erfgoedobject

Diepensteinkasteel met tuin

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 134057   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134057

Juridische gevolgen

Beschrijving

In 1993-1995 gerestaureerd en gedeeltelijk gereconstrueerd waterkasteel met kasteelvleugel uit de 17de eeuw; kasteeldomein met recente, geslaagde evocatie van de 17de-eeuwse tuin- en omgevingsaanleg rond kasteel.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog kon men de feodale oorsprong van Diepensteyn nog duidelijk aflezen in het landschap: een klassieke dubbele motte met een min of meer rond kasteeleiland en een groter, bijna vierkant eiland voor het neerhof. Het oudste document betreffende de heerlijkheid Diepenstein dateert van de late 13de eeuw. Een verkoopakte van 1598 bevat een beschrijving van het vervallen kasteel, vóór het door de nieuwe eigenaar, Pierre Micault, in 1616 werd gerenoveerd. Het resultaat van de renovatie wordt getoond op een ets uit 1694van Harrewijn, door Jacob Le Roy gepubliceerd in zijn 'Castella et praetoria nobilium Brabantiae'. Het perspectief is wat kromgetrokken maar de gravure sluit nagenoeg kreukloos aan bij latere afbeeldingen – een figuratieve kaart uit 1699, de Ferrariskaart (1771-1775), tot en met de Primitieve kadasterkaart (1821). Het neerhof is bereikbaar via een houten basculebrug tussen twee stenen bogen en een imposante poorttoren met een concaaf geknikt tentdak. Het wordt omgeven door een stalvleugel, die tegen de poorttoren aanleunt, en een losstaand koethuis met een open rondboogarcade. Het op korte pijlers rustende kegeldak is een hooiberg (met één centrale roede), waaronder hooi of graan wordt opgeslagen. De houten brug met de sierboog in latwerk is mogelijk niet de enige brug naar het kasteeleiland. Misschien zit de hoofdbrug verborgen achter de lage noordvleugel van het kasteelcomplex, dat naar het oosten geopend is. We herkennen de nog bestaande kasteelvleugel – twee hoge bouwlagen met afgesnuite noordwesthoek in traditionele bak- en zandsteenstijl. De vierkante donjon die het complex langs de westkant afsloot, werd samen met de vermelde noordvleugel in 1719 afgebroken op last van de toenmalige eigenaar, graaf Jean-Dominique de Maldeghem.

Ten noorden van het kasteeleiland en langs drie zijden door water omgeven, ligt een bijna vierkante siertuin van 45 are, waarvan Harrewijn alleen de zuidelijke helft toont. Deze door manshoge hagen of hekken omgeven tuin beslaat circa 45 are en is in vierkanten verdeeld, met een kruis van brede paden, een centrale rotonde met een rond bekken en een hoog opspuitende fontein. De ets lijkt te suggereren dat nut en sier in deze tuin tot één geheel werden verwerkt. De aan de rotonde palende parterres zijn met loofwerk ('broderie') versierd; in de buitenste parterres worden mogelijk groenten of landbouwgewassen geteelt. De meeste hoekpunten worden door boompjes (mogelijk hulst) geaccentueerd en op de kruispunten van de secundaire assen die de loofwerkparterres omgeven, staan in etages gesnoeide boompjes opgesteld. De tuin wordt omgeven door brede wandelwegen en de toegangen worden gevormd door barokke poorten, waarschijnlijk constructies in latwerk. De drie vijvers op de achtergrond vormen het waterreservoir voor de watermolen van Diepensteyn aan de overzijde van de weg van Londerzeel naar Steenhuffel (de huidige Watermolenstraat). In de grootste, noordelijke vijver ligt een met wilgen begroeid eilandje. De met bomen afgezoomde oevers en dreven stofferen het landschap in de omgeving van het kasteel.

De emigratie van Joseph de Maldeghem, de laatste heer van Diepensteyn, naar Duitsland tijdens de revolutiejaren betekende het einde van Diepensteyn als heerlijke residentie. Op de Primitieve kadasterkaart van 1821 worden de neerhofgebouwen nog weergegeven, maar vier jaar later werden ze gesloopt. De woonvleugel, het enige resterende gebouw van het 17de-eeuwse ensemble van Micault, werd deel van een landbouwbedrijf. Zelfs de herinnering aan het kasteel vervaagde. Op de stafkaart van 1864 (DLG, 1867) wordt "'t kasteelke" voor de laatste keer als "château" aangeduid. Bij de inventarisatie van het bouwkundig patrimonium van de regio rond 1970 werd het als varkensstal en stapelplaats gebruikt. Het domein werd in 1989 aangekocht door de brouwerij 'Palm'. De aangekochte gronden waren oorspronkelijk bestemd als waterwinningsgebied voor de brouwerij, maar al spoedig drong het door dat het om een bijzondere site ging. Het kasteel werd in 1993-1995 grondig gerestaureerd. Zelfs de in 1719 gesloopte donjon en de in 1825 gesloopte neerhofgebouwen, inclusief de poorttoren, werden – met de ets van Harrewijn in de hand – gereconstrueerd. In het kasteel werd een feestzalencomplex ondergebracht en in het neerhof een stoeterij van Belgische trekpaarden.

Harrewijn en de figuratieve kaart van 1699 waren ook de inspiratiebron voor de aanleg rond het gerestaureerde kasteelcomplex. De slotgrachten met hun kaaimuren en de vijvers werden hersteld – zelfs het eilandje in de grote vijver mèt een schietwilg (Salix alba, of S. x rubens) – maar het aantal vijvers (twee in plaats van de oorspronkelijke drie) en de golvende oevers verschillen enigszins van de strakke oevers op de ets van Harrewijn. De wegen tussen en omheen de vijvers zijn brede, met lava gestabiliseerde grasstroken, die worden afgezoomd door rijaanplantingen van grauwe abeel (Populus canescens) en bloemrijke bermen – margriet (Leucanthemum vulgare), grote ratel­aar (Rhinanthus angustifolius subsp. grandiflorus), gewone brunel (Prunella vulgaris), egelboterbloem (Ranunculus flammula), korenbloem (Centaurea cyanus), grote klaproos (Papaver rhoeas)... – in combinatie met kragen van gele lis (Iris pseudacorus), riet (Phragmites australis) en grote lisdodde (Typha latifolia) zijn bijzonder schilderachtig. Paarden moeten ook met het element water vertrouwd geraken; daarom zijn in de zuidelijke vijver doorwaadbare plaatsen voorzien. Tuin- en landschapsarchitect Erik Dhont bedacht ook een functionele evocatie van de 17de-eeuwse parterretuin ten noorden van het kasteel in de vorm van een 'menzone' of behendigheidsparcours voor paarden, afgebakend door hagen, massieven en struwelen van liguster (Ligustrum ovalifolium), haagbeuk (Carpinus betulus), hulst (Ilex aquifolium), sering (Syringa vulgaris)... en verlevendigd door solitaire exemplaren haagbeuk, gewone es (Fraxinus excelsior) en grijze walnoot (Juglans cinerea).

  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, (X), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1969, p. 76-77.
  • VERTONGHEN J., VERHASSELT L. & T'KINT J., Geschiedenis van Steenhuffel, uitgave Abdij Affligem, 1975.
  • VRANCKAERT F., Naar de kern van Diepensteyn, Geschied- en Heemkundige Kring van Londerzeel, 1992, p. 24
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, IV (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 238.

Bron     : DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 2011


Relaties

  • Omvat
    Diepensteinkasteel
    Diepensteyn 1 (Londerzeel)

  • Is deel van
    Steenhuffel
    Steenhuffel (Londerzeel)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Diepensteinkasteel met tuin [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134057 (Geraadpleegd op 14-10-2019)