erfgoedobject

Bizonbeelden en gedenkplaten van de Ohiobrug

bouwkundig element
ID: 212488   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/212488

Juridische gevolgen

Beschrijving

Ter nagedachtenis van de Slag aan de Schelde schonk de Amerikaanse staat Ohio een brug als oorlogsgedenkteken, de Thirty-seventh Division Memorial Bridge, op de plaats waar de Amerikaanse troepen de Schelde overstaken. Op de brug werden bizonbeelden en gedenkplaten aangebracht. De brug werd vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog maar later terug opgebouwd, inclusief beelden en gedenkplaten.

Historiek

Een eerste brug over de Schelde tussen de gemeenten Eine en Nederename, thans deel van Oudenaarde, werd in 1881 ingehuldigd. Deze metalen brug werd opgeblazen in 1914 door de geallieerden om de Duitse aanval te vertragen. Na hun doorbraak in 1914 trokken de Duitsers een houten noodbrug op. De noodbrug werd door de Duitsers vernietigd in oktober 1918 om de overtocht van de geallieerden te verhinderen.

Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waren de Verenigde Staten van Amerika niet betrokken bij de oorlog. Onder druk van de geallieerden en om economische redenen engageerden de Amerikanen zich in deze oorlog. Ook zal het vernietigen door de Duitsers van Amerikaanse koopvaardijschepen en oorlogsbodems een rol gespeeld hebben bij hun deelname aan de strijd. Nog een bijkomend element vormde een onderschept telegram (Zimmermanntelegram) waarin de Duitsers trachtten Japan en Mexico voor hun zaak te winnen. President Woodrow Wilson overtuigde ten slotte het parlement van de Verenigde Staten van Amerika om Duitsland op 6 april 1917 de oorlog te verklaren.

Op 12 oktober 1918 viel de Hindenburglijn van de Duitsers aan de IJzer. De geallieerde legers zetten hun aanval in en richtten hun pijlen op de Schelde. De vijandelijkheden bleven doorgaan tot aan de wapenstilstand op 11 november 1918. Deze strijd wordt de Slag aan de Schelde genoemd. Op 30 oktober 1918 werden tijdens het zogenaamde eindoffensief in België de Amerikaanse 91ste en 37ste divisies ingezet in het gebied tussen Schelde en Leie. Voor de algemene aanval naar de Schelde van 31 oktober tot 1 november 1918 was de uitvalsbasis de weg Anzegem - Waregem en de spoorweg Kortrijk - Deinze. De 91ste divisie werd ten zuiden van Waregem ingezet, de 37ste divisie aan de spoorweg te Olsene.

Op 1 november 1918 rukte de 37th Division American Expeditionary Force (A.E.F.) vanuit Olsene over Kruishoutem op naar Heurne en Eine. Het 148e regiment van de Buckeye divisie stak daar de Schelde over. Als aandenken daaraan werd later door de Amerikaanse staat Ohio de Thirty-seventh Division Memorial Bridge in Eine bij Oudenaarde gebouwd. De 91ste divisie A.E.F. rukte vanuit Waregem door de Spitaalsbossen op naar Wortegem en zo naar Moregem. Zij bereikte op 1 november 1918 Oudenaarde. Tijdens de gevechten in de Spitaalsbossen tussen Wortegem, Waregem en Anzegem verloor de 91ste divisie 49 officieren en 920 manschappen. De gesneuvelden werden begraven op het Amerikaans kerkhof Flanders Field American Cemetery and Memorial in Waregem, aan de Wortegemseweg dicht bij de Spitaalsbossen. Het is de enige Amerikaanse begraafplaats in België met gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog en beschermd bij ministerieel besluit van 01 april 2009.

De meeste soldaten van de 37th divisie A.E.F. waren afkomstig van Ohio. Ter nagedachtenis van de Slag aan de Schelde schonk de Amerikaanse staat Ohio een brug als oorlogsgedenkteken, de Thirty-seventh Division Memorial Bridge, op de plaats waar de Amerikaanse troepen de Schelde overstaken.

Het tot stand komen van het oorlogsgedenkteken en de bouw van de brug wordt vrij uitvoerig gedocumenteerd in het archief van de Thirty-Seventh Division Battle Monuments Commission in het Ohio Historical Society Archives, waarvan het stadsarchief in Oudenaarde een schaduwarchief bezit. Deze commissie, opgericht in 1923, liet tijdens het interbellum in Europa gedenktekens oprichten op plaatsen waar de Amerikanen slag hadden geleverd. In 1927 schreef deze commissie een wedstrijdvraag uit voor de oprichting van de gedenkmonumenten voor de 37ste divisie in Eine en in Montfaucon en Hattonchatel in Frankrijk.

De laureaat van het winnende project voor het gedenkteken in Eine werd het architectenbureau Walker & Weeks uit Cleveland, Ohio (februari 1927). De architectenfirma Walker en Weeks, opgericht in 1911 was gevestigd in Cleveland en was het meest prestigieuze architectenkantoor van Ohio. Zij waren vooral bekend voor hun bankgebouwen, maar bouwden daarnaast ook verschillende andere grote projecten in de openbare sector, en bruggen. Hun ontwerpen evolueerden van neoclassicisme en Beaux-Arts-architectuur naar art deco en modernisme. Zij werkten samen met beeldende kunstenaars, vooral beeldhouwer Henry Hering, voor de architectuursculptuur. Eén van de bekende voorbeelden van hun samenwerking is de monumentale Lorain-Carnegie Bridge in Cleveland (1932) met sculpturale elementen in art-decostijl en reusachtige beelden van verkeerswachters op pijlers aan de uiteinden van de brug. Ook voor het oorlogsmonument in Indianapolis, het Indiana World War Memorial (1929), betrokken de architecten dezelfde beeldhouwer.

Voor de uitvoering van de monumenten in Frankrijk en in Eine werden de architecten Pierre Lahalle & Georges Levard uit Parijs ingeschakeld als vertegenwoordigers van de Amerikaanse architecten. Hun opdracht bestond er in de nodige contacten te leggen met de lokale overheid en de bouwplaats te onderzoeken, de kostprijs te ramen en aannemers aan te stellen. Na overleg met de bevoegde instanties en het onderzoek van de locatie diende het bekroonde ontwerp trouwens vanuit technisch oogpunt aangepast te worden zonder te raken aan het uitwendige aspect. Edward Tashjian van het architectenbureau Walker & Weeks werd aangesteld als opzichter van de werken ter plaatse en contactpersoon tussen de Parijse architecten en de lokale aannemers.

De Wetterse aannemer Jules Dutrieu verzorgde de funderingswerken, uitgevoerd met Franki palen. Als aannemer voor de algemene werken van de brug trad de firma van Leon Hiroux op, het leveren van het ornamentele gedeelte, met uitzondering van de bizons, werd toevertrouwd aan L. Raynaud uit Parijs. De vier buffels op de brug, naar het plan van Walker & Weeks werden geleverd door de Franse beeldhouwer Paul Moreau-Vauthier.

De plannen werden goedgekeurd door hoofdingenieur-directeur De Cavel en hoofdingenieur A. Heylbroeck van de Administratie Bruggen en Wegen in Gent op 1 juni 1928. De Cavel stond, als de bevoegde overheidsdienst, in voor het nodige algemene toezicht en het oplossen van de technische problemen. Edward Tashjian van het architectenbureau Walker & Weeks diende als opzichter van de werken in naam van de architecten voor het dagelijks toezicht te zorgen. De werken startten op 13 september 1928. De feestelijke inhuldiging in aanwezigheid van 300 veteranen uit Ohio vond plaats op 26 september 1929.

De brug in gewapend beton had een spanwijdte van 37 meter en was 9,6 meter breed. Op beide brugleuningen werd aan de buitenkant over een breedte van 31 meter een herinneringstekst aangebracht in het beton "In memory of the crossing of the Scheldt by the 37th division A.E.F.", geflankeerd door gestileerde motieven in art-decostijl. De strakke belettering van het memento gaf de brug een bijzonder accent. Aan de uiteinden van de brug werden op zware sokkels, versierd met het Amerikaans zegel met arenden en sterren, beelden van bizons in aanvalshouding geplaatst.

De ornamenten, zijnde vier Amerikaanse zegels met arenden, gestileerde guirlandes en sterren, waren gegoten in een speciale betonnen afwerkingslaag met het uitzicht van witte graniet van Bretagne. De samenstelling bevatte kwarts, witte marmer van Carrara, zwarte marmer en witte portlandcement. Het speciale beton van de bekleding werd uitgevoerd tegelijk en in dezelfde bekisting van het spanbeton. Op 5cm van de bekisting werd een bewapening met een rooster aangebracht met daarop een mazendraad. Na de ontkisting werd de bekleding ter plaatse door beeldhouwers gebouchardeerd tot het gewenste resultaat van sculptuurwerk.

De bizonbeelden werden gesculpteerd door de Franse beeldhouwer Paul Moreau-Vauthier (1871-1936), oud-strijder aan de Slag van Verdun. Volgens het contract stond hij in voor het maken van de modellen en de uitvoering in gegoten beton ter plaatse en de afwerking, in hetzelfde beton en volgens dezelfde techniek als de betonbekleding van de brug. De buffels dienden geplaatst te worden volgens het origineel model, gericht naar het centrum van de brug. De beelden werden geplaatst in december 1929, na de inhuldiging van de brug. Op de sokkels werden aan de straatzijde bronzen gedenkplaten aangebracht.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, op 19 mei 1940, werd de brug door de Britse genie opgeblazen. Er werd een tijdelijke noodbrug gebouwd die dienst deed tot 1954. In 1954 bouwde men een nieuwe iets bredere brug. De nieuwe brug diende identiek te zijn aan de vernielde brug van 1929. De werken, gestart op 27 april 1953 waren voltooid op 17 juli 1954. De bizons werden later geplaatst op 2 juni 1955. De vaste boogbrug over de Schelde in Eine in spanbeton had een draagwijdte van 37 meter, geschikt voor 300 ton scheepvaart, en was 12 meter breed. Massief opgetrokken in ter plaatse gestort gewapend beton, bestaande uit zware betonnen moer- en kinderbalken met een vlakke vloerplaat, daarvoor werd gebruik gemaakt van Preflex-liggers, een uitvinding van A. Lipski van 1951.

De Administratie Bruggen en Wegen stelde de firma S.A. Entreprises Cerfontaine Frères uit Brussel aan als aannemer. De firma Entreprises Leon Hiroux, aannemer van de eerste brug verleende advies in de oorspronkelijke samenstelling van het beton voor de bekleding van de brug en het decoratief uitzicht. De Administratie Bruggen en Wegen gaf beeldhouwer Jos De Decker van Dendermonde de opdracht om de bas-reliëfs en de vier monumentale bizons te vernieuwen. De brug werd opengesteld op 8 november 1954. De bizons, uitgevoerd in kunststeen, werden geplaatst in 1955.

In de periode 1980 - 1982 werd, bij de verbreding van de Schelde en het kalibreren voor schepen tot 3000 ton en de rechttrekking, ook deze tweede Ohiobrug gesloopt en vervangen door een standaardontwerp, de firma A.A. Stevin (Antwerpen) stond in voor de uitvoering. De vier bizons, die de leuningen sierden, zijn bewaard gebleven en flankeren nu de toegangsweg naar de brug toe. Op de oorspronkelijke brug stonden de vier bizons in aanvalshouding gericht naar de Schelde en naar elkaar toe. Nu staan ze op 250 meter van elkaar en kijken weg van de brug.

Beschrijving

Als oorlogsmonument was de verdwenen brug een perfecte synthese van architectuur en plastische kunsten, een creatie ook van internationale samenwerking. De huidige monumentale beelden van aanstormende Amerikaanse bizons zijn in feite een creatie van twee kunstenaars. De originele beelden waren het werk van de Franse beeldhouwer Paul Moreau-Vauthier, naar de plans van het architectenbureau. Op een foto van de oorspronkelijke beelden kan men op de sokkel van één der beelden de signatuur en datering lezen: "Paul Moreau-Vauthier/ statuaire Paris 1929". Deze beeldhouwer en oud-strijder was ook de ontwerper van de demarcatiepalen die op initiatief van de Franse Touring Club in 1921 werden opgericht op de punten waar de frontlijn de grote wegen kruist. Op Belgisch grondgebied werden 22 demarcatiepalen geplaatst, in 3 varianten al naargelang de sector waar zij geplaatst werden.

Volgens een rapport van 17 december 1929 van Edward Tashjian, de opzichter van de werken voor de Amerikaanse architecten, waren de vier buffels al gegoten en verbleef de kunstenaar Moreau-Vauthier in Eine om ter plaatse te boucharderen. De kunstenaar en de toezichter waren zeer enthousiast over het nieuwe materiaal, met de speciale samenstelling van het oppervlakte beton. Ook de cementen malles (400 stukken) zouden bewaard blijven voor eventueel hergebruik.

In de eerste plaats primeert de symbolische betekenis van de beelden, als aandenken aan de Amerikaanse soldaten tijdens de Slag aan de Schelde tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op artistiek vlak waren de bizons mooie voorbeelden van monumentale animaliersculptuur uit het interbellum. De sterk expressieve beelden zijn vormgegeven in de Franse art-decostijl met kubistische elementen. Hoewel Paul Moreau-Vauthier geen echte animalier was leverde hij hier een artistieke creatie van hoge kwaliteit.

Bij de vernieuwing van de brug in 1954 gaf de administratie Bruggen en Wegen beeldhouwer Jos De Decker de opdracht om de bas-reliëfs en de vier monumentale bizons te vernieuwen. De bizons werden naar het oorspronkelijk model gegoten in kunststeen. De beelden werden op hun sokkel geplaatst op 20 juni 1955. Beeldhouwer Jos De Decker (Dendermonde, 1912 - 2000) kreeg zijn opleiding van 1928 tot 1933 aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Dendermonde in het atelier van Alfred Courtens. Van 1933 tot 1935 volgde hij lessen bij Egide Rombaux, Jacques Marin en Victor Rousseau aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Van 1934 tot 1940 werkt hij tevens in het atelier van Egide Rombaux. Na zijn studies in 1937 reisde hij naar Italië. Jos De Decker behaalde de twee prijs van Rome in beeldhouwkunsten in 1941. Hij doceerde sierkunsten (1947-1952) en beeldhouwkunst (1952-1977) aan de Academie voor Schone Kunsten van Dendermonde. Van 1970 tot 1977 was hij directeur van deze Academie. Hij ontwierp oorlogsgedenktekens voor de Tweede Wereldoorlog voor het Heilige Maagdcollege in Dendermonde (1934), Grembergen (1939, 1947), Hofstade (1947), Baasrode (1950), Oordegem (1950) en Anderlecht (1956-1958). De nieuwe diersculpturen zijn eenvoudiger uitgevoerd dan oorspronkelijk het geval was, de typische geometrische vormen van de art-decostijl en het kubisme zijn vervaagd.

Bij de bouw van de huidige Ohiobrug in de periode 1980 - 1982, een standaardontwerp van het Ministerie van Openbare Werken, Bruggen en Wegen, uitgevoerd door de firma A.A. Stevin (Antwerpen), werden de vier bizons bewaard en herplaatst, nu op 250 m van elkaar. Op de oorspronkelijke brug stonden de vier bizons in aanvalshouding gericht naar de Schelde en naar de brug. Nu staan ze op 250 meter van elkaar en kijken weg van de brug, die met een brede bocht over de Bovenschelde loopt.

Volgende bronzen gedenkplaten werden op de binnenzijde van de beeldsokkels geplaatst:

Linkeroever (Eine), Rechterbeeld: De stars en stripes van de Amerikaanse vlag. Linkerbeeld: In memory of the crossing of the Schelde by the 37th division A.E.F.

Rechteroever (Nederename). Rechterbeeld: Memorial erected by the state of Ohio/ United States of America, 1918-1929/ commemorating the achievements of the 37th American division/ Commission Frank c. Gerlach/ president/ colonel infantry/ Laurence H. Norton/ secretary/ captain artillery/ Sanford B. Stanbery/ brigadier general/ John R. Mc Ouigg/ colonel engineers/ Otto Miller/ Lt. colonel ordnance/ Earl C.Mc. Creary/ maior infantry/ Thomas H. Morrow/ captain infantry/ John Mc Sweeny/ captain infantry. Architects/ Walker & Weeks/ Cleveland – Ohio – U.S.A./ Lahalle & Levard/ Paris – France/ De Cavel. chief engineer/ Ghent – Belgium/ Edward Tashjian, superintendent/ Cleveland – Ohio – U.S.A.

Rechteroever (Nederename). Linkerbeeld: Deze brug opgericht door den staat Ohio/ Vereenigde Staten van Amerika/ herinnert de krijgsverrichtingen van de/ 37ste Amerikaansche legerafdeling/ 1918/ offensieven in België/ Op 2 november 1918 gelukte de legerafdeeling er in de Schelde over/ te steken bij Heurne, richtte bruggenhoofden in op den rechter oever/ en hield stand tegen herhaalde en krachtige tegenaanvallen/ Op 10 november 1918 kwam de legerafdeeling weder in de vuurlijn/ eenige kilometers noordwaarts, en geraakte een tweede maal over de/ Schelde bij Syngem. Haren opmarsch voortzettende tot aan den/ wapenstilstand/ streek: Eyne – Heurne – Heuvel – Syngem - Asper.

Een bronzen plaat met de Franse versie van de Nederlandse tekst is in 1998 teruggeplaatst centraal op de nieuwe brug, nadat hij verwijderd na de oorlogsschade.

  • Stadsarchief Oudenaarde, Schaduwarchief van het archief van de Thirty-Seventh Division Battle Monuments Commission in het Ohio Historical Society Archives.
  • Waterwegen en Zeekanaal NV, Afdeling Bovenschelde, archief.
  • BERTRAND R., Le nouveau pont sur l’Escaut à Eyne, Belgique, in La Technique des Travaux, 6/ 12, 1930, p. 797-801.
  • DELARUE CH., Geschiedenis van Eine, De Ohiobrug te Eine, onuitgegeven eindwerk, Eine, 1964.
  • HEYLBROECK A., Le pont commémoratif construit sur L’Escaut, à Eyne, in Annales des Travaux Publics de Belgique, LXXXIII, 31, augustus 1930, p. 557-568.
  • LACHAERT P.-J., Schaduwarchief 37e Divisie Ohio, in Westerring, XIV, 54, juni 2007, p. 14-16.
  • DEWEER J.-P., De slag aan de Schelde – 1918, Het VIe Franse leger en de 91st en 37th Div. American Expeditionary Forces, Oudenaarde, 1988, p. 169.
  • DEWEER J.-P., De Ohiobrug voor – gedurende – na Wereldoorlog I 1914-1918 en Wereldoorlog II 1940-1945, gepubliceerd in het Heemkundig tijdschrift Westerring Oudenaarde, s.l., s.d.
  • NOVDORODSKY L., La reconstruction de pont commémoratif “Ohiobrug” sur L’Escaut à Eyne, près d’Audenarde, in La Technique des Travaux, XXXII, 5-6, 1956, p. 183-186.
  • STROOBANTS A., Jos De Decker, Dendermonde, s.d., p. 24-25, 67.
  • TASHJIAN H., An American Memorial Bridge in Belgium, Featuring an Artificial Granite Surface for Decorative Carvings, in Civil Engineering, January 1932, p. 25-27.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier DO002349, Ohiobrug (L. Kathleen, 2011)
Auteurs :  Lanclus, Kathleen
Datum  : 2010


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Bizonbeelden en gedenkplaten van de Ohiobrug [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/212488 (Geraadpleegd op 10-08-2020)