erfgoedobject

Park van het Kasteel Batenborch

landschappelijk element
ID: 134133   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134133

Beschrijving

Kasteeldomein van circa 25 hectare rond een kasteel met 17de-eeuwse kern, in de 18de eeuw en 19de eeuw meermaals verbouwd; een poging om in 1808 een 'Engelse tuin' met kunstmatige rivier aan te leggen werd om een ongekende reden gestaakt; geslaagde recente aanleg van de onmiddellijke omgeving van het kasteel.

Voorgeschiedenis

Het kasteel van Peutie wordt voor het eerst vermeld in 1430 maar stamt waarschijnlijk af – zoals de naam 'Batenborch' suggereert – van het hoogmiddeleeuwse dorpskasteel, dat tijdens de godsdiensttroebelen nagenoeg volledig werd verwoest. In 1598 verkochten de toenmalige eigenaars, de families van Laethem en Provyns, het sterk vervallen kasteelcomplex aan Robert de Moens, heer van Zelem. In 1601 slaagde de Moens de hoge, middelbare en lagere jurisdictie te verwerven, waardoor het kasteelgoed sterk in waarde steeg. Het was echter vooral zijn echtgenote, Catharina de Baudequin, die in 1615-1616, na het overlijden van haar man, het goed een volledig nieuw uitzicht gaf, dat vandaag nog tot op zekere hoogte herkenbaar is. Het domein werd opnieuw ingedeeld door lanen en afwateringsgrachten, uitgerust met "valvekens" of vloedplanken om het waterpeil te regelen. Zij liet ook de Radevaertstraat of Ravaartstraat naar Melsbroek (op Melsbroek verlengd in de huidige Passieweg en de Pastorijstraat) rechttrekken, verbreden en met iepen en eiken beplanten.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat op de oud­ste, vrij rudimentaire afbeelding – een figuratieve kaart in 1649 (gereproduceerd in J. Verbesselt) opgemaakt door Jan de Rofroissart naar aanleiding van een beplantingsaanvraag – rond de 'hoeve van Batenborg' alle sporen van een omwalde en omgrachte motte verdwenen zijn. Batenborch wordt weergegeven als een grotendeels ommuurd complex, met de diverse bestanddelen geschikt rondom een rechthoekige binnenplaats. In de noordwestelijke hoek lag het kasteel, voorzien van een rechthoekige plattegrond en een zuidwestelijke hoektoren; de overige zijden werden voor het grootste deel ingenomen door dienstgebouwen met uitzondering van de zuidzijde, die slechts uit een muur bestond. Een tuin met een padenkruis paalde aan de westflank van het complex.

Op een kaart van 1719 uit het kaartboek van de abdij van ter Kameren herneemt landmeter G. Couvreur grosso modo de door de Refroissart afgebeelde gebouwen en geeft hij heel wat details over de omgeving: de met vier bomenrijen afgezoomde Ravaartstraat naar Melsbroek, de omhaagde boomgaard tussen voormelde straat en het kasteel, het binnenplein met het padenkruis en – extra muros aan de noordzijde – een omheinde tuin met een padenkruis en loofwerkparterres. Enkele jaren voordien was Batenborch in een notariële akte omschreven als een "hoffstadt met steenen huyse, blocke, boomgaerde, weyde, motte en snockgrachte daarin liggende, groot omtrent 4 bunderen" (zie een akte van 11 mei 1711 voor notaris Van den Eede, geciteerd in A. Cosyn). De 'snoekengracht' kan alleen de Trawoolbeek of een parallelle gracht aan de zuidrand van het domein geweest zijn en met motte wordt misschien de vierkante vijver bedoeld waar de beek in uitmondde voordat ze verder naar de Zenne in Vilvoorde stroomde. Op de kaart van Couvreur is daar niets van te zien, maar op de Ferrariskaart (1771-1775) wordt de vijver afgebeeld. Het padenkruis met de broderieparterres heeft dan ook plaats gemaakt voor een meer eigentijdse, stervormige structuur en vermoedelijk heeft het kasteelcomplex zijn oorspronkelijke landbouwfunctie afgestoten naar een nieuw neerhof, een hoeve met een U-vormig grondplan aan de westrand van het domein.

De gebouwen

De lokale witte, 'Diegemse' zandsteen waaruit het kasteel was opgetrokken en de harde restauratie die het in de jaren 1970 onderging, bemoeilijken de 'lectuur' van het gebouw aanzienlijk. Het huidige kasteel is vooral het resultaat van een 18de-eeuwse verbouwing, zoals ook blijkt uit de inscriptie "ANNO 1730" op de deurimposten in het zuidwestelijke hoektorentje, maar het bevat nog tal van oude elementen. De uitspringende, zuidwestelijke hoektravee verwijst wellicht naar de voormalige hoektoren en het getraliede kruiskozijn in de vierde travee van de achtergevel is misschien zelfs nog een relict van het in de 16de eeuw verwoeste kasteel. In het begin van de jaren 1880 werd een groot gedeelte van de westelijke vleugel van het kasteelcomplex gesloopt, zodat aan die zijde alleen het huidige kasteelvolume en de hoveniers- of rentmeesterswoning bewaard bleven en het complex naar het westen werd opengelegd. De oostelijke vleugel werd gereduceerd tot het huidige bakstenen koetshuis in de zuidoostelijke hoek en een bakstenen schuurtje in de noordoostelijke hoek, beide door een muur verbonden. Het toen ontstane kasteelvolume bleef tot ver in de 20ste eeuw behouden en de lage aanbouwsels zijn van relatief recente datum.

Het kasteel – nu ingericht als kantoor- en vergader­ ruimte – heeft een min of meer L-vormige platte­grond, twee bouwlagen en een leien mansardedak met dakvensters in het ondervlak. De halfronde ingangspartij in de oksel van beide vleugels is vermoedelijk het resultaat van een 19de-eeuwse verbouwing (zie gevelsteen met opschrift "1869" boven de hoofdingang). De voormalige rent­ meesters- of (volgens een bron uit 1762) hoveniers­ woning ten zuiden van het kasteel werd gedeeltelijk heropgebouwd en gerenoveerd in de jaren 1970, maar de voorgevel met afgewolfd pannendak, houten windborden en vakwerk is het resultaat van de bouwcampagne van 1880 en verwijst naar de cottagestijl die toen aan zijn opmars was begonnen. In de achtergevel en in de zandstenen onderbouw met een rondboogdeurtje en kruiskozijnen zitten ongetwijfeld nog oude elementen. Het bakstenen koetshuis met drie segmentboogpoorten is eveneens een aanpassing uit de jaren 1880 van een bestaande structuur. Het binnenplein (zie 1649) werd, zoals gezegd, alleen langs de westzijde opengelegd en bleef langs drie zijden ommuurd. De thans gebrui­kelijke ingang aan de oostkant wordt gevormd door een eenvoudig spijlenhekje tussen bakstenen pijlers, maar de ceremoniële toegang, die het kasteel rechtstreeks met de dorpskern verbindt, lag in het westelijke uiteinde van het landgoed. Deze toegang bestaat uit een lindedreef – gemengd zomer- en zilverlinden (Tilia platyphyllos, T. tomentosa) – en een smeedijzeren hek tussen classi­cistische, natuurstenen pijlers met bekronende siervazen, eikels voor de lagere, secundaire pijlers; in de sokkel van de linkerpijler is aan de binnenzijde een verweerde steen verwerkt met vermelding "I.A. DE BAUDEQUIN DE PEUTHY ANNO D 1809", verwijzend naar de aanleg van deze toegang met aansluitende dreef. Soortgelijke, maar iets minder monumentale toegangen (met bolbekroningen in plaats van vazen) zijn ook te vinden in de zandstenen omheiningsmuur aan de noordzijde en in het hekwerk op lage muurtjes dat het binnenplein aan de zuidzijde afsluit.

Onvoltooid

Een 'plan géométrique' van de gemeente Peutie van 30 vendémiaire van het jaar 13 (1804), bedoeld als aanloop tot de eerste kadasterkaart, toont het domein Batenborch in al zijn landelijke eenvoud: het kasteel met aanhorigheden, het 18de-eeuwse neerhof en de vierkante vijver, omgeven met bos (zuidzijde), boomgaarden en landbouwgronden. De daaropvolgende kaart, een ontwerpversie van de Primitieve kadasterkaart opgemaakt door J.P. Bastendorff in 1812, is ongetwijfeld de neerslag van werken in uitvoering, die om een of andere reden niet werden voltooid. In 1808 liet baron Ides­bald de Baudequin de Peuthy (1744-1830) een 14 m brede en bijna 500 m lange dreef naar het zuiden aanleggen, nagenoeg evenwijdig met de Ravaartstraat, doorheen het bosgebied langs de Trawoolbeek en langs de westrand van het Floordambos (Melsbroek). De vermelde westelijke dreef met het monumentale toegangshek naar het dorp werd iets later aangelegd, want op de kaart van 1812 wordt hij nog met potloodlijnen weergegeven. Beide dreven liepen samen in een kleine rotonde voor het hek aan de zuidrand van het binnenplein.

Naast deze classicistisch-strakke elementen, die veeleer in de 18de eeuw thuishoren, verschijnt er ook iets wat naar de nieuwerwetse 'jardin anglais' zweemt: een gracht evenwijdig met de Trawoolbeek wordt verbreed, uitgediept en opgestuwd met als resultaat: een 200 m lange tot 30 m brede, serpentineachtige waterpartij met onregelmatig golvende oevers, die tenslotte aansluit bij de vierkante vijver aan de westrand van het domein. Het uitgraven en opstuwen van onooglijke beekjes was sinds de doorbraak van de landschappelijke, 'Engelse' tuin aan het einde van de 18de eeuw de gebruikelijke manier om een romantisch 'rivierlandschap' te creëren. Op de kadasterkaart van 1812 heeft de vierkante vijver, waar de 'rivier' in uitmondt, nog zijn strakke contouren behouden, terwijl men zou verwachten dat de kronkelende oeverlijnen ook tot dat gedeelte doorgetrokken zouden worden.

De uiteindelijke versie van de Primitieve kadasterkaart door J. Henry, circa 1820, toont echter geen verschil met de acht jaar oudere ontwerpversie. Het is duidelijk dat de intentie van Idesbald de Baudequin om een landschappelijk park aan te leggen om een of andere reden werd gedwarsboomd bijvoorbeeld door een weifelachtig karakter of misschien door familiale omstandigheden, want op 12 september 1808 overleed zijn echtgenote Gabrielle de Croix de Dadizeele. Volgens de Primitieve kadastrale legger besloeg de 'vijver van vermaek' (serpentine én vierkant) 1 hectare 33 are en werd hij geflankeerd door een bijna even grote boomgaard (perceel nr. 173) en een driehoekig perceel lusthof (nr. 177) aan de noordzijde, en een strook lustgrond (nr. 176) aan de zuidzijde. Een bosperceel van 4,5 hectare (nr. 183) lag aan de overzijde van de Trawoolbeek. Ten westen van het kasteel lag een tweede 'hof van vermaek' van 1 hectare 38 are. Behalve dat de omgeving van het kasteel met mooie bomen was beplant, kunnen we alleen maar gissen naar het uitzicht van deze 'vermaek'-percelen. Uit de aanwezigheid van een kweekvijvertje (nr. 174) kan echter worden afgeleid dat utilitaire aspecten zeker een rol speelden. Het domeingedeelte ten oosten van de zuidwaartse dreef bestond uit bos en landbouwgrond.

Na Idesbalds dood in 1830 vestigde zijn zoon Théodore zich in het familiegoed te Huldenberg; Batenborch werd verhuurd, onder andere aan de vermaarde chirurg-orthopedist Louis Seutin (1793-1862), en in 1888-1890 uiteindelijk verkocht. Diverse eigenaars volgden elkaar op, tot het in 1974 in handen kwam van een Amerikaanse firma, die er haar hoofdzetel oprichtte en het complex grondig renoveerde zonder veel aan het uitzicht te veranderen. De serpentinevijver was in 1863 uit het kadastrale beeld verdwenen en komt op de stafkaart van 1864 niet meer voor – wellicht verland – en na de verkoop in 1888 werd ook de vierkante vijver gedempt. Door de aanleg van de autosnelweg Brussel-Antwerpen (E-19) in 1975 verdween de zuidoostelijke uitloper van het domein onder de opgehoogde zate en veranderde de tot dan toe landelijke omgeving drastisch van karakter en uitzicht. De huidige eigenaars, de firma 'Batenborch International', liet recentelijk een nieuwe vijver aanleggen, ongeveer op de plaats van de oude, en de onmiddellijke omgeving van het kasteel werd op een smaakvolle manier opnieuw aangekleed. Het voormalige binnenplein – volgens oude ansichtkaarten en de stafkaart van 1932 een klassiek ereplein met een 'verkeersrotonde', rozenperken en bloemperken – werd een door bomen overschaduwde grasvlakte, naadloos overlopend in de ruimte ten westen van het kasteel. Ten noorden van het kasteel, waar Couvreur in 1716 'parterres de broderies' had opgetekend, verscheen een waterbekken met een spuitfontein, omgeven met architectonische snoeivormen. De stamvoeten van de zomerlinden (Tilia platyphyllos) langs het gekasseide laantje tussen de Vijfhoekstraat en het kasteel en de bomen op het voormalige binnenplein kregen manshoge 'sokken' van klimop (Hedera helix), die ook de zijbermen bedekt. Ondanks de lange geschiedenis komen op Batenborch, op één gehavende bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') na, geen bomen voor die ouder zijn dan de Eerste Wereldoorlog. De oudste nog aanwezige generatie – bruine beuken, zomerlinden, zilverlinden (Tilia tomentosa), gewone esdoorns (Acer pseudoplatanus), witte en rode paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum, x carnea) – dateren uit het interbellum.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Peutie, art. 20 nrs. 14-41 en art. 313 nrs. 95-112.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Peutie 1884 nr. 6 en 1977 nr. 8.
  • COSYN A., Au beau pays de Rubens et de Teniers, IV,- Peuthy, p. 49-54 in Bulletin officiel du Touring-Club de Belgique 29(3), 1928.
  • KENNES H. & STEYAERT R., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Vilvoorde, deelgemeente Peutie, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 289-293.
  • LAUWERS J., Peutie en zijn voormalig begijnhof van Steenvoort, Peutie, Gemeentebestuur, 1976, p. 71.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XI), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheid­kundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 104-105, p. 112.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII, heruitgave van de editie van 1855, Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 37.

Bron     : DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Kennes, Hilde, Wijnant, Jo
Datum  : 2009


Relaties

  • Omvat
    Kasteel Batenborch

  • Omvat
    Sint-Jozefskapel

  • Is deel van
    Peutie

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Park van het Kasteel Batenborch [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134133 (Geraadpleegd op 08-08-2020)