erfgoedobject

Gooreind

landschappelijk element
ID: 135411   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135411

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als beschermd cultuurhistorisch landschap Gooreind
    Deze bescherming is geldig sinds 06-02-1995

Beschrijving

Het Gooreind, gekenmerkt door de afwisseling van parkbos met bossen met Canadapopulieren en een kleinschalig landbouwgebied, omvat enerzijds relicten van de eerste heide-ontginningen tijdens de 19de eeuw en anderzijds een parkbos aangelegd eind 19de - begin 20ste eeuw.

Fysische geografie

Topografie

Het Gooreind bevindt zich in Ten Aard, een gehucht ten noorden van Geel. Het gebied wordt begrensd door het Kempisch Kanaal (Herentals - Bocholt) in het noorden, de rijksweg N19 (Turnhout - Diest) in het oosten, de Oudetongelseweg en Toelenbos in het zuiden en de weg Gooreind in het westen.

Het Gooreind behoort tot het hydrografisch bekken van de Kleine Nete, die rechtstreeks de Zeggenloop met de Elzenloop (ten zuiden van het Gooreind) en de Ossemeersloop ontvangt. Het hydrografisch net is zeer dicht. Talrijke sloten en greppels voeren het water af naar de Kleine Nete. De brede laagvlakte van de Kleine Nete en haar bijlopen stijgt geleidelijk naar het zuiden toe. De gemiddelde hoogte van het Gooreind varieert van circa 17 meter +TAW in het westen tot circa 19,5 meter +TAW in het noordoosten.

Geologie en bodem

Het geologisch substraat wordt gevormd door bleekgroen tot bruin, fijn, licht glauconiet- en micahoudend zand met paarse kleihorizonten en onderaan kleine, zwarte silexkeitjes, behorend tot de Formatie van Kasterlee (plioceen, 5,3 tot 2,6 miljoen jaar geleden). Tijdens het pleistoceen (2,6 miljoen tot 10 000 jaar geleden) werden de oudere afzettingen bedekt met dekzand dat tot het volglaciaal (oud dekzand) of tot het laatglaciaal (jong dekzand) kan behoren.

Het gebied bevat enerzijds zangronden en anderzijds kunstmatige gronden. De zandgronden worden opgedeeld in matig natte zandgronden met duidelijke humus en/of ijzer B horizont en natte zandgronden met duidelijke humus en/of ijzer B horizont. De kunstmatige gronden zijn vergraven terreinen in het noordoosten van het gebied.

Vegetatie

Vegetatiebeschrijving is grotendeels gebaseerd op het beschermingsdossier daterend van 1995.

Het Gooreind kan in drie landschapstypen onderverdeeld worden: het parkbos, aanplanten van Canadapopulieren (Populus canadensis (x)) met moerasvegetatie langs het kanaal en het kleinschalig landbouwgebied met houtwallen en bomenrijen.

Het parkbos Willocx werd grotendeels aangelegd eind 19de eeuw - begin 20ste eeuw. Het omvat enkele symmetrisch rond het landhuis aangelegd grasperken met oudere bomen en een vijvertje. Het parkbos rondom deze kern vertoont een rijke boom- en struiklaag; de kruidlaag is eerder arm, behoudens enkele groeiplaatsen van typische bosplanten. De boom- en struiklaag wordt gedomineerd door zomereik, andere aanwezige soorten zijn Amerikaanse eik, (rode) beuk, zomerlinde, paardenkastanje, tamme kastanje, gewone esdoorn, Noorse esdoorn, Canadapopulier, Amerikaanse vogelkers en hazelaar. Plaatselijk is lork dominant.

Moerasvegetaties komen zowel langsheen het kanaal zelf als in de kruidlaag van de noordwestelijke gelegen Canadapopulieraanplanten voor. Uiterst waardevol is de vegetatie van de gronden waar het talud van de oprit van de vroegere brug over het kanaal werd afgegraven. In de boom- en struiklaag van de bossen in het noordwesten met dominantie van Canadapopulieren komen onder andere zomereik, ruwe berk, zwarte els, lijsterbes en spork voor. De vegetatie op het afgegraven talud in het noordwesten wordt bepaald door de aanwezigheid van een vochtigheids-, een voedsel- en een kalkgradiënt. Vanaf de nog opgehoogde rand van het kanaal tot aan de rand van de zuidelijker gelegen weilanden wordt de bodem vochtiger, voedselrijker en kalkarmer. Op de droge zandgronden nabij het kanaal groeien onder andere zandzegge en fijn zwenkgras. De vochtigere en voedselrijkere overgangszones en de randen van het afgegraven gebied worden onder andere gekenmerkt door de opslag van zomereik, ruwe berk en wilg. Diverse veenmos- en haarmossoorten kenmerken de afgeschaafde gedeelten met een dun, zwart sliblaagje en het plasje in het zuiden van het gebied. De moerasvegetatie langsheen de oevers omvat riet, oeverzegge, moeraszuring, gespleten hennepnetel en moerasandoorn. Op de dijk komt een ruigtevegetatie voor.

Het landbouwgebied van Gooreind vertoont een rijke afwisseling van voornamelijk weilanden met afwateringsgrachten, bomenrijen, houtwallen, dreven en enkele bospercelen. Talrijke bomenrijen van zomereik (Querus robur) bakenen de weilandpercelen af. Dit geheel wordt doorsneden door enkele dreven met zomereik of met Canadapopulieren. In de struiklaag onder de bomenrijen en dreven en in de houtwallen komen onder andere volgende houtsoorten voor: ruwe berk, spork en zwarte els. Opvallend voor de bospercelen zijn de aanplantingen van fijnspar en van lork in het zuidwesten van het gebied. De oevers van de grachten vertonen plaatselijk een interessante moerasvegetatie. De meeste wegbermen vertonen de vegetatie van droge heide en/of van de droge zandbodem. Tenslotte zijn er nog enkele vochtige, verlaten wegen met soorten van vochtige heide ten oosten van parkbos Willocx, met onder meer pijpenstrootje, tormentil en gevlekte orchis, terug te vinden.

De Biologische Waarderingskaart (versie 2, 1997-2010) vermeldt de aanwezigheid van eiken-berkenbos, gemengd loofhout, soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden, soortenarm permanent cultuurgrasland, bomenrijen met gemengd loofhout, mesotroof elzenbos met zeggen, natte ruigte met moerasspirea, populierenaanplanten, naaldhoutaanplanten, verruigd grasland met struik- of boomopslag, houtkanten met dominantie van zomereik, pioniersvegetaties en akkers op zandige bodems.

Cultuurhistorisch landschap

De naam Ten Aard verwijst volgens de literatuur naar heidegronden, moerasachtige, woeste, vage gronden van een gemeente of een grootgrondbezitter waar de lokale bevolking, mits zekere voorwaarden, vrij mocht baggeren, turf steken, vissen, hout inzamelen of vee laten grazen (ook wel “vrijgeweide” genoemd). Het Gooreind behoorde op het einde van de 18de eeuw volgens de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) tot de “Gemeinte van Geel”, de gemeenteheide die zich uitstrekte ten noorden en ten noordoosten van Geel. In dezelfde periode (1772) gaf keizerin Maria-Theresia het bevel tot de ontginning van de woeste gronden in de Oostenrijkse Nederlanden. Aanvankelijk mislukten de meeste pogingen van de landbouwers door gebrek aan materiaal en stalmest. Op de Ferrariskaart is eveneens te zien dat het Gooreind gedeeltelijk samenviel met de “Lange Reijt”, één van de drie grote visvijvers ten zuiden van “Aert”.

Rond 1777 lag de weg naar Turnhout meer oostelijk dan de latere rijksweg; hij komt ongeveer met de Heistraat (ten oosten van het Gooreind) overeen. Omstreeks 1800, onder het Franse bewind, zette het Belgische bestuur onder meer het ontginnen van de vage Kempense gronden in zijn programma. Omdat er op dat moment nog steeds onvoldoende of geen toegangswegen in dit gebied aanwezig waren, werd een besluit uitgevaardigd om een net van bevaarbare waterwegen aan te leggen die tegelijkertijd het nodige water zouden aanvoeren om nieuwe vloeiweiden of wateringen aan te leggen. Op de eerste kadasterkaart van Geel, opgemeten in 1811 en opgetekend in 1818, werd het kanaal ingekleurd tot aan de sluizen van “Ten Aert”, vanuit westelijke richting. Over dit kanaal lag een brug ter hoogte van de westelijke grens van het latere park Willocx, waar voordien een verbindingsweg liep van zuid naar noord. De “Drosschaertsche hoeve” en de “Bisschopse hoeve”, beiden ten noorden van het kanaal, wijzen op de eerste ontginning van de streek.

Ingenieur Kummer kreeg in 1838 de opdracht een kanalenplan op te maken, alsmede een algemeen bevloeiingsontwerp in het kader van de ontginning van de Kempense heidegronden. Door de wet van 10 februari 1843 kon de kanalisatie van de Kempen beginnen. Het verbindingskanaal Maas - Schelde (ten noorden van het Gooreind) werd in verschillende tijdsbestekken uitgevoerd: het eerste deel Bochelt - Lommel (Blauwe Kei) kwam tot stand in 1843-1844; het tweede deel, Lommel - Herentals, werd geopend op 21 september 1846.

Tussen 1839 en 1841 werd de baan tussen Turnhout en Diest aangelegd. Waarschijnlijk om deze reden werd één van de vijvers drooggelegd, wat meteen de andere intekening van de “Lange Reyt” op de kaart van Vandermaelen (1846-1854) verklaart.

In december 1852 kochten Koning Leopold I en baron Karel Coppens uit Gent de “Geelse Aard” samen met de andere goederen in de omgeving (het zogenaamde “Koninklijk Domein”). In het koninklijk besluit van 12 augustus 1853 werd de verkoop van 398 hectare grond vastgesteld, later aangevuld met 600 hectare. Deze gronden werden gedeeltelijk opgehoogd met aarde; beken en grachten werden gegraven. Naast de vloeiweiden werden masten en Canadapopulieren geplant. Vanaf dat moment startte de uitvoerige ontginning van de heide, onder meer door gebruik te maken van stadsvuil. Mede door de bevolkingsgroei breidde het ontginningsgebied voortdurend uit.

Eind 19de eeuw kocht L. Lekeu, advocaat te Brussel, de Drossaardshoeve met de omliggende gronden en het terrein ten zuiden van de verbindingsvaart, waar hij in 1903-1904 een alleenstaand landhuis in neotraditionele stijl liet oprichten, op het kadaster geregistreerd in 1908. Ten zuidoosten van het kasteel bevinden zich een bakhuisje en een bakstenen burgerhuis uit de tweede helft van de 19de eeuw of het eerste kwart van de 20ste eeuw. Naast de steenweg verschenen stallingen en een boswachterswoning.

Het park rond het landhuis werd aangelegd in het begin van de 20ste eeuw, waarschijnlijk gelijktijdig met of kort na de bouw van het huis. Het landhuis staat centraal in het park, rondom een organisch gevormd grasveld met twee lobben in noordwest en zuidwestelijke richting en één lob in oostelijke richting. In het noordoosten is een vijver aangelegd. Een netwerk van paden gaat rond het park en geven een afwisselend beeld door de bossen en over de grasvelden met zichten naar het landhuis. In de grasvelden staan solitaire bomen aangeplant om afwisselende zichten te creëren. De huidige parkstructuur komt nog goed overeen met het beeld van het park op de topografische kaart van 1929.

Na de dood van Lekeu werd zijn eigendom verdeeld over drie kinderen. De dochter, gehuwd met dr. Willocx, erfde de Drossaardhoeve en het park met het kasteel.

  • Onroerend Erfgoed Antwerpen, beschermingsdossier DA000852, Gooreind (L. Meesters, 1995).
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaart van België, Nationaal Geografisch Instituut, uitgave 2006, schaal 1:10.000.
  • Biologische Waarderingskaart van Vlaanderen (versie 2, 1997-2010), Geel [online] geo-vlaanderen.agiv.be/geo-vlaanderen/bwk, (geraadpleegd op 14 november 2014).
  • Tertiair-geologische kaart van Vlaanderen, Geel, Gooreind [online], , (geraadpleegd op 14 november 2014).

Bron     : -
Auteurs :  De Haan, Aukje, Meesters, Ludo, Steyaert, Rita


Relaties

  • Omvat
    Burgerhuis bij landhuis
    Oudetongelseweg 1 (Geel)

  • Omvat
    Landhuis
    Paviljoenstraat 14 (Geel)

  • Is gerelateerd aan
    Hoeve Drossaardshoeve
    Drossaardshoevedreef 4 (Geel)

  • Is deel van
    Ten Aard
    Geel (Geel)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Gooreind [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135411 (Geraadpleegd op 16-10-2019)