erfgoedobject

Wijk Houtem

bouwkundig geheel
ID
302362
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302362

Beschrijving

Sociale woonwijk met een opvallend experimenteel karakter en stedenbouwkundige kwaliteit, gerealiseerd in opdracht van de Inter-Vilvoordse Maatschappij voor Huisvesting vanaf de tweede helft van de jaren zeventig naar ontwerp van het Antwerps Stedenbouwkundig Studiebureel van architecten Walter Toubhans en Walter Cogge. De parkwijk werd ingewijd op 17 september 1982. Grootschalige woonwijk met meer dan 500 eenheden die quasi allemaal nog in het bezit zijn van de huisvestingsmaatschappij, doch in tegenstelling tot de vroegste plannen, slechts een fractie vormen van de ambitieuze wijk die was voorzien.

Context en historiek

Vilvoorde kende na de Tweede Wereldoorlog een sterke industriële groei door haar ligging nabij Brussel, een verbetering van de bereikbaarheid via spoor en water, en de werkgelegenheidspolitiek van de overheid na de Tweede Wereldoorlog, meer bepaald het stimuleren van wonen buiten de grote centra samen met een regionale expansiepolitiek. De toenmalige 'Le Foyer Vilvordien' probeerde hiervoor oplossingen aan te reiken. Omstreeks het einde van de jaren zestig voorzag de maatschappij op gronden in het gehucht Houtem, ten oosten van het kanaal, de uitbouw van een sociale woonwijk. Pas enkele jaren later werd het ontwerp toevertrouwd aan Walter Cogge en Walter Toubhans, die de ontwerpers waren van het opgemerkte, nooit gerealiseerde stedenbouwkundig plan ‘Een stadshart voor Antwerpen Linkeroever’ (1968).

De sociale woonwijk van Houtem vormt een sterke reductie van de concepten uit laatstgenoemd plan. Toch gingen aan de uiteindelijke realisatie talrijke, heel ambitieuze voorontwerpen vooraf die kaderden binnen een stedenbouwkundige tendens tot het opvoeren van densiteit, een schaal aangepast aan de bewoners, een weloverwogen circulatie met ondergeschikte rol voor de auto en de aanwezigheid van collectieve voorzieningen. De ontwerpers ambieerden immers in eerste instantie de bouw van een stad voor 15.000 inwoners met een uitgewerkt handelscentrum. Hierbij hanteerden ze een concentrisch principe met een afname in densiteit van de bebouwing in het centrum van de stad naar de omringende residentiële zones. Het bestaande wegennet van het gehucht werd geïncorporeerd, onder meer door de hoofdweg te verlengen tot een volwaardige ringweg. Toch ontbrak een echte relatie tussen de nieuwe wijk en het bestaande dorpscentrum. De breuk tussen beide werd in een later ontwerp versterkt door het invoegen van een tussenliggende groenzone, gecombineerd met groenzones in de nieuwe wijk.

Uiteindelijk werd door de sociale huisvestingsmaatschappij slechts een derde van de voorziene gronden aangekocht. De vooruitstrevende voorontwerpen werden hierdoor sterk gereduceerd in omvang tot een plan voor een wijk met 2.000 inwoners, met beperktere groenzones en een gewijzigde ontsluiting met een centrale as vanaf de Haesendockstraat in plaats van de geplande ringweg. Diverse aspecten binnen het concept van de wijk vereisten een grote financiële input, bijvoorbeeld ommuurde tuinen, de relatief lage densiteit van de wijk, de aandacht voor publieke ruimte en de uitbouw van een voetgangersnetwerk. Dankzij het enthousiasme van P. Rummens, toenmalig directeur van de huisvestingsmaatschappij, in combinatie met een infrastructuursubsidie vanuit de Wet Brunfaut, was de realisatie toch mogelijk. Deze kwam uiteindelijk tot stand in twee fases, namelijk een eerste vanaf 1979 en vervolgens vanaf 1981.

De algemene wegenaanleg van de wijk werd uitgevoerd door het Brusselse Studiebureau W. Puls. De eerste bouwfase omvatte 406 wooneenheden, waaronder 304 eengezinswoningen volgens vijf types en 102 appartementen van zes types verdeeld over vier complexen. De plannen van deze fase werden goedgekeurd in 1976 en ontworpen door architecten Walter Toubhans en Paul Doms. De uitvoering werd aanbesteed aan het Studiebureau voor groenvoorziening Tesseur vanaf 1977. Het zuidelijk deel van de wijk vormde de tweede bouwfase, die in totaal 156 eengezinswoningen omvatte en gerealiseerd werd vanaf 1979. Het aanlegplan van deze fase ontwierp Toubhans in samenwerking met landschapsarchitect Johan D’Huyvetter; de architectuur werd ontworpen in samenwerking met Rogier De Winter. Naast huisvesting was een beperkt aantal collectieve voorzieningen aanwezig. Een klein handelscentrum met zes woonwinkelhuizen (Eggenpad 3-25) werd gerealiseerd naar een ontwerp van Toubhans uit 1979 en uitgevoerd door aannemer Marcel Smets. Toubhans en Doms, met medewerking van studiebureau J. Daenen en adviesbureau engeneering CHF, ontwierpen in 1980 in opdracht van de huisvestingsmaatschappij een wassalon met aansluitend garagecomplex aan de Derdeschoofstraat. Dit gebouw werd gerealiseerd door de tijdelijke vereniging van aannemers Marcel Smets (Mechelen), nv Vanderstraeten (Lummen) en nv Koramic (Kortrijk). Ook een paviljoen met kinderkribbe was voorzien in de wijk.

Stedenbouwkundig aanlegplan en architectuur

Het uiteindelijk uitgevoerde plan is opgebouwd rondom een centrale noord-zuid georiënteerde as (Keiput) vanaf de dorpsas tot in het centrum van de wijk waar parkeerruimte is voorzien. Hierop sluit een orthogonaal stelsel van wegen aan dat leidt naar de verspreide woonblokken. Een hiërarchisch ondergeschikt, maar uiterst dens en uitgewerkt plan van voetgangerswegen vormt een bijkomende, onafhankelijke ontsluiting van de woonzones. Zo is de wijk een voorbeeld van het Radburn-principe, waarbij auto- en voetgangersverkeer strikt gescheiden is. Dit principe is typerend voor de typologie van de parkwijken. Binnen de schikking ontstaat bijkomend een grote aandacht voor publieke ruimte, in de vorm van wandelstraten en tot rust- en ontspanningspolen uitgewerkte pleinen. Een aspect dat behouden is uit de voorontwerpen is de concentrische uitbouw van de wijk, namelijk met hogere appartementsgebouwen en commerciële functies in het hart van de wijk, omringd door lagere eengezinswoningen.

De ontsluiting van de eengezinswoningen is verweven met de specificiteit en schaal van het wegennet. De woningen worden gekenmerkt door een grote aandacht voor individualisering. Toubhans herwaardeerde de achtertuin van elke woning hierbij volop als private ruimte, veruitwendigd door een sterk afgesloten karakter met hoge, betonnen muren. Dit essentieel aspect werd door de ontwerper bepleit bij de inkrimping van het plan. De bouweenheden van de wijk zijn tot rijen gekoppelde eengezinswoningen voorzien van een garage en tuin, waarbij een interessante variatie optreedt tussen een beperkt aantal types. Een deel van de woningen is voorzien van een garage aan de straat, vormgegeven als een vooruitspringend volume dat geïntegreerd is bij de woning en gekoppeld wordt per twee woningen (types 0.2, 0.3, 0.4 en 0.5). De voorzijde van deze woningen is gelegen aan een as voor gemotoriseerd verkeer. De achterliggende, ommuurde tuin is achteraan bereikbaar via een voetgangerspad. De overige woningen (type 1.2) zijn voorzien van een afzonderlijke garagebox achterin de tuin, waardoor de ontsluiting wordt omgekeerd. Deze schikking leidt tot gevarieerde, specifieke straatbeelden. De variatie wordt versterkt door het draaien en laten verspringen van bouwblokken, in overeenstemming met de oriëntatie en bezonning van de percelen.

Ondanks het onderscheid van de bouw in meerdere fases en types, vormen de eengezinswoningen net als het aanlegplan, een vormelijke eenheid. Kleinschalige volumes van twee bouwlagen onder licht hellende zadeldaken, sporadisch doorbroken door types (0.5 en 0.6) van drie bouwlagen, waarvan de bovenverdieping is uitgewerkt als een uitbouw onder een lessenaarsdak. De oorspronkelijke met roofing afgewerkte daken werden hoofdzakelijk vervangen door een bedekking met zink. De woningen met garage aan de voorzijde omvatten drie traveeën, met de toegangsdeur in de centrale travee, geflankeerd door het markerend garagevolume onder een lessenaarsdak. Deze met achterliggende garage zijn enkelhuizen van twee traveeën. Betonnen prefabbetonconstructie, voorzien van een afwerking met een witte crepi, met uitzondering van twee groepen van zeventig woningen voorzien van een baksteenstrip. De kopgevels van de bouwblokken zijn eveneens afgewerkt met baksteen. De gevels worden regelmatig geopend door quasi vierkante vensters. De rechthoekige toegangsdeur wordt gemarkeerd door een strakke luifel. Bij een recente restauratie (2013) werd het oorspronkelijke houten schrijnwerk van ramen en deuren grotendeels vervangen door aluminium en werden de hoeken van sommige gevels voorzien van een isolatiestrip tegen vochtinfiltratie.

Volgens de bouwplannen zijn de types ook qua planindeling eenvormig en relatief eenvoudig uitgewerkt. Alle woningen bezitten een naar de tuin georiënteerde leefruimte met een zit- en eethoek volgens open plan en een gedeeltelijk afgesloten keuken. De variatie in de types met aansluitende garage betreft het aantal slaapkamers, namelijk drie (type 0.2), vier (type 0.3), vijf (type 0.4) of zes (type 0.5). De twee laatste genoemde types beschikken eveneens over een tweede badkamer. Het type met afzonderlijke garagebox in de tuin (type 1.2) vormt een afgeleide van het drieslaapkamertype 0.2.

De vormgeving van het commercieel centrum en van de vier appartementsgebouwen sluit aan bij de eengezinswoningen. De complexen zijn opgevat als gestapelde volumes met markerende uitbouwen onder lessenaars- en zadeldaken, evenals platte daken. Vermoedelijk opgebouwd volgens een gelijkaardige betonnen prefabconstructie, waarbij het handelscentrum afgewerkt is met een steenstrip en de appartementen met een witte afwerkingslaag. Vierkante en rechthoekige vensters ritmeren de gevels. De complexen zijn voorzien van door betonnen muren afgesloten buitenruimtes. Inwendig vallen er volgens de bouwaanvraag onder de 102 appartementen zes types te onderscheiden, namelijk studio’s, bejaardenflats, gehandicaptenflats met één of twee slaapkamers en appartementen met eveneens één of twee slaapkamers.

Evaluatie

De waarde van de wijk ligt in het samenspel tussen de architecturale en stedenbouwkundige vormgeving. De wijk is heel grootschalig, maar toch heel consequent in haar aanleg en uitbouw, namelijk gerealiseerd door één centrale ontwerper volgens een algemeen aanlegplan met een beperkt aantal woningtypes. De wijk vormt een modelvoorbeeld van een mixed development, bestaande uit een laagbouw parkwijk, voorzien van middelhoogbouw appartementsgebouwen en commerciële functies die fungeren als oriëntatiepunt binnen de wijk. Andere bepalende elementen van de stedenbouwkundige waarde zijn het weloverwogen, gescheiden circulatiesysteem, de groenaanleg en een grote aandacht voor de private ruimte bij elke woning door hoge afsluitingen rondom de tuinen en een efficiëntie toegankelijkheid van de percelen, gekoppeld aan het karakter van de circulatie-assen. De architecturale waarde wordt bepaald door de eenheid in vormgeving, stijl, materiaalgebruik en constructiemethode van de verschillende woningtypes.

  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 263, Vilvoorde, Wijk Houtem.
  • Vilvoorde, Dienst Ruimtelijke Ordening, doos A.D. / I.V.M.H. (Inter-Vilvoordse Maatschappij voor Huisvesting) / Project Houtem.
  • BOEY M., EGGERICKX M. & EULAERTS L. 2014: Documentaire fiche van sociale woningbouw: Vilvoorde, Houtem, onuitgegeven oefening, KULeuven, campus Sint Lucas Brussel.
  • RYCKEWAERT M. & THEUNIS K. 2006: Het Lelijkste Land, de mythe voorbij. Stedenbouw en verstedelijking in België sinds 1945, Stadsgeschiedenis 1.2, 148-168.
  • THEUNIS K. 2008: De zoektocht naar een Belgisch woonproject 1965-1975. Toenadering tussen ontwerpers en overheid in de praktijk van het private wonen, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, faculteit ingenieurswetenschappen, 219-232.

Bron     : -
Auteurs :  Verhelst, Julie
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Wijk Houtem [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302362 (Geraadpleegd op )