.

Het einde van het ancien regime wordt aangekondigd door de Luikse revolutie (1789). Met de onderwerping van Luik in 1791 wordt door keizer Leopold II een eind gemaakt aan de opstand. Na een eerste bezetting van Luik en een aantal plaatsen in het Land van Loon in 1792 worden de Fransen in 1793.- verslagen te Neerwinden. De derde Franse inval (1794) slaagt wel, en de capitulatie van Maastricht op 4 november 1794 voltooit de Franse verovering van het gebied. In 1795 houdt het prinsbisdom Luik op met bestaan en krijgt het gebied een volledig nieuwe bestuurlijke en administratieve indeling. De beide huidige provincies Limburg worden grosso modo verenigd in het Departement van de Nedermaas.

Na de nederlagen van Napoleon trekken de Fransen in 1814 terug uit het bestudeerde gebied. In 1815 wordt het grondgebied van de provincie Limburg vastgelegd als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, met Maastricht als hoofdstad. De naam wordt door Willem I gekozen, opdat de naam van het gelijknamige hertogdom aan de Vesder niet verloren zou gaan.

De periode 1816-17 wordt gekenmerkt door de mislukking van de oogst, die de laatste grote hongersnood in onze streken met zich meebrengt. De graanprijzen stijgen tot fabelachtige hoogten. Hierdoor ontstaat in het begin van de jaren 1820 een overproductie, met als gevolg een instorting van de prijzen.

In 1831 wordt België van Nederland afgescheiden. Aanvankelijk bestond geen overeenstemming over de provincie Limburg, die tot 1839 bij België blijft, om dan, ondanks protest uit verschillende kringen, gesplitst te worden, waarbij het noordelijke deel naar Nederland gaat. Hasselt wordt de nieuwe hoofdplaats van de provincie.

De tweede helft van de 19de eeuw wordt gekenmerkt door een ingrijpende ontwikkeling in de landbouw, verder besproken in de paragraaf over de hoevebouw, en de ontsluiting van het gebied door de aanleg van spoorwegen, buurtspoorwegen en de uitbreiding van het wegennet, zoals aangeduid in de paragraaf over het industriële erfgoed.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Het bisdom Tongeren ontstond in 313 door afscheiding van de zetel Keulen. In 384 zou de bisschopszetel naar Maastricht overgebracht zijn, in 718 tenslotte naar Luik. Deze vroege christianisatie ging na de Frankische invallen volledig verloren, op een kleine kern in Tongeren en Maastricht na. Volgens de overlevering hielp Sint-Amandus, toen bisschop van Tongeren, in de eerste helft van de 7de eeuw de missionarissen Sint-Landoaldus en gezellen bij de stichting van de abdij van Wintershoven, het eerste centrum van evangelisatie in Haspengouw. De stichting bevond zich op het domein van Sint-Bavo, die het aan de later gestichte Sint-Baafsabdij van Gent schonk. Samen met de in de tweede helft van de 7de eeuw gestichte abdijen van Sint-Truiden en Munsterbilzen, staat de abdij in voor de herkerstening van Limburg.

Onder Karel de Grote komt de kerkelijke organisatie in parochies tot stand. De oudste parochiestichtingen dateren tussen 800 en 1000 en situeren zich vooral in Haspengouw en het Maasdal. De meeste stichtingen gebeuren vanuit een religieuze instelling. Enkele kerken waren eigenkerken, stichtingen van de plaatselijke heer, die na de 11de eeuw eveneens naar geestelijke instellingen overgaan. Bij de oprichting van de diakonaten in de 10de eeuw, wordt het bestudeerde gebied ingedeeld bij het aarstdiakonaat Haspengouw. Rond dezelfde tijd ontstaan de decanaten, in het bisdom Luik concilia genaamd. De parochies van het bestudeerde gebied vallen onder de twee oude decanaten Sint-Truiden in het westen en Tongeren in het oosten. In 1589 wordt een aantal van deze parochies onder het nieuw opgerichte decanaat Hasselt gevoegd.

De vroege stichting van de meeste parochies blijkt uit de door opgravingen gekende bedehuizen in vakwerk, onder meer Wintershoven uit de 7de eeuw, en in romaanse resten die in de verschillende kerken van het kanton bewaard bleven. Typisch is het gebruik van silex, dikwijls vermengd met ander materiaal, voornamelijk kwartsiet, als bouwmateriaal. Ondanks een aantal verbouwingen en veelvuldige restauraties is de kerk van Kortessem een belangrijk voorbeeld van de romaanse stijl, gebouwd tussen 1026 en 1038, de toren daterend uit de tweede helft van de 12de eeuw. De voormalige hospitaalkapel, later begijnhofkapel van Borgloon is een vrij gaaf bewaard voorbeeld uit de eerste helft van de 12de eeuw, eind 13de-begin 14de eeuw vergroot in gotische stijl. Een ander belangrijk voorbeeld is de Sint-Odulphuskerk van Borgloon, uit de 12de eeuw, in 1903-04 echter grondig gerestaureerd; de resterende vleugel van het bijhorende kloosterpand dateert in kern uit het eind van de 12de of het begin van de 13de eeuw; het werd eveneens grondig gerestaureerd. Authentiekere voorbeelden zijn de Sint-Dionysiuskerk van Gotem, uit de tweede helft van de 12de eeuw, met een absis van circa 1220-1230, en de Sint-Pieterskapel van Heurne (Vechmaal), uit de 13de eeuw, met koor van 1662. Van de romaanse kerk van Wintershoven van circa 1200 resten de westgevel, de twee zijgevels en de grondvesten van de oostelijke muur; de kerk werd in romaanse stijl vrijwel volledig nieuw gebouwd door J. Helleputte en P. Langerock.

De romaanse westtorens bleven behouden in de kerken van Vliermaal (11de eeuw), Hoepertingen (11de-12de eeuw), Kuttekoven (eerste helft 13de eeuw), Gutschoven (13de eeuw), en Wellen (12de eeuw), laatstgenoemde met behoud van de muren van het middenschip. Ook de kerk van Horpmaal is in kern romaans, mogelijk zelfs vroegromaans. Voorts behielden de kerken van Haren (Bommershoven), Broekom, Groot-Loon, Vechmaal en Veulen min of meer zichtbare resten van de romaanse kerk. Al deze kerken behoren tot de Maasromaanse stijl, en de meeste zijn kleine kleine zaalkerken of transeptloze basilicae.

De gotische bouwstijl is in de kerkenbouw minder talrijk vertegenwoordigd. Eén van de fraaiste voorbeelden is de Sint-Aldegondiskerk van Alken, met vroeggotische toren van 1385, schip en koor van circa 1600. Ook de kerk van Haren, Bommershoven, uit de 15de eeuw bleef ondanks verbouwingen en restauraties nog duidelijk als gotisch gebouw herkenbaar. De overige gotische gebouwen bleven eerder fragmentarisch bewaard: de Sint-Martinuskerk van Gors-Opleeuw behield haar toren uit de 14de of 15de eeuw; de kerk van Groot-Loon heeft een gotisch koor uit de 14de(?) eeuw; de kerken van Hoepertingen en Heers behielden hun koor uit respectievelijk de 14de-15de en de 15de eeuw, de kerk van Veulen haar middenschip van 1450-1460. De romaanse kerk van Wellen kreeg in de loop van de 15de en eerste helft van de 16de eeuw een gotisch koor en zijbeuken. Het gotische koor van de kerk van Berlingen dateert van circa 1300.

Noch de 16de, noch de 17de eeuw zijn perioden van belangrijke bouwactiviteit in het besproken gebied. De bevolking was te zeer verarmd door het voortdurende doortrekken van vreemde troepen, en gedecimeerd door de epidemieën die elk leger in zijn kielzog meevoerde. Bovendien werden vele kerken door de legerbenden geplunderd en beschadigd. De lezing van de kerkvisitaties in deze periode geeft een beeld van slecht onderhouden, vervallen gebouwen, waarbij voortdurend aangedrongen wordt op herstel. De kerk van Herten is het enige voorbeeld uit deze periode, daterend van 1693; zij sluit eerder aan bij de stijl van de burgerlijke architectuur van het ogenblik dan bij de barok.

Het is pas in de 18de eeuw dat opnieuw van enige belangrijke kerkbouw kan gesproken worden. De vroegste voorbeelden situeren zich in de periode tussen de Vrede van Utrecht (1713) en het uitbreken van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740). De Heilige-Kruisverheffingskerk van Jesseren wordt in 1723 herbouwd, waarvan het middenschip en het koor resten. Van 1727-28 dateert de Sint-Stephanuskerk van Batsheers, gebouwd door de abdij van Averbode. De Drie-Morenkerk van Gutschoven dateert van 1741. De bouwvallige kerk van Ulbeek wordt in 1716 vervangen door een nieuwe kerk. Daarna moeten we wachten tot het derde kwart van de eeuw voor de situatie weer stabiel genoeg is om kerkenbouw mogelijk te maken; dikwijls gaat het hier dan nog om herstellingen van oudere gebouwen. De Sint-Martinuskerk van Gors-Opleeuw heeft een schip van circa 1775. De kerk van Broekom wordt in 1784 herbouwd, en de kerk van Hoepertingen in 1788. De bovenbouw van het schip van de kerk van Groot-Loon is eveneens classicistisch. Het schip van de kerk van Vliermaal, gebouwd 1783-85 vervangt het bouwvallige romaanse gebouw. Al deze kerken uit de tweede helft van de 18de eeuw werden in classicistische stijl gebouwd.

Na de romaanse periode is de 19de eeuw de tijd van de grote kerkenbouw. Ondanks de herstellingen en gedeeltelijke herbouwingen van de 18de eeuw waren de meeste kerken, waarvan het overgrote gedeelte waarschijnlijk nog romaans was, thans in zeer slechte staat. Vrijwel overal wordt in plaats van voor restauratie voor de bouw van een nieuwe kerk gekozen.

De eerste helft van de eeuw wordt gekenmerkt door het neoclassicisme, zo de kerken van Bommershoven (L. Jaminé, 1841-44), Kerniel (1832), Kuttekoven (1840-50), Heks (1851), Rukkelingen-Loon (1839-40), Vechmaal (1834-44, L. Jaminé), met toren van 1818, Guigoven (1850). De neoclassicistische kerk van Opheers (1878, L. Jaminé) is een laat voorbeeld van deze stijl.

De tweede helft van de eeuw en het begin van deze eeuw wordt gekenmerkt door het historicisme. De neogotische stijl domineert, zo de kerken van Klein-Gelmen (1881, I. Gérard), Rijkel (1910, J. Piscador), Mechelen-Bovelingen (1910, H. Martens en V. Lenertz), het schip en de toren van de kerk van Heers (1913, M. Christiaens), en Berlingen (1851-65). Voorbeelden van neoromaanse stijl zijn de westpartij van de kerk van Horpmaal (1860), de kerk van Zammelen (Vliermaal), gebouwd in 1865-72 door H. Jaminé, en de kerk van Vliermaalroot, door H. Jaminé (1863-71). Bovendien is dit de periode van de restauraties in "historische stijl", aansluitende bij de heersende visie op de monumentenzorg: de kerk van Borgloon wordt "gerestaureerd" in 1903-04 door H. Martens en V. Lenertz; J. Helleputte en P. Langerock herbouwen naar hun eigen visie in 1887-93 de kerk van Wintershoven in romaanse stijl.

Gezien het stabiele of zelfs dalende bevolkingscijfer van de dorpen van Droog-Haspengouw, was er weinig aanleiding tot de bouw van nieuwe kerken. Alleen in Hendrieken wordt een oude kerk vervangen door een nieuw gebouw (1964, A. Nivelle). In de noordelijke gemeenten van het kanton lag de situatie echter anders. In Ulbeek wordt de Sint-Rochuskerk door K. Gessier (1937), gebouwd, in Alken de Sint-Joriskerk (1958-61, I. Lavigne) en de Onbevlekte Ontvangeniskerk (1960, G. Daniëls).

Het bestudeerde gebied bezit een aantal belangrijke kapellen, waarvan drie deel uitmaakten van een kluis, met name de kapel van Hulsberg (Borgloon) van 1689, heropgebouwd op een andere plaats en sterk gewijzigd in 1882, de goed bewaarde kapel van Helshoven (Hoepertingen), van circa 1661, en de kapel van Oetersloven (Berlingen), uit de 17de eeuw. Andere grote kapellen zijn de Sint-Joriskapel (1712) te Alken, en de ook qua interieur goed bewaarde neogotische kapellen van het bejaardentehuis te Borgloon, gebouwd in 1909-12 naar ontwerp van P. Langerock, en van het ursulinenklooster van Wellen. Van mindere kwaliteit is de neogotische grafkapel van de familie de Borchgrave d'Altena te Mechelen-Bovelingen (1872).

De overige kapellen zijn kleine gebouwen waarvan het grootste deel dateert uit de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw, aangezien de meeste oudere kapellen werden afgebroken tijdens de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw. Reeds vlug wordt begonnen met de bouw van nieuwe kapellen op de oude site: de Daaleindekapel te Kortessem dateert van 1814, de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand te Vliermaal van 1801; de Mershovenkapel te Guigoven dateert van 1818 en vervangt een kapel in vakwerkbouw; de Sint-Annakapel te Wintershoven wordt in 1812 heropgebouwd met hergebruik van het oude materiaal.

Enkele oudere voorbeelden zijn de Sint-Jobskapel te Hoepertingen, sterk gerestaureerd doch met merkwaardig mobilair, uit de 17de eeuw, de drie kapellen van Heers in classicistische stijl, uit de 18de eeuw - de kapel van de Houten Lieve Heer, de kapel de Heusch, en de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel (1764-67) - en de Sint-Rochuskapel te Veulen, van 1765. Een merkwaardige kapel is de Knipscheerkapel te Alken, daterend van 1766, omdat zij gebouwd is in vakwerk, één van de laatste overblijfselen van deze traditie, waarvan in Alken onlangs nog een voorbeeld verdween; in dezelfde traditie is de kapel van Schaberg, Borgloon, uit de eerste helft van de 17de eeuw, die echter vrijwel volledig versteend is.

Het bestudeerde gebied telt één belangrijk klooster, het voormalige kruisherenklooster van Colen te Kerniel. Het is een gaaf bewaard complex met componenten in barok- en Maasstijl, daterend van de tweede helft van de 17de eeuw tot het midden van de 18de eeuw, met kloosterkerk van 1750. De oorspronkelijke economische relatie van het klooster met de nog intacte, landelijke omgeving is nog duidelijk zichtbaar, ook in de goed bewaarde, omgevende hoeve. Van het kanunnikenklooster van het kapittel van Borgloon rest één sterk gerestaureerde vleugel van het romaanse kloosterpand, uit eind 12de-begin 13de eeuw. Voorts is er in Borgloon het sobere voormalige brigittijnenklooster, daterend van 1650-1663.

Van het begijnhof van Borgloon rest alleen de voormalige kapel, die hoger bij de voorbeelden van de romaanse bouwkunst besproken werd.

Een voor het Maasland typisch verschijnsel is dat van de kalkstenen grafkruisen, waarvan een groot aantal op de kerkhoven van het bestudeerde gebied bewaard bleven. Dit aantal was oorspronkelijk nog groter, doch door onachtzaamheid van de bevoegde instanties ging een groot gedeelte van het bestand reeds verloren.

Zij komen voor in het gebied ten oosten van de lijn Givet-Namen-Tienen-Hasselt-Eindhoven-Nijmegen; de oostgrens is minder duidelijk af te lijnen. De oudste dateren uit het begin van de 16de eeuw. Typologisch zijn de kleinste kruisen het oudst. De jongste voorbeelden klimmen op tot de eerste helft van de 19de eeuw. Het grootste aantal voorbeelden dateert echter uit de 17de eeuw. Zij bieden interessante gegevens voor de plaatselijke geschiedenis, en illustreren soms zelfs gebeurtenissen uit de Europese geschiedenis, zoals de grafkruisen voor verschillende familieleden die in hetzelfde jaar, 1636, omkwamen, waarschijnlijk bij een epidemie, toen Jan van Weert tijdens de Dertigjarige Oorlog met zijn benden door Haspengouw trok.

Van een andere traditie, doch eveneens zeer merkwaardig, zijn de vele grafplaten met persoonsvoorstelling, die een licht werpen op de oude, adellijke geslachten van Haspengouw.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Algemeen kan gesteld worden dat de specifieke architecturale rijkdom van het gebied gelegen is in de hoevebouw en de kastelen. De stedelijke architectuur beperkt zich tot het kleine Borgloon, dat als stedelijk centrum na het vertrek van de graven slechts een ondergeschikte rol speelde binnen het Land van Luik. De rijkdom van de bodem maakte vooral het zuiden echter een landbouwgebied bij uitstek, en het bezit van ook maar een klein deel ervan was een gegeerd goed voor zowel leken als religieuze instellingen, in een periode waarin grondbezit de voornaamste vorm van rijkdom was. Elk leen, hoe klein ook, werd voorzien van een kasteel en een kerk, en zowel heren als kloostergemeenschappen bouwden grote hoeven om hun bezit ten volle te laten renderen.

De noordelijke gemeenten van het gebied, minder vruchtbaar, onderscheiden zich door het voor België unieke fenomeen van de bouwwijze in vakwerk, een bouwwijze die in dit gebied een speciale traditie werd, voortlevend tot in het begin van deze eeuw.

De algemene kenmerken van de architectuur in de culturele entiteit, gevormd door het territorium van het voormalige prinsbisdom Luik, werd, in zover zij afwijkt van het overige landsgedeelte, in vorige boekdelen uitvoerig behandeld. Wij willen hier slechts een paar specifieke punten behandelen.

Om nog niet duidelijke redenen bleef de vakwerkbouw zowel de stedelijke als de landelijke architectuur van het Land van Luik veel langer bepalen dan in andere streken in België. Pas vanaf de tweede helft van de 19de eeuw wordt steenbouw systematisch doorgevoerd voor de architectura minor. Voor belangrijkere gebouwen begint het versteningsproces in de 14de en 15de eeuw.

De vakwerkconstructie is in essentie een houtskelet, bestaande uit een aantal achter elkaar geplaatste gebinten: een steeds wisselend samenstel van verticale stijlen en horizontale balken, verstijfd door middel van schuingeplaatste schoren. De gebinten worden met elkaar verbonden door balken, die er overheen gelegd worden, de gebintplaten. Het houtskelet vormt de dragende constructie voor het dak, gevormd rondom een reeks kapgebinten, in het bestudeerde gebied uitsluitend van ankerbalkstandjuktype. Het wordt aanvankelijk in of op de grond geplaatst, later op een stenen fundering als bescherming tegen stijgend vocht. Het houtskelet wordt verder aangevuld met wandregels, die dienen om het met leem bestreken vlechtwerk waaruit de wanden bestaan te dragen. De vakwerkbouw in Limburg, behalve in Voeren, behoort zonder uitzondering tot het type met ankerbalkgebint. Bij deze bouwwijze wordt de horizontale balk aan beide einden met een pen door de stijlen gestoken en daarachter met een wig verankerd. In Limburg wordt een wandvullingsmethode gebruikt, waarbij de stokken, waarrond de vitsroeden gevlochten worden, in de regels bevestigd worden door middel van gaten en een gleuf, terwijl de regels zelf in het wandvlak liggen en op die manier zichtbaar blijven. Deze wanden hebben geen enkele dragende functie in de constructie. De oudste voorbeelden zijn voorzien van overkragingen.

Het enige burgerhuis met nog aanwezig vakwerk is de gerestaureerde woning Dorpsstraat 7 te Kortessem, daterend van circa 1640, met versteende onderbouw. In het bestudeerde gebied bleef de houtbouw vrijwel uitsluitend in de hoevebouw bewaard, en meer bepaald Vochtig-Haspengouw, voor het bestudeerde gebied de gemeenten Alken, Kortessem en Wellen, telt nog een groot aantal voorbeelden. Vrijwel al deze gebouwen zijn vrij recent. De oudste dateren uit het einde van de 18de eeuw, de meest recente klimmen op tot het begin van deze eeuw.

Ondanks het nog grote aantal voorbeelden schijnt deze bouwwijze gedoemd te verdwijnen. Ook in de typische vakwerkgemeenten als Alken en Wellen is de toestand alarmerend. Het tempo waaraan dit gebeurd werd geconstateerd in Alken: tussen 1981 en 1998 verdween ongeveer de helft van het bestand.

Wat betreft het probleem van de zogenaamde "Maaslandse renaissance", willen wij onze bezwaren tegen deze terminologie nogmaals uiteenzetten: zij houdt eerst en vooral een duidelijk anachronisme in wanneer men de term "renaissance" toepast op een stijl die doorloopt tot het midden van de 18de eeuw, terwijl het epitheton "Maaslands" verwarring kan doen ontstaan met de specifieke Maaslandse kunst van het jaar 1000 tot 1250. Daarom werd in deze inventarissen steeds geopteerd voor de term "Maasstijl", die slechts een aanduiding wil zijn van wat in Brabant "traditionele bak- en zandsteenstijl" wordt genoemd. Het betreft de doorsnee-architectuur van de woningbouw in de periode 1600-1750, die in haar details kan aansluiten bij de renaissancestijl, de barok of de Lodewijk XIV-stijl.

De aangehaalde voorbeelden behelzen de stads- en dorpswoningen, de pastorieën, en de woonhuizen van hoeven, die, zeker in het zuiden van het gebied, even stijlbewust zijn de als stedelijke woningen.

Het enige voorbeeld uit de eerste helft van de 17de eeuw is het sterk gerestaureerd woonhuis van de hoeve Borgwinning te Ulbeek. Voorbeelden van de Maasstijl uit de tweede helft van de 17de eeuw zijn te vinden in Borgloon, Kroonstraat 29, Markt 5 en 10, Speelhof 10, en Manshovenstraat.

De "Rode Hoeve" te Bommershoven heeft een woonhuis in late Maasstijl uit de eerste helft van de 18de eeuw. Het woonhuis van de hoeve Monnikenhof te Heks heeft een oude kern uit de eerste helft van de 17de eeuw, doch een ordonnantie uit de eerste helft van de 18de eeuw. Het woonhuis van de kasteelhoeve van Bovelingen dateert eveneens uit deze periode.

De tweede helft van de 18de eeuw is de periode van het classicisme. Na 1750 komt het gebied via Luik onder uitgesproken Franse invloed. De periode tot circa 1780 wordt gekenmerkt door de Lodewijk XV-stijl in een door regionale interpretatie aangepaste vormentaal. Het rococo uit zich niet in de gevels, maar vooral als interieurstijl. De laatste decennia van de eeuw worden gekenmerkt door de Lodewijk XVI-stijl, eveneens in de regionale, Luikse interpretatie. De gebouwen evolueren naar een grote soberheid. Deze stijl kenmerkt het einde van de 18de eeuw en het eerste kwart van de 19de eeuw, voor welke periode ernaar verwezen zal worden met de term laatclassicisme. Borgloon heeft een grote concentratie van burgerhuizen uit deze periode. Opmerkelijk is dat in deze periode, het eerste kwart van de 19de eeuw, vele gevels van oudere gebouwen een nieuwe ordonnantie krijgen in deze stijl.

Vrijwel onmerkbaar vloeit dit laatclassicisme in het tweede kwart van de 19de eeuw over in het neoclassicisme, dat door een verarming in het materiaalgebruik en verstarring van de vormgeving van de Lodewijk XVI-stijl is te onderscheiden. Een gaaf bewaard voorbeeld van deze stijl biedt de hoeve "Defastré" te Kerniel. Borgloon telt talrijke voorbeelden uit het midden van de 19de eeuw.

Pas de tweede helft van de 19de eeuw kent een echte aansluiting bij de internationale stijlstromingen, met hun historicisme en eclectische vormentaal. Wat betreft het bestudeerde gebied dient rekening gehouden te worden met het feit dat het om een ruraal gebied gaat, waar in deze periode de stijlstromingen slechts schoorvoetend gevolgd worden, en waar eerder een grote soberheid overheerst, waarbij elke decoratie en ook de natuursteen uit de gevels verdwijnt.

De eerste helft van de 20ste eeuw kent omwille van het landelijke en traditionele karakter van het bestudeerde gebied in de eerste twee decennia voornamelijk een voortzetting van de 19de-eeuwse bouwstijlen. Door het stagnerende bevolkingsaantal wordt trouwens weinig gebouwd. Voorbeelden van vooruitstrevende architectuur zijn dan ook vrijwel onbestaande. Enkele voorbeelden uit de eerste decennia van de 20ste eeuw vertonen florale decoratie-elementen verwijzend naar de art nouveau. De beperkte stadsuitbreiding in de stationsbuurt in Borgloon kenmerkt zich, op een enkele uitzondering na eveneens door een groot traditionalisme. De schaarse voorbeelden van interbellumarchitectuur sluiten aan bij de toenmalige tendensen, met regionalistische inslag en late cottage-allure.

Hoevebouw

De hoevebouw is een utilitaire bouwwijze, afgestemd op het soort bedrijf dat erin uitgeoefend wordt. Hierin spelen verschillende factoren een rol.

De bodemgesteldheid is van doorslaggevend belang voor de omvang van het bedrijf. Het is duidelijk dat in de vruchtbaarste gebieden, in casu Droog-Haspengouw, de grootste hoeven voorkomen. In Vochtig-Haspengouw overheersen de kleine tot middelgrote bedrijven. Toch dient hier onmiddellijk opgemerkt, dat ook in Droog-Haspengouw, aangezien de landbouw tot het begin van deze eeuw vrijwel de enige economische activiteit van de bevolking was, een zeer groot aantal kleine bedrijven bestonden. Hiervan zijn weinig resten bewaard, vermits door het ontstaan van nieuwe werkgelegenheid bij het begin van deze eeuw alleen de grote bedrijven zich tot op heden wisten te handhaven. Het historische beeld is dan ook vertekend, als uit de huidige situatie zou geconcludeerd worden, dat in Droog-Haspengouw uitsluitend grote bedrijven voorkwamen. Het is wel zo dat zij de enige bewaarde zijn, en op een paar uitzonderingen na zijn zij nog alle in bedrijf.

Een tweede factor is van historisch-economische aard. De landbouwproductie was tot het midden van de 19de eeuw, en in sommige streken tot het einde van de eeuw voornamelijk gericht op zelfvoorziening. Hierdoor is het gemengde bedrijf de norm. Alleen de grote bedrijven kunnen vanaf de 18de eeuw een surplus voor de markt produceren.

Bij een gemengd bedrijf is het fragiele evenwicht tussen akkerbouw en veeteelt van levensbelang. De akkerbouw was afhankelijk van de veeteelt, aangezien deze instond voor de mestvoorziening, zonder dewelke de akkerbouw, vóór het gebruik van kunstmest, niet mogelijk was. De omvang van de veestapel was echter rechtstreeks evenredig met die van de gemene weidegronden, wat veronderstelde dat een groot gedeelte van het areaal diende braak te blijven, wat dan weer een rem betekende op mogelijke nieuwe ontginningen en uitbreiding van het akkerland. Hieruit blijkt nogmaals dat het merendeel van de bedrijven noodzakelijkerwijs zeer klein was. Een gemengd bedrijf veronderstelt de aanwezigheid van zowel schuren als stallen. De stalruimte was in verhouding tot de schuurruimte echter zeer beperkt.

Pas vanaf het midden van de 18de eeuw komt een eerste verandering in het landbouwsysteem onder invloed van de ontwikkeling van de agrarische technieken. Vooreerst was er een verbetering van de werktuigen, vooral van de ploeg. Productiemethode en oogstschema werden gewijzigd, onder meer door vruchtwisseling zonder braakligging van gronden. Betere bemesting werd bereikt door het telen van gewassen die als veevoeder gebruikt werden, zodat de veestapel kon vergroot worden en het vee langer op stal kon blijven; dit bracht een vergroting van de hoeveelheid mest met zich mee, waardoor het akkerareaal kon uitgebreid worden en de akkerbouw geïntensiveerd. Bovendien komt de verdeling van gemeenschapsgronden in de tweede helft van de 18de eeuw op gang. Door de toenemende industrialisatie op het einde van de eeuw wordt de consumptie en bijgevolg het afzetgebied voor landbouwproducten, in het bijzonder het Luikse industriebekken, groter. Deze ontwikkeling uit zich in de hoevebouw door vergroting van de stalruimte. Vanaf de 18de eeuw worden bij het bestaande gebouwenbestand nieuwe stallen toegevoegd.

Deze evolutie uit zich in de hoevevorm. Gesteld kan worden dat de primitieve hoeve, een klein, gemengd bedrijf, gericht op zelfvoorziening, een langgestrekte vorm had, waarbij alle functies, woonhuis, schuur en stallen, in één gebouw ondergebracht waren. Een vrij groot aantal van dit type bleef bewaard in de Vochtig-Haspengouwse gemeenten. De typische indeling is die, waarbij het woonhuis aansluit bij de stal, wat samenhangt met de indeling van het woonhuis. In zijn primitieve vorm bestaat dit uit twee naast elkaar gelegen vertrekken, de woonkeuken en de zogenaamde "kamer", in vele gevallen een opkamer, waaronder zich de kelder bevindt; meestal liggen achter deze kamers één of twee kleine slaapkamers, verlicht door kleine vensters in de achtergevel. De woonhuisdeur geeft toegang tot de woonkeuken, de kamer is via dit vertrek bereikbaar. De stookplaats bevindt zich in de wand tussen beide en bedient beide vertrekken. De stal was bereikbaar via de woonkeuken, waar het veevoeder bereid werd. In de tweede helft van de 19de eeuw evolueert de indeling van het woonhuis naar één waarbij de woonhuisdeur toegang geeft tot een centrale gang tussen woonkeuken en kamer; beide vertrekken zijn dan van een stookplaats voorzien. Deze indeling van het woonhuis en zijn evolutie geldt ook voor de woonhuizen van de hoeven met losstaande bestanddelen.

Bij uitbreiding van het bedrijf worden deze functies ondergebracht in aparte, losstaande of bij het kerngebouw aansluitende dienstgebouwen. Deze evolutie is duidelijk afleesbaar in het historisch kaartmateriaal: op de Ferrariskaart (1771-77), maar ook nog in de Atlas van de Buurtwegen (circa 1845) is het overgrote gedeelte van de hoeven van het langgestrekte type, of met losstaande bestanddelen.

De volgende stap in de evolutie, en voor de meeste hoeven gebeurt deze bij de uitbreiding van de veestapel, is de gesloten vorm: meestal behouden woonhuis en schuur hun omvang, maar de tussenliggende ruimten worden met stallen opgevuld. Er dient opgemerkt dat hierbij niet mag gedacht worden aan een sterke groei van de veehouderij, aangezien tot ver in de 19de eeuw de monocultuur, met name de graanteelt, kenmerkend was voor de landbouw; een groot deel van de stallen waren paarden- en schaapsstallen. In tegenstelling tot de hoeve met losstaande bestanddelen heeft de gesloten Haspengouwse hoeve een vrij gestandaardiseerde opstelling, waarvan slechts zelden wordt afgeweken: de inrijpoort, dikwijls ondergebracht in een monumentaal poortgebouw, ligt aan straatzijde, geflankeerd door stallen. In één van de haakse vleugels bevindt zich het woonhuis met een aansluitende stal. De tweede haakse vleugel, tegenover het woonhuis, is een stalvleugel; in de onmiddellijke nabijheid bevindt zich de mestvaalt. Het erf wordt achteraan afgesloten door de dwarsschuur; dit is een logische schikking om het manoeuvreren van de karren te beperken. Het bakhuis bevond zich traditioneel steeds buiten het erf, vanwege het brandgevaar.

In Droog-Haspengouw heeft de evolutie tot gesloten vorm zich reeds in de tweede helft van de 18de eeuw voltrokken: het - grote - aantal op de Ferrariskaart aangeduide, gesloten hoeven stemt overeen met het nog bestaande bestand, dat in sommige gevallen zelfs licht teruggelopen is. In Vochtig-Haspengouw gebeurt de evolutie tot gesloten hoeve veel minder frequent.

Een late evolutie, vooral vanaf de tweede helft van de 19de eeuw geeft het ontstaan aan de boerenburgerhuizen, waarbij het woonhuis losgemaakt wordt van het erf, en met de voorgevel aan de straat wordt geplaatst. Dit is ook het type van de stadshoeve, waarvan in Borgloon een vrij groot aantal bewaard bleven.

Een uitzondering op de gebruikelijke ontwikkelingsgeschiedenis tot gesloten hoeve vormen de hoeven van de adel en de grote kerkelijke instellingen. Een derde factor immers, die bepalend is voor de historische hoevebouw, is het grondbezit, dat in het ancien regime vrijwel volledig in handen was van de twee vermelde sociale klassen. In het bestudeerde gebied beschikten de abdijen van Herkenrode, Averbode, het kapittel van Sint-Servaas van Maastricht, de commanderij van Alden Biezen en verschillende kerkelijke instellingen in Luik over uitgestrekte domeinen.

Oorspronkelijk was het volledige areaal voorzien voor eigen gebruik, en werd bewerkt door horigen of religieuzen. Hoewel reeds vroeg, en in de meeste gevallen zeker vanaf de 15de eeuw, een gedeelte van deze gronden verpacht wordt, blijft een groot gedeelte gereserveerd voor eigen gebruik of voor de markt. Deze grote bedrijven waren immers reeds vroeg in staat een surplus te produceren. Op deze aanzienlijke arealen was het mogelijk grote bedrijven op te richten, die waarschijnlijk reeds vóór de 18de eeuw een gesloten vorm hadden aangenomen. Een goed gedocumenteerd voorbeeld is het Monnikenhof te Heks, dat in 1651 een belegering meemaakt en in 1694 een beleg doorstaat, waaruit blijkt dat het een verdedigbaar geheel was. Dit geldt ook voor de hoeve van Henisdael, Vechmaal, die in 1661 reeds als gesloten wordt voorgesteld. Vele van deze grote hoeven waren de zetel van een cijns- of laathof.

Bij de Franse bezetting worden de hoeven van de kerkelijke instellingen verkocht, echter niet in het voordeel van de pachters, die slechts zelden in staat zijn de hoeven die zij uitbaten te kopen. Het grootste gedeelte komt in handen van de hogere burgerij uit Luik en Maastricht. Hoewel onderzoek hieromtrent nog dient te geschieden schijnen de meeste hoeven slechts in de loop van deze eeuw in het bezit te komen van de uitbaters.

Nog tot circa 1870 wordt circa 70 % van het landbouwareaal benut voor de graanteelt. De concurrentie van de goedkopere, Amerikaanse granen, met als gevolg een crisis door de scherpe daling van de graanprijzen betekent tenslotte het definitieve einde van het gemengde bedrijf. De nood tot specialisatie geeft op het einde van de 19de eeuw aanleiding tot grondige structurele veranderingen. Het traditionele patroon van veeteelt in dienst van de akkerbouw wordt omgekeerd. Het accent verschuift van graan- en wolproductie naar de productie van slachtvee en de tuinbouw. Het verbouwen van voedergewassen neemt toe, en vele akkers worden omgezet in weidegronden; in Haspengouw wordt dit gecombineerd met de fruitteelt: in de weiden worden fruitbomen geplant. Boterproductie, varkensmesterij en kippenhouderij worden belangrijke inkomstenbronnen. De schapenteelt verdwijnt vrijwel volledig. Dit is het agrarische patroon dat de eerste helft van deze eeuw zal bepalen.

Een typische vorm van deze specialisatietendens kenmerkt de streek rond Borgloon, waar de fruitteelt vanaf het einde van de 19de eeuw uitgroeit tot een industrie, waarbij het historisch reeds omvangrijke boomgaardareaal zich in de loop van de eerste helft van deze eeuw steeds verder uitbreidt. Tot in de jaren 1950 was het landschap praktisch volledig met hoogstamboomgaarden beplant.

Openbare gebouwen

Het stadhuis van Borgloon is een gaaf bewaard en typisch voorbeeld van Maasstijl, gebouwd tussen 1668-1680.

De landelijke gemeenten behielden op vele plaatsen hun typische T-vormig gemeentehuis annex schoolgebouw met tegen de achtergevel aanleunend schooltje. De meeste dateren uit de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, en werden gebouwd in eclectische stijl (Jesseren, Opheers, Kortessem, Vliermaalroot). Een recenter voorbeeld is het voormalige gemeentehuis en -school van Heers, gebouwd in 1924 door J. Deré. Bij deze categorie gebouwen horen ook de katholieke schooltjes annex klooster, die in de 19de eeuw in de landelijke gemeenten worden opgericht zoals in Alken, Heks, Horpmaal, Mechelen-Bovelingen, Kortessem, en Vliermaalroot.

Kastelen

De primitieve, vroegmiddeleeuwse vorm van de adellijke en heerlijke residentie is de motte. Hoewel hiervan geen voorbeelden bewaard bleven, rest in Horpmaal nog de artificiële heuvel waarop de mottoren stond. De motte van Alken, Onze-Lieve-Vrouwstraat is gekend door opgravingen. Waarschijnlijk lag een motte ook aan de oorsprong van de burcht van Borgloon.

De mottoren is het eerste element van de burcht dat versteend wordt, en deze oudste donjons klimmen op tot de romaanse periode; zoals de kerken uit deze periode zijn ze opgetrokken in silex. Het enige behouden voorbeeld in het bestudeerde gebied is in Batsheers, waarschijnlijk daterend uit de 13de eeuw. Het type van de op defensie ingestelde, versterkte burcht kenmerkt de kastelenbouw tot de 14de eeuw. Deze burchten zijn gebouwd in mergel. Vele dienstgebouwen, en zeker de hoevegebouwen werden echter nog steeds in vakwerk opgetrokken, zoals blijkt uit de tekening van het kasteel Henisdael te Vechmaal. Het enige behouden voorbeeld uit deze periode zijn de resten van de donjon van het leengoed Wermerbos te Vliermaalroot, uit het derde kwart van de 14de eeuw. Ook de verdwenen burcht van Borgloon behoorde tot dit type.

De evolutie van defensieve burcht naar residentieel kasteel is af te lezen uit het merkwaardige kasteel van Heers in gotische stijl met renaissance-elementen, uit eind 15de - begin 16de eeuw, één van de belangrijkste voorbeelden van de kastelenbouw en de burgerlijke architectuur in het algemeen in de provincie. Het kasteel van Rijkel behield de woning van de herenhoeve uit de tweede helft van de 16de eeuw. Van de burcht van Henisdael bleef het versterkte poortgebouw van de hoeve bewaard, uit de tweede helft van de 16de eeuw. Het kasteel van Voort behield van zijn oude kern uit het einde van de 16de eeuw slechts het poortgebouw van het neerhof.

Deze evolutie zet zich door in de 17de eeuw. Zoals uit het historische overzicht blijkt kreeg de landbouwende bevolking de volle last van de verschillende oorlogsactiviteiten in deze periode te dragen. De adel daarentegen kreeg de kans zich in de eerste helft van de 17de eeuw aanzienlijk te verrijken door cumulatie van ambten en heerlijkheden, en door dienst te nemen in de legers van de Aartshertogen en de Spaanse koning, vooral echter van de keizer en de Katholieke Liga in Duitsland, zoals Wilhem III de Lamboy, die circa 1640 het kasteel van Dessener (Winterhoven) bouwde. Het voortdurend geldgebrek van de verschillende vorsten werd bestreden met het verlenen van ambten, rechten, heerlijkheden en adellijke titels. Ook in Luik worden in de oorlogsjaren grote winsten gemaakt door kooplieden en fabrikanten in de mijnbouw en metaalnijverheid, met het exporteren en verhandelen van oorlogsmateriaal. Vermogenden, onder meer kooplieden en leden van de stedelijke magistraat voornamelijk uit Luik en Maastricht, kopen landerijen waarop ze kastelen en kasteelhoeven laten bouwen. Vele van deze families verwerven in deze periode een adellijke titel, en komen naast of in de plaats van de oude adellijke families van de streek.

Waar de 17de eeuw in de woning- en hoevebouw dus een periode van stagnatie en achteruitgang is, kent de tweede helft van de eeuw, door de beschikbaarheid van gelden in de voorafgaande oorlogsjaren verworven, een grote bouwactiviteit op het gebied van de kastelenbouw.

De meeste van deze kastelen vervangen de oude burcht op dezelfde plaats. Het oorspronkelijke kasteel de Corswarem (Alken), waarvan alleen de dienstgebouwen resten, dateert uit het einde van de 17de eeuw. Het kasteel de "Grote Mot" in Borgloon dateert in kern van 1661. Het kasteel van Ruilingen, Borgloon dateert uit de eerste helft van de 17de eeuw, doch wordt in de jaren 1920 grondig "gerestaureerd" in historische stijl. Het kasteel van Terhove heeft een zeer oude inplanting, opklimmend tot de Romeinse periode; de huidige herenhoeve uit het begin van de 18de eeuw vervangt een kasteel uit de 17de eeuw. Het kasteel van Gorsleeuw, Gors-Opleeuw, bewaart grote gedeelten van het 17de-eeuwse gebouw. Het kasteel van Opleeuw, Gors-Opleeuw was een monumentaal complex uit deze periode, waarvan het eigenlijke kasteel vervangen werd door een 19de-eeuws gebouw. Het kasteel van Hoepertingen dateert uit het eerste kwart van de 17de eeuw, met neerhof uit het einde van de eeuw. Het kasteel van Rijkel wordt gebouwd in de tweede helft van de 17de eeuw, met incorporatie van de woning van de oude herenhoeve uit de 16de eeuw. Het thans verdwenen kasteel van Hovelingen was een gebouw uit de 17de eeuw, dat in laat-classicistische stijl verbouwd werd. De herenhoeve Fonteinhof, Gotem dateert uit de 17de eeuw, evenals het kasteel van Printhagen, Kortessem, uit de eerste helft van de 17de eeuw. Het Rood Kasteel te Guigoven verving in de 17de eeuw de oorspronkelijke burcht van de heren van Guigoven. Ook het kasteel Trockart te Ulbeek werd in de 17de eeuw gebouwd. Vrijwel geen van deze kastelen bleef volledig in Maasstijl bewaard; de meeste ondergingen min of meer ingrijpende verbouwingen in de volgende eeuwen. Vooral de verbouwing van de stenen kruiskozijnen tot grote, onverdeelde vensters in het begin van de 19de eeuw is typisch.

De stabiliteit die er na de vrede van Aken (1748) in het gebied komt uit zich in een hernieuwde bouwactiviteit. De meeste kastelen uit deze periode vervangen het oudere gebouw uit de 17de eeuw en worden gebouwd in de nieuwe, Franse stijl. Het zijn thans echte buitenverblijven, die elke defensieve functie verloren hebben. Het kasteel de Corswarem te Alken werd door deze familie gebouwd ter vervanging van het kasteel uit het einde van de 17de eeuw. Een classicistisch herenhuis vormde ook de kern van het kasteel d'Erckenteel te Terkoest (Alken). Het kasteel van Bommershoven, gebouwd tussen 1759-61 is één van de zeldzame voorbeelden waaraan geen ouder gebouw voorafgaat. Hetzelfde geldt voor het kasteel Bellevue, Gors-Opleeuw, een klein landhuis van 1764. Het kasteel van Hoepertingen wordt in 1763 verbouwd in classicistische stijl. Het thans verdwenen kasteel van Voort dateerde eveneens uit de tweede helft van de 18de eeuw. Het kasteel van Heks vervangt geen ouder kasteel, maar werd door prins-bisschop de Velbrück circa 1775 gebouwd als jachtverblijf; opmerkelijk is de gave bewaring van het interieur. Een vroeg voorbeeld uit de 18de eeuw (1743) is de herenhoeve van Heurne, Vechmaal. Van 1747 dateert het kasteel van Veulen, dat een ouder gebouw uit het einde van de 17de eeuw vervangt.

Een monumentaal voorbeeld uit de eerste helft van de 19de eeuw is de nieuwe vleugel van het kasteel van Gorsleeuw, Gors-Opleeuw in empirestijl. In laatclassicistische stijl werd het kleine kasteel van Heurne in het eerste kwart van de 19de eeuw bijgebouwd bij de oude herenhoeve. Eveneens uit het begin van de eeuw is het kasteel de Donnea te Guigoven, (1801-02), het kasteel Ridderborn te Vliermaalroot, en het kasteel Jongenbos te Vliermaalroot. De merkwaardige dienstgebouwen van het kasteel van Voort dateren uit de eerste helft van de 19de eeuw. De tweede helft van de 19de eeuw wordt gekenmerkt door een aantal kleinere kastelen/landhuizen. Het huidige kasteel van Opleeuw, Gors-Opleeuw vervangt een gebouw in Maasstijl. Het monumentale kasteel van Hulsberg, Borgloon is een uitzonderlijk voorbeeld van een zeer ruim kasteel uit deze periode. De merkwaardige dienstgebouwen van het kasteel van Bovelingen, Mechelen-Bovelingen dateren uit eind 19de - begin 20ste eeuw.

Al deze kastelen zijn omringd door hun parken, waarvan sommige een aanzienlijke oppervlakte beslaan (onder meer Voort, Heks en Veulen) en/of van een opvallende landschappelijke schoonheid zijn. Deze parken in landschapsstijl verdrongen vanaf de tweede helft van de 18de eeuw de traditionele hovingen, moestuinen, en parken in Franse stijl.

Naast het nog behouden grote bestand, dienen het grote aantal kastelen vermeld waarvan het bestaan bekend is, doch die in de loop der tijden verdwenen: zo de kastelen van Sassenbroek, Broekom; de burcht van Jesseren, bij de kerk; het belangrijke kasteel Montferrant te Batsheers; het kasteel van Gutschoven; de burcht van Henisdael, Vechmael, waarschijnlijk uit de 14de eeuw; de burcht van Horpmaal, bij de kerk, alleen gekend uit de toponymie; het kasteel van Pepingen, Mechelen-Bovelingen; het kasteel van Bovelingen, verdwenen in 1954-55; het kasteel Bellefroid te Heurne, Vechmaal, uit het laatste kwart van de 18de eeuw, verdwenen tijdens de Eerste Wereldoorlog; de burcht van de heren van Langdries, Ulbeek in 1315 verwoest.

INDUSTRIEEL EN PRE-INDUSTRIEEL ERFGOED

De landbouw is en was de belangrijkste economische bedrijvigheid in Haspengouw, waartoe het bestudeerde gebied volledig behoort. Zij geeft het ontstaan aan een aantal agrarisch verwerkende nijverheden, meestal gegroeid uit kleine, traditionele bedrijven en huisnijverheid.

Elke gemeente bezat van oudsher één of meerdere brouwerijen, waarvan het "Paanhuis" van Hoepertingen uit de 17de eeuw een voorbeeld biedt. Van deze talrijke kleine brouwerijen bleef alleen de brouwerij van Alken over, die na 1923 wist uit te groeien tot een grootschalige industrie, één der belangrijkste brouwerijen van het land, en sterk haar stempel drukte op de dorpskern van Alken. De Sint-Rochusbrouwerij te Ulbeek groeide vanaf 1890 uit tot een indrukwekkend complex, doch ging in 1936 uit bedrijf.

Een thans vrijwel volledig verdwenen, doch historisch voor het bestudeerde gebied zeer belangrijke, landbouwgebonden industrie was de stroopfabricage. De eerste historische vermelding dateert van 1742. Tijdens de 19de eeuw was de stroopstokerij de meest gangbare verwerkingsnijverheid voor fruit. Aanvankelijk was het een huisnijverheid, die in familiale context op de hoeven als nevenactiviteit werd beoefend. De specialisatietendens in de landbouw, die zich in de tweede helft van de 19de eeuw begint door te zetten, en de ontsluiting van het gebied door de aanleg van de spoorlijn Sint-Truiden - Tongeren via Borgloon in 1879, en de buurtspoorweg Hasselt-Orey, eveneens via Borgloon in 1899-1900 zorgde voor een schaalvergroting in de productie. Het hoogtepunt van de nijverheid situeert zich tussen 1914 en 1950, met uitlopers tot de jaren 1970. Borgloon kende de grootste stroopfabricage op industriële schaal; het is de enige industriële nijverheid die er enig belang heeft gehad. De drie grote stroopfabrieken, Wijnants, Wijnants-Groenendaal en Meekers bleven bewaard, doch zijn buiten bedrijf; alleen die van Wijnants-Groenendaal behield haar volledige productielijn. De afbraak van de stroopfabriek van de Société Anonyme La Grande Siroperie te Jesseren is aan de gang; alleen de directeurs woning bleef bewaard. De enige nog werkende stroopstokerij is die van Bleus in Wellen. Sporen van de kleinere bedrijven bleven op verschillende plaatsen bewaard, zoals te Groot-Loon, Grootloonstraat 101, de stroopstokerij Coenen, Nielstraat 21 en de stroopstokerij Rullecovenstraat 136-140 te Kerniel.

Een andere fruitverwerkende nijverheid is de fruitsapproductie. In 1940 werd in het Fonteinhof te Gotem begonnen met de Looza, thans uitgegroeid tot een grootschalige industrie.

Een sterk lokale nijverheid was de ontginning van de mergel- en silexgroeven, zoals besproken in het hoofdstuk over bodem en streekeigen materiaal.

De voornaamste drijfkracht werd geleverd door molens. De oudste vermeldingen van watermolens in het bestudeerde gebied klimmen op tot de 12de eeuw, de bewaarde gebouwen behielden in sommige gevallen als oudste resten hun kernen uit de 17de eeuw.

Op de Herk liggen vanaf de bron achtereenvolgens: de Hoenshovenmolen, de Engelingenmolen en de Hammolen, Hoepertingen, de Nieuwe Molen, Borgloon, de Oude Molen, Berlingen, de Wellermolen en de Graetmolen, Wellen, de Groenmolen en de Nieuwe Molen, Alken. Op de beken die de Herk voeden liggen de Wijngaardmolen en de Sassenbroekmolen, Broekom, en de watermolen van Heks.

Op de Mombeek liggen de Kroesmolen, Vliermaal, de Wintershovenmolen of Coenegrachtsmolen, Wintershoven, de Rootmolen, Vliermaalroot, en de Bombroekmolen en de Luimertingenmolen, Kortessem. Al deze molens zijn onderslagmolens, behalve die van Heks, die van het bovenslagtype was. Enkele molens behielden nog het houten molenrad of het originele houten aandrijfwerk. De meeste werden echter tussen circa 1880-1920 heringericht met een ijzeren of stalen rad en een gietijzeren loopwerk. In het begin van deze eeuw werd een aantal waterraderen vervangen door een waterturbine-inrichting voor een hoger rendement.

De enige windmolen, waarvan resten bewaard bleven is de die van Vliermaal (Hoogveldstraat).

Transportinfrastructuur. Reeds in 1715 wordt begonnen met de aanleg van de steenweg van Luik naar Sint-Truiden. De steenweg Hasselt-Tongeren over Kortessem dateert van circa 1740. De steenweg van Sint-Truiden naar Tongeren-Maastricht wordt aangelegd in 1819-1820; hij vervangt de, oude verbinding via de Romeinse heirbaan Cassel-Tienen-Tongeren. De steenweg van Sint-Truiden naar Hasselt, die door Alken loopt, was een oude verbindingsweg, die in 1840 wordt rechtgetrokken en gekasseid. De steenweg Waremme-Vliermaal wordt aangelegd in 1871. De weg van Herk-de-Stad over Alken naar Borgloon wordt aangelegd in 1877. De weg van Diepenbeek naar Kortessem dateert van 1859, die van Kortessem naar Borgloon van 1881. De steenweg van Wellen naar Zepperen dateert van 1912.

De spoorlijn Landen-Sint-Truiden-Hasselt werd aangelegd door de "S.A. de Tournay à Jurbise et de Landen à Hasselt", tussen 1845 en 1847; zij doorkruist de gemeente Alken, met behouden station in deze gemeente. Deze lijn functioneert nog steeds.

De spoorlijn Sint-Truiden-Tongeren werd aangelegd in 1878-1879. Oorspronkelijk was er alleen een station in Borgloon. In het begin van deze eeuw kregen ook Hoepertingen en Jesseren een station. De uitbating van de lijn stopte in 1957; in 1970-71 werden de sporen opgebroken over heel de lijn. Het tracé is nog steeds in het landschap te onderscheiden; ook resten van de bruggen bleven bewaard. Van de stations bleef alleen dat van Jesseren bewaard.

Verschillende lijnen van de buurtspoorweg doorkruisten het gebied: de lijn Hasselt-Oreye, waarvan het gedeelte Hasselt-Borgloon werd geopend in 1899, het gedeelte Borgloon-Oreye in 1900; Tongeren-Kortessem, geopend in 1904, aansluitend bij de vorige lijn; en Sint-Truiden-Oreye, geopend in 1892. Het baanvak Kortessem-Oreye op de lijn Hasselt-Oreye werd opgebroken in 1917 door de bezetter, maar heraangelegd in 1920. De lijnen Hasselt-Oreye en Tongeren-Kortessem werden afgeschaft in 1949, de lijn Sint-Truiden-Oreye in 1956. Van dit wegennet en de infrastructuur bleven een aantal tramstations bewaard, zoals te Heks, en in het landschap sporen als tracés, bermen, bruggen en resten ervan.


Bron     : Pauwels D., Schlusmans F. met medewerking van Muyldermans E. & Rombouts J. 1999: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kanton Borgloon, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N4, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Pauwels, Dirk, Schlusmans, Frieda
Datum  : 1999


Relaties