Kasteelpark van Wespelaar

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Haacht
Deelgemeente Wespelaar
Straat Grote Baan
Locatie Grote Baan 75-77 (Haacht)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie tuinen en parken in het Hageland - Noordoosten van Vlaams-Brabant (geografische inventarisatie: 1997 - 2007).
Toegankelijkheid Niet toegankelijk

Juridische gevolgen

Beschrijving

Vroege landschappelijke ('Engelse') tuin van 17 hectare, aangelegd in 1797 naar ontwerp van Ghislain Henry rond een middeleeuwse kasteelmotte; oranjerie, kunstmatige grot, talrijke beelden en 'fabriekjes': Chinese kiosk, Floratempel, piramide en – vanaf 1817 – een 'Elyseum' met borstbeelden van belangrijke historische figuren en een obelisk; bouw van een uitbundig eclectisch kasteel in 1882, gevolgd door een algemene versobering van het park (verdwijning van de meeste beelden en het 'Elysium', behalve de obelisk); het kasteel van Beyaert werd in 1955 vervangen door een sober landhuis; één van de belangrijkste historische kasteelparken van België.

Voorgeschiedenis

Op 5 augustus 1796 werd het kasteeldomein van Wespelaar, samen met nog andere landerijen in de gemeente, voor 30.000 gulden verkocht. De transactie omvatte ook het "regt van collatie van alle de Benificien" van de parochie, waardoor de koper een beslissende stem had bij de benoeming van de pastoor, kosters en kapelaans. Dit recht werd als onderdeel van het oude regime enkele weken later, samen met alle kerkelijke instellingen, door de Franse overheid afgeschaft. Het domein omvatte "het casteel met syne dobbele wallen, met de stallingen, remisien, schuere ende voordere batimenten daerinne wesende, met de hovingen, vyvers, wandelingen, bosschen, dreven, boomgaard ende panden daer aen annex [...], groot samen dryenviertig bunderen dry dagmaelen ende achtendertig roeden". De nieuwe eigenaar was een soort van familiale vennootschap bestaande uit de kinderen van meester-brouwer Adrianus Artois: Leonardus, Joannes, Catharina, Maria en Joanna-Maria Artois – eigenaars van de brouwerij 'De Horen', op dat ogenblik de belangrijkste Leuvense brouwerij. De vennootschap was in 1785 opgericht onder impuls van Mathieu Verlat, ex-kanunnik en ex-hoogleraar, vriend des huizes van de familie, zakelijk adviseur en voogd van de jongste Artois, Joanna-Maria (1762-1840). De familie Artois verbleef in feite al sinds 1786 te Wespelaar, toen Verlat het domein voor twaalf jaar had gehuurd van Jean-Joseph Walckiers, de toenmalige eigenaar (een groot deel van de historische gegevens – ook het citaat uit de verkoopakte – is afkomstig uit R. Casteels).

De oorsprong van het kasteeldomein gaat terug tot de heerlijkheid Overbeke, voor het eerst vermeld in 1238, de belangrijkste van de vier heerlijkheden te Wespelaar. De primitieve vorm van het domein – een ronde, dubbel omwalde, hoog-middeleeuwse watermotte – is ondanks talrijke wijzigingen nog steeds herkenbaar. Op het ogenblik van de verkoop moet het kasteeldomein er als volgt hebben uitgezien:

De buitenste gracht beschreef een onregelmatige vijfhoek van bijna 6 hectare; de binnenste gracht vormde ten zuiden van het kasteeleiland een grote waterpartij. De Ferrariskaart (1771-1775) toont een ronde uitstulping in de zuidelijke oever, mogelijk een relict van een symmetrische, getrapte spiegelboog, een geliefd motief in barokke en classicistische ontwerpen. Op een geëtste kaart van Wespelaar, opgemaakt door Franse militairen in 1747, wordt dit motief overigens uitdrukkelijk weergegeven (deze kaart bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek). De ruimte binnen de grote omgrachting wordt op de Ferrariskaart grotendeels als tuin weergegeven, verdeeld in een zevental compartimenten, met een kleine boomgaard ten noorden van het kasteel. Twee min of meer evenwijdige dreven verbinden de kasteelsite met de kronkelende oude weg Mechelen-Leuven, een honderdtal meter van het kanaal Leuven-Rupel, dat toen amper twintig jaar oud was. Het kasteel zelf wordt op de Ferrariskaart weergegeven met een L-vormig grondplan aan de oostrand van het eiland. Aan de andere zijde wordt een klein dienstgebouw afgebeeld. Het kasteeleiland was – zoals nu nog – vermoedelijk toegankelijk vanuit het noordoosten, maar de Ferrariskaart, die wat dit blad betreft nog andere onnauwkeurigheden vertoont, geeft daarover geen uitsluitsel. Op de eerste officiële kadasterkaart, opgesteld door J.L. Voncken in 1819, wordt het L-vormige kasteelgebouw opnieuw afgebeeld maar in een nieuwe context.

Het ontwerp van Müller

Een eerste verfraaiingsontwerp werd in 1766 opgesteld door een in Mechelen gelegerde Oostenrijkse artillerieofficier, Nepomuk Müller. Dit ontwerp, afgebeeld in een diepgaande studie over het park van Wespelaar door Xavier Duquenne, voorzag in een uitbreiding en heraanleg van het bosgebied tussen het kasteel en het kanaal (met volledig parallelle dubbele dreven). De tekening suggereert een vreemd labyrintisch patroon van paden die het hele bosgebied doorkruisen. De breedste (westelijke) van de dreven ligt in één as met het kasteeleiland en de slotgracht, waarvoor een symmetrische en barokke, bijna rococoachtige vorm werd bedacht. De vijver zou met een spiegelboogvormig uiteinde aansluiten bij de as doorheen het bos. De centrale as wordt ten noorden van het kasteel (onderaan op het plan) verlengd in het padenkruis van een ruitvormig ereplein, waarvoor een eigenaardig dichte beplanting volgens rasterpatroon én een fontein werden voorzien. Een geometrische parterretuin zou in het verlengde van de tweede (oostelijke) dreef komen te liggen. Opmerkelijk is dat aan de gebouwen en de toegangsbrug, die er zowat als 'Fremdkörper' bijliggen, niets wordt gewijzigd. Volgens Duquenne werd dit ontwerp slechts ten dele uitgevoerd, maar wat dit impliceert wordt niet verduidelijkt.

Henry en het voorontwerp voor een Engelse tuin

De revolutie in de tuinarchitectuur die zich tijdens het tweede kwart van de 18de eeuw in Engeland had aangekondigd, bereikte rond 1770 ook het continent, hoewel er vroeger al tuinen werden ontworpen met onregelmatige of 'verwilderde' compartimenten, eerder bedoeld als contrast – symbool voor chaos – binnen een formele, barokke of rococo aanleg, niet als natuurnabootsing of -verrijking op zich. Maar ook de latere Engelse tuinen beslaan dikwijls slechts een deel van een domein, waarin regelmaat en symmetrie als hoofdstructuur behouden bleven. De omvorming van regelmatige geometrische tuinen naar 'natuurlijk' golvende contouren en tracés was zelden radicaal; nieuwe Engelse tuinen weerspiegelden vaak nog in hoge mate de oude straklijnige structuren (zie onder meer het vogelperspectief van het park van Laken in een aquarel van Le Febvre uit 1788). De eerste echte, als dusdanig erkende 'jardin anglais' in onze contreien duikt op in Schaarbeek in 1765.

Toonaangevende vroege Engelse tuinen in de regio zijn het noordelijk gedeelte van het Arenbergpark te Heverlee (1771), het kasteelpark van Laken (1781) en de 'Drie Fonteinen' bij Vilvoorde (1778). Wespelaar is een van de laatste opmerkelijke creaties in de 18de eeuw.

Een 'Projet des jardins pour la campagne de Wespelaer à la maison d'Artois de Louvain', dat gedeeltelijk ook werd uitgevoerd, wordt toegeschreven aan Ghislain Joseph Henry (1754-1820). Henry was de architect van het kasteel van Duras bij Sint-Truiden (1790), het kasteel Zangerij te Eigenbilzen, het koninklijk paleis te Brussel en andere neoclassicistische en empiregebouwen. Met Wespelaar was hij niet aan zijn proefstuk als ontwerper van tuinen: in 1785-1786 legde hij een Engelse tuin aan in de commanderij van Alden Biezen en in het kasteeldomein van de hertog de Beaufort Spontin te Beauraing (provincie Namen). Het voorontwerp van Wespelaar en de uiteindelijke aanleg werden waarschijnlijk ook mee bepaald door Mathieu Verlat. Verlat zou zich hebben laten inspireren door abbé Jacques Delille (1735-1813), leraar, vertaler (Milton, Vergilius…) en auteur van stichtelijk, semi-romantisch dichtwerk zoals 'Les jardins, ou L'art d'embellir les paysages' (1782), toen erg in de smaak.

De primitieve kasteelsite met het L-vormige kasteel op de middeleeuwse motte en de vijfhoekige buitenste ringgracht zou bewaard blijven, maar de oevers – vooral die van de vijver rond het kasteel – moesten meer 'natuurlijke', kronkelige contouren krijgen. De landbouwgrond ten westen van het oorspronkelijke park moest in de aanleg betrokken worden, waardoor de oppervlakte met meer dan één derde zou worden uitgebreid. Het ontworpen reliëf, weergegeven door schaduwpartijen, ondersteunt de ontworpen perspectieven en zichtlijnen, die in stippellijn worden weergegeven en de interessante punten met elkaar verbinden: het kasteel, de grote boogbrug, de Floratempel, de Chinese kiosk enzomeer. De meeste 'fabriekjes' die in het ontwerp worden aangegeven werden ook daadwerkelijk gebouwd. Dit geldt ook voor het serregebouw en de ommuurde moestuin ten noordwesten van het kasteel.

Ten oosten van het kasteeleiland (links op het ontwerp) wordt een regelmatige tuin afgebeeld, bestaande uit vier trapeziumvormige compartimenten, die herinnert aan de door Müller ontworpen parterretuin. Het moet oorspronkelijk de bedoeling zijn geweest om het park tot aan het kanaal door te trekken. Het bosgebied zou worden gerooid, de twee parallelle lanen voorzien in het plan Müller zouden tot aan het kanaal worden doorgetrokken en een slingerende waterloop zou het grachtenstelsel van het park verbinden met een vijver naast het kanaal, die ook als waterreservoir voor de kasteelvijvers en -grachten zou fungeren. Een rond paviljoen op de kanaaldijk zou het eindpunt vormen van één van de zichtlijnen vanuit de kasteelsite. Dit gedeelte van het voorontwerp werd niet uitgevoerd; de lusttuinen, lustbossen en lustvijvers bij het kasteel van Wespelaar zullen nooit verder reiken dan halverwege het kanaal en volgens het kadaster een oppervlakte beslaan van 17 hectare.

Schilderachtig, elegant en leerzaam

De aanleg van de Engelse tuin werd aangevat niet lang na de aankoop van het domein, op 10 februari 1797. De toelichting bij een litho met een gezicht op het park van Wespelaar in een soort van reisgids uit 1825, vat de essentie van de 'Engelse' of vroege landschappelijke tuin voorbeeldig samen: "Lorsque la nature par elle-même n'offre point à nos regards cette grandeur et cette variété pittoresque, qui étonne et qui séduit l'imagination, on en recherche avec empressement une faible image dans ces jardins elégans, où le génie anglais a su réunir une foule d'objets dignes d'intéresser". Wespelaar wordt geciteerd als een van de meest geslaagde voorbeelden.

Aan interessante voorwerpen was er alleszins geen tekort, vooral nadat in 1817 onder impuls van Jean-Baptiste Plasschaert (1769-1821), echtgenoot van Joanna-Maria Artois, een 'Elysium' werd toegevoegd. Plasschaert, zoon van een Brusselse advocaat, had een bewogen ambtelijke carrière achter de rug, hij bekleedde als overtuigd aanhanger van het nieuwe regime onder het keizerrijk diverse belangrijke posten en was met het 'Légion d'honneur' onderscheiden. In 1814 legde hij, na een dramatische gijzelingsepisode, zijn ambt als burgemeester van Leuven neer en huwde (onder een stelsel van scheiding van goederen) met Joanna-Maria, de jongste, toen al 52-jarige Artois. Na de dood van haar oudste broer Leonardus in datzelfde jaar, had zij de leiding van het bedrijf in handen gekregen. Het lidmaatschap van de tweede kamer van de Staten-generaal van het Koninkrijk der Nederlanden vormde een kortstondige epiloog voor Plasschaerts politieke carrière. In 1821 stierf hij aan een beroerte, niet lang na de dood van zijn vriend en geestesverwant, Mathieu Verlat.

Nog geen tien jaar na het begin van de aanleg was het park van Wespelaar al zo vermaard, dat keizerin Joséphine, die toen op het kasteel van Laken verbleef, in hoogsteigen persoon op bezoek kwam. In 1833 werd een wandelgids voor het park van Wespelaar gepubliceerd van de hand van archeoloog-historicus-archivaris Antoine Schayes (1808-1859). Volgens deze gids voer elke morgen een "gerieflijke en elegante" trekschuit van Leuven naar Mechelen. Ter hoogte van Wespelaar, bij het classcistische, door Henry ontworpen lustpaviljoen, ingericht als bezoekerscentrum met eetgelegenheid (nu een ruïne), konden de passagiers aan land gaan en via de huidige 'Kanaaldreef ' (de oostelijke en enige overblijvende van de twee parallelle dreven) het park bereiken. Vanaf 1837, na de ingebruikname van de spoorlijn Leuven-Mechelen (oorspronkelijk gepland doorheen de toegangsdreef tussen het kasteel en het dorp) en de inrichting van een halte 'Wespelaar-Tildonk' waar de treinen stopten vanaf 1 mei tot 1 oktober, kwam de bezoekersstroom uit noordelijke richting. De belangstelling werd in de daaropvolgende jaren door allerlei publicaties sterk aangewakkerd, niet het minst door de 'Atlas pittoresque des chemins de fer de la Belgique' van de Brusselse stadarchivaris en historicus Alphonse Wauters. De toeristen werden niet meer opgevangen in het paviljoen aan het kanaal, maar in een café nabij het station, waar ze entreetickets en een boekje met uitleg konden kopen. Het aspect van educatief pretpark was prominent aanwezig en vormde Europees gezien helemaal geen uitzondering: de oudste 'toeristische' tuingids werd gepubliceerd in 1732 en betreft het park van Stowe (Engeland), een landschappelijk park met talrijke 'follies'.

Op een van de litho's van Jobard uit de vroege jaren 1820 is het kasteel vanuit de verte zichtbaar: een sober, tweelaags gebouw onder een zadel- of schildak met een dakruiter en dakvensters om de twee traveeën. Rond 1850, onder het eigenaarschap van Albert Marnef, universeel erfgenaam van Joanna-Maria Artois, werd de noord-zuidgerichte vleugel van het kasteel afgebroken en de resterende vleugel herbouwd volgens een min of meer symmetrisch grondplan.

De grot en de beelden

De Primitieve kadasterkaart, voltooid door J.L. Voncken in 1819, geeft een eerste duidelijk beeld van het Engels park, inclusief het toen pas voltooide 'Elysium'. Zoals in het voorontwerp was beschikt, bleef de oude structuur (de grote vijfhoek, het kasteeleiland, de noordoostelijke toegangsbrug) bewaard, maar in een vervaagde vorm. De aanlegelementen, beelden en 'architectura minor' die Schayes beschreven had, zette Casteels uit op de zogenaamde Poppkaart, een kadastrale assemblage op schaal 1/5000 die de situatie in 1860 weergeeft.

De toegangsbrug over de buitengracht bevond zich nog zoals in de 18de eeuw ten oosten van het kasteel. Het is een rechte brug op ijzeren liggers en gekoppelde, gecanneleerde Dorische zuilen en een smeedijzeren balustrade (kwartbogen tussen de stijlen en een dubbele handgreep), langs de kasteelzijde gevat tussen twee natuurstenen pijlers met ingediepte voegen en acanthusknop. De oranjerie, eveneens ontworpen door Henry, werd verschillende keren verbouwd, maar behield waarschijnlijk haar oorspronkelijke zuidgevel met de drie typisch classicistische rondbogen, Franse voegen, guirlandes en proporties. Stilistisch verwant hiermee is het paviljoen aan de vaart, momenteel een ruïne. Binnen de grote ringgracht bevond zich een 'Chinese' kiosk – achthoekig, een tweelaags pagodedakje met uitgezwenkte hoeken en belletjes, op een stenen, onderkelderde sokkel. Chinoiserie in tuinen was vooral populair geworden na de publicatie in 1757 van 'Designs of Chinese Buildings' door William Chambers, ontwerper van de pagode van Kew. Er bestaat een ontwerp voor de aanleg van de onmiddellijke omgeving van de kiosk.

De als rotspartij aangelegde zuidwestelijke punt van het 'eiland' (afgebroken in 1882, zie verder) werd door een lange 'Chinese' boogbrug verbonden met een grote, als grot ingerichte rotspartij op het 'vasteland', waar zich het gros van de 'fabriekjes' bevond. Lithografieën met een gezicht op deze 'rotskloof ', de grote houten boogbrug, de rotspartij met de grotten en de treurwilg – zwanen, herten of biedermeierfiguurtjes op de voorgrond – werden in de 19de eeuw herhaaldelijk gepubliceerd. Blikvanger bij uitstek was (en is nog steeds) een Floratempeltje op een lichte verhevenheid 200 m ten westen van het kasteel. Het is ook een ontwerp van Henry en behoort tot de standaardaankleding van de meeste Engelse tuinen uit de 18de en het begin van de 19de eeuw: een typische 'tholos' op Dorische zuilen met een koepeldak, een caissongewelf, een entablement met trigliefen en metopen, een prachtige marmeren vloer. Geen verspilling, nut en sier verenigd, want onder de tempel bevindt zich een kelder om fruit te bewaren! Momenteel herbergt het tempeltje een kopie van de witmarmeren kopie van de 'Flora Farnese' door Gilles-Lambert Godecharle, die in 1957 naar het kasteel verhuisde.

De beeldhouwer Godecharle (1750-1835), vooral bekend om kopieën van grote meesters, vervaardigde tussen 1791 en 1822 de negen beelden en zeven beeldengroepen die het park bevolkten, voor het merendeel geïnspireerd op de Grieks-Romeinse oudheid (Belisarius, Apollo Belvedere, Mercurius, Pan en Syrinx, Bacchus en Ariadne, Amor en Psyche, Venus...) en – op het Florabeeld na – in Franse natuursteen. Uit zijn atelier zijn ook de 37 borstbeelden van het 'Elysium' afkomstig (zie verder). Het Florabeeld is het enige dat zich nog in Wespelaar bevindt.

De grot aan de zuidwestelijke oever van de kasteelvijver, gemetseld uit diverse soorten zandsteen en – wat betreft de (onder aarde en vegetatie) verborgen gedeelten – baksteen, behoort samen met die van Attre (provincie Henegouwen), het Boekenbergpark te Deurne en het domein De Drie Fonteinen te Vilvoorde tot de grootste en meest spectaculaire artificiële grotten van België. De toegangen, kamers, tunnels en overstroomde gedeelten werden in kaart gebracht door Duquenne, die ook op de onverwachte douches die de bezoeker te beurt vielen en de rol daarvan: "Dit soort grappen was vooral in oudere tuinen, zoals aan de toegangspoort van het park van Edingen, bedoeld om de strenge beleefdheidsregels wat af te zwakken en het gezelschap wat losser te maken. De hilariteit die de sproeiertjes veroorzaakten was slechts één van een hele reeks ongewone belevenissen die de bezoeker in de grot ondervond zoals koude, isolement, angst, verrassing, inspanning, vooruitgang of verwondering". Naast het amusementsaspect was er ook de diepere symboliek, de impliciete verwijzing naar de grotmetafoor van Plato – de grot als antiek symbool voor de zintuiglijk waarneembare wereld, en ook een erotische dimensie: hoogtepunt van een bezoek aan de grot was de confrontatie in het halfduister met de slapende hermafrodiet, een kopie door Godecharle uit 1811 van de beroemde 'Hermafrodiet Borghese'.

De Piramide van Wespelaar

De piramide en de andere fabriques in het park van Wespelaar zijn ontworpen door de Brusselse architect Ghislain Joseph Henry die er een aantal maçonnieke symbolen in verborg. Die symboliek volgt uit de egyptomanie van de 17de en 18de eeuw, met als protagonist de Duits-Romeinse jezuïet Athanasius Kircher en zijn driedelig werk uit 1655: Oedipus aegyptiacus, over de Egyptische mythen en symbolen. Voor hem stelden obelisken en piramides de engelenwereld voor, de vebinding van God (de top) naar de aarde (de basis) en het onderaardse. De vier zijden symboliseren de vier elementen. Obelisken en sommige piramides zijn afgeknot en bekroond door een kleine stompe piramide met gelijkzijdige driehoeken als zijden, wat het verband tussen top en God benadrukt.

De vorm van deze piramide is bepaald doordat een diagonaal van de basis en de twee aanliggende opstaande ribben een gelijkzijdige driehoek vormen (op de afknotting na). De oriëntatie van het bouwwerk is zo dat de deuropening in de richting van de opgaande zon wijst, op de dag van de zomerzonnewende. De afknotting is alsof de piramide moet passen in de kubus opgericht op haar basis. De verdeling tussen onderen bovenkamer verdeelt de afstand basis-top volgens de harmonische verhouding 1,618... tot 1 (de zogenaamde gulden snede). De verhouding 1 tot 1⁄2 van de onderkamer tot de bovenkamer kan gezien worden als de aanzet van de rij 1, 1⁄2, 1⁄4,... waarvan de som 2 is. De maten zijn zo gekozen dat de som van de hoogtes convergeert naar de top van de piramide. De gebruikte maatstaf is de Brabantse voet van 0,27575 meter; de diagonaal, en dus de ribbe, van de piramide is 32 voet, de diameter van de kamer is 12 voet. De kamer vertoont twee merkwaardige geluidseffecten; Zoals bij elk bolvormig gewelf wordt de stem van een spreker bij de wand opgevangen door het gewelf en gebundeld naar een punt aan de overkant, het zogenaamde fluisterpunt. Er is een duidelijke galm, zoals in elke ruimte met naakte muren. Spreekt men echter in het centrum, naar boven toe, dan verdwijnt de galm volledig: het gewelf focusseert het geluid naar beneden doch de vloer weerkaatst het naar boven, in de opening, waar het ontsnapt. Auteur: Frans Cerulus

De Elyzeese Velden

Het grootste gedeelte van de gids van Schayes gaat het 'Elysium' dat door Plasschaert werd geconcipeerd en in 1816-1817 aangelegd. Het grachtenstelsel werd daartoe 300 m in zuidelijke richting uitgebreid, waardoor de oppervlakte van de Engelse tuin nagenoeg verdubbelde. Op een rond, bebost eiland – 1 hectare 65 are 40 centiare groot – in het uiterste zuidwesten werden 37 beeldhouwwerken, eveneens werk van Godecharle, opgesteld. Het eiland was toegankelijk vanuit het noordoosten via een bootje in de vorm van een zwaan dat rond zijn as draaide, uiteraard dat van de mythologische veerman Charoon. De kermisattractie was nooit ver weg. De iconostase op de 'Elyzeese Velden' bestond voor het merendeel uit figuren uit de literaire, filosofische en wetenschappelijke wereld – van Homerus over Plato en Corneille tot Voltaire, Rousseau en Schiller – maar ook enkele staatslieden zoals Frederik II de Grote (die ook niet onverdienstelijk fluit speelde en componeerde), George Washington, koning Willem I en – betekenisvol voor de politieke sympathieën van Plasschaert – Napoleon Bonaparte ('bien étonnés de se trouver ensemble'). Alphonse Wauters betreurde de afwezigheid van Mozes, Julius Cesar en Dante. De idee van een galerie van beroemdheden of grote figuren past volledig in het educatieve project dat in de vroege landschappelijke parken prominent aanwezig is. Prototype was een valleitje dat William Kent in 1735 ontworpen had in het park van Stowe (Buckinghamshire, Engeland) met een 'Temple of Ancient Virtue' aan de ene kant en een galerij met borstbeelden van 'British Worthies' aan de andere kant, gescheiden door een rivier: de Styx. Directe inspiratie heeft Plasschaert waarschijnlijk geput uit het voorbeeld dat graaf Coloma aan het einde van de 18de eeuw in zijn tuin bij Mechelen had laten aanleggen.

Op de Primitieve kadasterkaart (1819) wordt het 'Elysium' van Wespelaar bijna figuratief afgebeeld: de 37 borstbeelden staan in een grote cirkel langs de oever van het eiland en langs een diametraal dwarspad. In het middelpunt van het eiland staat een obelisk, 10,5 m hoog, inclusief het topstuk: een metalen ring gevormd door een staartbijtende slang, de Ouroboros, het symbool van onsterfelijkheid. Het opschrift in vergulde bronzen letters "Immeritis mori" en verzen uit de Aeneis van Vergilius (in het Latijn en – vrij vertaald door Delille – het Frans) gegraveerd in het voetstuk, beklemtonen de idee van deugd en onsterflijkheid. Het park van Wespelaar was zwanger van symbolen, waarschijnlijk ook maçonnieke want Plasschaert bekleedde een hoge functie in de vrijmetselarij. Het 'Elysium' verdween, op de obelisk na, in 1897 toen de beelden werden verwijderd. Enkele beelden belandde in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel. Op de stafkaart van 1909 wordt de ringgracht niet meer afgebeeld, maar een gedeelte van het tracé is nog als greppel herkenbaar.

'Physique amusante'

In het park van Wespelaar staat een tweede, op het oude Egypte geïnspireerde constructie, eveneens deel van de oorspronkelijke lay-out: een piramide. Ook hier worden nut en sier vermengd want onder de piramide bevindt zich een ijskelder. De piramide is opgetrokken uit zandsteen, heeft een afgeknotte top en een vierkante basis van 6,20 meter zijde, tevens de hoogte van het gebouw. De binnenruimte bestaat uit twee bouwlagen: een gelijkvloerse verdieping met vier rondboognissen, een vloer van roze, wit geaderde marmer en een gat in het plafond, dat uitgeeft op een koepelvormig 'zoldertje' met vier halfronde openingen.

Duquenne wijst op de 'Egyptische' mode die vanaf het einde van de 18de eeuw de tuinarchitectuur, de decor- en interieurontwerpen en, na de Egyptische veldtocht van Napoleon, de hele architectuur overspoelde en uitdrukking kreeg in de empirestijl. In een naschrift wijst Duquenne er bovendien op dat de piramide verbonden was met de cultus van Osiris, de mythologische uitvinder van het bier. De piramide van Wespelaar was misschien dus ook een ode aan het bier, waarop de familie Artois haar fortuin had gebouwd. In de onmiddellijke omgeving stond trouwens een beeld van Bacchus. Maar misschien is er nog een derde aspect, met name de akoestiek. Fysische proeven en demonstraties van geïnduceerde natuurverschijnselen waren een geliefkoosd tijdverdrijf in de 18de eeuw; zij leken eerder op goochel- of variéténummers en werden soms als 'physique amusante' omschreven. Wie zich pal onder het gat in het centrum van de piramide opstelt en spreekt of roept, vangt niet zoals gebruikelijk de echo's op van zijn eigen stemgeluid; het geluid komt als het ware vanuit het diepste binnenste van het lichaam, vanuit de 'plexus solaris' – een uiterst vreemde gewaarwording. Geluiden die worden gemaakt vanuit de nissen, worden daarentegen als versterkte echo's weergegeven.

Het serregebouw en de moestuin

Aan de noordwestrand van het park lagen de moestuin en het serregebouw (respectievelijk de Primitieve percelen 369 en 368) – een lang, smal, oranjerieachtig gebouw van baksteen met negen hoge rondboogramen, ontworpen door Henry. Het werd ettelijke keren verbouwd, maar de essentie bleef behouden. De roem van Wespelaar – vooral in de vroegste periode (keizerin Eugenie, De Candolle) – was in niet geringe mate verbonden met de collectie exotische planten in de serres, zoals ananas. In de beschrijving van de moestuin door Schayes is er sprake van een beglaasde bijenkorf, een zonnewijzer met een vers van Plasschaert of door hem gekozen ("Vous qui vivez dans cette demeure,/ Etesvous bien? Tenez-vous-y,/ Et n'allez pas chercher midi/ A quatorze heures") en een bronzen kanonnetje dat op het middaguur automatisch knalde. De moestuin werd aan de westzijde begrensd door een classicistisch portiek van latwerk, dat de toegang vormde tot een lustbosperceeltje (perceel 344). De oude moestuin van het kasteel van Wespelaar werd in 1983 heraangelegd naar ontwerp van Jacques Wirtz – niet helemaal onterecht in een tuingids omschreven als "genereus, barok, in de stijl van de palazzotuinen van Firenze" – kleinschalig, vol verrassingen, met schelpen omrande waterbekkens en fonteinen, bemoste paden tussen groene kamers van gesnoeide buxus en taxus met vaste planten en bloeiende struiken, vazen, beelden, zitbanken, potten met citroenboompjes en agapanthus... Merkwaardig is het interieur (met lijsten en guirlandes gevormd uit schelpen) van de tot paviljoen omgebouwde broodoven aan het oostelijke uiteinde.

Beyaert en de Hertogenburg

Edmond Willems (1831-1895) volgde zijn tante Amélie Willems, weduwe van Albert Marnef, in 1868 op als eigenaar van het domein in Wespelaar en van de brouwerijen Artois. Willems was burgemeester van Wespelaar en vanaf 1879 ook senator voor de katholieke partij. Onder zijn eigenaarschap werden belangrijke veranderingen aangebracht. Hij liet het kasteel, dat rond 1845 door Marnef was ge- of verbouwd, afbreken en gaf aan de befaamde architect Hendrik Beyaert de opdracht een nieuw te ontwerpen. Dat kasteel werd in 1882 gebouwd en vertoont op een grootse en uitbundige manier alle kenmerken van de eclectische stijl waarin Beyaert excelleerde: een complexe plattegrond en volumes waarin de meest uiteenlopende historische ingrediënten verwerkt zijn (donjon, erkers, spietorens, puntgevels, frontons, barokgeveltjes, hoge en spitse daken met gietijzeren bekroningen, dakkapellen, hoge schouwlijven, balkons, terrassen, trappen, kruiskozijnen...) gecombineerd met een kleurrijke en even uitbundige afwisseling van baksteen en witte en blauwe natuursteen (kordons, speklagen, zigzag- en dambordpatronen, spiraalspeklagen in de spietoren met buitentrap en barokke helmbekroning). De balustrades van de terrassen en de toegangsbrug, afgewerkt met gepunte bollen – aloud symbool voor rust en sereniteit – getuigen van dezelfde zorg voor detail. In de toenmalige vakpers werd het kasteel van Wespelaar bejubeld als "une des oeuvres les plus réussies et, en tout cas, des plus soignées de l'éminent architecte" (citaat uit een artikel over 'Arts and Crafts' in het tijdschrift L'Emulation van 1894). De bewondering gold ook voor de interieurs en het siersmeedwerk.

De smaak met betrekking tot parkaanleg was veranderd. Programmatische, educatieve en speelse aspecten, die sterk aanwezig waren in de vroege landschappelijke tuinen, speelden geen rol van betekenis meer. De hang naar 'Chinese' paviljoentjes en bruggen, het uitbundige gebruik van zeldzame uitheemse bomen, symbolisch geladen vormgevingen, grotjes, rotspartijen enzomeer had plaats geruimd voor een meer natuurlijke behandeling van tuinen en parken. Het Chinese paviljoentje werd afgebroken en het perspectief vanuit het nieuwe kasteel werd opengetrokken naar het zuiden toe door de afbraak van de grote boogbrug en de rotspartij tegenover de grot. In 1897, na de dood van Willems, werden op één na (Flora) alle beelden in het park – ook de bustes van het 'Elysium' – verkocht of aan de Belgische staat afgestaan. Op de stafkaart van 1909 wordt de ringgracht rond het voormalige 'Elysium' niet meer afgebeeld. Rond 1900 had het Wespelaars toerisme zijn beste dagen gekend, zoals blijkt uit een reisgids van F. Neve uit die periode: "Il est très malaisé d'obtenir l'autorisation de visiter le parc de Wespelaer".

Door het huwelijk van burggraaf Adolphe de Spoelberch met de oudste dochter van Willems, Elisabeth, kwam het domein van Wespelaar in handen van de familie de Spoelberch. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het kasteel geplunderd. Guillaume, de zoon van Adolphe de Spoelberch, was aandeelhouder en (vanaf 1936) lid van de raad van bestuur van de brouwerijen Artois en medeoprichter van de conservenfabriek 'La Corbeille' bij het station van Wespelaar. In 1922 nam hij het kasteeldomein over, hij liet in 1923 het poortgebouw tegenover de kerk optrekken en voltooide de aanleg van het park langs de kant van het dorp. In 1924 kocht hij ook het aanpalende Herkenrode*. Van 1933 tot 1946 was hij burgemeester van Wespelaar. Tussen 1947 en 1954 werd het domein, samen met Herkenrode, verhuurd aan een Vlaamse katholieke jeugdbeweging (KSA). De 'Hertogenburg', zoals het gedoopt werd door de huurders, werd gebruikt voor vakantiekampen, studie- en vormingsdagen. Na de terugkeer van de familie de Spoelberch in 1954 werd het kasteel van Beyaert afgebroken en vervangen door het huidige landhuis – een sober, tweelaags, witgepleisterd gebouw onder schilddak, zeven traveeën breed.

Dendrologische waarde

In zijn glorieperiode was het park van Wespelaar niet alleen een toeristische trekpleister. De beroemde Zwitserse botanicus A.-P. de Candolle bezocht Wespelaar in 1810 en was bijzonder opgetogen over een moerascipres (Taxodium distichum), maar de het kasteel vond hij nogal lelijk en de eigenlijke tuin was "weinig leerzaam" volgens een dagboekfragement. Zijn aandacht werd vooral getrokken door de serres, onder meer één die helemaal gevuld was met een reusachtige Celosia cristata. Hij noteerde ook dat de bomen amper tien tot twaalf jaar oud waren. De oudste bomen werden ongetwijfeld aangeplant bij de aanleg van het Engels park: een reeks platanen (Platanus x hispanica) en bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), een kleinbladige linde (Tilia cordata), een tulpenboom (Liriodendron tulipifera) – bomen met stamomtrekken tussen 4 en 5 meter, maar een tamme kastanje (Castanea sativa) met bijna 6 meter omtrek dateert waarschijnlijk uit de vroege 18de eeuw.

Merkwaardige bomen
Het cijfer achteraan geeft de stamomtrek in centimeter weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte. De opnamen van 1986 staan in cursief, opnamen uit 2000 staan vetgedrukt. (Het cijfer vooraan correspondeert met de nummers uit de lijst van 'Beltrees').

  • 985. tamme kastanje (Castanea sativa) 540/580
  • 981. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) 425/459
  • 980. Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 301/310
  • 983. gewone plataan (Platanus x hispanica) 490/510
  • 982. gewone taxus (Taxus baccata) 265/287
  • 984. kleinbladige linde (Tilia cordata) 400/400
  • 14914. gewone plataan (Platanus x hispanica) 482
  • 14920. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 405
  • 14923. gewone plataan (Platanus x hispanica) 450
  • 14924. gewone plataan (Platanus x hispanica) 480
  • 14929. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 450
  • 14957. gewone plataan (Platanus x hispanica) 449
  • 14987. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 408

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger [212] Wespelaar, art. 94, nr. 26 en nrs. 33-49.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant,Kadastrale opmetingsschetsen Wespelaar 1850 en 1885 nr. 1.
  • William Morris et l'art décoratif en Angleterre, in L'Emulation, nouvelle série, 4de jg., 1894.
  • CASTEELS R., 800 jaar domein de Spoelberch te Wespelaar, Haacht, HAGOK, 1997, p. 221, 285.
  • DE CLOET J.J., Châteaux et monuments des Pays Bas, Bruxelles, Jobard frères, 1825.
  • DE CLOET J.J., Voyage pittoresque dans le Royaume des Pays Bas [...], Bruxelles, J.B.A. Jobard, 1825, plaat 40.
  • DE GROOTE C., Gids voor tuinen in België, Tielt, Lannoo/Terra, 1995, p. 248-249.
  • DELILLE J., Les jardins, ou L'art d'embellir les paysages, Paris, Valade Cazin, 1782.
  • DE MAEGD C., Rond ruïnes: omgaan met ruïnes getoetst aan de Tiense begijnhofkerk, in Monumenten en Landschappen 18(3), 1999, p. 28.
  • DUPLESSIS J. & LANDOY E., Guide indispensable du voyageur sur les chemins de fer de la Belgique, Bruxelles, E. Landoy, 1845, p. 258.
  • DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de 18de eeuw, Wespelaar, uitgave Ph. de Spoelberch, 2001, p. 8, 31-42, 57-58, 73, 88, 94, 114, 160.
  • FERRIER A., Manuel du voyageur sur le chemin de fer belge, Bruxelles, Société belge de librairie, 1841, 104.
  • GODAERT P., Jean-Baptiste Plasschaert, 1769-1821, fonctionnaire – maire – député, humaniste sous trois occupations de l'espace belge, Nauwelaerts, 1989, 117 pp.
  • HAJOS G., Peter Joseph Lenné und Laxenburg. Die Bedeutung des wiederaufgefundenen LennéPlanes für den kaiserlichen Park bei Wien, in Die Gartenkunst 13(1), 2001, p. 1-15.
  • NEVE F., Louvain pittoresque. XX promenades à Louvain, Tervueren et leurs environs au point de vue pittoresque, historique et archéologique, Louvain, Ch. Peeters, zonder datum, p. 219.
  • S[CHAYE]S A.G.B., Promenade au parc de Wespelaer, ou Description historique, topographique et pittoresque de ce jardin célèbre,
  • Louvain, imprimerie G. Cuelens, z.d. – circa 1833.
  • STAES J. en anderen, Mechelen, Leuven, Tienen... een treinreis door het verleden, Leuven, Standaard Boekhandel, 1987, p. 30-32.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XIV), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Brabant, z.d., p. 14.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII heruitgave van de editie van 1855, Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 268, 270.
  • WAUTERS A., Atlas pittoresque des chemins de fer de la Belgique, Bruxelles, Vandermaelen, 1840.

Bron: DENEEF R., 2007: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Hageland - Noordoosten van Vlaams-Brabant. Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerbeek, Diest , Haacht, Keerbergen, Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, Tremelo.

Auteurs: De Maegd, Christiane & Deneef, Roger

Datum tekst: 2007

Relaties

maakt deel uit van Wespelaar

Wespelaar (Haacht)

is gerelateerd aan Kasteelpark met oranjerie en tempel

Grote Baan 75-77, Haacht (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.