erfgoedobject

Zennegat

archeologisch geheel
ID: 301327   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301327

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als beschermde archeologische site Zennegat
    Deze bescherming is geldig sinds 03-10-2014

  • is deel van de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Zennegat - Battenbroek: fase 3
    Deze bescherming is geldig sinds 02-06-1992

Beschrijving

De archeologische zone Zennegat omvat een prehistorische vindplaats, aan de rand van een vroegere meander van de Zenne/Dijle. De artefacten (voornamelijk vuursteen en aardewerk) duiden op een aanwezigheid vanaf het vroeg-/middenmesolithicum, met een zwaartepunt van de bewoning in het laatneolithicum tot de vroege bronstijd (circa 2500 tot circa 1800 voor Christus).

Historisch overzicht

In het kader van de inrichting van overstromingsgebieden worden sinds 2008 de gebieden van het zogenaamde Sigmaplan systematisch onderworpen aan verkennend archeologisch onderzoek. Daaruit blijkt dat deze rivierlandschappen een uitzonderlijk rijk archeologisch patrimonium bevatten. Vooral wat betreft de prehistorie kunnen we zelfs spreken van goed bewaarde, door latere kleiafzettingen bedekte, prehistorische landschappen.

Ook het overstromingsgebied van het Zennegat werd in 2010 geëvalueerd met boringen, een evaluerend opgraving, en uitgebreid natuurwetenschappelijk onderzoek. Dit leverde tot nog toe één van de grootste en rijkste prehistorische sites op die tot nog toe in het kader van het Sigmaplan werd ontdekt. Uit het onderzoek blijkt dat de zone immers een uitgestrekt prehistorisch sitecomplex bevat, waarvan een belangrijke component tot het laatneolithicum tot de vroege bronstijd behoort (met name circa 2500 tot circa 1800 voor Christus). Dit blijkt uit het aangetroffen cultureel materiaal (vuursteen, aardewerk), dat kan toegeschreven worden aan culturele tradities van deze periodes.

Deze vindplaats is voor de regio uniek te noemen. Sites uit deze periode zijn in Vlaanderen immers tot nog toe zeer schaars. In Zandig Vlaanderen (ten westen van de Schelde) werden recent nog enkele vindplaatsen uit deze periode aangetroffen. In de regio rond de site van het Zennegat kennen we voor deze periode enkel een handvol losse vondsten.

De zone Zennegat is gelegen in de overstromingsvlakte van de Dijle/Zenne. Op historische kaarten wordt het gebied steeds weergegeven als overwegend weilanden. Het is slechts recent dat dit landgebruik zal wijzigen, met de omvorming van de zone tot overstromingsgebied.

Beschrijving

Het gebied is gelegen in het noorden van de gemeente Mechelen, bij de samenvloeiing van Dijle en Zenne, nabij het gehucht ‘Zennegat’. Deze zone vormt een schiereiland tussen beide rivieren, dat doormidden wordt gesneden door het kanaal Leuven- Mechelen. De zone is gelegen in de oostelijke ‘helft’ van dit schiereiland. Ten tijde van het onderzoek bestond het gebied voornamelijk uit weilanden. Een gedeelte van het gebied, bestaande uit een afgesneden meander van de Dijle, is natuurgebied.

Het gebied ligt in een brede alluviale vlakte die de confluentie van de Zenne en de Dijle bevat. Enkele kilometer ten noorden vloeit voegt ook de Nete zich bij deze rivieren, om zo de Rupel te vormen. In het zuiden wordt de zone begrensd door zandige eolische afzettingen daterend van het Weichseliaan die de alluviale vlaktes van de Zenne en de Dijle in stroomopwaartse richting van elkaar scheiden. Stroomopwaarts voorbij Mechelen zijn twee meandergordels aanwezig die hun oorsprong kennen in het laatglaciaal. Deze twee aangrenzende meandergordels zijn afkomstig van respectievelijk de laatglaciale/vroegholocene vallei van de Dijle en van de Demer. Beide rivieren verliepen dus gedurende het vroegholoceen in twee gescheiden, oost-west verlopende valleien. Een aantal van de goed ontwikkelde meanderbochten is duidelijk zichtbaar op het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen. Op hetzelfde hoogtemodel wordt eveneens duidelijk dat de Zenne in het laatglaciaal eveneens een brede valleivloer met duidelijke meanderbochten ontwikkelde. Het onderzoeksgebied ligt in het confluentiegebied van deze breed meanderende systemen.

Het landschappelijk onderzoek (geologie, paleo- ecologie) toont de aanwezigheid van een door latere overstromingsafzettingen bedekt landschap waarvan de vorm hoofdzakelijk in het laatglaciaal werd vastgelegd. Het belangrijkste kenmerk van dit landschap is het al hierboven geschetste rivierstelsel van brede en diepe meanderende hoofdgeulen. Een dergelijke geul dwarst het ‘Zennegat’ met een oost-west oriëntatie. Deze breed meanderende geulen zijn een bepalend element in het prehistorisch landschap van het Scheldebekken voor het mesolithicum en neolithicum. Bij onderzoek in andere alluviale gebieden werd aan de oevers van dit geulsysteem dan ook een groot aantal prehistorische vindplaatsen aangetroffen.

Eén van de uitgestrekte en ‘rijkste’ van deze vindplaatsen bevindt zich in het ‘Zennegat’, op de noordelijke oever van de fossiele geul. De vindplaats werd ontdekt via de archeologische verkennende boringen, en werd verder geëvalueerd met een proefsleuf van circa 20 op 5 meter. Het aantal vondsten in de prospectieboringen tonen de aanwezigheid van een groot aantal archeologische indicatoren. In de 464 boringen werden niet minder dan 406 vuurstenen artefacten, en 53 scherven handgevormd aardewerk aangetroffen. De site werd verder geëvalueerd met een opgraving, waardoor kon vastgesteld worden dat de zone bewoning heeft gekend in verschillende periodes gedurende het meso- en neolithicum/vroege bronstijd.

De aanwezigheid van een fragment van een zogenaamd ‘segment’ duidt op een aanwezigheid in het vroeg-/ middenmesolithicum (9500 tot circa 6500 voor Christus). Een honderdtal fragmenten werden vervaardigd uit zogenaamd ‘Wommersomkwartsiet’. Samen met de aanwezigheid van een rechthoekig ‘trapezium’, en regelmatige microklingdebitage, wijst dit op eveneens een aanwezigheid in het laatmesolithicum (circa 6500 tot 5000 voor Christus).

Het zwaartepunt van de occupatie ligt echter in het neolithicum, en dan vooral het laat- en finaal neolithicum/ vroege bronstijd. De meeste diagnostische stukken binnen het lithisch materiaal wijzen naar deze periode: fragmenten van gepolijste bijlen, gesteelde en gevleugelde pijlpunten, en de aanwezigheid van artefacten in mijnbouwvuursteen. Opvallend is het relatief groot aantal ‘transversaalspitsen’ (ook wel dwarspijlen of pijlsneden genoemd) ’ (8). Deze geëvolueerde vorm van het trapezium komt sporadisch in finaalmesolithische tot middenneolithische contexten voor, maar wordt meer algemeen in het laatneolithicum. In Nederland wordt dit type artefact als een ‘gidsfossiel’ gebruikt voor de Trechterbekercultuur (TRB), De ‘Vlaardingen- cultuur’, en de zogenaamde ‘Stein groep’, die samen een complex vormen met een chronologische spreiding tussen circa 2800 en circa 2200 voor Christus. Het lithisch materiaal van de vindplaats van het Zennegat sluit nauw aan bij dit vindplaatscomplex.

Binnen het aardewerk wijst de aanwezigheid van vuursteenverschraalde scherven vermoedelijk op een middenneolithische aanwezigheid. De versierde scherven wijzen echter eerder eveneens op een laat-/finaalneolithische component. Enkele fragmenten van de laatste fasen van ‘klokbekers’ (zogenaamde Veluwse klokbekers) in de bedekte alluviale pakketten aan de basis van de sleuf, stroken met de datering van dit pakket op circa 1800 voor Christus (zie hieronder).

Vooral voor het finaalneolithicum/vroege bronstijd kan door de combinatie van archeologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek een goed beeld verkregen worden van de landschappelijke impact van de bewoning. Dit wordt mogelijk gemaakt door de aanwezigheid van snel afgedekte sedimenten aan de basis van de opgraving, waar eveneens organische materialen bewaard bleven (vis- en ander bot), naast enkele verkoolde graankorrels. Dateringen van deze sedimenten en van één van deze graankorrels, dateert een deel van de bewoning circa 1800 voor Christus.

Het pollenonderzoek wijst voor de neolithische periode op een voornamelijk bebost landschap. In de nattere delen van het landschap bevindt zich een elzenbroekbos, dat zich naarmate de tijd vordert, geleidelijk uitbreidt, vermoedelijk door een algemene vernatting. Op de drogere gronden bevindt zich steeds een loofbos met linde, eik en hazelaar en tal van andere soorten. Binnen dit beboste landschap komen ook open plekken voor. Naast de veel voorkomende grassen en cypergrassen vallen herhaaldelijke ‘kortstondige’ pieken van brandnetel op. Deze pieken kunnen wijzen op periodieke verstoring van de grond in de omgeving, mogelijk door (discontinue) bewoning van het gebied. Een andere aanwijzing voor bewoning is het voorkomen van graan. Kleine hoeveelheden graan wijzen op zeer beperkte, mogelijk tijdelijke akkerbouw in de omgeving. De evaluatiesleuf leverde naast de archeologische artefacten ook nog een aantal grondsporen op (paalkuilen en andere kuilen), die de aanwezigheid van deze bewoning bevestigen.

Een stijging van de hoeveelheid graan, samen met een stijging van de aanwijzingen voor menselijke invloed, wijst voor de regio op een intensiever en meer continu landgebruik vanaf circa 3500 jaar geleden. Door de toenemende vernatting was op de site van het Zennegat zelf in deze periode wellicht geen bewoning meer.

Afbakening van de archeologische zone

De afbakening van de zone is gebaseerd op enerzijds het archeologisch verkennend onderzoek, anderzijds het landschappelijk booronderzoek. In die zin omvat de zone het areaal waar door de archeologische boringen de aanwezigheid van de site werd aangetoond. De zone wordt echter eveneens uitgebreid naar het noorden, omdat daar het hoger gelegen door klei bedekte oppervlak doorloopt tot de samenvloeiing van Dijle en Zenne. Ondanks dat hier op het moment van het onderzoek geen archeologische boringen konden uitgevoerd worden loopt de site ongetwijfeld verder door tot de aangeduide perimeter.

Bewaringstoestand

Door de vernatting van het gebied, nog in de loop van de bronstijd, en de bedekking met alluviale sedimenten, bleef deze vindplaats in het algemeen zeer goed bewaard. Deze afdekking en de natte van de ondergrond zorgen bovendien voor een gering effect van verstorende bioturberende elementen. De gaafheid van de vindplaats is dan ook zeer groot. Het evaluatieonderzoek toont eveneens dat de aanwezige grondsporen goed bewaard en goed leesbaar zijn. Bovendien wijst het onderzoek op de bewaring van organische materialen uit het finaalneolithicum aan de rand van de laatglaciale geul. Mogelijk zijn op een dieper niveau in deze geul ook organische resten van andere periodes vertegenwoordigd.

Bibliografie

  • BOGEMANS F., JACOPS J., MEYLEMANS E., PERDAEN Y., STORME A. & VERDURMEN I., 2010: Paleolandschappelijk, archeologisch en cultuurhistorisch en cultuurhistorisch onderzoek in het kader van het geactualiseerde Sigmaplan. Sigma cluster Dijlemonding, onuitgegeven rapport Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed.
  • JACOPS J., MEYLEMANS E., PERDAEN Y., BOGEMANS F., DEFORCE K., STORME A., VERDURMEN I. 2010: Prospectie- en evaluatieonderzoek in het kader van het Sigmaplan, deel 3, Notae Praehistoricae 30, 101-109.
  • MEYLEMANS E., JACOPS J., BOGEMANS F., DEFORCE K., ERVYNCK A., LENTACKER A., PERDAEN Y., STORME A., VANMONTFORT B., VAN NEER W. 2011: Evaluatieonderzoek van een steentijd- en vroege bronstijdsite in Mechelen-Zennegat (Antwerpen, B), Notae Praehistoricae 31, 239-251.
  • MEYLEMANS E., STORME A., BOGEMANS F., BASTIAENS J., DEBRUYNE S., DEFORCE K., ERVYNCK A., JACOPS J., LENTACKER A., PERDAEN Y., VAN NEER W. in voorbrereiding: Paleolandschappelijk en archeologisch onderzoek van in de Sigma zone ‘Zennegat’ (Mechelen, prov. Antwerpen), Relicta.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/12025/104.1, Mechelen: Zennegat.
Auteurs :  Meylemans, Erwin
Datum  : 2014


Relaties

  • Is deel van
    Zennegat

  • Is deel van
    Zennegat - Battenbroek

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Zennegat [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301327 (Geraadpleegd op 12-08-2020)