erfgoedobject

Kasteeldomein van Ooigem

bouwkundig element
ID: 89548   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/89548

Juridische gevolgen

Beschrijving

Kasteeldomein gelegen ten zuidoosten van de dorpskern van Ooigem, bestaande uit het vermoedelijk 17de-eeuwse kasteel met oudere kern binnen een ronde walgracht, een neerhof ten westen binnen grotendeels bewaarde omwalling met 18de-eeuws voormalig boerenhuis met oudere kern aan de zuidzijde en 17de-eeuwse duiventoren aan de noordzijde. Omwald kasteel en duiventoren beschermd als monument bij K.B. van 09/02/1951. Omliggend kasteelpark en vijver beschermd als landschap bij K.B. van 09/02/1951. De afbakening van het landschap omvat grosso modo het gebied tussen de Desselgemsestraat, de Pontweg en de oude Leiearm.

Het kasteel van de heren van Ooigem is gelegen op een vroegere buitenbocht van de Leie, thans een afgesneden Leiearm. Daartegenover op de andere Leieoever bevindt zich de historische hoeve het "Munkenhof", qua geschiedenis verbonden aan het kasteel. Ter hoogte van het kasteel was een doorwaadbare plaats in de Leie die naar verluidt geplaveid was en waar zich vroeger ook de veerpont bevond die Ooigem met Desselgem verbond ter hoogte van het Munkenhof (zie Pontstraat).

Historiek.

Het grondgebied van de huidige deelgemeente Ooigem was versnipperd in diverse heerlijkheden, met als belangrijkste de vrijheerlijkheid van Ooigem, een allodiaal domein dat niet aan het grafelijke gezag was onderworpen en enkel afhankelijk was van "God en de zon". Een eigenkerk werd opgericht in onmiddellijke nabijheid van het adellijke woonhuis. Aangezien de kerk zich op grondgebied van de heerlijkheid van Ooigem bevindt, wordt het allodium ook als dorpsheerlijkheid beschouwd. De site heeft vermoedelijk een geschiedenis als castrale motte met circulaire walgracht. Volgens sommige bronnen wordt al in de 9de eeuw op de plaats van het huidige kasteel een castrum of burcht gebouwd als versterkte mote ter verdediging van Harelbeke, die de hoofdplaats was van de Vlaamse graven (forestiers). De versterking was op de meest strategische plaats gelegen, in de buitenbocht van de Leie aan de Ooigemse zijde, waarbij men een vergezicht had op schepen die stroomopwaarts gevaren komen.

De oudst gekende eigenaars van de heerlijkheid met kasteel zijn Lambertus de Odenghem (1080), gebroeders Boudewijn en Gozewijn van Ooigem (1127), R. de Knesnetum (1248); Hugo, kastelein van Gent en Holten (1251-1252). Rond 1260 komt de heerlijkheid Ooigem in het bezit van de heren van Luxemburg. Vermoedelijk laten zij in de 13de eeuw te Ooigem een stenen kasteel bouwen. Op het einde van de 14de eeuw zou op het kasteel een brand gewoed hebben waarbij een vierde van het kasteel werd verwoest. In de tweede helft van de 15de eeuw vermelden bronnen dat het goed vervallen raakt, tegen het einde van de 15de eeuw is het kasteel van Ooigem in zeer verwaarloosde toestand. De bezitter, de familie van Luxemburg, hield er zelfs geen baljuw meer. Tijdens troebelen tussen de Gentenaars en de grafelijke macht wordt de omgeving geplunderd. Ook het kasteel wordt binnengedrongen.

Vermoedelijk is de kasteelsite als centrum van de vrijheerlijkheid van Ooigem oorspronkelijk ook de plaats van de vierschaar, en de schepenkamer/ bestuurshalle. Volgens de literatuur lagen ooit op domein: gevangenissen, stapelplaatsen voor betalingen in natura (kelders), gerechtzaal en schepenzalen (eerste verdieping).

In 1510 wordt de vrijheerlijkheid verkocht aan het Bourgondische geslacht de Gros. In het begin van de 16de eeuw laat Ferry de Gros, heer van Ooigem, de korenwindmolen (zie Bavikhoofsestraat) volledig vernieuwen en het kasteel bewoonbaar maken. Rond het midden van de 16de eeuw (circa 1559?) zou het gebouw waarin de vierschaar huisde door dorpsheer Jean de Gros al omgevormd zijn tot herenwoning.

Tijdens godsdienstberoerten in de tweede helft van de 16de eeuw gaat de streek gebogen onder economische crisis, plunderingen en verwoestingen. Hoewel reeds maatregelen werden genomen vanaf 1567, wordt het kasteel rond 1576 geplunderd door opstandelingen. Bronnen uit 1594-1596 melden dat het kasteel van Ooigem in puin ligt. Wanneer jonkheer Jean de Gros in 1596 de kasteelhoeve verpacht aan Joos de Smet, wordt deze beschreven als: "nederhof ende gheruyneert pachtgoed t'oyghem".

In het basiswerk Flandria Illustrata van de hand van Antonius Sanderus (1641-1644) wordt de heerlijkheid van Ooigem wel vermeld, maar het kasteel niet afgebeeld. Vermoedelijk laat de familie de Gros in de loop van de 17de eeuw het huidige kasteel in traditionele bak- en zandsteenstijl bouwen op de oude grondvesten, mogelijk onder Charles de Gros, zie kaart bij een processtuk voor de Raad van Vlaanderen. Deze Charles de Gros was de eerste heer die er op regelmatige basis verbleef. "'t Hof van Ooigem" wordt ook voor het eerst in 17de-eeuwse bronnen als "casteel" vermeld, voorheen was sprake van een neerhof en een mote.

In 1693 komt de heerlijkheid via erfenis in handen van de familie de Lens. Priester en kasteelheer Nicolaas-Franciscus de Lens laat op het einde van de 17de eeuw het kasteel uitbreiden met een uitsprong waarin een kapel wordt geïnstalleerd. In het tweede kwart van de 18de eeuw (circa 1729?) worden aan het oude kasteel grote veranderingen uitgevoerd, in opdracht van de zoon Nikolaas-Franciscus de Lens. De onderste verdieping wordt omgebouwd tot kelders, de stenen eretrap in Lodewijk XV-stijl wordt geïnstalleerd, alle kamers worden aangepast en ingericht (huidige toestand), onder meer in één van de salons wordt het alliantieschild de Lens - de Beer in de kooflijst van de schouw geïntegreerd. Op het neerhof worden nieuwe paardenstallen en koetshuizen gebouwd. De walgrachten worden voor makkelijker circulatie gedeeltelijk opgevuld en bij de erftoegang aan de dreef wordt een poortgebouw opgetrokken. De familie De Lens-De Beer betrok het kasteel enkel als zomerresidentie. Vermoedelijk wordt door deze kasteelheren ook een grote tuin- en parkstructuur aangelegd.

Het landboek van Ooigem (1778) geeft een gedetailleerd beeld van het kasteel in het laatste kwart van de 18de eeuw. De site bezit een tweeledige walgracht met opperhof - neerhof verdeling, met een zuidelijke aftakking (buitenwal). Binnen de aparte omwalling van het opperhof ligt het kasteel in zijn huidige vorm. Een brug aan de noordwestzijde verbindt het kasteel met de noordelijker gelegen parktuin. Aan noord- en oostzijde liggen nog twee smallere bruggen, om de verbinding naar de Leie en "den aard" met de veerpont te maken. Een stenen brug met poort verbindt het kasteel met het neerhof. Het omwalde neerhof wordt weergegeven als een grote open ruimte, aan drie zijden ingesloten door bebouwing: aan de noordwestzijde een schuur, duiventoren en stalletje; aan de zuidoostzijde een boerenhuis met aangebouwde zuidwestelijke stal, met kleiner bijgebouw en moestuintje ten zuiden en een houten wagenhuis ten noordoosten; aan de zuidwestzijde langsheen de walgracht staat een langgerekt volume, het neerhof is toegankelijk via een poort in de westelijke hoek. Van daar leidt een dreef noordwaarts naar de kerk. Ten noordwesten van de omwalde site ligt de midden-18de-eeuwse tuin- en parkstructuur, oorspronkelijk begrepen tussen de kasteeldreef (thans Desselgemsestraat) en de noordelijker gelegen Wielsbeeksestraat, over de latere Pontweg heen. Op de Ferrariskaart (1770-1778) wordt op het neerhof dezelfde veelheid aan gebouwen weergegeven, de walgracht wordt weergegeven zonder opperhof-neerhof opdeling.

Na de Franse Revolutie wordt de heerlijkheid verkocht aan jonker Thadeus van Sacegem. Het kasteel wordt al sinds 1803 bewoond door Petrus Verhaeghe, burgemeester van Ooigem. Het neerhof wordt circa 1830 verpacht aan A. Van Casseghem. Het langgerekte volume langs de zuidwestelijke gracht en het wagenhuis ten noordoosten van het boerenhuis worden niet meer weergegeven op het primitief kadasterplan (circa 1830). In de loop van de 19de eeuw vervaagt de feodaal geïnspireerde tuin- en parkaanleg; de toestand circa 1850 (zie Van der Maelen) toont een slechts fragmentair bewaarde hoofdas, moestuingronden, boomgaarden en een langgerekt bouwvolume als mogelijke broeikas.

In 1854 wordt het kasteel door erfenis eigendom van Ghislain de Potter. Diens erfgenamen verkopen het kasteel in 1889 aan de toenmalige bewoner, burgemeester Bernard Verhaeghe. Onder diens zoon Alfons Verhaeghe was onder meer Oscar Wilde enkele malen te gast op het kasteel. In het begin van de 20ste eeuw diende het kasteel zelfs tot inspiratie voor Stijn Streuvels in zijn verhaal "Op het kasteel" (1904). In 1910 wordt het kasteel openbaar verkocht en toegewezen aan Henri De Vos, burgemeester van Kortrijk. Zoon Adolphe Verhaeghe bleef er wonen. In 1919 wordt het goed gekocht door Charles Verhaeghe.

In 1937 wordt bij kadaster de afbraak geregistreerd van de hoevegebouwen aan de noordzijde van het neerhof, met uitzondering van de duiventoren. Het boerenhuis met stallingen aan de zuidzijde wordt verbouwd tot hovenierswoning, daarbij worden twee bestaande volumes aan elkaar gebouwd. Over het neerhof wordt een rechte oprit aangelegd die over een vaste brug rechtstreeks tot het kasteel leidt.

De tuin wordt op bescheiden wijze en in beperktere omvang herwerkt, teruggaand op een afgezwakt concept van de 18de-eeuwse parktuin en slechts reikend tot aan de Pontweg. Ten zuidoosten van de site wordt na het dempen van een kleine buitenwal ook een verlandschappelijkte parkaanleg geïntroduceerd. Bij de bevrijding van Ooigem op 8 september 1944 diende het kasteel als veldhospitaal voor gewonde Duitse militairen.

Beschrijving.

Site met grotendeels bewaarde opperhof-neerhofstructuur: omwald kasteel op de vroegere mote en voorliggend omwald neerhof. Via een kasseien aanzet doorheen de toegangspoort leidt een centraal pad rechtstreeks naar het kasteel, ten zuiden naar het boerenhuis.

Kasteel. Exterieur. Kasteel van drie bouwlagen op rechthoekig grondplan in traditionele bak- en zandsteenstijl op sokkel in Atrechtse zandsteen, vermoedelijk grotendeels opgetrokken in de 17de eeuw. Het kasteel is naar verluidt gebouwd op 13de-eeuwse funderingen. De bakstenen zuidoostgevel met uitbouw van de kapel is van latere datum, vermoedelijk gebouwd in de 18de eeuw. In de voor- en achtergevel is de natuurstenen sokkel duidelijk onderbroken, wat erop wijst dat het kasteel één of twee traveeën langer op een groter grondplan was gebouwd en vermoedelijk na gedeeltelijke vernieling op kleinere basis hersteld is, een verandering waar ook de scherpere helling van het dak op wijst. Het hoge leien schilddak met kleine dakvenstertjes is voorzien van een peervormige geschaliede opstand met smeedijzeren windwijzer, en een grote witgekalkte schouw. De overkraging steunt op houten voluutvormige consoles boven een geprofileerde natuurstenen kroonlijst. Een hoge natuurstenen sokkel bekleedt de half ondergrondse kelderruimtes van de onderste bouwlaag, voorzien van kleine rechthoekige raampjes met dievenijzers. De bakstenen gevels van tweede en derde bouwlaag worden gekenmerkt en geleed door het gebruik van natuursteen voor de negblokken van de rechthoekige vensteromlijstingen, de lekdorpels en de speklagen. Bij de latere zuidoostgevel ontbreekt het gebruik van natuursteen. Voorgevel van zeven traveeën. Linkertravee met bewaarde kruisvensters, pas in de tweede helft van de 20ste eeuw worden deze voorheen dichtgemetselde vensters terug opengewerkt. Derde travee (traptravee) gekenmerkt door een dubbele rij kleine venstertjes. Als blikvanger in de vijfde travee de monumentale natuurstenen trap met vaasbekroning op de gebogen leuning, die leidt tot de ingangsdeur op de tweede bouwlaag, met schouderboogvormige natuurstenen omlijsting en waaiervormig bovenlicht, beide 18de-eeuws in Lodewijk XV-stijl. Achtergevel van vijf traveeën met nog volledig bewaarde kruisvensters. Een zesde travee wordt gevormd door de 18de-eeuwse zuidoostelijke aanbouw van de kapel met bovenliggend kamertje, in de oorspronkelijke 17de-eeuwse achtergevel benadrukt door bouwsporen van halve dichtgemetselde vensteropeningen en een deels doorlopende natuurstenen sokkel. Centraal op de tweede bouwlaag zijn twee kleinere raamopeningen gedicht en vervangen door een grote vensterdeur, ook het rechtervenster is verlaagd tot vensterdeur, met verwijdering van het onderste moneel. Noordelijke zijgevel van vier traveeën, waarvan de vensters van de gangen van tweede en derde bouwlaag zijn doorgetrokken naar onder. Deels bewaarde kruisvensters. De zuidoostelijke zijgevel wordt gekenmerkt door segmentbogige muuropeningen. In de vensters waarvan de monelen zijn verdwenen zitten 19de-eeuwse houten croisée-ramen met kleine roedeverdeling. In de meeste bewaarde kruisvensters van achter- en zijgevel zit een ouder raamtype met kleinere roedeverdeling.

Interieur. De onderste bouwlaag omvat de halfondergrondse kelderruimtes, opgedeeld volgens dezelfde circulatie als de tweede bouwlaag, voornamelijk in kelderruimtes met natuurstenen plavuizen en overdekt met witgekalkte gepleisterde graatgewelven, toegankelijk via korfboogvormige deuropeningen. De kelderruimte onder de grote kamer op de zuidelijke hoek wordt gesteund door een ranke centrale zuil in Balegemse steen. De wand aan de keldertrap is voorzien van kaarsnissen. De ingangsdeur tot de hoofdverdieping geeft uit op een grote kamer die 1/4 van het totale grondplan beslaat, volgens literatuur de voormalige vierschaar. Zoldering in moer- en kinderbalken met geprofileerde balksleutels. Gotische schouw in zwarte baksteentjes met natuurstenen haardwangen die een vernieuwde haardbalk dragen waarop de amiliespreuk: "TOUT POUR ESTRE TOUJOURS LEALLE". Deze spreuk staat ook op de windwijzer van de peervormige dakbekroning. Thans is daarvan het linkerstuk afgesplitst en als keuken ingericht, bewaarde vloer in keramische tegels met geometrisch patroon. Drie korfboogingangen gaven vanuit de grote zaal toegang tot de kamers aan de achterzijde, de linkeringang thans vergroot, centrale ingang afgedekt. Naastgelegen kamer overdekt door twee graatgewelven. Op noordoostelijke hoek de kapel thans in gebruik als bureau, met restanten van een classicistisch altaar: vier pilasters met kroonlijst en gebogen fronton. Kamers aan de achterzijde verbonden door een enfilade van enkelvoudige paneeldeuren. Onder meer kamer met bewaarde graatgewelven, kamer met neoclassicistische stucwerkaankleding. Kamer op de noordelijke hoek eertijds Chinees salon genoemd; verdwenen wandbespanning (chinoiserie), thans stucwerkplafond in Lodewijk XV-stijl met kooflijst, alliantieschild de Lens - de Beer boven de voormalige schouwmantel die thans volledig is omkast. De kamers vooraan en achteraan worden gescheiden door een gewelfde gang vertrekkend vanuit de grote kamer en overdekt door twee stergewelven en drie graatgewelven. Groengeschilderde paneel- en opgeklampte deuren met bewaard hang- en sluitwerk leiden tot de kamers aan voor- en achterzijde.

De kamer op de westelijke hoek is voorzien van een rode tegelvloer en plafond in moer- en kinderbalkenroostering. Haard in rode baksteentjes. Onder de trap door leidt een gewelfde doorgang tot het huidige keukengedeelte van de grote kamer. Trappenhuis met stenen bordestrappen, overwelfd met graatgewelven. De wanden zijn voorzien van mijtervormige kaarsnissen. Op de bovenste verdieping worden de kamers vooraan opnieuw gescheiden van de kamers achteraan door een gewelfde gang met graatgewelven (waarvan enkele vernieuwd naar identiek model). Eenvoudige kamers met omstucte moerbalken. Aparte dienstentrapcirculatie in de oosthoek, onderbroken naar beneden toe. Zolderruimte met hoge gebinten met pen-en-gatverbindingen. Verschillende schouwpijpen worden bijeengebracht in een grote halfronde boog. Aparte dienstpersoneelskamer met tudorboogvormige deur.

Neerhof. Boerenhuis. Aan de zuidzijde van het neerhof ligt een lang eenlaags voormalig boerenhuis van zeven traveeën in donkerrode baksteenbouw met gepekte plint, onder overkragend zadeldak in Vlaamse pannen. Tijdens de 20ste eeuw verbouwd aan de zuidzijde en verbonden met de naastliggende voormalige stal die thans vernieuwd is. Boerenhuisgedeelte met smalle korfbogige muuropeningen waarin 18de-eeuwse schuiframen met kleine roedeverdeling, voorzien van blauw-wit geschilderde luiken. Betegelde onderdorpels. Tweeledige deur met bovenlicht. Voorliggend bakstenen stoep, voor de deur in visgraatmotief. Op de noordoostelijke zijgevel zitten sporen van vakwerkbouw.

Interieur met bewaarde moer- en kinderbalkenroostering, onder meer met balksleutels (rad- en zaagtandmotief). Bakstenen haarden met houten schouwbalken. Opgeklampte deuren. Twee linkertraveeën bevatten de opkamer waaronder een voutekelder in troggewelven met houten liggers. Aan de westzijde verbonden met een voormalig staldeel, gedeeltelijk gerenoveerd, gedeeltelijk afgebroken. Restant van een oude serre.

Duiventoren. Aan de noordzijde van het neerhof staat de imposante vierzijdige duiventoren, vermoedelijk uit de 17de-eeuw, opgebouwd in traditionele bak- en zandsteenstijl met natuurstenen speklagen en hoekblokken. Geveltoppen met aandaken en muurvlechtingen. Zuidgevel met twee vliegopeningen of "beeten" en vier deurtjes. De bovenruimtes zijn slechts toegankelijk met ladders via deurtjes in de zijgevel. Bovenste verdiepingen voor duiven, onderste verdiepingen met andere functies als honden- of hoenderhokken. Qua uitzicht zeer vergelijkbaar met de duiventoren op het "Goed te Nieuwenhove" te Waregem. Het houden van duiven was één van de rechten die verbonden was aan de heerlijkheid.

Toegangspoort. Ingang tot het kasteeldomein via een begroeide bakstenen toegangspoort, afgeboord met natuursteenblokken. Voorheen een volledige poortingang waarvan thans enkel twee pijlers resteren, aansluitend op de ommuring. Flankerende muren voorzien van "schietgaten". Bij de toegang hangt een houten boomkapelletje met Mariabeeld, opschrift "O.L.VR. TER LEIE".

Schandpaal. Op het kruispunt van twee hofpaden nabij de toegangspoort staat een schandpaal, de vroegere pilori of pelderijn van de heerlijkheid van Ooigem (heropgericht). De schandpaal wordt reeds vermeld in archiefbronnen uit 1517, wanneer een baljuwrekening de vernieuwing van de "galgeboom" vermeldt, die oorspronkelijk tegen de vierschaar aangeplant stond. De paal is in het midden van een grote achtkantige arduinsteen geplaatst, waarin een vierkante uitsparing.

Tuin en park. De noordelijke gelegen kasteeltuin en -park zijn bereikbaar via een brug die vanaf het kasteel over de omwalling leidt. Langs straatzijde is de tuin toegankelijk via een smeedijzeren hek.

Smal, gewelfd, bakstenen poortbrugje met smeedijzeren hek en grotendeels overgroeide, flankerende muren met ezelsrug. Latere bakstenen toevoeging met lage pilasters en aansluitende muurtjes in halve cirkelvorm, uitgevend op natuurstenen bordestrap en bakstenen keermuren aan tuinzijde. De oorspronkelijke tuin- en parkstructuur uit het midden van de 18de eeuw, zoals weergegeven op de kaarten bij het landboek van Ooigem (1778), bestond uit een klassiek-formele opbouw met min of meer rechthoekige tuinruimte verdeeld in geometrische plantvakken opgebouwd rond een centrale hoofdas vertrekkend vanaf de noordelijke brug over de walgracht, gericht op een monumentale poortdoorgang en voortgezet perspectief in een parkbosstructuur met strak drevenpatroon, met onder meer centraal assenpark. Omtrekken van de formele tuin- en parkruimten vermoedelijk met geschoren loofwanden. Externe dreefstructuren in de huidige Desselgemstraat (gericht op de kerk) en in de Eerste Linie Regimentstraat.

Vermoedelijk tijdens het interbellum bescheiden herwerkte tuinaanleg in beperktere omvang, begrepen tussen de Desselgemsestraat en de Pontweg, met teruggrijpend concept van de centrale, noordwest georiënteerde hoofdas vertrekkend vanaf een natuurstenen bordestrap en bakstenen keermuren en gericht op een vroegere 18de-eeuwse poortdoorgang aan de Pontweg (zie bewaarde natuurstenen poortpijlers in de bakstenen omheiningsmuur). Hoofdas ondersteund door taxuskegels en buxusmassief, met aanliggende, gedeeltelijk ommuurde moestuin en boomgaard (recent heraangeplant). In de buitenranden van de tuin en op het neerhof introductie van enkele parkbomen en parkboomgroepen, onder meer plataan, beuk, ginkgo, tamme kastanje, esdoorn en taxus. Ten zuidoosten van de site is na het dempen van een kleine buitenwal ook een verlandschappelijkte parkaanleg geïntroduceerd, met kleine grillige vijvervorm (thans verland) en licht gemodelleerd reliëf.

  • ARCHIEF RUIMTELIJKE ORDENING WEST-VLAANDEREN - ONROEREND ERFGOED, archiefnr. W/00589 en Levend Archief.
  • KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN, 207: Mutatieschetsen, Ooigem, 1937/49, 1979/28.
  • KONINKLIJK INSTITUUT VOOR HET KUNSTPATRIMONIUM, Fototheek, opnames A41866-A41879.
  • RIJKSARCHIEF GENT, Raad van Vlaanderen, II, nummer 11860: Kaart van het kasteel van Ooigem, gevoegd bij procesbundel van steenhouwer Pieter Plumioen contra Charles de Gros, s.d.
  • ALGOET G., De familie Verhaeghe, in De Gaverstreke, jaargang 8, 1980, p. 339-358.
  • CORNILLY J., Monumentaal West-Vlaanderen, beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel I: arrondissementen Ieper, Kortrijk, Roeselare, Tielt, Brugge, 2001, p. 234.
  • DE BRABANDERE P., Het pelderijn van Oyghem, in Biekorf, jaargang 37, 1931, p. 330-331.
  • DE BRABANDERE P. en HUYS E., De geschiedenis van Oyghem. Wijlent Mijnheer P. Debrabandere's nagelaten werk aangevuld door Emiel Huys, Kortrijk, 1937, 136 p.
  • DUCATTEEUW E., Het goed te Nieuwenhove in Waregem (3), in De Gaverstreke, jaargang 27, 1999, p. 83-108.
  • GENICOT L.A., Het groot kastelenboek van België. Deel I: Burchten en kastelen, Brussel, 1976, p. 197.
  • Ken je streek: Een dorp in de West. Ooigem, in het teken van de Leie en het vlas, in Curiosa, 1992, p. 7-12.
  • TYBERGHIEN V., De geschiedenis van de Sint-Brixiusparochie in Ooigem (1038-1802), in Leiesprokkels 1992-1993, jaarboek 4, 1993, p. 7-70.
  • VERMEULEN A., De Leie: natuur en cultuur, Tielt, 1986, p. 184-186.
  • Vlasserspad, in Documentatiemap Wielsbeke, bibliotheek Wielsbeke, s.d., s.p.

Bron     : Santy P. & Devooght K. 2008: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Wielsbeke, Deelgemeenten Ooigem en Sint-Baafs-Vijve, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL36, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Santy, Pieter
Datum  : 2008


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Kasteeldomein van Ooigem [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/89548 (Geraadpleegd op 21-10-2020)