erfgoedobject

Overgangsgebied tussen Kempen en Haspengouw op de zuidwestelijke rand van het Kempisch plateau

landschappelijk geheel
ID
306783
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/306783

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het hier beschreven gebied ligt op de overgang tussen Kempen en Haspengouw, op de zuidwestelijke rand van het Kempisch plateau. Deze rand is bijzonder reliëfrijk door de beekjes die hier ontspringen. Karakteristiek zijn:

  • verspreid liggende bewoning in gehuchtjes op het Kempisch plateau, dus op droge gronden maar in de nabijheid van water of langs beekjes. De inrichting van het landschap rond deze gehuchten weerspiegelt voor een groot stuk het vroegere landschapspatroon van kleine woonkernen met daarrond akkers, houtkanten en heide (nu bos)
  • naaldbossen op vroegere heidegronden, met enkele restanten van het historische cultuurlandschap of relictjes van het vroegere heidelandschap
  • graslanden in de lager gelegen vochtige gronden.

Andere interessante gebieden op de zuidwestelijke rand van het Kempisch plateau zijn de Maten in Genk en de Zwartebeekvallei.

Kempisch plateau en zijn reliëfrijke rand (fysische geografie)

Het Kempisch plateau is een uitgestrekte reliëfvorm in Limburg, met een oppervlakte van ruwweg 520 km². Dit gebied wordt ook wel de Hoge Kempen genoemd. Het meest zuidelijke punt bevindt zich bij Gellik. Van daaruit waaiert het plateau breed uit naar het noorden tot op een lijn tussen Bree (noordoost) over Peer tot Leopoldsburg (noordwest). Deze hoog gelegen reliëfvorm is ongeveer een half miljoen jaar geleden ontstaan uit de puinkegel van de Maas. In die periode wisselden ijstijden af met warmere periodes. De Maas was toen veel belangrijker dan nu. Zij had de Moezel nog als bijrivier en draineerde – behalve de Ardennen – ook een aanzienlijk stuk van de Vogezen. Tijdens de zeer koude ijstijdwinters braken bovenstrooms rotsachtige brokstukken in de rivierbedding af. Het smeltwater bracht die brokstukken tijdens de korte ijstijdzomers in beweging. De Maas transporteerde deze keien traag en zette ze gedurende duizenden jaren in het Maasland af. Het vormde dikke pakketten grind. In warmere periodes kreeg de Maas meer water te verwerken. En omdat de ondergrond niet langer permanent bevroren was, sneed de rivier zich dieper in. Het water zocht een weg door het lager gelegen gebied, ten westen van het Kempisch plateau. De Maasbedding verschoof dus, een proces dat zich in de daaropvolgende periodes van afkoeling en klimaatopwarming herhaalde.

Boven op het plateau overwegen zandige bodems. In de (voorlopig) laatste ijstijd (11,5 miljoen tot 12000 jaar geleden) voerde de wind het zand vanuit het noorden aan. Het was afkomstig uit het drooggevallen Noordzeegebied. Eerst werden de zwaarste (zand)deeltjes afgezet, daarop volgde het lemige zand dat in het zuiden overweegt. Deze dekzanden bedekten het grind van het Kempisch plateau. Op de dekzandmantel hebben zich arme, zand- tot lemige zand en zandleembodems gevormd.

De zuidwestelijke rand van het plateau vertoont nogal wat reliëf. In Zutendaal bedraagt het verschil tussen pakweg de omgeving van het Albertkanaal (58,5m) en het plateau (93,5m) een hoogte van ongeveer 35m. Uittredend water op de plateauranden sleet kleine dalen tot diep in de rand uit. Wat niet weg erodeerde, vormde als het ware een ‘lob’ tussen twee beekdalletjes. Die uitstekende, hoge randen hebben in de plaatselijke toponymie meestal bergnamen gekregen, zoals de Lieteberg of de Hesselsberg. Kenmerkend voor deze omgeving is precies de afwisseling tussen deze ‘bergen’ en beekdalen. In dit gebied wisselen de Zutendaalbeek, de Hesselsberg (oude benaming Muyenberg), de Broekerbeek, Lieteberg, Stelebos-Bezoensberg, Bezoensbeek, Roelerheide, Roelerbeek, de Grote Heide en de Munsterbeek (of Molenbeek) elkaar af. Het 6m hoge Mariabeeld op de Hesselsberg is een ware blikvanger sinds de beboste omgeving rond het beeld is vrij gekapt. Het staat op de plaats waar na de tweede wereldoorlog een kinderkolonie was gepland, maar die er uiteindelijk nooit is gekomen. Enkele jaren geleden is de oorspronkelijke zichtas hersteld vanuit de Bilzerweg in noordoostelijke richting met het beeld als baken.

In de lobben komen op hun beurt kleine insnijdingen voor: kleinschalige droogdalen, tijdens de ijstijden gevormd door de afvoer van (smelt)water op een bevroren ondergrond. Het digitale terreinmodel (azimuth 45°, met lichtinval vanuit het noordoosten) toont verschillende van deze insnijdingen op de randen van de Hesselsberg en vooral de Roelerhei. Ze vertonen een V-vormige insnijding. Het zouden holle wegen kunnen zijn, ware het niet dat ze onderaan geen afgeplat of breed loopoppervlak hebben. Het meest gekende droogdal is de zogenaamde Alverkuil op de Hesselsberg. Het toponiem verwijst naar het volksverhaal van de ‘alvermannekens’ of kabouters die in de bergen zouden wonen. Toen de pastoor van Zutendaal in 1925 het alvermannekensverhaal te boek stelde, viel een passage op: “En ’t moederken wist te vertellen hoe vier kloeke kerels gindschen zandheuvel heel doorzocht en doorgraven hadden, en daar, behalve allerlei steenen voorwerpen ook een tiental potten vonden, gevuld met asch en halfverteerde beentjes” (Landschapsplan p.73). De beschrijving verwijst naar een archeologisch urnegrafveld, dat mogelijk op de Hesselsberg kan worden gesitueerd.

Cultuurhistorisch landschap

Drie landschappelijke eenheden komen hier voor:

  • De plateaurand met de gehuchten, vijvercomplexen, schansen en beekdalen
  • De beboste heide
  • De lager gelegen graslanden

De plateaurand: beekdalen, vijvercomplexen, schansen, gehuchten

In het verleden vormden de beekdalen op de flank van het Kempisch plateau duidelijk herkenbare eenheden in het landschap. Op de Ferrariskaart (1771-1778) onderscheidden ze zich als beboste, ‘groene linten’ in een omgeving die veelal uit heide bestond. Dat scherpe onderscheid is in de loop van de 19de eeuw vervaagd, toen de heide werd bebost. Nog opvallend zijn de vijvercomplexen op de hellende bovenloop van de beken, zoals de vijvers op de bovenloop van de Munsterbeek (Stevoorden) of het complex op de samenvloeiing van de Bezoens- en de Zutendaalbeek. Het zijn duidelijk door de mens aangelegde en aan elkaar geschakelde vijvers, die wellicht voor de viskweek werden gebruikt. Ze dateren van voor de 18de eeuw. Water was er genoeg op deze hellingen van het Kempisch plateau. Waar ondoordringbare lagen in de ondergrond op de flanken dagzoomden, trad het naar buiten. Zwarteput was zo’n brongebied op de rand van de Roelerheide, even ten noorden van het vijvercomplex op de Munsterbeek (Vandermaelenkaart 1845). Deze bronnetjes zijn nu niet meer als dusdanig te herkennen. Ze zijn opgegaan in vijvers bij weekendhuisjes langs de beek. Het gebied is nu als stiltegebied aangeduid.

Boven op de rand van het Kempisch plateau lagen op korte afstand van elkaar kleine verspreid liggende gehuchten: Gewaai, Gebroek, Stalken, Roelen. Alleen Zutendaal ontwikkelde zich tot dorp met een parochiekerk. Telkens lagen de woonkernen op de rand, dus hoog gelegen, maar tegelijk dicht bij water, aan een dalhoofd gevormd door een beekje dat op de rand ontspringt. Waarschijnlijk ontwikkelden deze gehuchten zich als (laat)middeleeuwse kleine kernen te midden de heide. De oudste schriftelijke vermelding van Zutendaal dateert van 1295, die van Gellik van de 11de eeuw, maar permanente nederzettingen moeten er veel vroeger zijn geweest. Van Gellik (Galliacum) is het bekend dat het langs de Romeinse weg Tongeren-Maastricht-Nijmegen lag.

Roelen is een goed voorbeeld van een pleingehucht. Het bestaat uit van een handvol boerderijen rond een centrale dries, omgeven door met houtkanten omzoomde akkerpercelen (kabinetskaart de Ferraris 1771-1778; Gereduceerd kadaster 1850). Verder weg van het gehucht lag de heide, die door de bewoners van het gehucht volop gebruikt werd om vee te laten grazen, bijen uit te zetten, plaggen te steken voor de potstal en grind te winnen. Ten zuidwesten van Roelen bevond zich zo’n kleine groeve (Vandermaelenkaart 1845). Een gelijkaardige groeve zou de ‘duivelskuil’ zijn, in het kadaster als ‘de koelen’ of kuilen omschreven. Leemwinning zou naar verluidt aan de oorsprong van deze kleine groeve liggen, hoewel de bodemkaart deze bodem als zeer zandig met een beperkte profielontwikkeling (arenosol) typeert. De ‘duivelskuil’ bevond zicht ten zuiden van het gehucht Gebroek langs de Broekerveldweg, in de voormalige gemene heide (Gereduceerd kadaster). Sinds het midden van de 19de eeuw is het perceel onafgebroken bebost gebleven. Grind- en zandwinning vond tot de jaren 1970 plaats boven op de Lieteberg (Zwaenepoel e.a. 2014, 211), waar zich nu de ‘poort’ naar het nationaal park Hoge Kempen bevindt.

Straatgehuchten zoals Stalken ontwikkelden zich langs een weg. Het gehucht vertoonde de vorm van eens straatnederzetting, parallel aan de Bezoensbeek waar de bewoners in troebele tijden hun toevlucht tot de Stalkerschans konden nemen. Zutendaal bezat ook een schans: de Dalerschans, die in 2013 gedeeltelijk gerestaureerd werd. Het ontstaan van deze schansen ging in vele gevallen terug tot de 17de eeuw, toen het prinsbisdom Luik neutraliteit nastreefde in het conflict tussen de Spaanse en Noordelijke Nederlanden. Troepen gebruikten het gebied als doorgang en maakten er de streek onveilig. Als het nodig was zochten de inwoners uit het nabijgelegen gehucht hun toevlucht in de verschansing. Een met grachten en wallen omgeven schanseiland, het liefst dicht bebost en aan het zicht onttrokken, bood dan een veilig onderkomen.

En nog meer militaire geschiedenis volgde. In 1790 werd Zutendaal heel even het centrum van de opstand van Luikenaars tegen de prinsbisschop van Luik. In die woelige jaren waarin ook de Franse revolutionairen en de Brabantse omwenteling tegen de heersende vorsten in opstand kwamen, gebeurde hetzelfde in het prinsbisdom Luik, waartoe ook Zutendaal behoorde. Bijna 1,5 jaar ontvluchtte de prinsbisschop noodgedwongen zijn territorium en namen de opstandelingen de macht over. Tussendoor kwam het tot kleine botsingen tussen de opstandelingen en de gevestigde troepen. De slag bij de Hesselsberg was zo een kortstondig treffen. Een onderdeel van het gevestigde leger had zijn kamp bij de Alverkuil opgeslagen en werd op 7 augustus 1790 door de Luikse opstandelingen verjaagd.

Bebossing van de heide

Tot het laatste kwart van de 19de eeuw bestond het merendeel van het gebruiksareaal uit heide. Het was een oud cultuurlandschap dat sinds de middeleeuwen door de mens vorm was gegeven. De heide was het resultaat van extensief gebruik van deze zandige bodems. Minder geschikt als ze waren voor akkerbouw, werden ze meer voor de veeteelt ingeschakeld. Zeker in de periode dat wol een belangrijke grondstof voor de lakennijverheid leverde, graasden kuddes schapen op de heidegebieden. Maar ook hoornvee liep er rond. En tegelijk plagden de lokale landbouwers de heidevegetatie voor gebruik in de potstal. Aangerijkt met dierlijke mest leverde dat de noodzakelijke nutriënten voor de akkertjes op de schrale heidegronden waarop minder veeleisende teelten stonden zoals boekweit of rogge. Het systeem hield zichzelf in stand. Elk onderdeel vormde een onmisbare schakel in het landbouwsysteem van de Kempen. Precies daarom ook hield het zo lang stand. In de meeste gevallen was de heide ‘gemene grond’: areaal dat de lokale gemeenschap, in dit geval de inwoners van de gehuchten, als groep gebruikte. Elk gehucht had zo zijn areaal aan heideterreinen: Roelerheide voor de inwoners van Roelen, Gellikerheide (nu Krieckaert en Hoefaert) voor Gellik, Broekerhei (nu Bezoensberg-Stelebos) voor het gehucht Gebroek (Gereduceerd kadaster 1850).

Ook al stimuleerde de centrale overheid sinds het einde van de 18de eeuw de privatisering en intensivering van deze heide, daar kwam pas na 1875 systematisch verandering in. Door de introductie van kunstmest en groeiende import van andere meststoffen was de landbouw minder op heideplaggen aangewezen. Deze schakel verdween uit het systeem waardoor de landbouw minder op het gemene gebruik van de heide was aangewezen. Vanaf toen verkochten de gemeenten steeds meer gemene gronden. Ze splitsten de terreinen op en verkochten ze of vormden ze zelf naar naaldbos om. De inkrimping van het heideareaal en de uitbreiding van de bebossing werkten als communicerende vaten. Het grootschalige heidelandschap raakte meer versnipperd tot er uiteindelijk nu nog twee van dergelijke relictlandschapjes over zijn: met name op de rand van de Bezoensberg en de Hesselsberg in Zutendaal. Waar nu bos voorkomt, lagen vroeger de meeste heidegronden. Het huidige bosbeheer introduceert meer loofhout in de voor het overige overwegend met naaldhout beplante bossen. Het vroegere open heidelandschap maakte plaats voor een gesloten boslandschap.

Graslanden in de lager gelegen gronden

Beneden aan de voet van de plateaurand opent het landschap zich. Daar komen de meeste graslanden voor. In de smalle bovenloop van de beekdalen haalden de landbouwers tot in de 20ste eeuw hun hooi. De gronden waren er als beemden of hooilanden ingericht. Met de bevloeiing van de hooilanden verbeterde men de opbrengst. Van de typische wateringen of bevloeiing door het opstuwen van water en afleiden via zouwen en zijkanaaltjes zijn hier nu geen sporen meer te vinden (digitaal terreinmodel Lidar).

Het gebied is relatief weinig met wegen dooraderd. De enkele oude wegen tussen Munsterbilzen en Zutendaal of Stalken zijn in de jaren 1930 door de aanleg van het Albertkanaal onderbroken. Ook nu nog vormt het kanaal een harde grens in het landschap. Wegen lopen dood, omdat naar het zuiden geen doorgang mogelijk is, tenzij via de bruggen over grote doorgangswegen. De aanplant met naaldhout van de heidegronden deed een heel nieuw netwerk bospaden of exploitatiewegen ontstaan. Holle wegen komen er niet voor.

  • De Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van Jozef Jean François de Ferraris, opgesteld tussen 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Atlas van de Buurtwegen, opgesteld naar aanleiding van de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, schaal 1:2500 (overzichtsplannen schaal 1:10.000).
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20.000
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven tussen 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000. (Lemoine-Isabeau, 1988)
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Informatie Vlaanderen, Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen II, DTM, raster, 1 m, afgeleid van LiDAR-hoogtegegevens, 2013-2015.
  • Luchtfoto van Zutendaal (1952) voor de afgraving van de Hesselsberg, schaal 1:25000, http://www.ngi.be/cartesius/images/air/1952_B9-rekem_073.jpg (geraadpleegd 10 december 2018).
  • Luchtfoto van het Albertkanaal en omgeving, van Hoefaert tot Bezoensberg (1947), schaal 1:20.000 http://www.ngi.be/cartesius/images/air/1947_B3-tongeren_008.jpg (geraadpleegd 10 december 2018).
  • Luchtfoto van Roelen en omgeving (1947), schaal 1:20.000, http://www.ngi.be/cartesius/images/air/1947_B3-tongeren_009.jpg (geraadpleegd 10 december 2018).
  • BAEYENS L. 1977: Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij de kaartbladen, volume : 78 E: Zutendaal, Brussel.
  • BORREMANS M. 2015: Het Kempisch Plateau en het Maasland. Kaartbeeld, Geologische geschiedenis, chrono- en lithostratigrafie, Geologie van Vlaanderen, Gent, 241-247.
  • CRUYPLANTS E., AERTS W. 1912: La Belgique sous la domination française (1792-1815). Dumouriez dans les ci-devant Pays-Bas autrichiens. Tome 1, Parijs, 112.
  • HOUTMAN E. 1980: Gellik, Gemeenten van België: geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek, Brussel.
  • HOUTMAN E. 1981: Zutendaal, Gemeenten van België: geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek, Brussel.
  • S.N. s.d.: Landschapsplan Kempens-Haspengouws overgangsgebied: Het toekomstig lansdchapsbeeld voor het overgangsgebied van het Kempens Hoogplateau naar Haspengouw in Zutendaal, Lanaken en Bilzen, onuitgegeven rapport in het kader van het Europees programma voor plattelandsontwikkeling 2007-2013, as 3: gebiedsgerichte werking.
  • MERTENS J. 1957: Les routes romaines de la Belgique, Archaeologia belgica 33, Brussel.
  • NIJSSEN R. 2012: Heren en heerlijkheden in het rechtsgebied van de Buitenbank van Bilzen, 14de-18de eeuw, Het Oude Land van Loon, 91/2, 97-154.
  • REMANS A. 1967: Uit het verleden van Zutendaal, Limburg, 46, nr. 1-2, p. 23-45.
  • ROBBEN M. 2014: Boerenschansen: unieke, primaire onderhandelingsschuilplaatsen, Heemkunde Limburg, 2014/3, 1-12, 2014/4, 1-15.
  • S.d. Schansen in Limburg [online], https://sites.google.com/site/gl2schansen/home/zutendaal/schans-in-de-daal (geraadpleegd op 12 november 2018).
  • S.d., Stiltegebied Zwarteput Zutendaal [online], http://www.zutendaal.be/stiltegebied-zwarteput (geraadpleegd 2018).
  • VANDEBEECK T. 1980: Uit de geschiedenis van Zutendaal, uitgave van de Heemkundige kring, Herk-de-Stad.
  • VAN ERMEN E. 1997: Het kaartboek van Averbode 1650-1680, Cartografische en Iconografische bronnen voor de geschiedenis van het Landschap in België, Brussel, 181.
  • ZWAENEPOEL A., BURNY J., JARYCH R., COSYNS E. & TYS D. 2014: Deelstudie de Hoge Kempen, Historische ecologie in Limburg 2, Regionaal Landschap Lage Kempen.

Bron     : -
Auteurs :  Verboven, Hilde
Datum  : 2018


Relaties

  • Omvat
    Stalkerschans in de vallei van de Bezoensbeek

  • Omvat
    Vijvercomplex op de bovenloop van de Munsterbeek

  • Is gerelateerd aan
    Vijvercomplex in Munsterbos

  • Is deel van
    Bilzen

  • Is deel van
    Lanaken

  • Is deel van
    Zutendaal


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Overgangsgebied tussen Kempen en Haspengouw op de zuidwestelijke rand van het Kempisch plateau [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/306783 (Geraadpleegd op 14-04-2021)