erfgoedobject

Villa des Roses

bouwkundig element
ID: 201209   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/201209

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Villa des Roses
    Deze vaststelling is geldig sinds 20-09-2010

  • is aangeduid als beschermd monument Villa des Roses met tuin
    Deze bescherming is geldig sinds 01-09-2008

Beschrijving

De "Villa des Roses" is ingeplant, even buiten en ten oosten van het centrum, langs één van de belangrijke uitvalswegen, een onderdeel van de baan Tienen-Jodoigne, nu gekend als E. Ourystraat met in haar verlengde de Stationstraat. De straatnaam verwijst naar Ernest Oury die in 1920 de "Sucrerie de la Ghète", de suikerfabriek van de Gete, oprichtte.

Rond 1860 (zie Poppkaart) was het zuidelijke gedeelte van de straat, met uitzondering van De Grote Molen op de Gete, nog volledig onbebouwd. De aanleg van de spoorlijn Tienen-Namen in 1868, de bouw van een eerste suikerfabriek rond 1865 en de grote bloei van de suikerindustrie vanaf 1895 brachten hierin verandering. Tot de vroegste bebouwing behoren de neo-Lodewijk XV-geïnspireerde directeurswoning (nummer 35) met naastliggende burelen van de voormalige suikerfabriek "Grand Pont" (nummer 39), de cottagevilla "Les Coccinelles" (nummer 13) en de 1909 gedateerde "Villa des Roses". Volgens een waterverfschilderij boven de haard werd de laatste opgetrokken door Pierre Heuninckx, notaris te Hoegaarden, wiens initialen eveneens in het toegangshekken zijn verwerkt. Een ontwerper is niet gekend.

Deze villa met op het noorden (straatkant) georiënteerde voorgevel en quasi vierkante plattegrond is ingeplant op een vrij smal en diep, rechthoekig perceel, met aan straatzijde een met een elegant ijzeren hekwerk afgesloten voortuin en fraaie honingboom; achteraan een siertuin met mooie rode beuk.

Centraal in de gevel, boven de ingang een geschilderd rozenpaneel met de huisnaam, terwijl de sluitsteen van het bovenliggende venster het jaartal 1909 vermeldt. Een paneeltje met weegschaal verwijst naar het beroep van de bouwheer.

Het drie traveeën brede volume met souterrain, bel-etage en verdieping onder een natuurleien schilddak met decoratieve vorstkam en windroos is opgetrokken in rode baksteen (kruisverband) met verwerking van blauwe hardsteen en witte steen voor de rustica-sokkel, sierbanden en vensterdetaillering en dit gecombineerd met witgeschilderd houten schrijnwerk. Stilistisch getuigt de villa van een pittoresk eclectisme met art-nouveau-inslag.

Bijzonder typerend is het expressieve profiel en vooral de driedimensionele compositie van de gevelpartij, verrijkt met een erker, loggiavormig portaal en balkon en een rijzig, rond hoektorentje, het geheel bijkomend geaccentueerd door een pittoresk contrasterend materiaalgebruik. Een levendig ordonnantieritme en een variërende volumewerking en detaillering verdoezelen een nog symmetrisch gedachte opstand. Opvallend aanwezig is de gebogen lijn van cirkel- en halfcirkelvormige vensteropeningen, terug opgenomen in de arcadevorm van de loggia's. Een voorliefde voor ambachtelijke technieken blijkt niet alleen uit het fraai bewerkte, ijzeren toegangshekken met initialen van de bouwheer, het decoratieve houtwerk van de elegant uitgerokken korbelen, de als een tweede huid, rastervormig opengewerkte loggia's, de vensters met glasroedeverdeling maar ook uit het gebruik van gekleurd glas in lood en geslepen glas. Het resultaat is een plastisch-decoratief, uitbundige façade die sterk contrasteert met de gesloten zijgevels en de met grote, zuiver functionele ramen opengewerkte achtergevel. De opstand van deze laatste wordt enigszins verstoord door de toevoeging van verdiepingsterrassen.

Planindeling en constructie zijn traditioneel: een centrale traphal die zowel het souterrain met bakstenen gewelfjes op I-liggers als de verhoogde begane grond en verdieping met houten vloeren bedient.

De formele rijkdom, de zin voor detail en het verzorgde materiaalgebruik van de voorgevel is ook terug te vinden in het opmerkelijk heldere interieur met centrale inkom- en traphal en achterliggende wintertuin met links bureau en bibliotheek, rechts keuken en eetkamer: marmeren vloer, trap en schouw, houten vloeren, op de verdieping in visgraatpatroon, sober geprofileerde stucplafonds al dan niet met houten compartimentering, houten, vaak met geslepen of gekleurd reliëfglas beglaasde deuren, gietijzeren radiatoren. Vooral opmerkelijk is het kwalitatief hoogstaande schrijnwerk waarvan de geometrische, rastervormige detaillering refereert aan het buitenschrijnwerk. Dit komt tot uiting bij de binnendeuren maar ook bij de balustrade van de verzorgde bordestrap met zichtbaar gelaten onderzijde en bij de boog- en claustravormige scheiding tussen de binnenruimten.

De voortuin met sierlijk gebogen smeedijzeren afsluithekken wordt gedomineerd door een fraaie Japanse honingboom (stamomtrek 3,62 meter). In de achterliggende tuin - een grasveld met randbeplanting - een forse rode beuk (stamomtrek 3,37 meter), ingeplant op de scheiding met een kleine fruittuin, en enkele banale bijgebouwtjes.

  • Langs Vlaamse wegen. Stichting Vlaams Erfgoed, p. 11-12.
  • Vander Velpen, J., Geschiedenis van Hoegaarden, s.l., (1981).

Bron     : Beschermingsdossier DB002277
Auteurs :  Paesmans, Greta


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Villa des Roses [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/201209 (Geraadpleegd op 11-11-2019)