erfgoedobject

Basiliek Onze-Lieve-Vrouw met omgeving

archeologisch geheel
ID
301296
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301296

Juridische gevolgen

Beschrijving

De archeologische zone omvat een rijkdom aan geschiedenis die loopt van de Romeinse tijd tot vandaag. De meest opvallende getuige hiervan is de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek.

Historiek en beschrijving

Onze-Lieve-Vrouwbasiliek

Archeologisch veldonderzoek vond plaats in verschillende fasen. Tijdens dit onderzoek werd duidelijk dat de geschiedenis van de plaats waar de basiliek staat tot 2000 jaar teruggaat.

1. De Romeinse tijd

De oudste archeologische sporen die werden teruggevonden in het bodemarchief onder de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek gaan terug tot de stichting van Tongeren door de Romeinen. Het begon allemaal met greppels en barakken, sporen van de Romeinse militaire aanwezigheid. Het zijn de troepen die rond 10 voor Christus het stratenplan van de nieuwe hoofdstad van het nieuw veroverde gebied uitzetten en na een kortstondig verblijf opnieuw vertrekken. Tussen de straten in verrijzen later de eerste gebouwen van de nederzetting. Deze vroegste stad werd echter verwoest, wellicht ten gevolge van de historische bekende opstand van de Bataven in 69 na Christus. Deze verwoesting is archeologisch herkenbaar als een puin- en brandlaag.

Bovenop deze verwoeste gebouwen, herstelde de stad zich opnieuw. Dit is ook te zien onder de basiliek. Er werden sporen aangetroffen van houten huizen die kunnen gedateerd worden in de late eerste eeuw, maar waarvan de grondplannen echter niet meer te reconstrueren zijn door grote bodemverstoring van latere bouwactiviteit.

Deze houtbouw werd in de loop der tijd vervangen door steenbouw, zoals ook het archeologisch onderzoek heeft aangetoond. Muurresten van Romeinse huizen met muren in vakwerkbouw opgetrokken op stenen sokkels lopen onder de hele kerk door en maken deel uit van verschillende panden die uit een complexe opeenvolging van vertrekken en open ruimtes bestonden. Deze huizen hebben bovendien verschillende fasen van herbouw gekend. De woningen in het noordelijke deel van de kerk blijken gericht op de oost-west gerichte decumanus maximus, de hoofdas van de stad waarop het stratenplan georiënteerd is. De eerste stenen fase nam een aanvang net na de eerste eeuw van onze jaartelling. In het zuiden van de kerk bevond zich een woning met een badruimte, centrale woonzone, binnenplaats en open ruimte. Enkele ruimten van de woning waren voorzien van een hypocaustum, d.w.z. een vloer gedragen door ronde zuiltjes waaronder een ruimte zit die met hete lucht is opgewarmd en dus vloerverwarming creëert. Deze woning was duidelijk bedoeld voor de lokale elite van de stad. Dit kan afgeleid worden uit de vele fragmenten van muurbepleistering met veelkleurige decoraties en botresten die een bijzondere reconstructie geven van de eetgewoontes van die tijd. Ook de centrale ligging van de woning binnen de stad kan wijzen op een bijzonder aanzien van haar bewoners.

Rond het midden van de tweede eeuw woedde een zware stadsbrand, waarna zowat heel Tongeren werd herbouwd. In het noordelijk deel van de basiliek zien we dan leefruimtes, een kelder en een open plek verschijnen. Er werd toen ook een kleine aula gebouwd. In het zuidelijke deel van de opgraving kwam een rij kamers tevoorschijn waarvan één voorzien van een hypocaustum-systeem.

Deze woningen verdwijnen uit het stadsbeeld in de tweede helft van de derde eeuw toen opnieuw een stadsbrand voor vernieling zorgde, mogelijk in verband te brengen met de invallen van de Franken. Hierna zou Tongeren opnieuw opgebouwd worden, maar op kleinere schaal en binnen een nieuwe stadsversterking. Op het basiliekterrein verschijnt op dat moment een badgebouwtje en een waterbekken.

Tijdens de 4de eeuw verschijnt een basilica, met het grondplan van een zaalvormig gebouw met halfronde uitstulping aan een van de korte zijden. Een basilica is niet, zoals de naam doet vermoeden, in verband te brengen met erediensten, maar werden wel gebruikt om recht te spreken, handel te drijven of om andere redenen samen te zitten. In Tongeren resten van de basilica naast wat muurfragmenten en funderingen, nog een deel van de vloer en een vijftal basissen van zuilen. Ze tonen aan dat de zaal uit een grote centrale ruimte en twee kleinere, noordelijke en zuidelijke delen bestond: een middenschip en twee zijbeuken. Ook de apsis bleef bewaard. Langs de muren van de apsis stonden zitbanken met centraal een lege plek voor groter meubel, bv. de zetel van de voorzitter. Een muurtje scheidde de apsis van de zaal. De oprichting van het gebouw kan gedateerd worden tussen 322/323 en 330. Ergens tussen 367 en 383 werd de basilica heringericht. Aan het eind van de 4de eeuw was het gebouw dus nog volop in gebruik. Mogelijk was het gebouw nog een tijdje als christelijke kerk in gebruik of zelfs als kerk gebouwd. Een argument dat hiervoor pleit is de historische figuur Servatius die opduikt tijdens de eerste bouwfase of de verbouwing. Servatius, of later Sint-Servaas, was bisschop van de Tungri. Teksten zetten aan om in Tongeren een bisschopszetel te situeren en als dat het geval was, dan moet er een bisschopskerk gestaan hebben. Er zijn echter geen concrete bewijzen die aangeven dat de basilica deze bisschopskerk was.

De 5de, 6de en 7de eeuw worden in de basiliek archeologisch vertegenwoordigd door ‘de zwarte laag’, een donkere humusrijke laag. Dergelijke pakketten bevatten dierenbotten, zaden en vruchten, maar niet in die mate dat je van een composthoop kan spreken. De laag bevat daarnaast ook wat aardewerkscherven, glas en munten. Het pakket zou opgebouwd zijn door de bodem ter plaatse aan te rijken met huisvuil, aangevoerd van een stortplaats in de omgeving, wellicht dus met als voornaamste doel bemesting. De reden hiervoor kunnen we zoeken in voedselproductie en dan wel in de vorm van een tuinbouwsysteem.

2. Merovingische periode

Tussen 530 en 580 werd een eenbeukige constructie met halfrond koor voorzien van een koormuur gebouwd. De apsis van de voorafgaande basilica werd het koor van deze vroegmiddeleeuwse kerk. Na de bouw van deze kerk werd in de periode 600-640 de ingang heraangelegd. De koormuur werd ook een aantal keren van plaats verschoven.

Rond het midden van de 8ste eeuw (745-770) werd het hele grondplan aangepast. Het werd een iets grotere kerk; er werd in de breedte uitgebreid waarbij de lange zijden decoratieve, uitspringende kolommen kregen en de ingang een portaalachtig uitzicht kreeg. Ook hier was een interne koormuur voorzien. Tijdens de opgravingen werden fragmenten van muurschilderingen teruggevonden die aantonen dat het interieur wellicht rijkelijk versierd was.

3. Karolingische periode

Aan het eind van de 9de eeuw (870-900) werd de Merovingische kerk vervangen door Karolingische kerk: tijdens opgravingen kwam het grondplan naar voren van een driebeukige kerk met een halfrond koor maar zonder dwarsbeuk. Mogelijk werd deze nieuwe kerk gebouwd ter vervanging van de oude kerk. Deze was mogelijk vernield tijdens de plunderingen door de Vikingen in het jaar 881. Dit is echter niet aangetoond.

Tot de Karolingische kerkfase behoort ook een restant van een oven, waarvan de precieze functie niet kon worden achterhaald. De structuur was midden in de kerk ingegraven.

4. Ottoonse kerk

De huidige gotische kerk staat op de funderingen van een oudere kerk. Deze oudere kerk had een langgerekt schip, een sterk uitgebouwde dwarsbeuk en een halfrond koor. Het schip bestond uit drie beuken: een middenbeuk en twee zijbeuken. Deze kerk en zijn voorganger, de Karolingische kerk zijn gebouwd op precies dezelfde plaats wat wijst op lange continuïteit.

Aan de westkant bevonden zich de fundamenten van een massieve vierkante toren. Aan de zuidkant van deze toren kleefde een rond, maar wellicht net zo hoge toren die de stenen trap bevatte om naar de hogere verdiepingen van de toren te klimmen. De toren is duidelijk een stuk jonger dan de rest van deze kerk en kan gedateerd worden circa 1180-1220. Historische bronnen beschrijven dat de graaf van Loon in 1180 de stad innam en zwaar toetakelde. Ook de kerk had hieronder te lijden. In 1213 belegerde de hertog van Brabant de stad. Mogelijk werd de toren in 1180 toegevoegd naar aanleiding van het debacle met de graaf en heeft de toren als verschansing voor de bevolking zijn dienst bewezen in 1213. De verwoestingen uit deze laatste periode kunnen bovendien de reden geweest zijn om te beginnen met de bouw van volgende, gotische kerk.

De rest van de kerk kan gedateerd worden tussen 935 en 975. Het grondplan van de kerk zonder de toren is het typisch model van de Ottoonse kerken.

5. De Romaanse en gotische kerk

De bouw van de gotische Onze-Lieve-Vrouwbasiliek werd volgens een archiefbron in 1240 gestart, maar dat is een transcriptie van een document uit 1579 en mogelijk niet helemaal correct. De bouwkenmerken van de verschillende kerkdelen tonen aan dat men in elk geval met de aanleg van het zuidelijke deel van de dwarsbeuk en het koor begonnen is. In 1242 werd het hoofdaltaar reeds gewijd. Het noordelijke deel van het transept is later gebouwd, in de tweede helft van de 14de eeuw. Ook het schip werd toen gebouwd. Archiefbronnen tonen aan dat de bouw van de toren pas startte in 1442, zo’n twee eeuwen na het begin van de gotische werkzaamheden. Dit kan enkel verklaard worden door het gelijktijdig bestaan van een voorganger die slechts heel geleidelijk afgebroken werd naarmate de bouw van de gotische kerk vorderde. Hierdoor kon men tijdens de eeuwen van bouwen toch de kerk blijven gebruiken.

De romaanse voorganger is echter niet volledig verdwenen: in het noordwestportaal wordt de deuropening bekroon door een boog en zuiltjes die duidelijk romaans van stijl zijn. Ook de kolommen in het westelijk deel van het schip hebben een andere vorm dan de oostelijke. De westelijke zuilen lijken later gebouwd. Ook de toren van een voorganger van de gotische kerk zou pas in de 16de eeuw afgebroken zijn, waarna het schip werd verlengd tot aan de gotische toren.

De forse toren aan de westzijde werd nooit afgewerkt. Ooit moet het wel de bedoeling geweest zijn om de toren van een spits te voorzien, maar dat is nooit gelukt. Een opeenvolging van houten constructies hebben het bouwwerk wel lange tijd bekroond.

De Onze-Lieve-Vrouw werd in de middeleeuwen zelfs gebruikt als belfort: als uitkijkpost, brandalarm, om de archieven te bewaren en om tot schuilplaats van de bevolking te dienen.

In 1677 werd de dakkap en het interieur van de kerk zwaar beschadigd tijdens een brand aangestoken door de troepen van Lodewijk XIV. Reeds in 1677 werd gestart met het herstel van de dakkap.

In 1731 wordt een sacristie gebouwd naar ontwerp van E. Fayn.

Onder leiding van Joseph Jonas Dumont werd van 1846 tot 1859 een restauratiecampagne uitgevoerd. Zowel buiten als binnen werden delen van het steenwerk vervangen door nieuwe bouwblokken. Ook het zuidportaal werd heraangelegd nadat het aangrenzende kapittelhuis werd ingekort. Ook het noordoostelijke portaal is niet meer origineel. Ook het interieur werd aangepakt. Renaissance glasramen, gedateerd tussen 1548 en 1550, werden gerestaureerd. Daarnaast kwamen er ook nieuwe glaspartijen uit het atelier van Jean-Baptiste Capronnier (1814-1891). De binnenmuren werden afgekapt, waardoor veel laatmiddeleeuwse schilderingen verloren gingen. Een tweede restauratie werd begonnen in 1969.

De plattegrond beschrijft een driebeukig schip van zes traveeën met een rij zijkapellen aan weerszij, een voorstaande, vierkante westertoren, een transept, en een koor van drie rechte traveeën met vijfzijdige sluiting, geflankeerd door sacristieën.

De kerk werd opgetrokken uit Maastrichtse kalksteen. De vierkante westertoren bestaat uit acht geledingen, door waterlijsten gescheiden. De toren is voorzien van overhoekse steunberen van acht versnijdingen, voorzien van pinakels. De begane grond is voorzien van spitsboogportalen in elke zijde; de ruimten tussen de steunberen zijn verbonden door bogen. Op de tweede geleding bevindt zich een spitsbooggalerij, overwelfd d.m.v. kruisribgewelven. De vierde, vijfde en zesde geleding zijn voorzien van blinde spitsboogvensters met laatgotische tracering. In de zevende geleding, op elke zijde twee spitsboogvormige galmgaten met erboven een geajoureerde borstwering. De bovenste, neogotische geleding is voorzien van zittende engelenfiguren en heiligenbeelden.

Het schip vertoont een basilicale opstand. Door de bouw van de zijkapellen moesten de venster van de drie oudste, oostelijke traveeën verkort worden. Luchtbogen, verzwaard door pinakels markeren de traveeën. De bovenlichten zijn geprofileerde spitsboogvensters met vrij eenvoudige tracering. De aaneengesloten gevels van de kapellen vormen thans de buitenmuren van het schip. Ze zijn versierd met laatgotisch maaswerk. Brede spitsboogvensters zijn voorzien van een gelijkaardig maaswerk. De noordzijde is van twee portalen voorzien. Het westelijk deel bestaat uit twee delen: het binnenste portaal met nog sporen van de romaanse voorganger is een rondboogportaal met een voorstelling van het Laatste Oordeel in het boogveld.

De noordelijke transeptarm evenals het portaal dat er zich in bevindt is laatgotisch. Het spitsboogportaal is voorzien van beeldnissen, hogels en kruisbloem, en voorstelling van de Opwekking van Lazarus in het boogveld. Het portaal in de zuidelijke transeptarm dateert van de 19de-eeuwse restauratiecampagne.

De rechte koortraveeën dateren uit de 13de eeuw, de koorsluiting is recenter (14de eeuw). De traveeën, gescheiden door steunberen zijn voorzien van spitsboogvensters met maaswerk. De vensters der koorsluiting zijn smal en zeer hoog.

De basiliek is voorzien van neogotische sacristieën, voorzien van rechthoekige vensters met maaswerk en een spitsboogportaal.

Klooster

Ten oosten van de kerk bevindt zich het voormalige klooster. Waarschijnlijk bestond het oorspronkelijk uit vier vleugels waarvan de westelijke verdwenen is bij de bouw van het huidige koor. Op basis van stilistische gegevens kan het gedateerd worden tussen 1146 en 1164. Zuilengalerij en binnenhof dienden als begraafplaats voor de kanunniken. Aan de zuidelijke zijde bevindt zich de kapittelzaal, voorzien van een ronde toren, resterend van de versterking van het monasterium. In de 13de eeuw wordt het gemeenschapsleven opgegeven en vestigen de kanunniken zich in eigen woningen (cf. Maastrichterstraat), ten noorden van het kerkhof en de omheiningsmuur, die op deze plaats nog lange tijd als kerkhofmuur bleef fungeren.

De gebouwen van de kloostergang zijn opgetrokken uit silex, behalve de noordelijke vleugel (mergelsteen) en bedekt met zadeldaken (leien). De eerste bouwlaag bevat de zuilengalerij met rondboogarcade; alleen de eerste bogen in de zuidelijke vleugel behoren tot de oorspronkelijke romaanse kloostergang; zij zijn herkenbaar aan de teerlingkapitelen, waarvan één oorspronkelijk, en de sterk verweerde ijzerzandstenen bogen; de rest van de rondboogarcade dateert waarschijnlijk uit de eerste helft van de 13de eeuw en is voorzien van vroeggotische bladkapitelen; het alternerend stelsel van één zuiltje en twee gekoppelde zuiltjes van hardsteen bleef over het ganse pand gehandhaafd. De binnenwanden zijn van mergelsteen; afdekking d.m.v. houten plafonds. De bovenverdieping, waar zich waarschijnlijk o.m. de slaapzalen van de kloosterlingen bevonden, zijn voorzien van vierkante vensters in een kalkstenen omlijsting met mergelstenen riemprofiel.

Ten zuiden van de zuidelijke vleugel bevindt zich de voormalige kapittelzaal, met aan de oostzijde een ronde toren, die deel uitmaakte van de omheining van het monasterium. Deze is voorzien van een neogotische westgevel (1874). De overige delen zijn van silex met gotische spitsboogvensters met maaswerk.

Aan de oostzijde werden in de 16de eeuw twee kapellen aangebouwd: de Sint-Annakapel, aan het einde van de zuidgang, circa 1550 gesticht door kanunnik Scronx, en aan de noordgang de Allerheiligenkapel, gesticht door Reys van Repen, in flamboyant-stijl (stergewelf).

Romeinse stadsomwalling

Aan het eind van de Romeinse tijd was de stad erg gekrompen en werd het deel nabij de rivier opgegeven. Daardoor kwam de plek waarop later de basiliek zou komen langs de nieuwe stadsmuur te liggen. Net ten zuiden van de huidige kerk, op het Vrijthof, zitten nog de funderingen van een van de torens die deel uitmaakten van de stadsversterking. Deze bleven bewaard omdat ze gebruikt werden als fundering voor de bouw van de Sint-Maternuskapel. Resten van de stadsomwalling en torens van de muur werden op verscheidene andere locaties binnen deze zone ook reeds aangesneden.

Voor de 4de-eeuwse muur er was, lag de plek van de basiliek centraal in de Romeinse stad.

Sint-Maternuskapel

De Sint-Maternuskapel, intussen verdwenen uit het stadsbeeld, was een rond gebouw waarvan de oudste vermelding rond 1200 dateert. Mogelijk dateert het gebouw uit de Merovingische periode omdat het waarschijnlijk opgetrokken werd op de fundamenten van een toren van de laat-Romeinse stadsomwalling. Bovendien zaten er gerecupereerde stukken Romeinse beeldhouwwerk in het muurwerk, zoals we weten uit een getuigenverslag van 1706. In 1803 werd beslist dat de kapel moest verdwijnen om het vrije marktverkeer te bevorderen.

Sint-Niklaaskerk

Aangebouwd tegen de toren van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek, aan de zijde van de Graanmarkt, bevond zich vroeger een tweede kerk, de Sint-Niklaaskerk, vermeld vanaf 1209. Deze romaanse constructie was voorzien van een gotische torenspits die verdween in de brand van 1677 en in 1710 vervangen werd. Na de Franse inval verloor de kerk haar functie en in 1818 liet de gemeente ze afbreken.

Begravingen

In de loop van de opgravingen in de basiliek kwamen zo’n 380 graven tevoorschijn. Een groot aantal graven werd door jongere bijzettingen verstoord. De begravingen kunnen opgedeeld worden in drie groepen: een vroegmiddeleeuwse groep, een volmiddeleeuwse groep en een laat- en postmiddeleeuwse groep. Dat de jongste uit de late 18de eeuw stammen, en niet later, is een zekerheid omdat Jozef II in 1784 een eind maakte aan het begraven in kerken.

Vroeger bevond zich nog een kerkhof rond de basiliek, maar dat is grotendeels geruimd en verstoord.

De kanunniken werden voor een groot deel begraven in de pandgang van klooster.

Romeinse wegen

Op verschillende plaatsen binnen de afbakening van de beschermde archeologische zone werden resten teruggevonden Romeinse wegen, onder andere van een oost-west lopende weg, die kan geïdentificeerd worden als de decumanus maximus, de hoofdweg van de Romeins geplande stad.

Bibliografie

Beschermingsdossier DL002578, Tongeren: archeologische zone Basiliek en omgeving (P. Van den Hove, 2010, digitaal dossier).

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 50370 O.-L.-V. Basiliek.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 50402 Sint-Niklaaskerk.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51771 Vrijthof I.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51789 Piepelpoel.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51831 Grote Markt I.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51945 Wijngaardstraat.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51946 Koppelkiststeeg.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51949 Stadsmuur-Bisschopstoren.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51950 Stadsmuur-toren 2.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51986 Lakenmakerskamer.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 52184 Kloosterstraat.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 52193 OW decumanus 7.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 52200 OW weg 4.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 150829 O.-L.-V. Basiliek – zuidelijke sacristie.

Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 151356 kloostertuin.

ERVYNCK A., VANDEVORST K. & OOMEN E. 2014: De Onze-Lieve-Vrouwbasiliek van Tongeren. Een ontzettend lang verleden, Brussel.

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/37186 (geraadpleegd op 17/01/2014)


Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier DL002578, Tongeren: archeologische zone Basiliek en omgeving.
Auteurs :  Van den Hove, Peter
Datum  : 2015


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Basiliek Onze-Lieve-Vrouw met omgeving [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301296 (Geraadpleegd op 23-06-2021)