erfgoedobject

Herenhuis in neoclassicistische stijl

bouwkundig element
ID: 7101   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7101

Juridische gevolgen

Beschrijving

Herenhuis in neoclassicistische stijl, waarvan de kern te dateren is in het derde kwart van de 19de eeuw. Dit bescheidener hotel van vier traveeën, waarvan bouwheer noch ontwerper gekend zijn, werd tot zijn huidige vorm verbouwd en uitgebreid naar een ontwerp door Joseph Hertogs uit 1900. Tot het project behoorde ook de bouw van het nog bestaande tuinpaviljoen, waarvoor de architect in 1901 de plannen tekende. Opdrachtgever was Paul Oscar Karcher (1866-1925), beheerder van de wolkammerij Peignages de Laines Hoboken, één van de drie belangrijkste industriële vestigingen van de gemeente. Als jongste zoon van de wolhandelaar Eduard Carl Karcher (1828-1894), die zich in 1871 in Antwerpen gevestigd had, stamde hij af van een voornaam koopmansgeslacht uit het Duitse Saarbrücken. Uit zijn huwelijk met Marie-Henriette Marsily (1873-1961), werden tussen 1894 en 1903 vier kinderen geboren. Door het huwelijk van zijn zus Sophie, was Paul Oscar Karcher een schoonbroer van de ondernemer Edouard Bunge. Zijn oudste zoon Max sneuvelde in 1918 te Ramskapelle, als sergeant in het Belgisch leger. Aangekocht door de stad Antwerpen in 1950, huisvestte het hotel Karcher vanaf 1952 de School voor Maatschappelijke Assistenten, vandaag een afdeling van het Stedelijk Lyceum Lamorinière.

Het hotel Karcher behoort tot de talrijke burger- en herenhuizen, die Joseph Hertogs op het hoogtepunt van zijn loopbaan in Antwerpen realiseerde. Het betrof de ingrijpende verbouwing van een bestaande constructie, die met een verdieping werd verhoogd, aan drie zijden uitgebreid met nieuwbouwvleugels en van een nieuw gevelfront en interieur voorzien. Actief van omstreeks 1885 tot zijn overlijden in 1930, geldt Hertogs als een van de meest succesvolle architecten in Antwerpen. Zijn loopbaan in dienst van de vermogende, overwegend liberale mercantiele burgerij, leverde een vijfhonderdtal woningen en openbare gebouwen op. Deze evolueren van eclecticisme en neorenaissance, naar een klassiek geïnspireerde beaux-artsstijl. Omstreeks de eeuwwisseling, zijn rijpe eclectische periode, drukte hij met monumentale bouwwerken als het Hansahuis op de hoek van Suikerrui en Ernest Van Dijckkaai zijn stempel op het Antwerpse stadsbeeld. Van kort na 1900 dateert het ontwerp van het neogotische Museum Mayer van den Bergh in de Lange Gasthuisstraat, eerste van een lange reeks opdrachten voor de weduwe Henriëtte Mayer van den Bergh.

Met een gevelbreedte van zes traveeën, omvat de imposante rijwoning een souterrain en drie bouwlagen onder een complex schilddak. De bepleisterde en beschilderde lijstgevel, met schijnvoegen op de begane grond, rust op een hoge, geprofileerde plint uit blauwe hardsteen. De oorspronkelijke constructie uit het derde kwart van de 19de eeuw, tekent zich in het huidige volume af als het vier traveeën brede middenrisaliet. Geleed door de puilijst, kordonvormende lekdrempels en het klassieke hoofdgestel met lauwerkransen en houten kroonlijst, legt de compositie de klemtoon op de twee middentraveeën. Deze worden op de eerste verdieping gemarkeerd door driehoekige frontons en balustraden, wellicht een restant van het oude pand. Verder is de opstand opgebouwd uit registers van rechthoekige vensters, op de bovenverdiepingen in geriemde omlijsting met entablement of sluitsteen. De brede door Hertogs toegevoegde linker travee, onderscheidt zich door een driezijdige erker met afdak op de eerste verdieping, en drielichten met zuilen op begane grond en tweede verdieping, daar opengewerkt tot loggia. De lagere rechter travee die slechts twee bouwlagen telt onder een pseudo-mansarde, bestaat uit een rondbogige koetspoort in een omlijsting met sluitsteen, waarboven een breed venster met balustrade en gebogen fronton, en oorspronkelijk een oeil-de-boeuf in de bedaking. Van het oorspronkelijk houten schrijnwerk is enkel de inkompoort bewaard, van de aanpalende inrijpoort de uiterste twee van oorspronkelijk vier pijlers; het smeedijzeren tralie- en hekwerk zijn verdwenen, het vensterschrijnwerk is vernieuwd.

Van het tuinpaviljoen in cottagestijl, bleef enkel het hoektorentje en een fragment van de benedenverdieping bewaard. De ondiepe constructie is opgetrokken uit rood baksteenmetselwerk in kruisverband, met spaarzaam gebruik van witte natuursteen voor de plint lateien, hoek- en negblokken. Het polygonale traptorentje wordt bekroond door een licht uitkragende topgeleding, en een tweeledige spits met een korte lantaarn en een smeedijzeren windwijzer als topstuk. Oorspronkelijk werd het eigenlijke volume bekroond door een houten puntgevel met windveren.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1900#45 en 1901#344.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2016


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Herenhuis in neoclassicistische stijl [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7101 (Geraadpleegd op 14-10-2019)