erfgoedobject

Domein Drie Fonteinen

landschappelijk element
ID
134143
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134143

Juridische gevolgen

  • omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Domein Drie Fonteinen
    Deze vaststelling is geldig sinds

  • is deel van de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Domein Drie Fonteinen
    Deze bescherming is geldig sinds

Beschrijving

Sinds 1956 stedelijk park, circa 200 hectare, ontstaan uit de samensmelting van drie landgoederen, waaronder één van de oudste landschappelijke, 'Engelse' parken van België (10 hectare), aangelegd rond 1780 door de bankier J.-J. Walckiers de Gammerages, ommuurd maar met boeiende vergezichten, met een artificiële bruggrot, een serpentine­vijver ('rivier') met eiland, boogbruggen en aanlegsteigers, siertempels en andere follies; bouw in 1876 van een eclectische villa ('Château de L'Ecluse') ten noorden van het Walckiersgoed, met park (5,2 hectare) in late landschappelijke stijl; samensmelting van de twee domeinen en het landgoed Fontigny in de jaren 1890, mogelijk naar ontwerp van Eduard Keilig, en bouw van een eclectisch kasteel (gebombardeerd in 1944) en een monumentaal neoclassicistisch koetshuis, aanleg van een formele 'Franse' tuin (vernieuwd in 2006-2007); zuidelijk gedeelte verminkt door de bouw van het viaduct van de Brusselse ring in 1976.

Het landgoed 'Drie Fonteinen' wordt beschouwd als één van de oudste landschappelijke, op naturalistische leest geschoeide, 'Engelse' tuinen van België. De eerste landschappelijke tuin in België zou al rond 1765 in Schaarbeek zijn aangelegd door Adrien-Ange Walckiers de Tronchiennes (op de Ferrariskaart van 1771-1775 wordt dit buitengoed op de grens met Evere echter weergegeven met een strak geometrische tuin). Maar ook vroeger werden al tuinen ontworpen met onregelmatige of 'verwilderde' compartimenten, eerder bedoeld als contrast – symbool voor chaos – binnen een formele, barokke of rococoaanleg, niet zozeer als natuurnabootsing of -verrijking. Later werden deze 'chaotische' compartimenten vaak met de term 'jardin anglais' bedacht. Het ging om vrij klein­schalige, gesloten, welomlijnde tuincompartimenten met een woelige topografie en een overdaad van artefacten en 'fabriekjes'. De echte doorbraak van de Engelse tuin dateert van 1771, toen de hertog van Arenberg het oostelijke gedeelte van zijn domein te Heverlee liet omvormen in 'Engelse' stijl. In 1773-1775 volgden delen van landgoederen in Brugelette, Baudour en Beloeil, in 1778 Heks en Drie Fonteinen te Vilvoorde. Het park van Wespelaar (1797) is de laatste belangrijke landschappelijke creatie van de 18de eeuw.

Het sas van Ransbeek en de fonteinen

Het uitzicht van de Zennevallei ten noorden van Brussel werd grondig gewijzigd door de aanleg van de vaart Brussel-Willebroek in 1560-1561. Ter hoogte van Vilvoorde, in het verdwenen gehucht Ransbeek, werd een eerste sluis gebouwd, die aanvankelijk het sas van Ransbeek werd genoemd en die na de plaatsing van een monumentale fontein (een Dorische zuil met erbovenop een beeld van Sint-Michiel, de patroon van Brussel) met vier spuitkoppen de naam Drie Fonteinen zou krijgen. De oudste afbeelding van het sas is een ets van 1659 in de 'Chorographia sacra Brabantiae' van Sanderus.

In de loop van de 18de eeuw werd de vaart tussen Brussel en Vilvoorde – op de linkeroever gedubbeld door de steenweg Brussel-Mechelen – een attractiepool voor de betere standen, niet alleen voor excursies (dankzij een groeiend aantal afspanningen en herbergen), maar ook voor buitenverblijven. Eenmaal ten noorden van Vilvoorde begint de zoge­naamde Vlaamse Vallei, een vlak, minder aantrekkelijk landschap. Bij Nederheembeek lagen de landgoederen Meudon en Crayenhof en de herberg met lusttuin Marly. Op Vilvoords grondgebied, bij het sas van Drie Fonteinen, ontstond een gehucht dat verschillende herbergen omvatte, onder meer 'De Wilde Man' en 'Het Vliegend Hert'.

Dichter bij Brussel lag het vermelde buitengoed van Walckiers de Tronchiennes, naast het aan het einde van de 17de eeuw aangelegde 'Mon Plaisir' van baron Pierre-Ferdinand Roose. Tussen Laken en Overheembeek werd vanaf 1781 voor de gouverneurs-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden, aartshertogin Maria-Christina en hertog Albert, het landgoed Schonenberg aangelegd, de eerste grootschalige landschapstuin van de zuidelijke Nederlanden, nu deel van het koninklijke domein.

Omstreeks 1760 was Jean-Joseph Walckiers de Gammerages (1740-na 1810), neef van voornoemde Walckiers, begonnen met grote stukken landbouwgrond op te kopen op de valleiflank ten westen van het sas van Drie Fonteinen, het Hoogveld (afgebeeld op een figuratieve kaart van de T'hiende van t' Hooght velt in het kaartboek van de abdij van Ter Kameren). Rond 1775 vormde zijn eigendom een min of meer aaneengesloten geheel van circa 25 hectare, waarop hij zijn buitengoed kon uitbouwen. Walckiers had van zijn vader de heerlijkheid Galmaarden ('Gammerages') geërfd, leidde gedurende korte tijd de bank de Nettine, de eerste echte bank van de Oostenrijkse Nederlanden, financierde allerlei projecten en ondernemingen en was ook een gewiekste grondspeculant. Hij was ook een vennoot van de avonturier Frederik Romberg (1729-1819), die actief was als reder en in de handel op Afrika en Amerika, slavenhandel inbegrepen (over de Vonckistische sympathieën en de betrokkenheid van de familie in de Banque de Nettine en de slavenhandel, zie de nota van S. Tassier in deel 27 van de Biographie nationale). In 1784 was Walckiers eigenaar van het kasteeldomein van Wespelaar, dat hij in 1789 hypothekeerde en in 1796 doorverkocht aan de Leuvense brouwer Leonard Artois. Het partnerschap met Romberg had hem grotendeels geruï­neerd en de afschaffing van de heerlijke rechten in 1795 was de druppel die de emmer deed overlopen. In 1799 verkocht hij al zijn bezittingen en vertrok met de noorderzon richting Frankrijk. In 1810 verbleef hij in uiterst precaire omstandigheden te Cussets in het departement Allier (Auvergne). Zijn sterfdatum is niet bekend.

De Engelse tuin

De door hem rond 1778 aangelegde 'Engelse' tuin, circa 10 hectare groot, wordt voor het eerst uitdrukkelijk én in positieve zin vermeld in 1786 in Charles-Joseph de Lignes 'Coup d'oeil sur Beloeil', en het jaar daarop in de derde uitgave van baron de Poederlés 'Manuel de l'arboriste et du forestier belgiques'. Uit beide passages kan worden opgemaakt dat de tuin nog niet voltooid was. Walckiers' tuin worden vervolgens vermeld als "superbes jardins à l'anglaise" in een geografisch naslagwerkje uit het jaar VII, 1799 of 1800, en wordt voor het eerst afgebeeld op de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs' – een gegraveerde kaart op ongeveer 1/34.000, gepubliceerd in 1810 door voormalig artilleriekapitein Guillaume De Wautier – "belle campagne bâtie par Mr. De Gamarache" volgens de bijbehorende toelichting . In een manuscriptversie op schaal circa 1/5.000, die vermoedelijk gelijktijdig met de gegraveerde kaart werd opgemaakt (daarvoor pleit de aanduiding "à Mr Stevens", want Pierre-François Stevens verkocht het landgoed in 1810 aan Louis Wellens) of misschien als uitgangspunt ervoor heeft gediend , maar voor sommige gedeelten tot 1821 werd bijgewerkt, wordt deze tuin gedetailleerd weergegeven. Een langgerekte vijver vertrekt als een smalle geul aan de noordrand van de lusttuin, omspoelt geleidelijk verbredend een eilandje, versmalt opnieuw tot een slingerend kanaaltje dat ondergronds verdwijnt en terug opduikt aan de overzijde van de laan, die de zuidelijke grens van de tuin vormt. Het landhuis of kasteel, een bijna vierkant blok (aangeduid met een vlaggetje dat verwijst naar de toelichting), ligt aan de noordwestelijke rand van de tuin, op het snijpunt van verschillende lijnen, en heeft waar­schijnlijk als referentiepunt gediend bij het karteren. Deze lijnen vallen ook min of meer samen met enkele belangrijke zichtassen. De dienstgebouwen bevinden zich ten noorden van het kasteel. Zoals blijkt uit een eerste proeve van kadasterkaart door landmeter Gilles-Joseph Royer, gedateerd 1813, wordt de afstand tussen kasteel en dienstgebouwen – nauwelijks 20 m – op de kaart van De Wautier duidelijk overdreven.

De steilrand die de westflank van de Zennevallei vormt (op een afstand van 300 m tot 35 m hoogteverschil) en de daar aanwezige bronnen werden handig benut bij de aanleg. De vijver werd uitgegraven langs hoogtelijn 25 en met de uitgegraven specie werd het reliëf geaccentueerd. Op een litho van A. Boëns van 1823 wordt het kasteel getoond vanuit het oosten, mogelijk vanaf de houten uitkijktoren bij de weg langs de vaart, die door De Wautier wordt afgebeeld. Deze litho toont een naar het kanaal afhellende grasvlakte, omkaderd door bomen. Rechts in beeld en half verscholen tussen de bomen: het kasteel, sober (de vergelijking met het 'Petit Trianon' is met de haren getrokken), met als enige versiering de balustrade waarachter de dakconstructie schuilging, boven de witgepleisterde gevel. Naar verluidt konden de bewoners vanuit de salon niet alleen Vilvoorde en de omringende dorpen bewonderen, maar ook de skyline van Brussel en de Sint-Romboutstoren van Mechelen. Centraal op de litho: het bosmassief, duidelijk te situeren op de kaart van De Wautier, gevarieerd qua samenstelling en textuur, vooral bladverliezende soorten, met enkele kleinere, zuilvormige bomen op de voorgrond – misschien Ierse taxus (Taxus baccata 'Fastigiata') of zuilvormige cipresachtigen (Chamaecyparis of Juniperus). Links in beeld: het beboste eilandje met vooral naaldbomen die sterk aan lorken doen denken. Een hoge, rustieke boogbrug, die ook door De Wautier wordt afgebeeld, verbindt het eiland met het vasteland. Een tweede, kleinere boogbrug, niet afgebeeld op de litho, die de versmallende geul stroomafwaarts van het eilandje overspande, verdween bij de bouw van het viaduct in 1975.

De zwanen, de wollige lucht, het roeibootje, de vrouw met de parasol en de man met de hond vervolledigen de idylle, maar de rotspartij (uiteraard nep, van plaatselijke zandsteenknollen) die de naar de brug toe oplopende oever van het 'vasteland' vormt, zorgt voor een dramatische toets. Het spectaculairste onderdeel van de Engelse tuin van Walckiers bevindt zich rechts, buiten beeld: een galerijbrug met twee dekken over de noordelijke uitloper van de vijver, een cyclopisch metselwerk van ruwe zandsteenknollen die een onregelmatige bogengaanderij vormen. Na de 25 m hoge 'rots' bij het kasteel van Attre (Brugelette, provincie Henegouwen) en het grottencomplex in het Boekenbergpark te Deurne, is dit één van de opmerkelijkste artificiële grotten en tuinfollies van België. Het interieur van de Vilvoordse bruggrot – met nissen en consoles – laat vermoeden dat er ooit beelden in stonden, zoals in de grot van het park van Wespelaar. De grot, sinds de renaissance niet meer weg te denken uit parken en tuinen, was sinds Edmund Burke als drager van het 'sublieme' – ontzagwekkende oord van duisternis en contemplatie, met symboliek geladen, stimulus voor de verbeelding… – een bijna onmisbaar onderdeel in de Engelse tuinen en landschappelijke parken, en dit tot in de 20ste eeuw. De bruggrot van Vilvoorde – vooral de constructie van het gewelf, doet onwillekeurig denken aan de grot in Wespelaar, in 1796 door architect Ghislain-Joseph Henry ontworpen. Gezien de kortstondige 'personele unie' tussen beide domeinen is het niet uitgesloten dat de Vilvoordse grot een vingeroefening was van dezelfde architect. In de akte naar aanleiding van de verkoop van het goed door Stevens aan Wellens in 1810 worden trouwens ook beelden van Gilles-Lambert Godecharle vermeld, die tussen 1791 en 1822 ook voor het park van Wespelaar beeldhouwde. De plek waar de versmallende vijver eindigt, ligt momenteel aan de andere zijde van het viaduct en wordt gemaskeerd door een tweede, veel kleinere grotconstructie met een aanlegsteiger. De lusttuin was grotendeels ommuurd (de rode lijn op de kaart van De Wautier). Twee paviljoenen leunden aan tegen deze omheiningsmuur, onder meer in de zuidoostelijke hoek. De oprijlaan vertrok aan de Vaartdijk, niet ver van het sas, slingerde naar de vijver toe over het bovenste dek van de brugkrocht en mondde uit tussen het kasteel en de dienstgebouwen, waar zich vermoedelijk zoiets als een ere-erf bevond. Vanuit een soort van lunette, een halfronde instulping in de omheiningsmuur nabij de zuidwestelijke hoek, vertrok een tweede, rechte, met bomen afgezoomde laan. De beslotenheid van het geheel, die (ondanks de doorkijkjes) nog versterkt wordt door de omheiningsmuur, het bewogen reliëf, de kronkelende paden, en de ligging van het huis aan de rand van, of in feite naast de lusttuin, dit alles beantwoordt aan het vroege, continentale type van 'jardin anglais', dat overigens bij echte Engelsen (of Schotten) op weinig enthousiasme kon rekenen.

In de Primitieve kadastrale legger wordt de samenstelling van het landgoed rond 1831 weergegeven: naast het huis, de stallingen en de lustgrond (perceel nr. 351; 9 hectare) omvatte het nog een moestuin (nr. 347; bijna 23 are), een kleine boomkwekerij vlakbij de ingang aan de vaart (nr. 353; 11,5 are) en twee percelen 'hof ' (nrs. 346 en 352). Deze twee percelen komen niet voor op de vermelde prekadastrale kaart uit 1813; ze hebben zeer onregelmatige contouren en schijnen de lusthof te omkaderen. Op de manuscriptkaart van De Wautier en op een figuratieve kaart van 1837, die hoort bij de verkoopakte van alle goederen van De Wellens, worden die stroken, verborgen achter opgaande beplanting, inderdaad als moestuin voorgesteld. De uitkijktoren bij het kanaal is in 1837 verdwenen, maar een kleine rotonde geeft de plek aan waar hij gestaan heeft.

Fontigny en de ijskelders

Het buitenverblijf van Walckiers werd aan de noordzijde begrensd door dat van graaf Patrice-François de Nény, een belangrijke figuur onder het Oostenrijkse bewind, onder meer voorzitter van de Geheime Raad. Van Walckiers had hij in 1777 de herberg 'Het Vliegend Hert' gekocht. Hij liet ze afbreken en vervangen door een buitenhuis dat hij 'Fontigny' noemde. Het lag tegen de steenweg en de vaart aan, vlakbij het sas. De tuin, circa drie hectare groot, besloeg de helling achter het huis, omvatte ook paardenstallen, een siertempeltje, waterpartijen, een 'ermitage' en een ijskelder – een configuratie die wijst op het bestaan van een landschappelijke tuin. Op de manuscriptkaart van De Wautier wordt dit goed, eveneens ommuurd, aangeduid onder de naam van de toenmalige eigenaar, een zekere De Beaufort. De in bedden verdeelde moestuin in de zuidwesthoek wordt duidelijk weergegeven, vage kronkelende lijntjes suggereren een aanleg "à l'anglaise" en het figuurtje tegen de westelijke muur aan stelt misschien een 'Chinees' tempeltje voor – een pagodedakje met opgekrulde hoeken.

De indruk van Fontigny als een 'jardin anglais' wordt nog versterkt door de aankondiging van een openbare verkoop van sierbomen en -struiken in 1784 op het domein ("de quelques arbustes et arbres de décoration qu'on vendra publiquement à la campagne de feu le comte de Nény à Trois Fontaines"). Nény, die al in 1784 overleed, moet nauwelijks de tijd gehad hebben om zijn plantgoed te poten en wellicht stond nog een groot gedeelte in potten of manden, zodat de verkoop geen probleem was. Alleen de aantallen voor een landgoed van nauwelijks drie hectare wekken verbazing. De lijst van te koop gestelde planten omvat enkele oranjerieplanten als olijf, laurier, granaatappel, oleander, sinaasappel en citroenboom, maar bestaat voor de rest uit een bont gezelschap van bomen en struiken, die in een traditionele formele tuin geen plaats zouden vinden. Het gaat soms om mediterrane soorten als Europese judasboom (Cercis siliquastrum), netelboom (Celtis australis), kurkeik (Quercus suber), Portugese laurierkers (Prunus lusitanica) en aardbeiboom (Arbutus unedo), maar overwegend om Amerikaanse en Oost-Aziatische soorten, bijvoorbeeld ginkgo (Ginkgo biloba), Amerikaanse amberboom (Liqui­dambar styraciflua), magnolia- (Magnolia tripe­tala, M. grandiflora) en esdoornsoorten (Acer rubrum, A. saccharum, A. negundo), zwarte wal­noot (Juglans nigra), Amerikaanse gleditsia (Gleditsia triacanthos), Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), niet nader gespecificeerde Catalpa's en rododendrons... Naaldhoutsoorten (Pinus, Juniperus, Thuja orientalis, Cedrus libani) nemen een meer bescheiden plaats in. Een bonte verzameling, letterlijk, want in het oog springend zijn de talrijke variëteiten met rood of bruin gekleurde of gepanacheerde bladeren, onder meer bontbladige cultivars van tamme kastanje (Castanea sativa 'Variegata') en Noorse esdoorn – mogelijk Acer pseudoplatanus 'Albovariegatum', maar die duikt volgens Krüssman pas in 1822 op –, geel gevlekte klimop (Hedera helix 'Aureovariegata'), hulst met wit- of geelgerande bladeren (Ilex aquifolium 'Albomarginata' of 'Aureomarginata'), buxus met gevlamd blad (Buxus sempervirens 'Aureo-' of 'Argenteomarginata'). Zeven bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') kondigen de opmars aan die deze cultivar tijdens de eerste helft van de 19de eeuw dankzij de veralgemening van de landschappelijke stijl te beurt zal vallen. De plantencollectie van graaf de Nény omvatte ook echte zeldzaamheden zoals Cyprische aardbeiboom (Arbutus andrachne) en de wintergroene eik Quercus x hispanica 'Lucombeana'.

Schilderachtige tempeltjes en andere 'fabriekjes' vormen vaak de bovenbouw van meer prozaïsche installaties als ijs-, groente- of fruitkelders, zoals in Wespelaar. Misschien ook hier, want ongeveer op diezelfde plaats, niet ver van de verkaveling Lenterik en binnen het voormalige domein Fontigny, bevindt zich een met aarde overdekt gewelf, dat door iedereen beschouwd wordt als een ijskelder, maar dat gezien het cyclopische metselwerk van ruwe zandsteenblokken totaal atypisch is voor ijskelders. Achter dit parement van ruwe zandstenen zit echter glad baksteenmetselwerk verborgen; het is dus mogelijk dat het gaat om een ijskelder die later tot een pittoreske grot werd heraangekleed. Een duidelijk herkenbare ijskelder komt echter voor in de zuidrand van het domein Walckiers (momenteel bijna onder het viaduct van de Ring): gladde baksteen, sporen van een trechtervormig sas met twee nissen, en een bewaarruimte in de vorm van een ei (4,5 m horizontale diameter) op zijn dunne kant. Een derde ijskelder (momenteel dichtgemaakt) ligt verborgen in de noordoostelijke hoek van het domein Walckiers, tussen de brugkrocht en de verkaveling Lenterik. Op die plek beeldt De Wautier een heuveltje af, een afgeknotte kegel bekroond met een gebouwtje. Dit 'fabriekje', een tempeltje of een tempelruïne, misschien wel een tholos (een koepeltje op zuilen) zoals in Wespelaar, wordt expliciet (met vierkant grondplan) weergegeven op de kaart van 1837. Een gecanneleerde zuilstomp, het enige fragment dat bewaard bleef, staat momenteel aan de rand van de vijver.

De burgemeesters

Na de aftocht van Walckiers kwam het landgoed Drie Fonteinen in handen van Pierre-François Stevens, een 'nouveau riche' die zijn rijkdom te danken had aan malafide transacties met de Franse legers. Voor zover kan worden nagegaan heeft hij geen gronden of gebouwen toegevoegd. Hij verkocht het landgoed in 1810 aan Louis Wellens, vanaf 1817 baron de Wellens van ten Meulenberg, burgemeester van Brussel van 1821 tot in 1830, toen hij als orangist tot aftreden werd gedwongen. Zijn zoon werd in 1825 burgemeester van Vilvoorde, maar verdween van het toneel in eigenaardige omstandigheden. Mede door het faillissement van zijn zoon moest Stevens het domein en de inboedel openbaar verkopen. Voor Wellens was Drie Fonteinen een buitenverblijf. Hij kocht talrijke percelen bij; in 1837 was zijn bezit al opgelopen tot 38 hectare. In de jaren 1820 liet hij naast het kasteel een langgerekt gebouw (perceel nr. 348) optrekken, zijn 'cabinet d'histoire naturelle', waarin hij zijn collectie naturaliën (opgezette vogels, mineralen...) onderbracht. Later deed dit gebouw dienst als oranjerie; het werd afgebroken rond 1890. Zoals blijkt uit de hogergenoemde kaart van 1837 bleef de door Walckiers bedachte lay-out onaangeroerd op één punt na: de oostelijke arm van de vijver is verdwenen, enkel die met de boogbrug bestaat nog. Er is dus geen eiland meer.

Advocaat Guillaume Van Volxem, kortstondig burgemeester van Brussel en in 1841-1842 ook minister van Justitie, was de volgende eigenaar. Ook hij bracht weinig veranderingen aan, zoals blijkt uit de stafkaarten van 1867 en 1877. Bij zijn overlijden in 1868 erfde zijn tweede echtgenote het domein; zij liet in de moestuin achter het kasteel een serrecomplex bouwen, maar voor de rest bleef alles bij het oude. In 1892 ging het goed over op hun dochter Jeanne-Félicité, die gehuwd was met Alfred Orban, neef van Hubert Frère-Orban (1812-1896), liberaal boegbeeld en tweemaal eerste minister. Dit was het startpunt van een reeks ingrijpende veranderingen, waarbij ook andere eigendommen werden betrokken, in de eerste plaats het château de l'Ecluse.

Château de l'Ecluse

In 1876 liet Edmond Hanssens, de toenmalige burgemeester van Vilvoorde, een buitenverblijf bouwen op de hoogte ten noorden van het sas. Deze villa – een statig, witgepleisterd, eclectisch gebouw met een hoog mansardedak en oeils de boeuf – noemde hij 'Château de l'Ecluse'. Ze stond aan de westrand, op het hoogste punt van het eigendom. Het kluwen van lussen van het landschappelijke park dat zich op de helling tussen de villa en de steenweg uitstrekte, circa 5,2 hectare, verschijnt op de stafkaart van 1891 en staat in schril contrast met de veeleer sobere, radiale structuur van de 'jardin anglais' van Walckiers die op dezelfde kaart nog vrijwel ongeschonden wordt afgebeeld. De aanleg bij de villa van Hanssens is representatief voor de 19de-eeuwse landschappelijke stijl in zijn laatste, verstarde fase: brede grintpaden die weidse lussen beschrijven, scherp afgelijnde gazons in ovalen of ellipsen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zal Louis Van der Swaelmen jr. heftig uitvaren tegen dit soort van ontwerpen, "het bij uitstek karakteristieke type van den leelijken vermicelli-stijl", "den faillieten boedel van den Romantischen Tuin". Als afschuwwekkend voorbeeld toont hij de Vossemvijver in het Park van Tervuren, aangelegd door Eduard Keilig.

De huidige vijver (met eilandje) in de laagte aan de oostrand van het gemeentelijke domein, nabij de 'Parktennisclub', maakte deel uit van het park van Hanssens. In dit park werd ook een openbare weg, de Surweg, opgenomen. Dergelijke privatisering is geen alleenstaand geval, veeleer een bescheiden voorbeeld van 'zelfbediening' in vergelijking met wat zich tezelfdertijd onder meer in Huizingen afspeelde. Daar werd voor de aanleg van een privépark niet alleen een openbare weg ingelijfd maar zelfs een heel gehucht afgebroken.

De eenmaking

Alfred Orban slaagde erin om 'Fontigny', het 'Château de l'Ecluse' en het goed van Walckiers tot één groot eigendom te verenigen en zijn Vilvoordse eigendommen tot meer dan 200 hectare uit te breiden. Bijna de gehele ruimte tussen de vaart, de Blaesenbergweg-Koningslosesteenweg en de Antoon Van Osslaan (te Nederoverheembeek) werd tot één landschappelijk gestructureerde entiteit van circa 90 hectare samengesmolten. Op de stafkaarten van na de Eerste Wereldoorlog (1930 voor het noordelijke gedeelte, 1924 voor het zuiden) wordt dit in beeld gebracht. Het sobere, classicistische kasteel van Walckiers vormt min of meer het centrum van een complex systeem van lussen, waarin ook de 'vermicelli' van het Château de l'Ecluse wordt opgenomen, zij het in vereenvoudigde vorm. In een beboste laagte bij de steenweg Brussel-Mechelen, meer dan een halve kilometer van het kasteel op het grondgebied Nederoverheembeek, werd een nieuwe toegang aangelegd, vermoedelijk de meest gebruikte, want het is de kortste weg naar Brussel. De oprijlaan (op de stafkaart gedeeltelijk in het rood aangeduid) vertakte onmiddellijk in twee armen die in weidse bochten op de kasteelsite toeliepen. Een tweede toegang verscheen in het noordwesten van het domein, aan de Koningslosesteenweg. De geblokte hekpijlers en de neoclassicistische paviljoenen langs weerzijden van de ingang bleven bewaard (de paviljoenen weliswaar met ingestort dak), het hek is verdwenen. Landschappelijk gezien was deze oprit, die langs de rand van een open vallei doorheen de beboste westrand van het domein omhoog slingert, de meest boeiende.

De 'voie triomphale', de ceremoniële toegang, werd aangelegd vanuit het westen. De ruimte tussen het kasteel en de holle Blaesenbergweg werd bebost, maar in een kaarsrechte, 40 m brede doorsteek werd een dubbele oprijlaan aangelegd. De rijbanen werden gescheiden door een brede strook gazon, met kunststeen afgeboord. Langs de rijbanen stonden borstbeelden op pijlers (Romeins geklede figuren), waarvan er nog drie in de opslagruimten van de gemeentelijke plantsoendienst worden bewaard. Het spiegelboogvormige uiteinde van dit gazon is langs de kant van het kasteel nog zichtbaar. Om deze doorsteek aan te leggen werden nivelleringswerken verricht en met de weggeschraapte grond werden langs weerszijden over de gehele lengte evenwijdige wallen opgeworpen die elk met een rij bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') werden beplant – momenteel bomen met stamomtrekken tot 380 cm. De rijbanen verenigden zich bij de holle, openbare Blaesenbergweg tot één rijweg, die via een platte brug met bakstenen bruggenhoofden linea recta doorheen de akkers verder koerste, evenwijdig met de huidige Beneluxlaan, en na 1 km aanknoopt bij de Koningslosesteenweg, vlakbij het gehucht Koningslo. Ook dit gedeelte werd van decor voorzien: monumentale siervazen en twee rijen witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) in het verlengde van de beukenrijen in het domein. Bij de brug werden twee entreepaviljoentjes opgesteld, vermoedelijk van hetzelfde model als de vernoemde. Deze indrukwekkende doorsteek, tezelfdertijd oprijlaan en zichtas, bleef bewaard tot aan het VTM-complex, over een afstand van circa 800 m, maar de paviljoens zijn verdwenen.

In het stadsarchief van Brussel bevindt zich een brief van Alfred Orban gedateerd 6 november 1895 en gericht aan de burgemeester van Brussel, waarin de aanstelling wordt aanbevolen van Eduard Keiligs zoon als 'inspecteur des plantations' in opvolging van zijn overleden vader. Dit laat vermoeden dat Keilig van 1892 tot aan zijn dood in 1895 voor Orban in Drie Fonteinen heeft gewerkt en dat het bovenvermelde complexe systeem van lussen, dat het oorspronkelijke Drie Fonteinen, 'Fontigny' en het 'Château de l'Ecluse' tot één geheel verbindt, door hem is ontworpen. Het is ook mogelijk dat Keilig al voor Van Volxem werkte, of dat zelfs de 'vermicelli' rond het 'Château de l'Ecluse' van zijn hand is.

De Franse tuin

Deze zichtas-oprijlaan vormt de ruggengraat van een 'Franse' tuin, die qua oppervlakte enkel zijn meerdere heeft in Tervuren. De Franse tuin bij het Koloniënpaleis van Tervuren werd ongeveer in dezelfde periode aangelegd naar ontwerp van de Fransman Elie Lainé, die misschien ook in Vilvoorde heeft gewerkt. De door Orban geëngageerde ontwerper liet zich ongetwijfeld inspireren door de revival van de regelmatig-geometrische, op klassieke Franse voorbeelden (Vaux-le-Vicomte, Versailles…) geïnspireerde tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw. Publicaties zoals de 'Traité général de la composition des parcs et jardins', 1879, van Edouard André en het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, speelden daarbij een belangrijke rol. De 'style Duchêne' kende talrijke navolgers.

Halverwege tussen de brug en het kasteel en ten noorden van de vista-oprijlaan werd een met beelden afgezoomde rotonde aangelegd, met op- en afrit naar het meest imposante gebouw van het domein: het neoclassicistische koetshuis met bijbehorende paardenstallen en verblijven voor het dienstpersoneel. Het gebouw – baksteenmetselwerk geritmeerd door geblokte lisenen van witte natuursteen – heeft een U-vormige plattegrond. Een monumentale, arduinen rondboogpoort met een door Dorische driekwartzuilen gestut driehoekig fronton geeft toegang tot een gekasseide binnenplaats, omgeven met drie vleugels van één hoge bouwlaag met een verdieping onder de leien mansardedaken, waarin zich de verblijven voor het personeel bevonden. Alleen de middelste travee van de westelijke vleugel heeft een verdieping meer en vormt een torenachtig volume, dat het eindpunt vormt van één van de assen en dat de grote parterretuin domineert, die hierna besproken wordt. De buitengevels werden vrij eenvoudig gehouden met overwegend rechthoekige vensters en aflijnende houten kroonlijsten. De meer uitgewerkte binnengevels zijn opgevat als een pseudo-rondboogarcade met rechthoekige deuren en vensters in neoclassicistische entablementomlijstingen, bekroond met een oculus met guirlande en rondbogige waterlijst met voluutvormige sluitsteen. De binnenplaats wordt langs de oostzijde (de tuinkant) afgesloten door een gebogen muurpartij – vanuit de parterretuin gezien een nis of exedra bedoeld als achtergrond (momenteel achter een taxushaag verborgen) voor een beeld van de worstelende Herakles.

Het gros van de Franse tuin bevindt zich tussen de plaats waar zich het kasteel van Walckiers bevond - het werd in 1944 bij een bombardement vernield – en de neoclassicistische oranjerie, vandaag brasserie, volgens sommigen nog uit de tijd van Walckiers, maar op een gevelsteen komt de vermelding "Alfred Orban-Van Volxem 18 Août 1894" voor. Uit de kadastrale mutatieschetsen blijkt dat het gebouw werd opgetrokken op de funderingen van een in 1879 geregistreerde serre. Het gaat om een typische oranjerie, een eenvoudig bepleisterd en geschilderd gebouw van zeven traveeën en één bouwlaag onder gecombineerde en afgeknotte leien schilddaken, met een op het zuiden gerichte rondboogarcade met geprofileerde archivolten. Het hoofdvolume wordt geflankeerd door aanbouwsels voorzien van een serliana met Ionische zuiltjes.

De Franse parterretuin bestaat uit een rechthoek met een padenkruis en, op drie zijden, halfronde uitstulpingen. Een noord-zuidgerichte as verbond de middentravee van het kasteel met die van de oranjerie. De tweede as, loodrecht op de eerste, vertrekt van het Heraklesbeeld bij het koetshuis, daalt via twee trappenpartijen en twee kleine rotondes af naar de parterretuin en eindigt bij de keermuur met balustrade aan de oostrand ervan. Een rond, stenen waterbekken vormt het kruispunt van de twee assen. Balustrades, siervazen en beelden waren en zijn nog beeldbepalend. De grasparterres (rechthoeken met uitgespaarde zwikken) waren gestoffeerd met beelden, siervazen, in vorm gesnoeide taxus en buxus en – in de zomer – oranjerieplanten zoals in halve bol gesnoeide laurierboompjes. Het broderiewerk was herleid tot enkele eenvoudige figuren, bijvoorbeeld het klaverblad op de voorgrond van een van de oude ansichtkaarten. De patronen werden gevormd door grindstroken en linten (plate-bandes) van inlegplanten, onder meer begonia's. De Franse tuin werd geïrrigeerd via een ondergronds net van buizen.

De oorspronkelijke ambiance wordt door het huidige beheer in stand gehouden, zij het minder uitbundig dan wat foto's uit de tijd van Orban tonen. In de vier hoeken van de parterretuin staan gietijzeren, allegorische beelden met het inschrift "Fonderies d'Art du Val d'Osne / 58 Bd Voltaire Paris", een in die tijd bekende fabrikant van min of meer artistiek straat- en parkmeubilair, onder meer straatlantaarns. In de grasperken staan twee stenen beelden, een mannenfiguur met helm en zonneschild (Apollo) en een vrouwenfiguur met de hoorn des overvloeds (Fortuna), beide met signatuur "L.B. Nys 1720". De balustrades werden in 1996 nagenoeg volledig vernieuwd in kunststeen.

Het huidige neerhof in neotraditionele stijl (met onder meer kruiskozijnen en rondboogdeurtjes) vervangt de in 1894 afgebroken dienstgebouwen uit de tijd van Walckiers. Het bestaat uit meerdere constructies die U-vormig werden opgesteld rond een gekasseide binnenplaats met een oude waterpomp, een schandpaal (vermoedelijk afkomstig uit Zaventem) en een centraal gelegen jachtpaviljoen. Deze gebouwen worden thans gebruikt door de dienst groenvoorziening van de stad Vilvoorde. Rond 1900 werd het domein uitgerust met een autonome waterleiding. Ten westen van het koetshuis staat een watertoren met het jaartal 1903 in de sluitsteen van de rondboogdeur. De metalen vergaarbak van waaruit het water via ingenieuze ondergrondse leidingen verdeeld werd over de verschillende delen van het domein is verdwenen. Orban nam ook het kasteel onder handen, maar die verbouwing veranderde weinig aan het uitzicht. De ruimte achter de oranjerie (perceel nr. 335a) vormde het nutsgedeelte van het landgoed, met serres, remises, boomgaard en een grotendeels ommuurde moestuin. Deze ruimte sloot aan bij het neerhof en besloeg bijna acht hectare. De bakstenen tuinmuur bleef gedeeltelijk bewaard.

Campion en Sint-Lendrik

Van 1893 tot 1909 was Orban ook eigenaar van het door Hanssens aangelegde domein, het 'Château de l'Ecluse'. De twee parken vloeiden in elkaar over, ze vormden één padennetwerk. Het is niet duidelijk welke functie het Château de l'Ecluse in dit geheel vervulde; mogelijk werd het verhuurd. In 1909 werd het aangekocht door Daniël Campion, advocaat, gemeenteraadslid en industrieel, eigenaar van Chemins de Fer Industriels, één van de laatste privéspoorlijnen in België. Hij verrijkte het landgoed, bijna zes hectare groot, met een uit Diegem overgebrachte schandpaal en met de barokke Sint-Lendrikkapel. Deze in 1667 gebouwde kapel stond oorspronkelijk bij de Lendriksborre, op de grens met Nederoverheembeek. Campion liet ze in 1930-1934 steen voor steen afbreken en op haar huidige plaats aan de noordrand van het domein heropbouwen. De villa zelf werd rond 1960 afgebroken. Enkele puinfragmenten en een in een grote boog opgestelde rij haagbeuken (Carpinus betulus) markeren de plek waar ze gestaan heeft.

Gemeentelijk park

In 1928, na het overlijden van Alfred Orban, werd het domein Drie Fonteinen verkocht aan een zekere Perena, een Spaanse avonturier, die het doorverkocht aan de 'Société immobilière du Marly'. Deze maatschappij onderhandelde in de jaren 1950 met de stad Brussel, die het wilde kopen om er de begraafplaats van Brussel in onder te brengen. Dit kon gelukkig worden vermeden. Het kasteel van Orban werd in 1944 platgebombardeerd en de Engelse bevrijders brachten in de Franse tuin grote vernielingen aan. In 1956 kon de Stad Vilvoorde zowel het eigendom van Campion als het voormalige domein van Orban aankopen. De noordoostelijke hoek van dit gebied werd voorbestemd voor sportinfrastructuur: een stadion, voetbalpleinen en tennisvelden. Ongeveer de helft van wat ooit het landgoed van graaf de Nény was, werd rond 1975 verkaveld, het huidige Lenterik. Voor de rest bleef het domein grotendeels onaangeroerd.

Alphonse Wauters, stadsarchivaris van Brussel en historicus, deed in 1855 ook een poging om de beplantingen in het door Walckiers aangelegde park te beschrijven – een beetje bevlogen: "planté d'arbres exotiques de la plus grande beauté". De enige bomen die nog uit de vroege 19de of misschien de late 18de eeuw zouden kunnen stammen, zijn drie platanen (Platanus x hispanica) met stamomtrekken tot meer dan 6 m. Het grootste gedeelte van de sierbeplantingen, onder meer de vermelde rijen van bruine beuken langs de grote doorsteek, dateert uit de periode van Orban. Uitzonderlijk is het voorkomen van enkele oude steeliepen (Ulmus laevis), die de opeenvolgende golven van iepenziekte hebben overleefd, en oudere exemplaren van zeldzame boomsoorten als eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia'), Japanse lijsterbes (Sorbus japonica), elsbes (Sorbus torminalis) en Chinese toom (Toona sinensis).

Besluit

Het gemeentelijke domein Drie Fonteinen te Vilvoorde is ontstaan uit de vereniging van drie verschillende landgoederen. Het oudste van de drie, dat nog steeds de kern vormt van het domein, werd gecreëerd rond 1780 en behoort tot de eerste generatie Engelse parken op het Europese continent. Behalve het kasteel, dat in 1944 werd vernietigd, en ondanks de verminking naar aanleiding van de bouw in 1975 van het viaduct, deel van de Grote Ring rond Brussel, zijn de belangrijkste ingrediënten van deze vroege landschappelijke tuin nog aanwezig: de vijver en vooral de monumentale bruggrot, één van de opmerkelijkste tuinfollies van België. De rustieke boogbrug, zichtbaar op een litho uit 1823, is verdwenen, maar de bakstenen bruggenhoofden bleven bewaard. De uitbreiding van het landschappelijke park aan het einde van de 19de eeuw en, gelijktijdig, de aanleg van een grote, strak geometrische, Franse tuin, waardoor het kasteel als het ware werd ingelijst, zijn tekenend voor de gemengde stijl die de aanleg of heraanleg van grote landgoederen in die periode bepaalde. Een bezoek aan Drie Fonteinen is een must voor al wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tuinkunst… ondanks het kabaal van het voorbijrazende verkeer op het viaduct en het gekrijs van de halsbandparkieten. De renovatie van de Franse tuin in 2006-2007 zal hopelijk de aanzet zijn tot een meer globale benadering en restauratie.

Merkwaardige bomen (opname 18 juni 2002)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 8. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 343
  • 9. westerse levensboom (Thuja occidentalis), tweestammig, 180(80) en 157(80)
  • 31. gewone plataan (Platanus x hispanica) 568, bultige stam
  • 32. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 512
  • 43. hangende zilverlinde (Tilia petiolaris) 494
  • 44. Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 256
  • 46. Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) 337
  • 56. Noorse esdoorn (Acer platanoides) 363
  • 57. canadapopulier (Populus x canadensis) 403
  • 76. steeliep (Ulmus laevis) 260
  • 100. gewone plataan (Platanus x hispanica) 544, bultige stam
  • 106. moseik (Quercus cerris) 271
  • 122. eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia') 277
  • 131. Japanse lijsterbes (Sorbus japonica) 184
  • 157. gewone plataan (Platanus x hispanica) 629, uitzonderlijk dikke stamvoet
  • 176. elsbes (Sorbus torminalis) 159
  • 208. Chinese toom (Toona sinensis) 141
  • 212. Chinese toom (Toona sinensis) 159
  • Stadsarchief Brussel, Personeel, dossier Edmond Louis Keilig.
  • Stadsarchief Brussel, archives diverses nr. 69: "de quelques arbustes et arbres de décoration qu'on vendra publiquement à la campagne de feu le comte de Nény à Trois Fontaines" , Vente Nény 1784 – Laeken.
  • Algemeen Rijksarchief Brussel, Inventaris in handschrift, nr. 8676, II/18, Kaartboek van de abdij van Ter Kameren.
  • Rijksarchief Anderlecht, verkoopakte van het domein Drie Fonteinen vanWellens aan Van Volxem.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Vilvoorde, art. 647 nrs. 18-31, art. 864, art. 2250, art. 2851 nrs. 210 en 418 en art. 2851 (op naam van Alfred Abdallah Orban), na nr. 521.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Vilvoorde, art. 3842.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschetsen Vilvoorde 1894 nr. 11, 1895 nr. 11, 1896 nr. 10, 1878 nr. 6, 1879 nr. 2 en 16 en 1894 nr. 11.
  • ANDRÉ E., L'art des jardins. Traité général de la composition des parcs et jardins, Paris, G. Masson, 1879.
  • BERNARD B., Patrice-François de Nény (1716-1784). Portrait d'un homme d'État, in Études sur le XVIIIe siècle (XXI), Éditions de l'Université de Bruxelles, 1993.
  • BLAIKIE Th., Sur les terres d'un jardinier. Journal de voyages, 1775-1792, (trad. J. Barrier), Besançon, Éditions de l'Imprimeur, 1997.
  • BURKE E., A philosophical inquiry into the origin of our ideas of the Sublime and Beautiful, 1757, heruitgave: London, Routledge & Kegan, 1967.
  • CASTEELS R., 800 jaar domein de Spoelberch te Wespelaar, Haacht, HAGOK, 1997, p. 178-180.
  • CLAESSENS S., Frederik Romberg (1729-1819). Een biografische en bedrijfshistorische studie, met nadruk op de katoenmanufactuur te Brussel in de tweede helft van de achttiende eeuw, Universiteit Gent, licentiaatsthesis, 1996.
  • DE LIGNE Ch.-J., Coup d'oeil sur Beloeil et sur une grande partie des jardins de l'Europe et une grande partie des jardins de l'Europe, uitgave 1786, heruitgegeven met inleiding door E. de Ganay, Collection des chefs-d'oeuvre méconnus n° 24, Paris, Bossard, 1922, p. 151-152.
  • DENEEF R. & WIJNANT J., Beersel (Huizingen): Kasteel­ domein van Huizingen – provinciaal domein, in Monumenten & Landschappen, 22(4), 2003, p. 12-17.
  • DENEEF R., JANSSENS H., WIJNANT J. & SCHROEVEN C., De abdijtuinen van Averbode – historische continuïteit en landschappelijke franje, in Monumenten & Landschappen, 22(6), 2003, p. 37-47.
  • DE POEDERLÉ E.J., Manuel de l'arboriste et du forestier belgiques (deel II), Brussel, 1788.
  • DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe.
  • DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de 18de eeuw, Brussel, 2001, p. 6, p. 31-42 en p. 92-99.
  • DE WAUTIER G., Remarques curieuses et peu connues sur la ville de Bruxelles et sur ses environs, Bruxelles, imprimerie André Leduc, 1810, p. 69.
  • JELLICOE G. e.a., The Oxford companion to gardens, Oxford, New-York, Oxford University Press, 1986, p. 204-205.
  • KRÜSSMANN G., Handbuch der Laubgehölze (I), Berlin/Hamburg, Paul Parey, 1976, p. 99.
  • LANDAU B., La fabrication des rues de Paris au XIXe siècle, un territoire d'innovation technique et politique, in Les Annales de la Recherche urbaine.
  • LAURENT R., De goederen van de Abdij van Ter Kameren in Brabant. Kaartboek 1716-1720, Brussel, Gemeentekrediet, 1996, p. 102.
  • NAUWELAERS J., Histoire de la ville de Vilvorde, (I), Paris-Bruxelles-Courtrai, Jos. Vermaut, 1941, p. 254-256, p. 556, 557 en p. 559.
  • NEUTS M., Van geometrische strakheid naar natuurlijke expressie: de 18de-eeuwse tuinkultuur in de Zuidelijke Nederlanden meer speciaal in Midden-Brabant, licentiaatsthesis, K.U. Leuven, Wijsbegeerte en Letteren, departement Geschiedenis, 1980.
  • OUDIETTE Ch., Description géographique et topographique du département de la Dyle en forme de dictionnaire, Bruxelles, Armand Gaborria, an VII, p. 172.
  • SLEMBROUCK J. e.a., Het Boekenbergpark in Deurne (Antwerpen), in Monumenten & Landschappen, 7(1), 1988, p. 12-25.
  • TASSIER S., Biographie nationale, (XXVII), Bruxelles, E. Bruylant, 1938, p. 38-42.
  • VAN DEN BOSSCHE H., Het Boekenbergpark te Deurne, in Monumenten & Landschappen 1(6), 1981, p. 10-19.
  • VAN DER SWAELMEN L., Twee voordrachten over moderne tuinkunst. Nieuwe vooruitzichten en toekomstige richting. IIde deel: De fouten van den tegenwoordigen openbare tuin, in Architectura, 24, 1916, p. 16.
  • VANWEDDINGEN R., Domein Drie Fonteinen, eindejaarswerk, Vilvoorde, Erasmushogeschool-HORTECO, 1995-1996, p. 23.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIb, heruitgave van de editie van 1855, Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 7, p. 260.

Bron     : DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  de Harlez de Deulin, Nathalie, Deneef, Roger, Hebbelinck, Katrien, Kennes, Hilde, Stappers, Marcel, Vandeweert, Roger, Wijnant, Jo
Datum  :


Relaties

  • Omvat
    Domein Drie Fonteinen

  • Is deel van
    Koningslosteenweg


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Domein Drie Fonteinen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134143 (Geraadpleegd op )