erfgoedobject

Klooster Onze-Lieve-Vrouw van VII Weeën

bouwkundig element
ID: 215917   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215917

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het kloostercomplex van Onze-Lieve-Vrouw van VII Weeën is gelegen op de hoek van de Faliestraat en de Lilarestraat, vroeger gekend als de Neerstraat, in de Zottegemse deelgemeente Sint-Maria-Oudenhove.

Het complex bestaat uit een kloostergebouw in de Lilarestraat en een internaat voor scholieren met klaslokalen en schoolgebouwen, opgetrokken rond twee binnentuinen, in de Faliestraat. Ten oosten van de klaslokalen in de Faliestraat bevindt zich een woning (Faliestraat 3) met daarnaast de parochiezaal Rerum Novarum van 1931 (Faliestraat 5). Aansluitend op de kloostervleugel in de Lilarestraat bevinden zich in het zuiden restanten van het voormalige handschoenatelier en aansluitend in het oosten hiervan staat er een neogotische kloosterkapel. Nog in de Lilarestraat bevinden zich ten zuiden van de kapel de lagere school en ten zuidwesten de kloosterboerderij.

Historiek

Het genootschap 'De Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid en van Onze-Lieve-Vrouw van VII Weeën' te Sint-Maria-Oudenhove werd bij Koninklijk Besluit van 11 april 1839 gesticht. Op 23 juni 1840 werd dit genootschap door de toenmalige bisschop van Gent, Monseigneur L. Delbecque, erkend. Het genootschap voorzag echter al sedert 1833 in ziekenzorg, toen juffrouw Bernarda Brandt uit Dendermonde het armenhuis overnam van de broeders jozefieten van Geraardsbergen. De ziekenzorg vond plaats in de voormalige herberg 'Het Meuleken', gelegen op de hoek van de Falie- en de Lilarestraat. Kort na 1833 werd hier naast de ziekenzorg, een kostschool voor kleine jongens en meisjes ingericht als ook een kantschool om de meisjes te leren kantklossen.

Van 1847 tot 1942 speelde het klooster een belangrijke rol in de handschoennijverheid in Zottegem. Na onderhandelingen tussen het klooster, toenmalige pastoor E.H. Watteel en de heer Egels, een handschoenfabrikant uit Brussel, vervaardigde het klooster handschoenen. Met hulp van een onderwijzeres uit Gent, Maria Polet, leerden de kloosterlingen de nodige vaardigheden aan meisjes en vrouwen uit de omgeving in een handschoennaaischool. Het klooster stond ook in voor het verdelen van de benodigdheden en machines die door de heer Egels werden geleverd. Resten van het handschoenatelier bevinden zich vandaag ten westen van de kapel in de Lilarestraat. Het was diezelfde onderwijzeres uit Gent, Maria Polet, die volgens het kadaster in 1879 een woning liet bouwen in de Faliestraat (vandaag Faliestraat 3). Deze woning deed naar verluidt later dienst als woning van de onderpastoor. In diezelfde periode bouwde het klooster langs de Faliestraat een internaat met klaslokalen en een boerderij.

In 1889 telde de congregatie een vijftigtal zusters. Een jaar later werd het internaat en het klooster verbouwd en verhoogd tot een bakstenen gebouw van twee bouwlagen hoog. De vleugel aan de zijde van de Faliestraat telde minstens negen traveeën en was gedekt met een schilddak (pannen, nok evenwijdig aan de straat), doorbroken door dakkapellen met puntgevel. De gevel werd doorbroken door segmentboogvormige muuropeningen, waarvan de vensters ingevuld waren met achtvlakramen. De bouwlagen werden gescheiden door doorlopende, arduinen lekdorpels. De vensters op de benedenverdieping waren voorzien van houten luiken. Op de gesloten zijgevel stond rond 1920 'kostschool voor juffers' geschilderd. Het volume haaks hierop, gelegen in de Lilarestraat, telde ongeveer zestien traveeën en was gedekt met een zadeldak (pannen, nok evenwijdig aan de straat), eveneens doorbroken door dakkapellen met puntgevel. Deze meer gesloten vleugel werd zowel op de eerste als tweede bouwlaag doorbroken door telkens acht tweelichten.

In 1889 werd in de Lilarestraat een neogotische kapel gebouwd die rechtstreeks in verbinding stond met het klooster. Op de binnentuin werden ten zuiden van het internaat in de Faliestraat nieuwe klassen, een speelzaal, refter, keuken met kelder en aansluiting op het groot washuis en een kolenkot gebouwd.

In 1897 werd in de Lilarestraat een nieuwe lagere school gebouwd. Het pand telde negen traveeën en twee bouwlagen en werd gedekt door een zadeldak (nok loodrecht op de straat). De bakstenen gevel werd doorbroken door rondboogvormige muuropeningen. De lagere school werd in 1910 uitgebreid met vier traveeën, doorbroken door segmentboogvormige muuropeningen. Aan de oostzijde bevond zich een overluifeld hijsluik om met een katrol zakken graan naar de zolder omhoog te trekken. In 1911 kochten de zusters een stuk grond met boomgaard en tuin naast de lagere school die gebruikt werd als speelweide.

In 1931 werd in de Faliestraat, ten oosten van het internaat en de oude boerderij, de feestzaal Rerum Novarum gebouwd, naar ontwerp van architect Ommeslagers van Oudenaarde en uitgevoerd onder leiding van aannemer Alfons Haegeman. De feestzaal gaf de katholieke verenigingen van de parochie de kans te vergaderen en te feesten. Het pand werd op 6 september 1931 feestelijk ingewijd.

Op het stuk grond achter de parochiezaal, tussen de boomgaard en de landerijen, werd in 1933 gestart met de bouw van een nieuwe boerderij aangezien de oude die gelegen was langs de Faliestraat ten oosten van het internaat, te klein en te vervallen was. De nieuwe boerderij werd in 1941 geregistreerd in het kadaster. De oude boerderij werd in 1938 volledig afgebroken. Op het vrijgekomen perceel werd een nieuw pand opgetrokken waarin zich twee klassen en een toegangspoort met ruime zaal op de eerste verdieping bevonden. In 1939 besloten de zusters de kloostergevel langs de Lilarestraat aan te passen en te verstevigen in eenzelfde steen en volgens eenzelfde stijl als de nieuwbouw van 1938 in de Faliestraat.

Na de Tweede Wereldoorlog werden het klooster, het internaat en de schoolgebouwen regelmatig uitgebreid en gemoderniseerd om het stijgende aantal leerlingen op te vangen. In 1958 wordt een middelbare school ingericht met verschillende klassen voor de lagere graad van het humaniora en een turnzaal toegankelijk via de Lilarestraat. Kort daarop, in 1958-1961, werden de oude gebouwen van de lagere school afgebroken en vervangen door een nieuwe school van twee bouwlagen, doorbroken door grote, rechthoekige vensters. In 1967 wordt deze lagere school een eerste keer aan de achterzijde uitgebreid met een overdekte speelplaats, steunend op vier pijlers. In 1965 werden ook de hoekgevels van het internaat aan de Faliestraat gewijzigd. De gevels kregen een gele gevelsteen en werden doorbroken door grote rechthoekige ramen.

In de jaren 1970 richtten de zusters in een oude woning langs de Faliestraat een home in voor geplaatste kinderen. In 1973 werd home 'Rozengaard' betrokken en door het ministerie erkend.

Vanaf het begin van de jaren 1980 daalde het aantal roepingen en werd meer en meer beroep gedaan op leken om de werking van het klooster te onderhouden. In 1983 besloten de zusters het middelbaar onderwijs stop te zetten en het internaat af te bouwen. Ook de activiteiten van de boerderij werden vanaf 1987 afgebouwd.

Op 19 maart 2001 verlieten de laatste acht zusters het klooster en verhuisden zij naar een nieuwbouw gelegen naast het kloostercomplex in de Faliestraat 9-11. Deze woning werd ingericht als permanente verblijfplaats voor de resterende zusters. Het klooster, de klassen en het internaat waren te groot om te onderhouden. De lagere school in de Lilarestraat werd in 2003 in erfpacht gegeven.

Beschrijving van de gebouwen

Kloostervleugel - Lilarestraat

Exterieur

De kloostervleugel, gelegen in de Lilarestraat, gaat in kern terug tot 1879-1890. De voorgevel werd in 1939 aangepast en verstevigd. Het klooster is negen traveeën breed en twee bouwlagen hoog, onder een zadeldak (zwarte pannen, nok evenwijdig met de straat), doorbroken door drie dakkapellen met puntgevel (leien). Parement van gele baksteen in Vlaams verband met platvolle voegen, op een plint in blauwe hardsteen. De gevel wordt beëindigd door een vernieuwde uitkragende kroonlijst boven een gepleisterde band. Kenmerkend is de benadrukking van de horizontaliteit van de gevel door de brede, rechthoekige vensteropeningen, ingevuld met bewaard houten schrijnwerk en glas in lood van ruitvormige, groene raampjes, met simili lekdorpels en bakstenen bovenlateien die op de bovenste verdieping doorlopen. Ter hoogte van de laatste travee wordt de gevel doorbroken door een tweezijdig uitspringend, verticaal, rechthoekig venster op een sokkel van simili en onder een afdakje gedekt met leien. De toegangstravee wordt gemarkeerd door de driezijdige erker op de bovenverdieping, ondersteund door een simili console. De erker wordt doorbroken door een drielicht met simili lekdorpel en tussenstijlen. Rondboogvormige deuropening met arduinen en bakstenen (strekken) booglijst. Dubbele houten deur met deurroosters en op de naald een afbeelding van Maria van Zeven Weeën. Links en rechts boven de deur bevinden zich twee sierankers. Rechts van de deur is er een ingewerkte, arduinen brievenbus.

De gevel is verrijkt met zeven medaillons met reliëf in ceramiek waarop de zeven weeën of smarten van Maria staan uitgebeeld. Boven de toegangsdeur, op de borstwering van de erker, hangt het embleem van de Goddelijke voorzienigheid verbeeld door het Oog Gods met daaronder een kruis en de Griekse letters alfa en omega.

De achtergevel van de kloostervleugel aan de binnenkoer toont nog de oorspronkelijke 19de-eeuwse gevelgeleding van twee bouwlagen hoog en vermoedelijk zestien traveeën breed, doorbroken door segmentboogvormige vensters. De gevel is afgewerkt met een beraping van cement waarbij de vensters voorzien zijn van een geriemde omlijsting.

Interieur

Op de gelijkvloerse verdieping loopt aan de straatzijde een lange gang. De kloostergang werd in 1899 versierd met op doek geschilderde decoratieve voorstellingen van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën in een vierlob. De taferelen worden gevat in een geschilderde gebogen omkadering met onderaan in een banderol de smarten van Maria. Boven de deur die de doorgang vormt tussen de kloostergang en de traphal en kapel, staat op een banderol de spreuk "vergeet de tra/nen uwer moeder niet" geschilderd.

Rechts van de gang liggen verscheidene kamers die vermoedelijk dienst deden als woonkamer en eetkamer en die uitkijken op de binnenkoer. Slechts enkele schouwmantels zijn bewaard.

Op de eerste verdieping loopt er, centraal over de verdieping en parallel met de Lilarestraat, een lange gang. Links en rechts daarvan bevinden zich verschillende kamers, vermoedelijk waren dit de kamers van de zusters.

Internaat op de hoek van de Lilarestraat en de Faliestraat

De internaatsvleugel sluit in de Faliestraat ten westen aan op de school met twee klassen van 1938. In de Lilarestraat sluit het internaat aan op de kloostervleugel met gevel uit 1939. De internaatsvleugel gaat net als de kloostervleugel in kern terug tot 1879-1890. In 1965 kreeg deze vleugel zijn huidige voorgevel.

Het hoekpand van twee bouwlagen hoog wordt zowel in de Falie- als in de Lilarestraat centraal verhoogd met een derde bouwlaag, onder een plat dak. De lijstgevel wordt beëindigd met een overkragende, verspringende, witgeschilderde, houten kroonlijst. Het hoekpand heeft een parement van gele baksteen in halfsteensverband met platvolle voegen op een plint van blauwe hardsteen. De architectuur zoekt aansluiting met de aanpalende kloostervleugel uit 1939 door de brede, rechthoekige vensters, ingevuld met glas in lood van kleine ruitvormige glazen, de arduinen onderdorpels en de bakstenen lateien die op de bovenverdieping doorlopen.

Kapel

De neogotische kapel, gedateerd 1889, sluit in het zuiden aan op de kloostervleugel in de Lilarestraat en wordt voorafgegaan door resten van het handschoenatelier.

Eenbeukig, oost-west georiënteerd zaalkerkje van drie traveeën diep, onder een zadeldak met dakkapellen (leien, nok loodrecht op de straat) en in het oosten afgesloten door een een rechthoekig koor met driezijdige koorsluiting, onder een lagere nok. Ten noorden van de absis bevindt zich de sacristie in een vierkante uitbouw.

Parement van rode baksteen in kruisverband en natuursteen voor de afzaten, afgesloten door een overhoekse en platte muizentand, onder een houten kroonlijst. Westelijke en oostelijke gevel met sierankers. De westelijk gerichte voorgevel met bekronende houten, achthoekige dakruiter wordt doorbroken door een centrale, kleine oculus en een spitsboogvormig drielicht, gevat in een spitsboogvormig spaarveld. Het schip wordt aan beide zijden geleed door steunberen en verlicht door telkens drie spitsboogvormige drielichten die gevat zijn in een spitsboogvormig spaarveld, de twee drielichten in de eerste travee zijn blinde vensters. De absis wordt bekroond door een gietijzeren kruis en wordt ter hoogte van de drie centrale traveeën doorbroken door een lancetvenster. De sacristie wordt doorbroken door segmentboogvormige vensters, het venster ten oosten wordt afgesloten door diefijzers.

Sober gepleisterd en witgeschilderd interieur met houten lambrisering en tegeltapijtvloer, overdekt met een spitsboogvormig, houten tongewelf met geel geschilderde gordelbogen die rusten op een doorlopende, geprofileerde, houten lijst. Het houten doksaal, gedecoreerd met briefpanelen, is toegankelijk via een houten spiltrap via de rechterdeur. De spitsboogvormige drielichten zijn ingevuld met glas-in-loodramen in een geometrisch motief, de drie lancetvensters in het koor met glas-in-loodramen met een voorstelling van de Heilige Maagd Maria, de Heilige Jozef en centraal een voorstelling van Jezus Christus van de hand van Arthur Verhaegen uit Gent. De oorspronkelijke beschildering van de kapel werd bij restauratiewerken door Adrien Bressers in 1950 overschilderd. Op de beide zijmuren van het koor werden er bij de restauratie in 1950 telkens drie engelen geschilderd. De engelen werden vooraf op doek geschilderd en later op de muur gekleefd. Boven de lambrisering van het koor zijn de woorden 'laudamus te', 'adoramus te' en 'glorificamus te' geschilderd in gouden letters.

Mobilair.

Neogotische, houten biechtstoel onder het houten doksaal.

Oorspronkelijk gepolychromeerde beelden van de heilige Theresia, de heilige Jozef, Sint-Anna met Maria, Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten, Sint-Antonius van Padua en vermoedelijk Franciscus Xaverius. De beelden staan op consoles waarop de initialen van de namen in gouden letters geschilderd werden en zijn alle te dateren in 1896-1897.

Op de verhoogde koorvloer bevindt zich vandaag een eenvoudig houten altaar en een neogotisch retabel. In het schip bevindt zich een kruisweg in veertien staties die geschilderd zijn op doek en voorzien van een houten omlijsting.

In de sacristie bevindt zich een neogotisch wasbekken (laat 19de-begin 20ste-eeuws, vermoedelijk uit faience) met kraantje erboven voor het wassen van de handen van de priester voor en na de misviering. Links en rechts van het wasbekken is er telkens een haakje voor een lavabodoekje, één voor het wassen van de handen voor de misviering 'ante missam' en één voor het wassen van de handen na de misviering 'post missam'.

Handschoenatelier

Het voormalige handschoenatelier is gelegen in de Lilarestraat, voor de kloosterkapel. Het ontstaan van het handschoenatelier is te dateren in 1847-1848, toen de zusters een schooltje oprichtten voor het aanleren en vervaardigen van handschoenen. Het gebouw van één bouwlaag onder een lessenaarsdak, werd in 1892 geregistreerd in het kadaster. Parement van rode baksteen in kruisverband, op een plint van blauwe hardsteen. De vier getoogde vensteropeningen, ingevuld met houten schrijnwerk en afgesloten met diefijzers, zijn per twee gekoppeld door een doorlopende arduinen lekdorpel. De getoogde deuropening is ingevuld met een houten opgeklampte deur. Boven de deur bevindt zich een getoogde nis, eveneens met arduinen lekdorpel, waarin vermoedelijk een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën stond.

Boerderij

De vrijstaande kloosterboerderij in art-decostijl is te dateren in 1933. Langwerpig gebouw van twee bouwlagen met ten oosten een dwarse vleugel, onder een mansardedak (kunstleien) met dakvensters en -kapellen aan de achterzijde.

Bakstenen parement in kruisverband op een gecementeerde plint. Kenmerkend is de sterke horizontaliteit van de gevel, benadrukt door de uitspringende kroonlijst, de brede luifel aan de voorzijde van de boerderij, de horizontale vensterregisters met bakstenen lekdorpels, de doorlopende gecementeerde bovendorpels op de bovenverdieping en het houten schrijnwerk met horizontale roedeverdeling.

Gezien het hoge volume en de grote poort aan de achterzijde deed de dwarse vleugel vermoedelijk dienst als staan- en opslagplaats voor machines en tractoren. De tweede bouwlaag van het langwerpige volume deed vermoedelijk dienst als opslagplaats voor hooi en stro, terwijl zich op de eerste bouwlaag de stallen voor paarden en koeien bevonden.

Schoolgebouw zijde Faliestraat

Het modernistische schoolgebouw aan de zijde van de Faliestraat werd in 1938 opgericht (zie ook gevelinscriptie op het poortgebouw ‘anno/1938’) op de locatie waar de vroegere kloosterboerderij stond, ten oosten van het kloostergebouw. Het pand telt vijf traveeën en twee bouwlagen onder een haaks in elkaar gewerkt schilddak (leien). De eerste vier traveeën werden ingericht als twee klassen. De vijfde travee deed dienst als toegangsgebouw naar de speelplaats met op de eerste verdieping een ruime zaal.

De klaslokalen hebben een parement van gele baksteen in een Vlaams verband, met decoratief metselwerk op de borstweringen van de bovenvensters, op een plint van blauwe hardsteen. De gevel wordt beëindigd door een uitkragende houten kroonlijst op klossen en wordt doorbroken door grote rechthoekige vensters met vlakke, arduinen dagkanten en arduinen lekdorpels. Op de noordoostelijke hoek bevinden zich op de eerste verdieping een uitkragend hoektorentje met een vierkant plattegrond, op een arduinen console, gedekt met een spitsvormige torenbekroning (leien) en bekroond met een bolornament. Het hoektorentje is aan twee zijden doorbroken door een rechthoekig venster met geriemde omlijsting en is ingevuld met ruitvormig glas in lood van groen, gestructureerd glas.

De toegangstravee heeft een in- en uitzwenkende geveltop die is afgewerkt met arduinen dekstenen. Parement van gele baksteen in Vlaams verband op een plint van breuksteen. Ter hoogte van de tweede bouwlaag springt het gevelvlak licht vooruit en wordt het ondersteund door twee arduinen consoles. Op de eerste bouwlaag bevindt zich een rondboogvormig vijflicht, met arduinen tussenstijlen. De tweede bouwlaag wordt doorbroken door een groot, rechthoekig venster met erboven een ovalen geriemd venster.

Zaal Rerum Novarum

Feestzaal van 1931 naar ontwerp van architect Ommeslagers (Oudenaarde) en aannemer Alfons Haegeman. Vrijstaand gebouw van drie traveeën en twee bouwlagen onder een plat dak. De lijstgevel wordt beëindigd door een overkragende, houten kroonlijst, ondersteund door twee bakstenen steunen met consoles. Parement van rode baksteen in kruisverband met decoratief metselwerk in oranje en gele baksteen in de borstweringen en als booglijsten van de deuren, op een plint van blauwe hardsteen. Kenmerkend zijn de verspringende gevelvlakken en de benadrukking van de horizontaliteit van de gevel door twee banden van gele baksteen. Rechthoekige vensteropeningen met gecementeerde bovendorpel met tandlijst en arduinen lekdorpels. Houten, witgeschilderd schrijnwerk waarvan de bovenlichten ingevuld zijn met een geometrische roedeverdeling. Op de begane grond bevindt zich een drielicht met houten tussenstijlen en bewaarde houten rolluiken. Links en rechts van het centrale venster bevinden zich twee smalle, rondboogvormige deuropeningen voorafgegaan door twee arduinen treden. Houten, witgeschilderde rechthoekige paneeldeuren, bekroond met een rondboogvormig bovenlicht.

Volgens oude foto’s bevond zich in het gebouw onder meer een toneelzaal met podium. Het podium is toegankelijk via twee houten steektrappen, links en rechts van de speelvloer. Op diezelfde foto’s zijn schilderingen van de hand van Georges Minnaert en Leon Bauwens te zien. Boven de segmentboogvormige prosceniumboog bevinden zich onder andere twee vliegende engeltjes met elk een schalmei in de hand.

  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, mutatieschetsen Zottegem, afdeling VI (Erwetegem), 1860/4, 1879/33, 1880/1, 1885/1, 1892/3, 1893/5, 1900/6, 1927/8, 1941/6, 1964/12, 1987/60, 1990/41, 2005/49.
  • DE LANGE S., DE METS R., BEECKMANS L. 2009: Een eeuw toegewijd 1909-2009: de dekenij Nederbrakel en haar parochies vroeger en nu, Brakel, 131.
  • HOEBEKE M., VAN DEN BOSSCHE M. 1985: Beelden van toen: Zottegem, Velzeke, Strijpen, Oombergen, Leeuwergem, Grotenberge, Erwetegem, Godveerdegem, Sint-Goriks-Oudenhove, Elene, Sint-Maria-Oudenhove, Nieuwkerken-Waas, 88-89.
  • KINDT F. - SCHOLLAERT J. - VANDENHOLEN C. 1972-1973: Sente Marienhove, Wat is er van de nacht? Over de geschiedenis van Sint-Maria-Oudenhove, Sint-Maria-Oudenhove, onuitgegeven nota's, 16-17.
  • S.n. 1982: Zo groeide ons St. Maria-Oudenhove, Zottegem.
  • VAN BOCKSTAELE G. 2012: Louis Bert-de l’Arbre (1835-1903), architect en schilder in Geraardsbergen, archivalisch doorgelicht, Aalst, Het Land van Aalst LXIV.2, 116-118.
  • WAUTERS J. 2009: Kroniek van een congregatie zusters van O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën te Sint-Maria-Oudenhove, Brakel, Triverius XXXIX.3, 47-57.
  • WAUTERS J. 2009: Historiek van de Congregatie: Zusters van O.-L.-Vrouw van zeven Weeën te Sint-Maria-Oudenhove, onuitgegeven nota’s.
  • Informatie verkregen van een buurtbewoner, (24 april 2013 en 13 november 2013).
  • Informatie verkregen van Sophie Anseeuw, (21 mei 2014).

Bron     : -
Auteurs :  Depuydt, Katrijn
Datum  : 2013

Aanvullende informatie

In de zomer van 2015 werd het kloostergebouw op de hoek van de Lilarestraat en Faliestraat gesloopt. De kloosterkapel is wel nog bewaard.

Auteurs : Verhelst, Julie
Datum: 23-09-2015

Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Klooster Onze-Lieve-Vrouw van VII Weeën [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215917 (Geraadpleegd op 13-11-2019)