Geografisch thema

Gerdingen

ID: 14577   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14577

Beschrijving

Eerste vermelding in 1139 als Gardengeis.

Gerdingen is een Kempische gemeente, gelegen op het Kempisch Plateau, met uitzondering van de dorpskern in het noorden van het grondgebied, die deel uitmaakt van het traditionele landschap Vlakte van Bocholt. De steilrand, die van Neeroeteren tot Bree een duidelijk zichtbare scheiding tussen de twee landschappen vormt, wordt bij Bree veel minder uitgesproken, en het hoogteverschil in Gerdingen bedraagt slechts 5 m, meer noordwaarts, in de richting van Bocholt, nog 2-3 m. Landschappelijk waardevolle elementen zijn de vallei van de Zuurbeek, die de gemeente van zuidwesten naar noordoosten doorkruist en in het westelijke deel van het grondgebied een smalle en vrij diepe vallei uitsneed. De nederzetting ontstond trouwens als een typisch Kempische rivierdalnederzetting op de valleiwand van deze beek. Het landschap zoals weergegeven op de Ferrariskaart (1771-77) toont in de vallei van de Zuurbeek een beemdengebied, in het zuidoostelijke gedeelte van de gemeente, ten zuiden van de Zuurbeek, het akkerareaal, en in het zuiden en het westen heidegebieden. Bij de verdeling van deze grote gemeenschappelijke heidegebieden van de Vier Crispelen in 1807 verkreeg Gerdingen 308 ha heidegronden, die in de tweede helft van de 19de eeuw grotendeels bebost werden. Het grootste gedeelte van de gemeente is daarom op landschappelijk gebied een relatief jong cultuurlandschap, daterend van de ontginningen van na het midden van de 19de eeuw, in een eerste periode gekenmerkt door grootschalige bebossing van de heidegebieden, vanaf de 20ste eeuw door de omzetting van deze naaldbossen in landbouwgebied, nu hoofdzakelijk gericht op intensieve rundveehouderij en, in mindere mate, hokdieren, met bijhorend grasland en voedergewassen als bodemgebruik. De Zuurbeekvallei behield resten van het oude beemdengebied in de vorm van bocagelandschap met relicten van houtkanten, heide en oude bosjes. De zuidelijke grens van de gemeente wordt gevormd door de vallei van de Eetsevelderbeek. Gelegen op de overgang van het Kempisch Plateau naar de Vlakte van Bocholt is dit een smal uitgesneden beekvallei met talrijke bronnen of sprinken en bijna volledig opgevuld met veenbodems. In de beekvalleien werden traditioneel vochtige beemden als hooi- en weiland in cultuur gebracht. Tot 1940 werd het merendeel van de valleien op deze manier gebruikt. Na Wereldoorlog II raakten veel van de hooilanden in onbruik; ze werden aangeplant met populieren, verruigden tot rietlanden of evolueerden terug tot elzenbroekbossen of laagvenen. Op de hogere valleiflanken en de plateaurand komen oude loofbossen en recentere naaldhoutbossen voor.

Gerdingen is waarschijnlijk een vroegmiddeleeuwse nederzetting; evenals Ellikom en Erpekom heeft het een Merovingisch-Karolingische nederzettingsnaam, en deze dorpen vormen een klein aaneengesloten en door de Franken gekoloniseerd gebied rondom de Abeek. Het nederzettingspatroon vertoont het karakteristieke Kempische stramien van een gerekte straatnederzetting op de overgang van de rivierdaldepressie naar de hoger gelegen heidegronden, de zogenaamde rivierdalnederzetting. Gerdingen was een vrijheerlijkheid, die in 965 zou toebehoord hebben aan de Sint-Martinuskerk van Luik. Later was de heerlijkheid samen met het gehucht Nieuwstad -een geürbaniseerde nederzetting uit de late middeleeuwen vlak onder de wallen van Bree - een Loons leen, dat zeker reeds in 1241 in handen was van de heren van Stein.

Gerdingen en Nieuwstad waren vervolgens in handen van de families van der Merweyden (15de eeuw), Rode van Opsinnich (1469), van Werst (1472), van Eynatten van Lichtenberg (1554) en van 1659 tot de Franse revolutie van Schaesbergh. De heren van Gerdingen sloegen rond het midden van de 15de eeuw munt. Coenen en Van De Weerd vermelden de mogelijkheid van het bestaan van een burcht in de buurt van de kerk.

Het zeer oude gehucht Gerkenberg ontstond in een dalinsnijding haaks op de vallei van de Zuurbeek, in het westen van de gemeente.

Gerdingen vormde samen met Nieuwstad één gemeente, en samen met Bree, Beek en Reppel vormden zij een bestuurlijke eenheid, de Vier Crispelen. De parochie- en gemeentegrenzen van deze gemeenten lagen grillig verstrengeld in elkaars grondgebied; zo hadden Beek en Gerdingen op verscheidene plaatsen stukken grond, met of zonder huizen en hoeven, op het huidige grondgebied van Bree liggen. De Crispelen bezaten samen onverdeelde gemeenschappelijke heidegronden, en stonden samen in voor de verdediging van Bree. In 16de-17de eeuw was Gerdingen met dit doel ingedeeld in een drietal rotten burgerwachtafdelingen. In 1807 werden de gemene gronden van de Vier Crispelen verdeeld tussen Bree, Beek, Gerdingen en Reppel. Toch bleven deze gemeenten toen nog gronden bezitten die ze samen beheerden.

In tegenstelling tot de Crispelen Beek en Reppel, was Gerdingen op juridisch gebied niet afhankelijk van de buitenbank van Bree, maar had een eigen dubbele schepenbank van Gerdingen en Nieuwstad, die in Nieuwstad oordeelde naar Luiks recht zoals in Bree, en in de rest van de gemeente naar Loons recht met beroep bij het Oppergerecht van Vliermaal. Het benoemingsrecht van de bank werd later gedeeld tussen de prins-bisschop van Luik, die de schout en drie schepenen benoemde, en de plaatselijke heer, die vier schepenen en een bode benoemde.

Op het grondgebied van Gerdingen functioneerden verscheidene laat- en leenhoven, onder meer het bovenvermelde leenhof van Nieuwstad, thans onder Bree, Vorsterhof en Hanshof bij Gerkenberg.

Vanaf het eerste kwart van de 18de eeuw had Gerdingen een lagere school, voor het eerst vermeld in 1726.

Aangezien Gerdingen met Bree een bestuurlijke eenheid uitmaakte, verwijzen wij voor de militaire geschiedenis en de historische gebeurtenissen naar de gemeente-inleiding van Bree.

Op kerkelijk gebied behoorde Gerdingen tot de Sint-Martinusparochie, een zeer oude stichting, volgens sommige auteurs van het Sint-Servaaskapittel van Maastricht, volgens andere van de graven van Loon. Een bewijs voor de ouderdom is de uitgestrektheid van de parochie, die de stad Bree vrijwel volledig omsloot. Volgens sommige bronnen was de kerk van Gerdingen de moederkerk van Bree; zij wordt voor het eerst vermeld in 1139. Het patronaatsrecht was in handen van de plaatselijke heer. De tienden werden in 1218 door particuliere personen geschonken aan de abdij van Herkenrode; vanaf dan heeft de abdij twee derden van de tienden, de pastoor één derde. Hierdoor was de abdij verantwoordelijk voor het onderhoud van schip en koor van de kerk. De kerk was van oudsher een belangrijk bedevaartsoord ter ere van Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Quirinus -voor het eerst vermeld in 1323- en Sint-Apollonia, dat veel bedevaarders uit de streek van ’s Hertogenbosch aantrok.

In het gehucht Gerkenberg werd in 1913 een karmelietenklooster opgericht.

Gerdingen is steeds een Kempisch landbouwdorp geweest zonder industrie. In 1833 wordt een kleine pannen- en steenbakkerij vermeld. De banmolen voor Gerdingen was de Binkenmolen onder Reppel. Het is thans voornamelijk een forenzengemeente.

Oppervlakte: 913 ha.

  • BATS H. - GEYSKENS B., in De Vlaamse Landschapsatlas, OC-GIS-Vlaanderen, Brussel, 2001.
  • CARDINAELS J. - en anderen, Geschiedenis en kerkelijk kunstbezit te Gerdingen, Bree, 1976.
  • CEULAER R. DE, Romaanse Religieuze bouwkunst in Noord-Limburg, (Het Ezendröpke, 6, 1984, pagina's 9-19).
  • CLAES M. - SIMONS B., 1884-1984. Lagere School Gerdingen, 1984.
  • DARIS J., Notices sur les églises du diocèse de Liège, Vol. 12, Liège, 1867-1899, pagina 70.
  • DRIESSEN M., De zonnewijzers van Tongerlo en Gerdingen, (Het Ezendröpke, 2, 1982-83, pagina's 46-47).
  • GRAUWELS J., De aartsdiakonale visitaties van het dekenaat Maaseik (1646-1726), (Het Oude Land van Loon, 38, 1983, pagina 80-84).
  • LEYNEN J., Keurboek der vier Crispelen Beek, Bree, Gerdingen, Reppel, (Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundige Studiekring te Hasselt, 14, 1938, pagina's 21-29).
  • MAES S.F. - DREESEN J., De geschiedenis van Bree. De parochie, de oude kloosters, Heverlee, 1946.
  • MAES S.F., De geschiedenis van Bree. De gemeente van de oudste tijden tot aan de Franse revolutie, 1952.
  • MOLEMANS J., Limburgse plaatsnamen, 4: Ellikom, in: Toponymica, XXII, 4, Leuven, 1975.
  • MOONS J., De Herkenrodeabdij en haar domein op het einde van het Ancien Régime, (Limburg-Het Oude Land van Loon, 2001).
  • PEETERS H., Het kanton Bree tijdens de Franse revolutie, Bree, 1985.
  • QUIRINUS, Chronijcke van Gerdingen en Nieuwstad, (Het Ezendröpke, 5, 1984, pagina's 27-30).
  • SIMONS B., De geschiedenis van het onderwijs te Gerdingen, (Het Ezendröpke, 7, 1985, pagina's 32-43).
  • SIMONS B., De bevolking van Gerdingen 1628-1848, 1991, .
  • SWENNEN J.M., Le Vorstershof près de Bree, (L'ancien Pays de Looz, 12, 1908, pagina 11).
  • WEERD H. VAN DE, Het landdekenaat Eyck. Tongerloo. Gerdingen, (Limburg, 5, 1923-24, pagina's 201-205).

Bron     : Schlusmans F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs : Schlusmans, Frieda
Datum  : 2005


Relaties

  • Is deel van
    Bree
    Bree (Limburg)

  • Omvat
    Bakhuis van hoeve Kluitshof
    Kluitshofweg 4 (Bree)

  • Omvat
    Barrierstraat
    Barrierstraat (Bree)

  • Omvat
    Gedenkteken voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog
    Siemenstraat zonder nummer (Bree)

  • Omvat
    Gietijzeren kruis
    Heuvelstraat zonder nummer (Bree)

  • Omvat
    Hoeve Cluysemanshof
    Kluisstraat 5 (Bree)

  • Omvat
    Hoeve Truyenshof
    Truyenhofstraat 1A (Bree)

  • Omvat
    Meeuwerkiezel
    Meeuwerkiezel (Bree)

  • Omvat
    Muizendijkstraat
    Muizendijkstraat (Bree)

  • Omvat
    Onze-Lieve-Vrouwekapel
    Pannenbakkersstraat zonder nummer (Bree)

  • Omvat
    Schoolstraat
    Schoolstraat (Bree)

  • Omvat
    Sint-Janskapel
    Thijsstraat zonder nummer (Bree)

  • Omvat
    Twee hoeven
    Thijsstraat 16, 18 (Bree)