erfgoedobject

Gemeentelijk park bij de ruïne van het Prinsenkasteel

landschappelijk element
ID: 134040   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134040

Juridische gevolgen

Beschrijving

Gemeentelijk park met sporen in het microliëf van een klassieke Franse tuin van circa 13 hectare, aangelegd tijdens het 3de kwart van de 18de eeuw bij een waterburcht die rond 1610 tot 'huis van plaisantie' werd omgebouwd; verbost tijdens de 19de eeuw.

Loofwerkparterres

Het eens zo machtige waterkasteel met omringend park en aanhorigheden was de verblijfplaats van de heren van Grimbergen. Het ligt ten zuiden van de abdij, waarmee het sinds de 17de eeuw via een dubbele dreef (de huidige Prinsenstraat) is verbonden. Nadat de burcht op de Borcht- of Senecaberg was afgebrand tijdens de zogenaamde Grimbergse oorlog (1141-1159), trokken de Berthouts, heren van Grimbergen, een nieuwe verblijfplaats op ten zuiden van het dorpscentrum en de door hen in 1128 gestichte norbertijnenabdij. Dit gebeurde waarschijnlijk pas aan het einde van de 13de of in de 14de eeuw. Ook deze burcht werd na de belegeringen door Maximiliaan van Oostenrijk in 1488 en door hertog Albrecht van Saksen in 1489 tot op de grond afgebroken. Bij de heropbouw werd mogelijk gebruik gemaakt van de oude funderingen. Een ets in de 'Antiquitatis illustrissimi' uit 1610 van Gramaye geeft een idee van de heropgebouwde versie. Nog in datzelfde jaar bouwde Jacques de Bergues (ook Berghe of van Bergen) de burcht om tot een 'huis van plaisantie' met bijbehorende lusttuin. Tien jaar later kocht hij 23 bunder land aan op het kerkveld om zijn bosareaal uit te breiden. Wellicht werd toen het oorspronkelijke neerhof verlaten en werden nieuwe dienstgebouwen opgetrokken ten zuiden van het kasteel, buiten de ringgracht. Op een pentekening uit 1678 door Constantijn Huygens jr. wordt een gezicht vanuit het kasteel in de richting van het dorp en de abdij afgebeeld, met op de voorgrond een kaal, vierkant eilandje ten noorden van het kasteeleiland. Op dit eilandje stond wellicht het oorspronkelijke neerhof. De structuur met twee eilanden, die heel sterk aan de klassieke, volmiddeleeuwse dubbele motte doet denken, wordt duidelijk weergegeven op de eerste betrouwbare kaart van het kasteeldomein, een figuratieve kaart van 1696 door Peeter Meysmans, en op een ets met een gezicht in vogelperspectief gepubliceerd in de heruitgave van de 'Chorographia Sacra Brabantiae' uit 1726 van A. Sanderus.

De oorspronkelijke uitgave van de 'Chorographia' van 1659 bevat een ets met een vogelperspectief van de abdij vanuit het noorden. Ze toont ook het kasteel op de achtergrond, half verscholen tussen de bomen, met als enig spoor van aanleg de vier bomenrijen langs de Prinsendreef, toen ook de hoofdweg naar Brussel. De tekening van het kasteel door Huygens stemt in hoge mate overeen met een ets van Harrewijn bijna twintig jaar later (1694). Het waterkasteel was te bereiken langs een zuidelijke, gedeeltelijke stenen boogbrug (de laatste travee bestond uit een houten ophaalbrugje) die leidde naar een monumentale toegangspoort geflankeerd door ronde torentjes. De tekening van Huygens (twee obeliskjes die de aanzet van een brug laten vermoeden) en de poort met valhekken in de donjon suggereren het bestaan van een tweede toegang vanuit het westen, waardoor het kasteel rechtstreeks verbonden werd met de siertuinen. Het kasteelgebouw bestond uit een kluwen van volumes onder zadel- en tentdaken, waaronder een hoge donjon, meerdere kleinere torens en aan de oostzijde een kapel. De donjon en de ronde, noordwestelijke hoektoren hadden een spits tentdak met dakkapellen en bolspitsen. Van een binnenplaats valt er op de afbeeldingen niets te bespeuren.

De ets van Harrewijn en de figuratieve kaart van Meysmans, die ongeveer gelijktijdig werden gemaakt, vertonen grote overeenkomsten in de omgevingsaanleg van het kasteel, sinds 1686 'Prinsenkasteel' genoemd. Philippe-François de Bergues, graaf van Grimbergen, baron van Arquennes… had immers als dank voor bewezen diensten de titel van prins verworven. De formele tuin lag buiten de gracht ten westen van het kasteel. Hij werd door een padenkruis verdeeld in vier bedden – volgens Harrewijn vier loofwerkparterres ('parterres de bro­derie') met zuilvormige boompjes op de hoeken en een rotonde op het kruispunt, volgens Meysmans twee loofwerkparterres en twee op hun beurt door een kruispad verdeelde bedden, elk met een boom of struikmassief in het midden. De ruimte ten noorden daarvan werd door Meysmans blanco gelaten.

Bij Harrewijn is het vierkant eilandje afwezig (want normaal zou de ringgracht rechts in beeld moeten doorlopen) en de blanco ruimte ten noorden van het kasteeleiland zou grotendeels uit boomgaard bestaan. Uiterst rechts op de ets van Harrewijn is een fragment van een tweede parterretuin te zien. Op de kaart van Meysmans worden details getoond van het tuingedeelte dat buiten het perspectief van Harrewijn valt: een compartiment met een moeilijk te interpreteren concentrisch patroon (een omhaagde fontein? Een labyrint? Een 'Parnassusberg' in de vorm van een getrapt heuveltje?). Op beide afbeeldingen wordt de westelijke begrenzing van de tuinen afgebeeld: een laantje tussen hagen of hekwerk, volgens Harrewijn met minstens twee kabinetten of priëlen (wellicht in latwerk), volgens Meysmans een met boompjes en hagen afgezoomd laantje. Dit liep tot aan de noordgrens van het kasteeldomein. Deze grens werd gevormd door een 200 m lange en 55 m brede strook met een door bomen overschaduwde 'lepelvijver', een kanaal dat eindigde in een bijna ronde lob. Daarachter begon het landgoed van graaf Pierre de Romrée, burgemeester van Mechelen. Sporen van deze strook en van de lob waren rond 1820 nog aanwezig, want we vinden ze terug op de kladversie van de Primitieve kadasterkaart.

Franse tuinen

Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) werd het interieur van het Prinsenkasteel vernield, en in 1745 had het zwaar te lijden van de Franse kanonnen. Nog in hetzelfde jaar liet prins Louis-Joseph d'Albert de Luynes "réparati­ons de nécessité et de plaisir" aan het exterieur en inte­rieur uitvoeren en ook de tuinen heraanleggen. De nieuwe tuinaanleg kan vrij gedetailleerd gereconstrueerd worden aan de hand van de Ferrariskaart (1771-1775) en, vooral, een anonieme geaquarelleerde tekening van circa 1770 getiteld 'Vue de la Plaine et Château de Grimberhen appar­ tenant à Son Altesse Madame la Duchesse Douari­ère de Croy'. Het vierkant eilandje ten noorden van het kasteeleiland, vermoedelijk het primitieve neerhof, nog zichtbaar op een ets in de heruitgave van de 'Chorographia Sacra Brabantiae' van 1726, werd weggegraven, zodat de ringgracht aan die zijde bijna 100 m breed werd en als 'spiegelvijver' kon fungeren. De brug aan de noordzijde leidde naar een open erekoer, want de toegangspoort met de ronde torentjes was verdwenen. De as van het kasteel, evenwijdig aan de oude Prinsendreef, werd versterkt door een tweede langgerekte waterpartij met gelobde uiteinden. De oude lepelvijver werd gereduceerd tot zijn eindlob en, symmetrisch ten opzichte van de centrale as, een tweede ronde waterpartij. De 70 m brede en 500 m lange strook tussen de Prinsendreef en het kasteel werd volledig aangelegd. De siertuinen aan de andere zijde van de as werden eveneens aangepast aan de nieuwe smaak. Het laantje dat de oude parterretuin aan de oostzijde afgrensde, bleef behouden en vormde zowat een tegengewicht voor de Prinsendreef. De nieuwe 'Franse tuin' besloeg nagenoeg 13 hectare.

De Ferrariskaart en de aquarel vertonen geen overeenstemming in de details, maar het lijdt geen twijfel dat traktaten en modellenboeken over Franse tuinaanleg, te beginnen met het befaamde 'La théorie et la pratique du jardinage' van Dezallier d'Argenville, een belangrijke inspiratiebron vormden bij het concipiëren van de talloze 'chambres de verdure', 'boulingrins' met of zonder waterbekken of fontein, 'parterres de compartiments', labyrinten, 'bosquets réguliers'… De tuinen van het Prinsenkasteel werden aangelegd in een periode dat de eerste 'Engelse' tuinen het licht zagen. De vroegste landschappelijke tuin in België zou rond 1765 in Schaarbeek zijn aangelegd, maar de echte doorbraak dateert van 1771, toen de hertog van Arenberg het oostelijk gedeelte van zijn domein te Heverlee liet omvormen in 'Engelse' stijl. Daarna volgden delen van domeinen in Brugelette (1773), Baudour en Beloeil (1775), Heks en Vilvoorde (1778), Seneffe (1780), Schonenberg te Laken (1781), Attre (1784), Lochristi (1785), Wannegem (1785), Alden Biesen, Geerdegem bij Mechelen en het kasteel Drietorens te Londerzeel* (1786)… Ook vóór 1765, los van de grote Engelse voorbeelden, werden al tuinen ontworpen met onregelmatige compartimenten, niet zozeer bedoeld als natuurnabootsing, maar als symbool voor chaos en wildernis – binnen een formele, barokke of rococoaanleg. Het ging om kleinschalige, gesloten, welomlijnde tuincompartimenten zonder grote zichtlijnen of uitkijkpunten, met een woelige topografie, een kluwen van kronkelende wandelpaden en een overdaad aan 'fabriekjes' en 'follies'. Enkele van deze 'chaotische' compartimenten kregen achteraf het etiket 'Engels' opgeplakt. Van dergelijke rococospielereien is in Grimbergen weinig te merken. De vraag blijft natuurlijk in hoever de aquarel de bestaande toestand weergeeft of een geïdealiseerde eindsituatie die nooit bereikt werd. Ook de exactheid van de Ferrariskaart laat soms te wensen over.

Prinsenbos

Marie-Joseph d'Onyngues, echtgenote van Guillaume de Merode, prins van Rubempré…, hield in 1793 haar 'blijde intrede' als prinses van Grimbergen, één van de laatste feodale festiviteiten in de Oostenrijkse Nederlanden. De familie de Merode bracht de revolutiejaren door in Duitsland, maar het domein werd merkwaardig genoeg niet onder sekwester geplaatst. Voor het kasteeldomein van Grimbergen was dit echter wel het begin van een langdurige vervalperiode. De de Merodes hebben zich na hun terugkeer toegespitst op Westerlo, Everberg en Rixensart; Grimbergen werd aan zijn lot overgelaten. De Franse tuinen hebben een efemeer bestaan gekend. Op de kladversie van de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt in 1821, werden de vijver met de gelobde uiteinden en één van de ronde vijvertjes (oorspronkelijk de eindlob van de 'lepelvijver') nog als water ingekleurd met aparte perceelnummers, maar de kasteelvijver (oorspronkelijk de ringgracht) was volledig verland. Veelzeggend is het toponiem 'Princen Bosch'. Op de definitieve versie worden de contouren van de lobbenvijver en het ronde vijvertje nog weergegeven maar zonder blauwe kleur of perceelnummer. In de Primitieve kadastrale legger (1831) wordt de kasteelvijver afgebeeld deels als weide (perceel nr. 477), deels als bos (nr. 480). Het compartiment met de lobbenvijver (nr. 473) was een weide; alle andere percelen werden door het Primitief kadaster geregistreerd als bos.

De Brusselse archivaris en historicus Alphonse Wauters vond bij een bezoek rond 1850 alleen maar bos en verlaten en verwaarloosde dreven. De eerste stafkaart (1864) geeft een beeld dat in niets afwijkt van de Primitieve kadasterkaart. Een toeristische publicatie van 1909 betreurt de ruïneuze toestand van het kasteel, maar prijst de rustieke charme en de voorjaarsflora van het bos ("plein de charme et de mystère"). Het onderhoud was beperkt tot één van de dreven, die ook toegankelijk was voor het publiek. In 1901, nadat de schilderijen en andere waardevolle interieurstukken naar Westerlo waren overgebracht, werd het kasteel ter beschikking gesteld van norbertinessen uit Avignon, die wegens de antiklerikale politiek van de regering Combes Frankrijk had verlaten. In 1907 werd het kasteel gerestaureerd onder leiding van architect Piet Langerock. In 1944 staken Duitse soldaten op hun terugtocht het kasteel in brand. De restanten takelden onder invloed van weer, wind, begroeiing en plunderaars steeds verder af tot de huidige ruïne. Rond 1970, na de overdracht van de ruïne en het domein aan de gemeente, werd de oude ringgracht uitgebaggerd en hersteld. Het 'Prinsenbos' werd ingericht als openbaar park en in het noordelijke gedeelte, waar ooit de lobbenvijver lag, werden een voetbalveld aangelegd en een sporttribune gebouwd. In 1996-1997 werden onder leiding van architect P. Doms de donjon gerestaureerd en de ruïne geconsolideerd. In de aanhorigheid ten zuiden van het kasteel (Guldendal nr. 20) – voormalige paardenstallen, koetshuis en andere dienstruimten, een L-vormig volume opklimmend tot de 17de eeuw met een prachtige, vermoedelijk gerecupereerde renaissancebogengalerij – is sinds 1980 het 'Museum voor de Oude Technieken' gehuisvest.

De 18de-eeuwse tuinen, sinds meer dan twee eeuwen overschaduwd door bos, hebben sporen nagelaten, niet alleen in de hoofdindeling van het domein (de driestrokenstructuur), maar ook in het microreliëf. In de strook ten westen van het kasteel zijn taluds bewaard gebleven die samenvallen met de grenzen tussen de terrassen of compartimenten van de Franse tuin of zelfs de loofwerkparterres van de 17de-eeuwse baroktuin. Het huidige bos, deels het resultaat van spontane opslag, deels aangeplant, omvat tal van oude bomen, vooral beuk (Fagus syl­vatica) en ook es (Fraxinus excelsior) en wintereik (Quercus petraea).

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Grimbergen, art. 161 nrs. 26-48, op naam van Henri de Merode-Westerlo.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Grimbergen, art. 2259 nr. 182.
  • COSYN A., Grimberghen. Note descriptive, Bruxellles, Touring Club de Belgique, 1909, p. 13-14.
  • DELESTRE D.J., Uit het verleden van Grimbergen, I (bewerkte en geannoteerde uitgave), Grimbergen, Heemkundige Kring Eigen Schoon – Abdijgemeenschap Norbertijnen, 1987.
  • DEZALLIER D'ARGENVILLE A.-J., La théorie et la pratique du jardinage ou l'on traite à fond des beaux jardins appelés communément les jardins de propreté…, Paris, Jean Mariette, 1709.
  • DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de 18de eeuw, Brussel, Wespelaar, Ph. de Spoelberch, 2002.
  • GRAMAYE J.B., Antiquitates illustrissimi ducatus Brabantiae […], Brussel, 1610.
  • HEIJBROEK J.F., Met Huygens op reis. Tekeningen en dagboeknotities van Constantijn Huygens jr. (1628-1697), secretaris van stad­houder-koning Willem III, tentoonstellingscatalogus, Amsterdam / Gent, 1982-1983, p. 82.
  • VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Grimbergen, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 51-53.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (II), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van VlaamsBrabant, 1964, p. 218-233.
  • VERBOUWE A., Iconografie van Vlaams-Brabant (IV), Kanton Wolvertem, Brussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1942, plaat nr. 8.
  • WAGENAAR W.P. (red.), Caertboeck van de abdij van Grimbergen (II), Abdij van Grimbergen, 1999.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, V, (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles,Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 51 en p. 138-155.
  • WILMET L., Un joyau national – Grimbergen, Paris/Marcinelle, J. Dupuis, z.d. (1935?), p. 263-264.

Bron     : DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs : Deneef, Roger, Van Damme, Marjolijn, Wijnant, Jo
Datum  : 2011


Relaties

  • Is deel van
    Guldendal
    Guldendal (Mechelen)

  • Omvat
    Aanhorigheden van het Prinsenkasteel
    Guldendal 20 (Grimbergen)

  • Omvat
    Kasteel Het Prinsenhof
    Guldendal zonder nummer (Grimbergen)

  • Omvat
    Opgaande wintereiken in Prinsenbos
    Guldendal zonder nummer (Grimbergen)

  • Omvat
    Semi-gesloten hoeve van het Prinsenkasteel
    Guldendal 22 (Grimbergen)

  • Omvat
    Twee opgaande wintereiken in het Prinsenbos
    Guldendal zonder nummer (Grimbergen)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Gemeentelijk park bij de ruïne van het Prinsenkasteel [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134040 (Geraadpleegd op 15-06-2019)