Beschermd monument

Vlaamse Opera en schermenmagazijn

Beschermd monument van 16-06-2017 tot heden
ID: 21052   URI: https://id.erfgoed.net/aanduidingsobjecten/21052

Besluiten

Site Vlaamse Opera, voormalig schermenmagazijn en hotel Wagner
definitieve beschermingsbesluiten: 16-06-2017  ID: 14475

Beschrijving

Deze bescherming betreft de Vlaamse Opera en het voormalige schermenmagazijn met gelagzaal, met inbegrip van de cultuurgoederen.



Waarden

De Vlaamse opera en het voormalige schermenmagazijn met gelagzaal is beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de:

historische waarde

Prestigieuze bouwwerken zoals de opera en het bijhorend schermenmagazijn weerspiegelen in hun architecturale uitstraling de groeiende rijkdom van Antwerpen rond de eeuwwisseling van 1900. De stad ontpopte zich tot een bloeiende handelsmetropool met een haven in volle expansie en een groeiende industrie. Na de sloop van de Spaanse vestingen vanaf de jaren 1860 vonden er decennialang (steden)bouwkundige projecten plaats, aangestuurd vanuit een megalomane metropoolgedachte: het ging de stad voor de wind en dit moest getoond worden. De oprichting van de Vlaamse opera moet tevens gezien worden in het licht van een 'cultuurflamingantisme' dat uitgaande van een opvoedende en ontvoogdende missie, een bewustwording nastreefde van de eigen beschaving waarbij naast de taal, ook de kunst een essentiële rol kon spelen. Het streven naar een eigen Vlaamse opera, die in zich de Vlaamse muziek én taal verenigt, bereikte zijn hoogtepunt in 1893 met de oprichting van het "Vlaams Lyrisch Toneel" met Henry Fontaine als directeur, Edward Keurvels als orkestmeester en de componist en musicus Peter Benoit als geestelijke vader. Het feit dat nog geen tien jaar later dit initiatief met goedkeuren van de stad bekroond werd met een eigen "tempel", maakt het operagebouw met schermenmagazijn tot een gedenkteken van de toenmalige ijver om het Vlaamse muziekleven en de Vlaamse muziekcultuur een tastbare vorm en gestalte te geven.

De historische waarde van de cultuurgoederen wordt als volgt omschreven: Het witmarmeren borstbeeld op houten sokkel van Peter Benoit, gemaakt door de Antwerpse beeldhouwer Frans Joris (1851-1914) draagt bij tot de historische waarde van de opera. Deze portretbuste refereert aan componist en musicus Peter Benoit (1834-1901), bezieler en promotor van de Vlaamse muziekcultuur gedurende de tweede helft van de 19de eeuw en spilfiguur in de ontstaansgeschiedenis van de Vlaamse opera. Hij was één van de oprichters van het zogenaamde "Nederlands Lyrisch Toneel" (1893), voorloper van de opera, en ijverde sterk voor het voortbestaan van de instelling. Zijn ondernemingsgeest, steun en artistieke adviezen waren de onderneming tijdens haar eerste moeilijke jaren van groot nut. Daarenboven pleitte hij voor de oprichting van een eigen operagebouw. Tijdens de opening van de opera in 1907 - Benoit was toen reeds overleden - zou zijn borstbeeld op de scène gestaan hebben. Mogelijk gaat het om dit kunstwerk.

architecturale waarde

De "Vlaamse opera", gebouwd in 1904-1907, behoort samen met de Stadsfeestzaal (1908) en de restauratie van het Vleeshuis (1910-1913) tot de belangrijkste realisaties van Alexis Van Mechelen (1864-1919) als stadsbouwmeester, een ambt dat hij bekleedde van 1902 tot zijn overlijden in 1919. Net zoals de stadsfeestzaal, onderscheidt het operagebouw zich door een beaux-arts-architectuur van Parijse inspiratie, een stijl in overeenstemming met de representatieve functie en feestelijke allure van het gebouw. De rijkelijke beaux-artsstijl, gekenmerkt door reminiscenties aan de grote Franse architectuurstijlen uit de 18de eeuw, leek uitermate geschikt voor pompeuze, monumentale complexen zoals bankgebouwen, warenhuizen, hotels en schouwburgen. De uitwerking van de Vlaamse opera past volledig in deze bouwtraditie en het is zeer aannemelijk dat voor deze opdracht de "Opéra de Paris" (1861-1875) van architect Charles Garnier (1825-1898) voor Alexis van Mechelen model stond, doorgaans bekend als hét voorbeeld bij uitstek van de beaux-artsstijL Zoals het operagebouw veruitwendigt, toont de beaux-artsstijl zich over het algemeen in symmetrische opgevatte gebouwen met rijk en zorgvuldig gedecoreerde gevels in natuursteen en/of simili. In de veelal drieledige opstand is de eerste verdieping de belangrijkste en is deze hoger en prominenter uitgewerkt dan de begane grond of de hogere verdiepingen. In planconcept sluit het operagebouw nog sterk aan bij 19de-eeuwse voorbeelden en kenmerkt zich door een drieledige structuur, met achtereenvolgens de vestibule met brede trap en de bovenliggende foyer met loggia in ovaalvorm, het halfronde -door wandelgangen omgeven- auditorium bestaande uit het parterre, drie balkons waarvan het eerste met loges, en twee amfitheaters, en tenslotte de toneeltoren. De verticale circulatie tussen het publiek en de vestibule, de balkons en de amfitheaters werd vernuftig opgelost door middel van twee maal vier gescheiden trappenhuizen waarvan drie in de voorbouw de toeschouwer van elke "rang" rechtstreeks naar de juiste verdieping brachten. Nieuw en vooruitstrevend in Antwerpen waren de opvallend brede wandelgangen, elk voorzien van vestiaires en sanitair, en de tweede drinkzaal op de vijfde verdieping. In het interieur vertaalt de beaux-arts-stijl zich in ruime, gaaf bewaarde vertrekken met een hoge architecturale kwaliteit op het vlak van ru imtewerking, materiaalgebruik en aankleding zoals de vestibule en de bovenliggende foyer, het auditorium, de brede wandelgangen vanaf het parterre tot en met het tweede balkon en de trapzalen, in het bijzonder die van het parterre naar het eerste balkon. Het auditorium en het toneel zelf bevatten kenmerken die zowel refereren aan het tot de 17de eeuw opklimmende Italiaanse operatype, als aan een aantal vernieuwingen waarbij een zekere invloed van Wagner merkbaar is. Bij deze stond niet het sociaal vertoon van een operabezoek centraal, maar wel de operavoorstelling zelf. Traditionele elementen zijn het grondplan van de zaal, de aanwezigheid van de zogenaamde 'prosceniumboog' (dit is de boog op de scène waardoor de voorstelling gezien wordt), de boven elkaar gestapelde niveaus zodat meerdere toeschouwers een goede zichtlijn hebben en het concept van de loges. Typisch Wagneriaanse uitgangspunten daarentegen zijn de verzonken 'onzichtbare' orkestbak, een amfitheatervormig zaalopzet met een beperkt aantal loges waardoor elke toeschouwer een goed zicht op het podium had en de mogelijkheid voor scenische effecten. Daarenboven maakte van Mechelen gebruik van nieuwe en brandveiligere materialen zoals gewapend beton voor de roosteringen, trappen en balkons, steenmortel in combinatie met staal voor grote overwelvingen en geklinknageld staal voor de dakgebintes. De balkons van gewapend beton konden verder uitkragen wat meer zitplaatsen opleverde, voor een betere zichtbaarheid zorgde en aan de zaal -ondanks de relatief grote zitcapaciteit- een opmerkelijke, bijna 'cosy' indruk geeft. Niettegenstaande het voormalige schermenmagazijn (1907-1909) aan de Franklin Rooseveltplaats enkele jaren later is opgetrokken en niet paalt aan de opera, vormen beide bouwwerken een herkenbaar en onlosmakelijk ensemble. Het schermenmagazijn maakt in zijn functie inherent deel uit van het operacomplex en zijn ontwerper Emiel Van Averbeke (1876-1946), toen nog in dienst bij Van Mechelen, heeft bewust voortgebouwd op de architecturale vormgeving van het operagebouw. Het schermenmagazijn vormt een ondiep doch monumentaal hoekgebouw in beaux-artsstijl met een natuurstenen gevelfront dat in een iets strakkere vormgeving refereert aan de bouwstijl en opstand van de (achtergevel van de) opera. Het gebouw heeft een driebeukige structuur en uitwendig een nog duidelijk afleesbare drieledige opstand met een gaaf bewaarde gelagzaal op de begane grond, een hoge bovenbouw met stalen structuur (kolommen) die vroeger het schermenmagazijn bevatte en een ruim atelier, thans repetitielokaal, op de zolderverdieping met halfrond geklinknageld stalen dakspant. Ook hier is de bovenbouw uitwendig geleed in registers van lange rechthoekige vensters met balustrade en oculi en bestaat het decor hoofdzakelijk uit aan de Lodewijk XVI-stijl ontleende elementen. De afgeronde hoektravee met het hoofdportaal van de gelagzaal wordt geaccentueerd door een imposante oculus, het portaal van het vroegere schermenmagazijn uiterst rechts door een blind gedecoreerd zijrisaliet met monumentale dubbele deur. Zowel bij het operagebouw als bij het voormalige schermenmagazijn wordt de authenticiteit van de buitenarchitectuur versterkt door de aanwezigheid van bewaard historisch schrijnwerk met dito beglazing in de belangrijkste gevelpartijen.

artistieke waarde

Kenmerkend voor stedelijke bouwprojecten vanaf de tweede helft van de 19de eeuw was de ornamentele gevelarchitectuur waar in het teken van stadsverfraaiing de architectuur overdadig gedecoreerd werd. In overeenstemming met hun functie werden zowel het operagebouw als het schermenmagazijn opgevat als bouwwerken met een artistieke allure en feestelijk karakter. Een architecturale vormgeving in een beaux-artsstijl van Parijse inspiratie, waarbij het decorum een prominente plaats inneemt, bleek hiervoor een geschikte keuze. De natuurstenen buitengevels zijn door hun horizontale en verticale geleding harmonieus opgebouwd en werden uitgerust met een rijke gesculpteerde neo-Lodewijk XVI-ornamentatie. Het meest opvallend is echter de grote zorg die besteed werd aan de inrichting, aankleding en afwerking van het interieur waar het creëren van een feestelijk decorum werd verdergezet. De beaux-artsstijl uit zich in ruime vertrekken, uitgewerkt als kleurrijke artistieke ensembles door het diverse gebruik van rijke materialen, verschillende decoratietechnieken en een zware, op de Lodewijkstijlen geïnspireerde decoratie. Wanden, lambriseringen, plafonds, vloeren, omlijstingen van deuren, vensters en radiators, zuilen en binnenschrijnwerk werden uitgevoerd in kostbare en authentieke materialen zoals diverse marmersoorten, tropische houtsoorten, mozaïek, (spiegel)glas en koper. De ovaalvormige vestibule ontleent als representatieve ontvangstruimte haar statig karakter aan de brede marmeren trappartij en de vele gebombeerde zuilen. Oog voor detaillering blijkt uit het met koper beslagen schrijnwerk van de portaaldeuren. De afwerking van de monumentale trapzaal naar het eerste balkon met een marmeren lambrisering, een plastisch stucplafond met verguldsels en een imposante bordestrap bestendigt deze ruimte als voornaamste trapzaal. De foyer onderscheidt zich van de andere vertrekken door de hoogte, passend bij een wandelzaal, die de blik van de bezoeker richt naar het plastisch stucplafond met schilderingen. De ovale ruimte wordt geflankeerd door nissen met loggia's. Voornamelijk de brede wandelgangen van het parterre tot en met het tweede balkon vormen artistieke gehelen, rijk gestoffeerd met mozaïekvloeren, zuilen, al dan niet vergulde stucplafonds en fraai binnenschrijnwerk. Het auditorium, beschouwd als het "hart" van het gebouw en "omhulsel" van het artistieke gebeuren, bleef ondanks de vernieuwing van voornamelijk de technische infrastructuur, in haar decoratieve aankleding bewaard. Hiervan getuigen de balkons en ereloges met verguld stucwerk op de fronten, de omlijsting van de prosceniumboog met een plastisch neo-Lodewijk XVI-decor, het met textielimitatie beschilderd ijzeren brandscherm en het zwaar bewerkt plafondgewelf met een geïntegreerde centrale schildering, omringd met veelal verguld stucwerk. De cirkelvormige of ovale plafondschilderingen in de foyer en het auditorium, vervaardigd door de aan de Antwerpse academie opgeleide meesters Emile Vloors (1871-1952) en Karel Mertens (1865- 1919) zijn speciaal ontworpen voor het operagebouw, versmelten met de binnenarchitectuur en verlenen zo een artistieke meerwaarde aan voornoemde vertrekken. Beide schilderingen zijn gewijd aan hèt thema van de "Rhythmus", beschreven in het essay van Alfred Hegenscheidt (1866-1964) als het oerprincipe van alle leven en dus ook van alle kunst waarbij het leven gezien wordt als immanente beweging, als zelforganisatie. Beide schilderingen vallen op door de geslaagde verkortingen en de zuivere vormgeving van de vrouwenfiguren. Typisch voor Mertens is de sfeerschepping in zachte tonaliteiten met veel aandacht voor de weergave van het licht. Emile Vloors' schildering daarentegen toont een decoratief lyrisme, ademt een triomfantelijke sfeer en is vlakker van coloriet. De voormalige gelagzaal op de begane grond van het voormalige schermenmagazijn heeft een authentiek bewaard interieur. Apart en merkwaardig in Antwerpen is het gedrongen karakter van de zaal met bewaarde houten toog en wand. De gedrukte, met stucwerk versierde kruisgewelven op gebombeerde zuilen, maken de weliswaar grote ruimte tot een stemmige verbruikerszaal met een grootstedelijke allure die eerder doet denken aan de grote Duitse bierkelders.

De artistieke waarde van de cultuurgoederen wordt als volgt omschreven: Het borstbeeld van Peter Benoit is een voorbeeld van een laat 19de-eeuwse marmeren portretbuste in een vrij naturalistische stijl. Het beeldhouwwerk is representatief voor het oeuvre van de Antwerpse beeldhouwer Frans Joris (1851-1914) die werkte in de traditie van zijn leermeester Jozef Geefs (1808-1885) en zich specialiseerde in gebeeldhouwde portretten.

culturele waarde

Als belangrijke "muziek bühne" van Antwerpen waar opera werd opgevoerd, heeft de Vlaamse opera de muziekcultuur mee vormgegeven en in die zin bijgedragen tot de culturele ontwikkeling van de burger. In het begin van de 20ste eeuw was er in Antwerpen een belangrijke economische elite van gegoede kooplieden en ondernemers die naast het zakenleven een zeker societyleven nastreefde en graag vertoefde in cultureel ingestelde kringen. Tot op vandaag fungeert de opera als een culturele instelling die de muzikale artistieke expressie en de beleving ervan aanmoedigt.


Aanduiding van

Is de bescherming van

Vlaamse Opera

Franklin Rooseveltplaats 8, Frankrijklei 3, Van Ertbornstraat 2-8 (Antwerpen)
Monumentaal operagebouw in beaux-artsstijl, opgericht door de stad Antwerpen in 1904-1907, naar een ontwerp van stadsbouwmeester Alexis Van Mechelen, vanaf 1905 met medewerking van Emiel Van Averbeke.