erfgoedobject

Klooster van de zusters kapucinessen

bouwkundig element
ID: 6181   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6181

Juridische gevolgen

Beschrijving

Dit kloostercomplex werd aanvankelijk bewoond door kartuizers. Na de afschaffing van de contemplatieve kloosters door Jozef II dienden de gebouwen eerst als kazerne en later als suikerraffinaderij. In 1835 verhuisden de zusters kapucinessen naar deze locatie. De huidige gebouwen dateren vooral uit 1660-1677. In 2001 werd het klooster aangekocht door het Instituut voor Tropische Geneeskunde, waarna het gebouwencomplex in in 2004-2006 een renovatie onderging onder leiding van het architectenbureau SVR architects, die vooral ingrijpend was voor het interieur van de kapel.

Historiek

De kartuizermonniken

Vanaf 1625 was hier het tweede Antwerpse klooster van de kartuizermonniken gevestigd. Het was met name de kartuizergemeenschap van Vucht (nabij 's-Hertogenbosch), sedert 1619 gehuisvest in het refugiehuis Sint-Catharina (op de hoek van Begijnen- en Sint-Rochusstraat), die in de loop van de 17de eeuw vorm zou geven aan dit kloostercomplex.

De kartuizerorde is één van de oudste orden uit de geschiedenis van het West-Europese christendom en van de kloostergemeenschappen in het bijzonder. Tijdens de eerste volledige kerstening van West-Europa in de middeleeuwen, van de 7de tot de 13de eeuw, ontstonden deze oude klooster van in gemeenschap levende religieuzen die leefregels aannamen. De orde van de kartuizermonniken werd gesticht in 1084, door de Heilig Bruno, die in de bergen rond Grenoble, la Charteuse genoemd, een kluizenaarsleven had aangenomen met enkele volgelingen. Zo ontstond de naar van de orde waarvan de strenge leefregel vaak wordt aanzien als de meest pure vorm van kloosterleven. Een kartuizermonnik bracht zijn leven in absolute stilte en eenzaamheid door, zijn aandacht slechts schenkend aan het gebed en de verheerlijking van God.

De leefwijze en kloosterregel van de kartuizers wordt gereflecteerd in de architectuur van hun kloostergebouwen. Een 'kartuis' bestaat algemeen uit twee onderdelen: de gemeenschapsgebouwen en de gebouwen voor individueel gebruik. De gemeenschappelijke lokalen omvatten naast de kerk, vergaderzalen, gastenkamers, keuken en eetzaal, gerangschikt omheen een binnenhof (claustrum minus). Maar het meest belangrijke gedeelte van een kartuis was de claustrum majus of het groot pand. Het gaat om een lange, rond een vierkante binnentuin lopende overwelfde gang die toegang gaf tot de individuele kluizen van de monniken. Deze cellen waren echte huisjes van twee verdiepingen, voorzien van een slaapkamer, keuken en werkruimte en een ommuurd tuintje waar de monniken zelf hun eigen voedsel kweekten. De claustrum major gaf ook rechtstreeks toegang tot de kerk en tot de cel van de prior, het hoofd van de gemeenschap. Daarnaast was er ook nog de hof van de lekebroeders, het economische hart van het klooster, met aan het hoofd de procurator.

In 1624 werd aangevangen met de aankoop van twee raamhoven in de Sint-Rochusstraat die tot dan toe gediend hadden voor de lakennijverheid. In 1626 werd de kleine kapel ingewijd. In 1634 voltrok zich de eerste steenlegging van het klooster. In 1639 waren de werken beëindigd en kon de verspreide gemeenschap van Vucht voltallig naar Antwerpen overkomen. In 1673 werd de bouw van een grotere kerk aangevat, voltooid in 1677. Volgens de kartuizerregel leefden de monniken in afzonderlijke kluizen verspreid over een uitgestrekt pand dat door de bouw van de gevangenis grotendeels werd ingepalmd (1866).

In 1782 werd de contemplatieve kartuizerorde opgeheven door het edict van keizer Joseph II. Op 28 mei 1783 werden de monniken uit hun klooster verdreven en werden de gebouwen gebruikt als kazerne. In 1788 vestigde diamantslijper Maarten Cuylits er zich en richtte de kerk in met 23 slijpmolens. Het verhaal wil dat hij er de diamanten voor de Franse kroonjuwelen verzorgde. In 1793 namen de in Antwerpen gebleven monniken opnieuw bezit van hun klooster, maar niet voor lang. In 1794 maakte de Frans bezetter, en dit keer voorgoed, een einde aan de kartuis. Later weden de gebouwen nog gebruikt als suikerraffinaderij (zie verder). Deze industriële activiteiten herleidden het complex tot een ruïne en een gedeelte van het klooster en de bijgebouwen werd zelfs afgebroken.

De zusters kapucinessen

De vervallen staat van het complex weerhield echter de zusters kapucinessen niet om in 1834 het oude klooster te kopen, te verbouwen en te betrekken. Tot in 2001, toen de twee laatste zusters op rust gingen, leidden ze hier hun afgezonderd bestaan.

De orde van de zusters kapucinessen, gesticht in Bourbourg, Frankrijk in 1614, kende een onmiddellijke en snelle verspreiding. De oprichting van een gemeenschap in Antwerpen in 1644 was als de elfde stichting vanuit Bourbourg. Na eerst een aantal jaren te zijn gehuisvest in woningen in onder meer de Hoogstraat (1644), de Arenbergstraat (1645) en de Blindenstraat (1645-1648), bouwden de zusters een klooster in de Schermersstraat in de Sint-Jorisparochie waar de van 1648 tot 1798 verbleven. Op 6 januari 1797 werd het geweld het slot van het klooster verbroken en werden de zusters uitgedreven. Ook hun klooster werd daarop in gebruik genomen als kazerne en magazijn. De gebouwen werden ten slotte afgebroken in 1843 om er de Kapucinessenstraat aan te leggen.

Op 13 januari 1834 kochten de zusters de gebouwen van de voormalige kartuizerij. In het kloostercomplex, in 1798 als bien national verkocht aan de heer Subdiau, was er sinds 1802 een suikerraffinaderij gevestigd, uitgebaat door J.M. Smets. Deze had zware verbouwing doorgevoerd. Zo werden in de kapel vijf verdiepingen aangebracht die als werkruimten en stapelplaatsen werden gebruikt. De noordelijke, zwaar beschadigde koorabsis werd heropgebouwd op een rechthoekig grondplan en er werd een takelsysteem geïnstalleerd. Sporen hiervan zijn nog duidelijk zichtbaar in het zusterkoor. Bovenal werd het groot pand en de bijhorende kartuizercellen afgebroken om de materialen elders te gebruiken. Op deze gronden verrees van 1854 tot 1859 de gevangenis.

De zusters dienden dus zware verbouwingswerken uit te voeren alvorens de oude kartuis terug als slotklooster kon worden betrokken. Ze verwijderden de verdiepingsvloeren uit de kapel, metselden de raamopeningen dicht en plaatsten een nieuwe scheidingswand tussen het zusterkoor en het schip, dat via een nieuw toegangsdeur als parochiekerk ging dienstdoen. De inrichting van de kerk, inclusief het gewelf, is het resultaat van de verbouwingswerken naar ontwerp van architect Emmanuel Van Cuyck. Op de verdiepingen werden 30 cellen ingericht. Op 24 september 1835 kon de zustergemeenschap naar de Sint-Rochusstraat verhuizen en twee maanden later namen ze terug het slot aan, hetgeen betekent dat de zusters de contacten met de buitenwereld tot een minimum beperkten.

Instituut voor Tropische Geneeskunde

Begin jaren 2000 eeuw werd het complex aangekocht en gerestaureerd door het Instituut voor Tropische Geneeskunde. Deze nieuwe eigenaar startte met de renovatiewerken aan de kloostergebouwen en luidde zo een nieuwe fase in de geschiedenis van het complex in.

Het instituut kocht het klooster aan met de bedoeling er haar postgraduaatopleidingen te concentreren. Maar de ingebruikname van de gebouwen kon niet gebeuren zonder grote renovatiewerken. Deze werden in 2004-2006 uitgevoerd onder leiding van het architectenbureau SVR architects. In een eerste fase werden de kloostergebouwen zelf, de hostiebakkerij, het washuis en het noviciaat aangepakt en ingericht als leslokalen voor de studenten en als kantoren voor de medewerkers. In een tweede fase werd in de kapel een polyvalente conferentiezaal ingericht. De derde ingreep was de afbraak van het poortgebouw en de muur tussen het klooster en de hostiebakkerij aan de straatzijde. Dit poortgebouw werd in 1952 aan het klooster toegevoegd, de muur met poort werd verhoogd in 1856. Deze ingreep maakte de westelijke kloostergevel vanaf de straat zichtbaar.

Architectuur

Kerk

De kerk, de laatste toevoeging aan het gebouwencomplex en te dateren tussen 1673 en 1677, is toegewijd aan het Heilig Kruis. Het betreft een éénbeukige zaalkerk georiënteerd naar het noorden met een schip van vijf traveeën en een klaverbladvormige koorsluiting, afgedekt met leien zadeldak.

De gevel van de kerk aan de Sint-Rochusstraat is het resultaat van de overgang van een traditionele bak- en zandsteenstijl, die nog in de kloostervleugels te zien is, naar een volledige volplastische barokopvatting. Het is een voorbeeld van de assimilatie door lokale bouwmeesters van de uit Italië naar Antwerpen ingevoerde stilistische karakteristieken van de barok.

De voorgevel wordt in de top gedateerd "1673". Het betreft een halsgevel met wijde voluten en puntige gekorniste daklijst bekroond met pinakels en topstuk. Het parement van baksteen vormt een weelderig decor voor het gebruik van natuursteen voor de lijsten, omlijstingen en beeldnissen, cartouches en divers beeldhouwwerk (vruchten, figuren). De gevel wordt verticaal gemarkeerd door kolossale Ionische pilasters en horizontaal door een brede verstekte kornis tussen onderbouw en top. In de centrale partij bevindt zich de korfboogpoort in geblokte omlijsting, door middel van lijstwerk verbonden met de soortgelijke raamomlijsting erboven. In de top zit een oculus met waterlijst. Links en rechts bevinden zich twee boven elkaar gestelde halfronde nissen in bewerkte omlijsting respectievelijk met beelden van de Onbevlekte Ontvangenis en Sint-Franciscus door M. Van Vosselaer (1908).

De zijgevels zijn opgetrokken in in bak- en zandsteenstijl met gedichte vensters van de transeptarmen en verweerde steunberen van het koor.

Het interieur van de kerk is zeer eenvoudig. De afdekking geschiedt door middel van een licht gebogen tongewelf. De segmentboogvensters onder kleine geprofileerde lijsten met sleutel en imposten alterneren met pilasters. Het zusterkoor en aanpalende sacristieën (in drielob verbouwd aan de westelijke zijde) zijn van de publieke ruimte gescheiden door een beschilderde wand.

Het mobilair omvat onder andere een anoniem schilderij uit de 18de eeuw getiteld 'De Zeven Werken van Barmhartigheid' en een gepolychromeerd houten beeld van Onze-Lieve-Vrouw met kind, z.g. Zetel der Wijsheid, Duits werk uit de 16de of 17de eeuw (in zusterkoor).

Klooster

Het klooster ten westen van de kerk bestaat uit een vierkante binnenplaats met aan westelijke en zuidelijke zijde kloostergebouwen en aan de noordelijke zijde de scheimuur met de aanpalende gevangenis.

De gevel aan de straatzijde is opgetrokken in traditionele bak- en zandsteenstijl en dateert uit het tweede kwart van de 17de eeuw. Het betreft een lijstgevel van tien traveeën en twee verdiepingen, afgedekt met een leien zadeldak waarin vijf dakkapellen zitten. De gevel wordt horizontaal geleed door een hoge sokkel, doorlopende speklagen en een holronde zandstenen daklijst waaronder gedichte steigergaten zitten. Ankers met gekrulde spie alterneren met de bolkozijnen van eerste en tweede bouwlaag. De oorspronkelijke luiken (waarvan de duimen getuigen) zijn verdwenen en op de benedenverdieping vervangen door tralies. In de vijfde travee van links bevindt zich een zeer mooi barokportaal met geprofileerde, geblokte rondboog met sleutel en waterlijst, begrepen tussen zware rechtstanden met bewerkte sokkel en schacht waarboven volumineuze consoles en voluten. Laatstgenoemden flankeren een halfronde nis in plastische omlijsting met driehoekig fronton waarin een Sint-Jozefbeeld zit door J.B. De Vos (1835).

De binnentuin wordt ten oosten begrensd door de kerk, ten zuiden en ten westen door twee langgerekte vleugels van acht traveeën en twee bouwlagen onder overkragende, licht geknikte leien zadeldaken met dakkapellen. De verankerde lijstgevels met beschilderd baksteenparement getuigen van een sober gebruik van natuursteen.

De pandgang die omheen de binnentuin van het klein kloosterpand werd aangelegd, betreft een halfopen gaanderij, met arduinen rondbogen met archivolt en sluitstenen op Toscaanse zuilen met licht zwellende schacht. Boven de boogzwikken - de driehoekige panelen tussen de bogen - bevindt zich een triglieflijst, en daarboven een sterk geprononceerde kroonlijst die het onderscheid met de bakstenen verdieping aanduidt. Oorspronkelijk was deze gang open; de kapucinessen metselden hem dicht in 1835, met kleine raampjes voor de verlichting, maar openden de gang opnieuw met de huidige geslepen glasramen in 1955.

Het washuis van de zusters kapucinessen betreft hoogstwaarschijnlijk een overblijfsel van de vroegere cel van de procurator van het kartuizerklooster en is daarmee het oudste bouwelement aanwezig op de site (1634-1639).

  • S.N. 1970: Antwerpen die Scone, nummer 9.

Bron     : -
Auteurs :  Manderyck, Madeleine, Plomteux, Greet, Steyaert, Rita
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Klooster van de zusters kapucinessen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6181 (Geraadpleegd op 18-08-2019)