erfgoedobject

Historische stadskern van Wervik

archeologisch geheel
ID
300532
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300532

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Wervik is gelegen op de samenvloeiing van de Leie en de Sint-Jansbeek, waarbij de kruising met de Romeinse heirweg Boulogne-Keulen (traject Cassel-Doornik-Bavay) bepalend geweest is. Ook langs de Leie, zowel richting Menen als Kortrijk kan een Romeinse weg verondersteld worden. In de Romeinse tijd komt op de linkeroever bewoning tot stand. De middeleeuwse stad zal zich op beide oevers ontwikkelen. Bodemkundig sluit op de valleien van beide waterlopen een complex van vochtige zandleem aan, doorspekt met enkele vlekken en slierten droge zandleem, waarop de bewoning zich concentreert. Planologisch overweegt uiteraard woongebied, waarbinnen enkele beschermde monumenten voorkomen. Daarnaast is een weinig parkgebied en een gebied voor dagrecreatie aanwezig.

Archeologische nota

Middeleeuws Wervik ontstaat deels op de linkeroever van de Leie, op dezelfde plaats als Viroviacum of Virovino, een Romeinse vicus - vermeld in de Tabula Peutingeriana -, die op zijn beurt vermoedelijk uit een baanpost is ontstaan. Een clan o.l.v. Virovos zou aan de basis liggen van de stichting. Nu nog kan aan bepaalde sporen een Romeinse oorsprong toegedicht worden. Zo is de centrale kruisvorm van Nieuwstraat, Groenstraat, Donkerstraat, Ooievaarstraat en Duivenstraat duidelijk voor de Romeinse organisatie. In de middeleeuwen ontstaat ook op de rechteroever een bewoningskern. Vooral de opgravingen aan de Steenakker en het Sint-Janshospitaal in 1950 hebben de Romeinse identiteit van Wervik bevestigd. Nieuw onderzoek n.a.v. rioleringsweken in de centrumstraten in 2013 heeft dit beeld verder verfijnd (Verbrugge 2004; Bonquet e.a. 2014).

De aanwezigheid van welbepaalde vondsten lijkt te wijzen op een continuïteit in de bewoning. Uit de Leie zijn al een zestal scramasaxen gehaald. Daarnaast is ook de vondst van een biconisch potje en een lanspunt bekend. Dit zijn vondsten die in de 6de-7de eeuw, de Merovingische periode thuishoren (Verbrugge 2004).

Een succesvolle lakennijverheid zorgde ervoor dat Wervik in de volle en de late middeleeuwen uitgroeide tot een stadje van interregionaal belang. Wanneer het stadsrechten kreeg, is niet geweten. Gramaye houdt het als eerste vermelding op 1082. De stad is trouwens nooit omwald geweest (Renier 1993).

De kern op de linkeroever lag rond de, nu verdwenen, Sint-Maartenskerk in het zuidelijk gedeelte van de vicus. Het Sint-Martinuspatrocinium wijst op een vroegmiddeleeuwse oorsprong (6de-8ste eeuw). In de Wervikaanse bronnen is hieromtrent niets terug te vinden. Door de opgravingen wordt voorzichtig naar de 10de eeuw verwezen. Bij de heraanleg van het Sint-Maartensplein is er in het voorjaar van 1990 immers archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij onderzocht men een middeleeuws en postmiddeleeuws lagenpakket met de kerkfunderingen en de begraafplaats, die een aantal onderliggende Romeinse sporen snijden. De kerk is een kruiskerk met een éénbeukige, 7 m brede benedenkerk, een dwarsbeuk, een koor en een (later toegevoegde) vieringstoren, daterend uit de 11de, 12/13de en 15de eeuw. In de 17de eeuw is de kerk afgebroken. In de funderingen zijn o.a. tegulae aangetroffen (Termote 1989; Termote 1990).

Door de uitbreiding van de stad is er in de 13de eeuw nood aan een tweede kerk en wordt de Sint-Medarduskerk gebouwd. De bouw ervan zou aangevat zijn in 1214. Onder de huidige kerk bevindt zich een vroeg-gotische ‘crypte’ of grafkelder. Aan wie deze grafkelder toebehoort, is niet helemaal duidelijk, maar het zou kunnen gaan om Parole, in die periode een belangrijk figuur in de lakennijverheid. De kerk werd volledig verwoest in 1382 en heropgebouwd in de 14de tot het begin van de 15de eeuw. De eerste vermelding daarvan dateert uit 1360 (Renier 1993).

De lakennijverheid kende z’n hoogtepunt in de periode 1350-1430. In Wervik is vooral sprake van huisnijverheid. Er zijn geen lakenhallen, wel pakhuizen, die zouden gelegen zijn aan de Brugstraat/Vrijdagmarkt. De Sint-Jansbeek wordt ook de Voldersbeek genoemd. Dit impliceert dat op de oevers ervan allerlei infrastructuur, die in verband staat met de lakennijverheid, aanwezig is. Wevers, ververs en andere kaarders zijn dan ook nooit ver uit de buurt. Ook andere economische voorzieningen mogen niet uit het oog verloren worden. In de Leiestraat zijn er aanwijzingen voor een aanlegplaats, het Gewad. Een andere aanlegplaats is de Aard aan de westkant van de Leiebrug (Renier 1993).

Willem van Wervik - eerste vermelding in 1125 - bleek bij de moord op Karel de Goede aan de foute kant te zitten, wat in 1127 de verwoesting van zijn residentie door de burggraaf van Kortrijk veroorzaakte. Waarschijnlijk mag die residentie met de Oosthovemotte, die bij de samenvloeiing van de Sint-Jansbeek en de Leie lag, vereenzelvigd worden. Het duurt tot 1286 vooraleer hiernaar opnieuw een verwijzing opduikt nl. Willem van Nevele, heer van Oosthove. Bij de sanering van de Sint-Jansbeek ter hoogte van Oosthove in februari-maart 1992 werd de 18 m brede mottegracht aangesneden. Er waren ook aanwijzingen voor een bakstenen brug. De Sint-Maartenskerk stond in verband met de kern rond Oosthove (Warlop 1966).

Ook op de rechteroever van de Leie - in de oksel van de Leie en de Brugstraat (Rue de l’Industrie), nu Frans grondgebied - komt een (vermoedelijke) mottesite voor, waarrond zich enige bewoning concentreerde. Hier wordt de heerlijkheid Wervik gesitueerd. Mogelijk is dit - gelet op de betekenis van oost in Oosthove - de oudste vestiging. De Sint-Medarduskerk wordt gelinkt aan de heerlijkheid Wervik. Of dit betekent dat de Sint-Medarduskerk ouder is, dan wel verplaatst, blijft een vraagteken. Aan welk van beide sites de heren van Wervik, die in de 13de eeuw verschijnen, moeten gekoppeld worden, is onzeker. Zo wordt in 1213 Walter van Wervik genoemd (Warlop 1966).

Zoals andere Vlaamse steden kende ook Wervik heel wat religieuze infrastructuur. Archeologisch onderzoek bij de nieuwbouw en de uitbreiding van de rusthuis-infrastructuur (Pardoen) bracht in augustus-september 2008 een gedeelte van het Heilig Geesthuis aan het licht. Het was een middeleeuws (14de eeuw) opvangtehuis voor armen aan de rand van de stad. Daarnaast zijn er ook 12 begravingen aangetroffen. Onverwacht kwam ook een gedeelte van een klokkengietersatelier (11 klokvormen) tevoorschijn (Bradt e.a. 2008). Ook het Sint-Janshospitaal, dat ontstond uit een 13de-eeuws passantenhuis, is het vermelden waard. Net zoals het klooster van de grauwzusters (de 2de helft van de 14de eeuw), de Magdalenakapel en bijhorend kerkhof, op de rand van de stad gelegen en ’t Kapittel in de Ooievaarstraat, de refuge van het Sint-Pieterkapitel van Rijsel (Renier 1993).

Ook burgerlijke architectuur had zijn plaats. Zo waren aan de markt het stadhuis en de gevangenis gelegen. Bij bepaalde archeologische ingrepen zijn naast Romeinse sporen en vondsten ook relevante middeleeuwse structuren gevonden o.a. in de Vlamingstraat en de Gasstraat (houten waterputten). Er zijn ook een aantal heerlijkheden gekend, waaraan ongetwijfeld ‘heerlijke’ woonsten verbonden zijn, zoals Ten Steenackere, Vilain, Pontenaige, Caerdoens, …. Een andere aanwijzing vormt de collectie Carpentier, die naast heel wat Romeins ook 14de-eeuws materiaal bevat, gevonden in de stadskern. Een interessant archeologisch gidsfossiel kan de grote brand zijn, die in 1400 de stad teisterde (Verbrugge 2004).

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd (Tys e.a 2010).

De afbakening is gebeurd op basis van historisch kaartmateriaal, bodemvondsten en de aanwezigheid van nog bestaande gebouwen met een onbetwistbare voorgeschiedenis. De studie van de geografische, topografische, historische en archeologische gegevens leidt tot een bundeling van gekende en potentiële elementen, die wezenlijk getuigen van de wording en de evolutie van de stad.

Concreet zijn de Leie, de Sint-Jansbeek, de plaatselijk kruisende Romeinse wegtracé’s, de Sint-Medarduskerk en het Sint-Maartensplein, Oosthove, het Sint-Janshospitaal, het klooster van de grauwzusters, de Magdalenakapel, ’t Kapittel en de markt met stadhuis en gevangenis in de afbakening opgenomen. Het huizencluster daartussen en de bewoning langs de belangrijkste uitvalswegen (in wijzerzin: de Koestraat, de Komenstraat, de Molenstraat en de Speiestraat) vervolledigt dit alles. Dit zijn de elementen, die de middeleeuwse stad Wervik uitmaken en die er een archeologische eenheid van maken.

In de afbakening zijn alle relevante middeleeuwse elementen opgenomen en krijgen ook de belangrijke uitvalswegen gepaste aandacht. Tegelijkertijd blijft de mogelijkheid bestaan dat Romeinse en andere pre-middeleeuwse sporen of vondsten aangetroffen worden.

Bibliografie

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

BONQUET T. & DE GRYSE J. 2014: Archeologisch onderzoek centrumstraten Wervik, Ruben Willart bvba, Sijsele.

BRADT T., BOT B. & ACKE B. 2008: Archeologisch onderzoek Site Pardoen Wervik (prov. West-Vlaanderen), Basisrapport.

RENIER J.P. (red.) 1993: Wervik – Wervicq. Het verhaal van een grensstad. Récit d’une ville frontière, Wervik (gezamelijke uitgave Stedelijke Oudheidkundige Commissie - Wervik en Société pour l’histoire locale “Hier Wervicq”).

TERMOTE J. 1989: Opgravingen op het Sint-Maartensplein te Wervik, Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik, Jaarboek 1989, 143-147.

TERMOTE J. 1990: Wervik Opgravingen op het Sint-Maartensplein, een voorlopige stand van zaken, Brochure S.T.O.C.

TERMOTE J. (red.) 1992: De opgravingsactiviteiten van de Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen over de werkjaren 1990, 1991 en 1992, Westvlaamse Archaeologica 8-3, 78-80.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VERBRUGGE A. 2003-2004: Viroviacum Verwerking, studie, en interpretatie van het materiaal uit een aantal Romeinse kelderkuilen uit de opgravingen op het St.-Maartensplein in Wervik (1989-1991) (West-Vlaanderen), onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Gent.

WARLOP E. 1966: De heren van Wervik tot 1300, De Leiegouw 8, 381-398.


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Dewilde, Marc
Datum  : 2014


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Historische stadskern van Wervik [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300532 (Geraadpleegd op 23-01-2021)