erfgoedobject

Modernistische villa

bouwkundig element
ID: 11644   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/11644

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Modernistische villa
    Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019

Beschrijving

Modernistische villa gebouwd in opdracht van mevrouw A.P. Kleinkramer, naar een ontwerp door de architect Nachman Kaplansky uit 1934. Aannemer was Aloïs Janssens uit Deurne; voor het tuinontwerp tekende de tuinarchitect René Latinne. Al in 1939 was de villa in het bezit van een nieuwe eigenaar, E. Willemsens. Een volgende eigenaar A. Lipschutz liet in 1957 een ontbijthoek aanbouwen aan de keuken, door de architecten Vincent Cols en Jules De Roeck. Meer ingrijpend was de verbouwing in 1962 door de architect Raoul Verlinde, als gevolg waarvan zijde voorgevel de oorspronkelijk zo karakteristieke zwevende rotonde, het hoektraplicht en de dienstingang verdwenen, en het inkomportaal werd aangepast.

De villa Kleinkramer behoort tot de meest prestigieuze privéwoningen die Nachman Kaplansky tijdens zijn kortstondige loopbaan in Antwerpen tot stand bracht. Van Russische nationaliteit en geboren in Polen, vestigde Kaplansky zich in 1925 vanuit Tel Aviv te Antwerpen. Waar zijn vroegst gekende realisaties al uit eind jaren 1920 dateren, bouwde hij na zijn architectuurstudies aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, vanaf begin jaren 1930 een succesvolle praktijk uit in Antwerpen, gericht op een welgesteld, overwegend joods clientèle. Tot zijn belangrijkste opdrachten behoren enkele van de meest opmerkelijke modernistische flatgebouwen in de stad, zoals de "Résidence Prince Albert" uit 1936 aan het Prins Albertpark. Representatieve voorbeelden van zijn burgerhuizen in gesloten bebouwing, zijn de woning Swart uit 1933 aan de Belgiëlei, en de woning Henri Couturier die de architect in 1938 verderop aan de Sorbenlaan realiseerde. Bij de Duitse invasie in 1940 vluchtte Kaplansky naar Palestina; het is niet bekend of hij zijn architectuurpraktijk tijdens of na de Tweede Wereldoorlog in zijn nieuwe woonplaats Tel Aviv heeft kunnen hervatten.

Van de vijf gekende, vrijstaande of halfopen villa’s die Nachman Kaplansky in de loop van de jaren 1930 in Antwerpen tot stand bracht, vormt de villa Kleinkramer de meest prestigieuze. Tot de andere voorbeelden behoren de woning Silberman uit 1937 aan de Van Notenstraat in Deurne, en de woning Estur uit 1938 in de wijk Elsdonck te Wilrijk. Deze gebouwen beantwoorden zonder onderscheid aan de zuiver modernistische canon waartoe ook Kaplansky’s rijwoningen en flatgebouwen behoren, bepaald door een kubische volumetrie, bandramen en dakterrassen. Een kenmerk dat de villa Kleinkramer gemeen heeft met tal van andere realisaties van de architect is het expressieve gebruik van rood baksteenmetselwerk voor het gevelparement. Het landhuis, dat onder de zeldzame uitingen van interbellummodernisme in de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" tot de meest opvallende voorbeelden behoort, werd samen met de verdwenen woning Speyer aan de Charlottalei in lovende bewoordingen besproken in het architectuurtijdschrft Bâtir: "Ces habitations constituent, différemment, une double démonstration d'homogénité. Tant par leur conception fonctionelle que par l'expression plastique qui leur est propres, meubles et jardin répondent aux données de l'enveloppe architecturale, laquelle est maîtresse. Qui dit architecture dit unité. Pourtant, dans cette double unité, l'architecte Kaplansky sut unir la logique constructive à la beauté des formes, le plaisir d'une fine fantaisie décorative à l'utilité la plus stricte."

Vrijstaand ingeplant in de breedte van het perceel, op een L-vormige plattegrond van zowat 15 bij 15 meter, omvat het gebouw een souterrain en twee bouwlagen onder een plat dak. Vermoedelijk opgetrokken met een structuur uit gewapend beton, hebben de gevels een parement uit rood baksteenmetselwerk, waarvoor bezande gevelsteen van steenbakkerij SAS uit Rijkevorsel is gebruikt. Hierbij werd een halfsteens verband met Dudokvoeg toegepast - dieperliggende lintvoegen in combinatie met platvolle stootvoegen. Plinten, dorpels en de bekleding van de pijlers die de vooruitspringende volumes ondersteun(d)en, bestaan uit zwart geglazuurde tegels of bouwkeramiek; het oorspronkelijke vensterschrijnwerk was uit staal. Tot de meest opvallende kenmerken van deze architectuur behoren de plastische volumetrie en het nadrukkelijke contrast tussen de blinde muurpartijen en de bandramen, waarvan de plaatsing beantwoordt aan de functionele indeling van het interieur. Bepalend zijn het getande profiel van zowel voor- als tuingevel, en de breed overstekende, zwevende volumes boven het portaal en het overdekte terras, oorspronkelijk ondersteund door ranke, zwart betegelde pijlers. Het volume boven het portaal had oorspronkelijk de vorm van een rotonde, die samen met patrijspoorten, ijzeren buisleuningen en het verticale, op de hoek ingeplante traplicht verantwoordelijk was voor het oorspronkelijk meer uitgesproken gestroomlijnde karakter van de villa, met typische nautische connotaties. Opvallend ten slotte is de niveauverschil tussen de westelijke en de oostelijke dienstvleugel in de tuingevel, die verder wordt gekenmerkt door de bloembakken rond het terras. Door de verbouwing van 1962, waarbij in de voorgevel het inkomportaal werd verbreed ten koste van de dienstingang, de rotonde afgevlakt en verbreed, de steunpijler verwijderd en het traplicht vervangen door twee gescheiden, bredere raampartijen met een hoekpenant, ging veel van het eigenzinnige karakter van het gebouw verloren. Behouden bleef het opvallend overstekende, omlijste hoekraam van de woonkamer; de wijzigingen aan de opstanden van de westelijke zij- en tuingevel waren minder ingrijpend, afgezien van de aanbouw van een schoorsteen en de ontbijthoek. Van de oorspronkelijke tuinaanleg met niveauverschillen, flagstonepaden en een ‘muret fleuri, bleef de centrale vijver bewaard, langwerpig van vorm met kwartronde uitsparing, in 1935 uitgevoerd in gewapend beton; de voortuinafsluiting met buisleuning is verdwenen.

Volgens de bouwplannen is de plattegrond georganiseerd rond de ruime traphal, die een centrale inplanting kreeg aan straatzijde. Hierbij sluiten op de begane grond het terugwijkende portaal, de vestibule met vestiaire, en de nog dieper liggende dienstingang aan. De L-vormige suite gevormd door de ruime woonkamer en de eetkamer beslaat de volledige westflank, met een half overdekt terras aan de op het noorden georiënteerde tuin. Via de office staat de eetkamer in verbinding met de keuken, de dienstingang en –trap. De bovenverdieping biedt ruimte aan drie slaapkamers waarvan de grootste uitkijkt over de tuin, een gastenkamer, twee badkamers en twee meidenkamers. De garage bevindt zich in het souterrain, bereikbaar via een hellingbaan. In 1939 werd een extra wijnkelder uitgegraven; bij de aanbouw van van de ontbijthoek in 1957 ondergingen keuken en office aanpassingen; de verbouwing van 1962 vergrootte het inkomportaal en voegde een extra slaapkamer toe.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#437, 18#1919, 238#3975-3976, 238#5608, 238#9783 en 238#11504; foto’s GP#5200, GP#5208, GP#5217 en GP#5218.
  • JACOBS, M. 1999: Nachman Kaplansky beloftevolle maar verborgen Antwerpse architect, onuitgegeven verhandeling Hogeschool Antwerpen Departement Architectuur, 54-56.
  • S.N. 1936: Deux habitations de l’architecte N. Kaplansky, Bâtir 5.39, 550-551.
  • S.N. 1939: N. Kaplansky architecte Anvers, Antwerpen, 7.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2014


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Modernistische villa [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/11644 (Geraadpleegd op 17-10-2019)