Historische stadskern van Bree

inventaris archeologisch erfgoed \ archeologische zone

Locatie

Alternatieve naam Brée
Provincie Limburg
Gemeente Bree
Deelgemeente Bree
Straat
Locatie Bree (Bree)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • AZ-project historische stadskernen (bureauonderzoek, inventarisatie: 2010 - 2014).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als archeologische zone Historische stadskern van Bree

Deze vaststelling is geldig sinds 19-02-2016.

Beknopte karakterisering

Tags Vastgesteld

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Bree bevindt zich op een in noordoostelijke richting afdalende steilrand van het Kempisch Plateau dat aansluit bij de zogenoemde vlakte van Bocholt en de Maasvlakte. In de laatste ijstijden is hier door de Maas een dikke grindlaag afgezet die, bedekt met een dunnen laag grof zand, een zeer droge bodem heeft opgeleverd. Op de door erosie afgevlakte steilranden bestaat de bodem daarentegen uit een veel dikkere dekzandlaag van fijner lemig zand met hier en daar wat kleiafzettingen langs de beken (Peeters 2007, 27).

De Boneputterbeek die de stadsgracht voedde loopt ten zuiden van de stad. De Vulterbeek stroomt door de stad en komt uit in de Boneputterbeek.

Op het gewestplan is de zone aangeduid als woongebied met cultureel-historische en/of esthetische waarde.

Archeologische nota

In een oorkonde van 1007 bevestigt de Rooms-Duitse koning Hendrik II de schenking van 3 kerken Hameritte (Ophemert), Avesate (Avezaat) en Britte (Bree) door bisschop Notger aan de abdij van Thorn. Dit betekent dat Notger de schenking al eerder had gedaan. De precieze datum is ongekend, maar men vermoedt dat de schenking rond 995 plaatsvond. Dit zou betekenen dat de kerk van Bree minstens uit het laatste kwart van de 10de eeuw dateert. Op basis van de vergelijking met gelijknamige plaatsen in Nederland en Duitsland kan het ontstaan van de nederzetting Bree mogelijk gesitueerd worden in de 8ste-10de eeuw (Peeters 2007, 27).

In 1078/1079 wordt Bree vermeld als Brida/Bride dat afgeleid zou zijn van het Germaanse brida dat mogelijk plank betekent. Andere hypothese is dat Bree etymologisch te omschrijven is als ‘uitgestrekt terrein of vlakte’ en dat in de betekenis van ‘een relatief groot complex of gebied van aaneengesloten landbouwgronden’ (Gysseling 1960, 186; Gerits 1989, 65; Peeters 2007, 25-33).

Deze eerste periode wordt gekenmerkt door een wirwar van eigendommen die vooral door erfenissen en schenkingen steeds ingewikkelder werd.

Het domein Bree werd in 1078/1079 door gravin Ermengardis van Loon geschonken aan de bisschop van Luik. Hij schonk het op zijn beurt aan het Sint-Bartholomeuskapittel van Luik.

Sinds de 11de eeuw was Bree dus eigengoed van het Sint-Bartholomeuskapittel van Luik, maar de graven van Loon bleven er echter wel voogdij uitoefenen en Bree bleef beschouwd als een van de Loonse steden (Gerits 1989, 65; Peeters 2007, 46).

Op het einde van de 11de eeuw moet er volgens F. Maes al “ruim wat volk” gewoond hebben: op de goederen van S. Bartholomeus, op de 10 boerderijen van graaf Gerardus, … (Maes 1952, 195.) Helaas werden er tot nu toe nooit materiële bewijzen gevonden van een Ottoonse nederzetting te Bree. De oudste materiële resten dateren uit de 12de eeuw. Het gaat om een toevalsvondst uit 2007 van gebruiksaardewerk van Brunssum-Schinveld (Peeters 2007, 123-141). Ten laatste in de 11de eeuw was ook de parochiekerk van Bree ontstaan, aangezien in de schenking van gravin Ermengardis wordt vermeld dat deze schenking “cum ecclesia” is. Van deze kerk is niets bewaard gebleven, op oude tekeningen is wel een romaanse toren (die bleef bestaan tot 1901) herkenbaar. De Sint-Michielskerk (dibe/relict/70822) werd in de late middeleeuwen herbouwd in gotische stijl (Peeters 2007, 57).

In de 13de eeuw was de grafelijke politiek er op gericht om in de kerkelijke domeinen, zoals Bree, een grotere invloed te verwerven. Dit gaf aanleiding tot verschillende conflicten.

Voor 1297 werd Bree een heerlijke vrijheid en in de loop van deze 13de eeuw kreeg Bree stadsrechten. Vermoedelijk trachtte de Loonse graaf als voogd zo meer vat te krijgen op het domein en de inwoners (Gerits 1989, 65; Peeters 2007, 50).

In 14de-eeuwse bronnen komt Bree naar voor als een versterkte plaats. Hoe deze oudste verdedigingswerken er uit zagen is niet bekend (Gerits 1989, 66; Maes 1952, 18).

In 1366 werd het graafschap Loon ingelijfd door het prinsbisdom Luik en Bree werd een van de Goede Steden van Luik (Van de Konijnenburg 2006, 15).

De periode vanaf de jaren 1500 is beter gekend, dankzij meer bewaarde historische bronnen en de archeologische opvolging van de herinrichting van de kleine ring. Dit leidde tot informatie over de stadsvesten van Bree, met o.a. de Opitterpoort, Kloosterpoort en Gerdingerpoort, een rondeel van de stadswal, de Witte Toeren en de Grauwe of Everaertstoren.

Deze stadsomwalling wordt vermeld in een oorkonde van 1 december 1478, waarin staat dat met bepaalde opbrengsten de stad mag versterkt worden want de poorten, muren en vesten zijn zeer zwak en onbewaakt. In de eerste helft van de 15de eeuw was er een stadsmuur, met poorten en torens (Van de Konijnenburg 2012, 32). Uit stadsrekeningen blijkt dat er inderdaad heel wat herstellingswerken aan de stadsversterkingen werden uitgevoerd. De omwalling was omringd met een brede gracht, die gevoed werd door de Boneputterbeek en later ook door de Velterbeek. De omgrachte stad had een omtrek van ongeveer 1229 meter (Gerits 1989, 66).

Een ets uit ca. 1500 van Robert Péril, is het oudste iconografische beeld van het stadscentrum en de wallen. Deze schets toont een stratenpatroon dat nauwelijks afwijkt van het huidige en een centrum dat, behalve de kerk en enkele huizen, weinig bebouwd is (van de Konijnenburg 2012, 32).

In de late middeleeuwen en de daaropvolgende eeuwen wordt Bree net als andere steden geteisterd door aanvallen allerhande. In de 16de eeuw bv. werd een aanval van de troepen van Maarten van Rossum afgeslagen, en in 1572 werd Bree bedreigd door de troepen van Willem van Oranje, die toch vooral op het platteland huishielden. Bree kon ook daarna nog verschillende aanvallen afslaan. Daarnaast hebben vele branden (1601, 1616, 1697 en 1699) de stad geteisterd (nl.wikipedia.org/wiki/Bree).

Bree kende verschillende kloosterordes. Het augustijnenklooster bijvoorbeeld was binnen de omwalling gelegen en werd in 1659 in gebruik genomen door de monniken. Net buiten de stadsomwalling lag het klooster Onze-Lieve-Vtrouw-ter-Riviere (15de eeuw, franciscanessen) (van de Konijnenburg 2007, 101-103). Nog andere kloosterordes hadden voet aan grond in Bree: de premonstratenzen uit Postel kochten er een refugiehuis (17de eeuw), de kapucijnen hadden in de 17de-18de eeuw eveneens een huis binnen de stadswallen (Gerits 1989, 70).

Tenminste vanaf de 13de eeuw was Bree een handeldrijvend centrum. Hoewel de stad een klein regionaal marktcentrum was, had Bree toch eerder het uitzicht en karakter van een landelijke gemeente. 15de-eeuwse Cijnsboeken verschaffen inlichtingen over de laken- en wolnijverheid, maar er waren in de stad ook verschillende brouwerijen gevestigd. Steen-, pannen- en pottenbakkerijen zijn vanaf de 16de eeuw aanwijsbaar en net als de watermolens in de onmiddellijke omgeving van Bree gericht op de stedelijke markthandel. Omstreeks die periode waren eveneens twee schuttersgilden actief binnen de stadswallen (Gerits 1989, 71-73).

In de 2de helft van de 17de eeuw kende Bree trouwens een economische bloei dankzij een versterkte doorvoerhandel. Hoewel deze economische bloei voor een aanzienlijke bevolkingstoename zorgde, is Bree in de daaropvolgende eeuwen altijd een betrekkelijk klein stadje gebleven (Peeters 2007, 157-159).

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een pre-stedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdende met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimtes tussen de bebouwde kern en strategische elementen zoals de rivieroever worden mee opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

GERITS J. 1989: Historische steden in Limburg, Brussel.

MAES F. 1952: De geschiedenis van Bree. Tweede bijdrage: De gemeente van de oudste tijden tot aan de Franse Revolutie, Antwerpen.

PEETERS H., MELOTTE H., VAES J., STOFFELS B., VAN DE KONIJNENBURG R., CORSTJENS J., BREBELS P., BONGAERTS P., NEYENS R., GABRIELS J. & POLFLIET L. 2007: Duizend jaar Bree. Breedvoerig herdacht, Tielt.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I.& CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-rapport 5, Brussel.

VAN DE KONIJNENBURG R. GABRIELS J., MARTENS E. & MARTENS H. 2006: Het stadhuis van Bree. Een voormalig augustijnenklooster, Tielt.

VAN DE KONIJNENBURG R. 2007: Bree: klooster O.-L.-V.-ter-Riviere, Limburg. Het oude Land van Loon 89/2010.2, 101-103.

VAN DE KONIJNENBURG R. 2012: Voorstudie archeologisch onderzoek in het vooruitzicht van de herinrichting van de publieke ruimte in Bree-centrum met inbegrip van de wallen, Haast-rapport 2012-07, Bree.

SCHLUSMANS F. 2005: Parochiekerk St. Michiel [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/70822 (geraadpleegd op 24 juni 2014).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bree_%28stad%29 (geraadpleegd op 24 juni 2014).

Bron: AZ-dossier

Auteurs: Cousserier, Katrien

Datum tekst: 2014

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Bree

Bree (Bree)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.