erfgoedobject

Hotel Léon Van den Bosch en twee burgerhuizen

bouwkundig element
ID: 7054   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7054

Juridische gevolgen

Beschrijving

Geheel gevormd door een herenhuis en twee flankerende burgerhuizen in neorégencestijl, gebouwd in opdracht van Léon Van den Bosch, naar een ontwerp door de architect Joseph Hertogs uit 1907.

Historiek en context

De bouwheer is vermoedelijk te identificeren met de ondernemer en bankier Léon Charles Marie Van den Bosch, geboren te Waasmunster in 1862. Hij huwde in 1892 te Antwerpen Elvire Jacobs, met wie hij tussen 1894 en 1899 twee dochters en drie zonen ter wereld bracht. Van den Bosch was afgevaardigd beheerder van de Banque de Reports, de Fonds Publics et de Dépôts op de Meir, in 1914 omgedoopt tot Crédit Mobilier de Belgique, en oefende tientallen beheersmandaten uit in uiteenlopende sectoren als het bankwezen, tram- en spoorwegmaatschappijen en nutsbedrijven. Voor de bouw van dit complex dat uit het privé-hotel van Léon Van den Bosch en twee huurhuizen bestond, werden twee bestaande panden gesloopt. Tussen 1909 en 1911 liet Van den Bosch nog diverse werken uitvoeren op het domein, dat oorspronkelijk tot de Harmoniestraat reikte, zoals de bouw van de tuinmuur in 1908, drie serres en een volière in 1908-1909, de afbraak van een voormalige diamantslijperij en andere bijgebouwen in de tuin in 1909, en een inwendige verbouwing van het hotel in 1911. Het hotel kwam in 1947 in het bezit van de Kamer van Notarissen van het Arrondissement Antwerpen. Het Notarishuis geeft onderdak aan het Genootschap van Notarissen van de provincie Antwerpen.

Daterend uit het decennium vóór de Eerste Wereldoorlog, behoort het complex Léon Van den Bosch tot het latere oeuvre van Joseph Hertogs. Een van de belangrijkste realisaties uit deze periode is het hotel Thys - later Smidt van Gelder - uit 1905 aan de Belgiëlei, waarvan de klassieke ordonnantie aan het Parijse Lodewijk XIV-hotel is ontleend. De neorégence die voor het complex Léon Van den Bosch wordt toegepast, gaat terug op de architectuur van Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge uit het midden van de 18de eeuw. Hertogs voerde tijdens de jaren 1890 verbouwingswerken uit aan het Osterriethhuis op de Meir, Van Baurscheits laatste belangrijke realisatie. In deze periode begon de architect de typische régence- of rococostijl toe te passen in zijn residentiële ontwerpen, zoals een reeks herenhuizen op de Koningin Elisabethlei, waaronder het verdwenen hotel weduwe Emile della Faille-Van Eersel uit 1892 en het hotel Good-Engels uit 1896, het hotel Auguste Grisar uit hetzelfde jaar aan de Louiza-Marialei. Deze voorbeelden liepen vooruit op de ruimere verspreiding die het neorococo en de neorégence in de Antwerpse residentiële architectuur zouden kennen tijdens het decennium voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, periode waarin het complex Léon Van den Bosch tot stand kwam. Hertogs geldt als een van de meest succesvolle architecten in Antwerpen, met een loopbaan in dienst van de mercantiele burgerij die bijna een halve eeuw omspande, en een vijfhonderdtal woningen en openbare gebouwen opleverde.

Architectuur

Het complex, dat een souterrain en drie bouwlagen omvat onder een complexe dakstructuur, verenigt een voornaam herenhuis met een gevelbreedte van vijf traveeën en een aanzienlijke bouwdiepte, en twee burgerhuizen van een meer bescheiden allure, elk twee traveeën breed. Uniform behandeld, ontleent het monumentale gevelfront zijn voorname karakter aan het verzorgde parement uit witte natuursteen, en de evenwichtige, door regelmaat beheerste compositie, met een spaarzaam gebruik van ornamenten en lijstwerk. Net als het smeedwerk gaat het geveldecor terug op midden-18de-eeuwse régencemotieven en -patronen, gekenmerkt door een doorgedreven symmetrie, vaak met schelpen als basis. Het beeldhouwwerk op de gevel van het herenhuis met een iconografie die verwijst naar de wijnbouw, bestaat uit twee sater- en twee Bacchuskopen, en vier puttigroepen met druiventrossen - twee individuele figuren leunend tegen een boomstronk en twee koppels waarvan één staand en één knielend.

Axiaal-symmetrisch van opzet, en horizontaal geleed door de plint en het klassieke hoofdgestel, wordt de compositie gekenmerkt door het verticaal ritme van sterk geprononceerde risalieten, die de opdeling in drie individuele woningen onderlijnt. De twee burgerhuizen vallen samen met de zijrisalieten, waarvan de opstand boven de kroonlijst doorloopt in een attiekverdieping met een spiegelboogvormig pseudo-fronton als bekroning. Het hotel dat het middenpand beslaat, gemarkeerd door geblokte hoekpilasters met kwarthol profiel, onderscheidt zich door een terugwijkende attiekverdieping met maskerkoppen in de kroonlijst, die wordt afgeschermd door een attiekbalustrade met putti. Naar midden-18de-eeuws voorbeeld, legt een frontispice in kolossale orde hier de klemtoon op de middenas. Gevat binnen geblokte pilasters, en bekroond door gebogen pseudo-fronton met cartouchesleutel en palmet, bestaat deze frontispice uit een kwarthol geprofileerde, spiegelboogvormige deuromlijsting met cartouchesleutel en waterlijst waarop een smeedijzeren balkon, en aansluitend een rondboogvenster in een geblokte, kwartholle omlijsting met voluutsleutel. Verder is de opstand opgebouwd uit registers van getoogde deur- en vensteropeningen in vlakke omlijsting met oren en drop, op de begane grond verrijkt met een balustrade, op de bovenverdieping met een cartouchesleutel, neuten of een onderdorpel, een waterlijst en een smeedijzeren borstwering; de portalen van de burgerhuizen in de uiterste traveeën zijn omlijst zoals de bovenvensters, met een gebogen middenkalf. Het gevernist houten schrijnwerk van de inkomdeuren met paneelwerk en de vensters met typische roeden is bewaard, evenals het smeedijzeren traliewerk van het souterrain en de gietijzeren voetschrapers. In het rechter pand (nummer 8) werd een garage ingebracht in het souterrain. De tuingevels zijn opgetrokken uit geel baksteenmetselwerk en natuursteen. Daarbij onderscheidt de sterk vooruitspringende opstand van het herenhuis zich door een horizontaal geleed compositieschema met middenrisaliet. Tegen de begane grond leunt een recente wintertuin aan.

Het voorname herenhuis beantwoordt aan de typologie van de woning voor de vermogende burgerij, met een strikte scheiding tussen ontvangstruimten, privé-vertrekken en dienstlokalen. De plattegrond wordt in de middenas opgedeeld door de vestibule met trappenbordes, de ruime inkomhal en de centraal ingeplante, majestueuze traphal met een zuilengalerij op de verdieping en een glas-in-lood-bovenlicht, het geheel uitgevoerd in wit marmer en stuc met een smeedijzeren trapleuning. Links en rechts strekken zich de ontvangstruimtes uit. Ook op de eerste verdieping bevinden zich salons in neorococo- en neo-Lodewijk XVI-stijl.

De flankerende panden in spiegelbeeld, beantwoorden aan de klassieke typologie van het burgerhuis dat uit een voorbouw en een achterbouw in entresol bestaat, ontsloten door de zijdelings ingeplante inkom- en traphal.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1907#997, 1908#556, 1908#1033, 1909#336, 1909#681, 1909#692 en 1911#236.
  • PIETERS P. 2008: Het ontmoetingsnetwerk van de Antwerpse bankierselite aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, onuitgegeven verhandeling, Universiteit Antwerpen, 51, 58, 158-159.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hotel Léon Van den Bosch en twee burgerhuizen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7054 (Geraadpleegd op 16-12-2019)