Gemeentehuis Desteldonk

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Gent
Deelgemeente Desteldonk
Straat Moleneinde
Locatie Moleneinde 14-16, Gent (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Gent (actualisaties: 01-01-2006 - 24-09-2007).
  • Adrescontrole Gent (adrescontroles: 25-09-2007 - 25-09-2007).
  • Inventarisatie Gent (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1983).

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Gemeentehuis Desteldonk

Deze bescherming is geldig sinds 11-06-2010.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Gemeentehuis Desteldonk

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Al in 1236 wordt Desteldonk vermeld als parochie en in 1248 verkrijgt zij een keure met vierschaar en schepenbank. Tot het eind van het ancien régime ressorteerde de parochie onder de heerlijkheid van de Sint-Baafsabdij. De herberglijst van 1719 vermeldt “ den Gouden Appel aen de meulen bij het schepenhuys.” Dit gebouw stond rechtover het huidige gemeentehuis, in het midden van de rijweg. Volgens de Potter en Broeckaert bestond dit keurhuis nog in 1866 en stond in de oostgevel het jaartal 1627 vermeld. Vermoedelijk werd dit gebouw afgebroken bij de bouw van het huidige gemeentehuis.

Bij KB van 31 december 1964 werd Desteldonk samen met de gemeenten Mendonk en Sint-Kruis-Winkel toegevoegd aan de stad Gent met het oog op de expansie van de Gentse havenindustriezone. (de zgn. kanaaldorpen) Door de inlijving van gronden voor de chemische industrie verdwenen twee kasteeldomeinen van Desteldonk, namelijk het buitengoed van de familie Delbecque en het kasteel van Van Pottelsberghe de la Potterie. Desteldonk vormt momenteel een kleine deelgemeente van Gent met ongeveer 900 inwoners. Vóór 1964 was zij een zelfstandige gemeente. Het huidige gemeentehuis is nu een dienstencentrum, dat slechts enkele uren per week open staat voor de burgers; de verhoogde kelderverdieping is een dienstlokaal voor de politie.

Beschrijving

1 datering

Gebouwd als gemeentehuis in 1884 met in de verhoogde kelderverdieping dienst- en woonruimte voor de conciërge of veldwachter. Een moeilijk te ontcijferen hardstenen plaat op de voorgevel verwijst naar bouwmeester P. Langerock als ontwerper en vermeldt vermoedelijk – wegens bijna onleesbaar en onder voorbehoud - als aannemers de namen I. Gaumery en A. De Meyer. Op de gevelsteen staat het jaartal MDCCCLXXXIV .

2 exterieur

Het gemeentehuis bestaat uit een lijstgevel, die samengesteld is uit twee overlangse vleugels van elk twee traveeën, beide onder zadeldak afgedekt met leien. Elke vleugel telt een onderbouw in een verhoogd kelderniveau (eerste bouwlaag), volledig afgelijnd door een waterlijst, en een begane grond die zich situeert op het niveau van de eerste verdieping (tweede bouwlaag). Een sterke verticale ronde en slanke toren en met de allure van een middeleeuwse kasteeltoren, vormt de scheiding tussen beide vleugels. De traptoren is voorzien van schietgaten en een hoge ronde spits bedekt met leien. De kroonlijst van de rechtervleugel is wat lager dan de andere, waardoor eveneens een verschil in nokhoogte ontstaat tussen beide vleugels. De goten worden geschraagd door twee tandlijsten op elkaar. De zijwanden zijn afgewerkt als zijtrapgevels, aan beide kanten afgelijnd door brede hoeksteunberen. De achtergevel werd volledig blind gehouden, behalve op het niveau van de inkomhal, waar later een tweelicht werd toegevoegd. De linker zijgevel werd in recentere tijd doorbroken met een eenvoudige toegangsdeur naar de woning voor de veldwachter en met een uitbreiding van een erker, opgebouwd in een andere baksteensoort en met aangepaste ramen, onder leien lessenaardak. Aan de blinde achtergevel werd een kleine stal of achterbouw aangebouwd onder pannen lessenaardak, als uitbreiding van de leefruimte voor de conciërgewoning.

De grotere linkervleugel vertoont op de bouwlaag twee grote rechthoekige drielichten met hardstenen kruisen en bakstenen dagkanten. In de onderbouw bevinden zich drie tweelichten het middelste is hoger en breder, waardoor de voetlijst van de verhoogde begane grond er rond knikt. De rechtervleugel telt twee onregelmatige traveeën. In de rechteroksel van de toren loopt boven een kleine deur een steektrap, met bordes en smeedijzeren leuning, langsheen de gevel. Hier wordt de verhoogde begane grond links geopend door een bakstenen spitsboogportaal met drielicht bekroning en eindigend in een enkelvoudige korte tandlijst. Boven het portaal zit in het dakschild een houten standvenster. De twee travee wordt gevormd door een laaghellende trapgeveltop met een kruisvenster en een oculus in het veld. De waterlijst van de onderbouw maakt een knik rond een afgesloten hardsteenplaat, die het bijna onleesbare bouwopschrift bevat. De fijne detailafwerking binnen de neogotische vormentaal komt voor in de bewerking van de kroonlijsten, de dakkapellen, de trapleuning, de geveltoppen en de schoorstenen.

3 interieur

Typologisch vertoont het gebouw een tweeledige functie. Het linkergedeelte bevat in de onderbouw of het verhoogde kelderniveau de conciërgewoning en/of woning voor de veldwachter en daarboven situeert zich de ruime raadzaal. Het rechterdeel van het gebouw bevat de ruime hal met rechts de secretariaatskamer, waaronder zich de eigenlijke kelderruimte bevindt. Binnen eenzelfde neogotische vormentaal krijgen de beide functies eigen accenten: kleine vensters voor de conciërgewoning en grote drielichten voor de raadzaal. De hoofdingang wordt gevormd door een zeer grote eikenhouten spitsboogdeur, terwijl het secretariaat verlicht wordt door een kleiner kruisvenster. De toegang tot de openbare ruimte gebeurde via een imposante bordestrap en een voor dit gebouw vrij groot spitsboogportaal. De verbinding tussen beide gedeelten gebeurt langs de centrale ronde traptoren, die een interne trapverbinding maakt tussen het kelderniveau met enerzijds de woning en anderzijds de kelderruimte, met het niveau van de eerste verdieping aan de hal en met het zolderniveau. Het zeer ruime zolderniveau met behouden dakgebinte en plankenvloer wordt in twee opgedeeld door een verschil in vloerhoogte en door een dragende witgeschilderde muur, waarin een spitsbogige deuropening is uitgewerkt. De eerder kleine kelderruimte is afgedekt met een troggewelf. De oorspronkelijke binnenstructuur en kamerindeling uit de bouwperiode is volledig bewaard gebleven.

De gevelbrede raadzaal biedt een neogotische aanblik door het behoud van de neogotische balkenzoldering rustend op onversierde natuurstenen consoles en ingevuld met planken in visgraatmotief, een sobere schouwmantel in witsteen en momenteel geschilderd, het eikenhouten parket in visgraatmotief, het oorspronkelijke schrijnwerk van de ramen met ruitvormig glas-in-lood invulling in grijskleur, bewaarde eikenhouten vleugeldeuren. Van het neogotische meubilair is enkel een zware ovale eikenhouten tafel en een zestal stoelen (met lederen zitting en rugleuning) bewaard. Als merkwaardig bewaard meubilair is te vernoemen de oude gemeentelijke brandkast, verankerd in de vloer.

De hal heeft een behouden balkenzoldering gelijkaardig aan de raadzaal, een tegelvloer van rode vierkante tegels versierd met twee banden van zwarte tegels lopend rond de omtrek van de ruimte; bewaarde plankendeuren als toegang naar het naastliggende bureau en torentje.

De secretariaatskamer behield haar sobere neogotische inrichting met behoud van de eenvoudige witstenen schouwmantel, parketvloer, balkenzoldering en een kamerbrede vaste eikenhouten kast met paneeldeuren voor de administratieve dossiers.

De voormalige dienstruimte en woning van de veldwachter, thans in gebruik als dienstlokaal voor de politie, kon niet worden bezocht om ambtelijke redenen.

  • DE POTTER F. & BROECKAERT J. 1864-1870: Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen, reeks 1, deel 4, Gent, 18.
  • BOGAERT C., LANCLUS K. & VERBEECK M. 1983: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent, Fusiegemeenten, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4ND, Brussel-Gent, 24.
  • DEVOS P. 1982: Inventaris van het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen XVI. De gemeentehuizen van Oost-Vlaanderen, band I, 353.
  • COOMANS T. 1994: Architect Pierre Langerock (1859-1923), in: VAN CLEVEN J. e.a., De neogotiek in België, Tielt, 152-153.

Bron: Beschermingsdossier DO002329 (2010)

Datum tekst: 2010

Alle teksten

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Desteldonk

Desteldonk (Gent)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.