erfgoedobject

Parochiekerk Sint-Jacobus de Meerdere

bouwkundig element
ID: 17272   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/17272

Juridische gevolgen

Beschrijving

De parochiekerk werd in twee fases opgetrokken tussen 1843 en 1872 naar ontwerp van Louis Roelandt voor fase 1 (koor en eerste travee benedenkerk) en Edmond De Serrure voor fase 2 (benedenkerk).

Historiek

In 1150 werd Haasdonk afgescheiden van de moederparochie Melsele. Een kerk bestemd voor de gelovigen van de wijk Haasdonk werd meteen opgericht. Hoe die kerk er precies uitzag is onbekend. In de 13de eeuw werd de kerk verbouwd en op 16 oktober 1576 werd ze door de Spaanse troepen in brand gestoken. Pas na de herovering van het Waasland door Alexander Farnese, eind 1583, konden de nodige herstellingswerken uitgevoerd worden. In de 17de en 18de eeuw werd de kerk verbouwd in barokstijl. Achtereenvolgens werden een Onze-Lieve-Vrouwekoor (1666), zuidelijke zijbeuk (1674-1681), westgevel (1719) en een sacristie (1731) opgetrokken. Op hetzelfde ogenblik volgde een verdere (her-)inrichting van de kerk.

In de 19de-eeuw was Haasdonk getuige van een belangrijke bevolkingsaanwas. Dat noopte het kerkbestuur tot een vergroting van de kerk. Initiatiefnemer was pastoor Seraphinus Sonneville (° Destelbergen 1798 - † Haasdonk 1845). Vanaf 1830 was iedereen ervan overtuigd dat er een nieuwe kerk moest komen. Waar en hoe was reden tot discussie. Uiteindelijk werd beslist de kerk van af de koorzijde fasegewijs af te breken en terug op te trekken maar dan groter en moderner. In de praktijk werd de oude kerk overbouwd waarna ze afgebroken werd. In 1843 wordt aan de koning het akkoord gevraagd om de kerk met eigen middelen (met giften van de parochianen) te mogen optrekken. Als ontwerper werd Lodewijk Roelandt (Nieuwpoort 1786 – Gent 1864) aangetrokken. Hij was stichtend lid van de KCML en wist verscheidene opdrachten in de wacht te slepen. Op 1 september 1844 gaf de KCML toelating voor de uitbreidingswerken aan de kerk. Het akkoord van de koning volgde enkele maanden later. Op 5 oktober 1844 werd de laatste mis in de oude kerk gezongen.

De werken werden uitgevoerd door Leo De Smet uit Waregem met hulp van de parochianen die duchtig meewerkten door niet enkel financiële donaties maar ook giften van steen, zavel, bomen, nagelen,… en hand-en-spandiensten als vervoer van materialen met paard en kar, van de productieplaats (onder andere van uit Rupelmonde en Temse) tot aan de werf. Na de dood van pastoor Sonneville in 1845 begonnen de werken te slabakken. De nieuwe pastoor trok zich weinig van de werken aan, Leo De Smet gaf zijn ontslag, de aardappeloogst mislukte en de inkomsten vielen stil met financiële problemen als gevolg. Uiteindelijk waren de heer Hemelaer en juffrouw De Block bereid om de gewelven en het dakwerk van het koor te bekostigen. Ook de overheid betaalde nu een deel mee. Uiteindelijk realiseerde Roelandt enkel de uitbreiding van het oostelijk deel van de kerk; meer bepaald de koorpartij en de twee oostelijke traveeën van het kerkschip. Het oude meubilair uit de 17de en 18de eeuw werd bijgewerkt en herplaatst.

Twintig jaar later wordt de parochie geleid door de geestdriftige pastoor Danneels en onderpastoor Verwilghen. De economische landbouwcrisis van de jaren 1840 was vergeten. De ideeën tot vervollediging van de kerk staken weer de kop op. De bestaande kerk met ingewikkeld plattegrond en gebrek aan stijleenheid werd als een probleem gezien. Meteen werd er gezocht naar extra inkomsten; de gemeente werd aangesproken net als de provincie en de staat en wie 1000 frank doneerde kreeg na zijn dood een grafzerk tegen de buitenwand van de kerk. In 1864 stierf echter architect Roelandt. Edmond Serrure (Antwerpen 1832-Gentbrugge 1911) kreeg de opdracht om Roelandts werk verder te zetten. Hij vervolledigde de benedenkerk en trok een imposante westpartij op met een toren van 65 meter en een totaal schip van 57 meter (uitvoering van de werken 1868-1872 door aannemer Thierens uit Sint-Niklaas). Voor Serrure was het één van de eerste gebouwen in neogotische stijl en meteen zijn eerste belangrijke neogotische kerkelijke realisatie. In 1872 maakte Serrure zelf een doordruk van zijn ontwerp voor de Sint-Jozefskerk te Sint-Niklaas. Die kerk wordt als hoogtepunt van zijn neogotische oeuvre beschouwd. Tijdens de werken werden de beelden, vaatwerk, meubilair ondergebracht bij parochianen thuis met de intentie ze later terug in de kerk te plaatsen. Op 23 mei 1872 werd de nieuwe kerk ingewijd door bisschop Monseigneur Bracq.

Beschrijving

De parochiekerk is een georiënteerde neogotische kerk midden het dorp gelegen en deels omringd door een grasveld met daarin ten noorden het borstbeeld van de patroonheilige, afkomstig van de vroegere voorgevel en gemaakt door Willem Kerrickx (1719). Ten zuiden ligt een parking en het kerkhof.

Het is een driebeukige transeptloze basilicale kerk met vierkante westtoren, polygonaal oostkoor en sacristieën in de oksels. De gevels zijn opgetrokken uit zandsteen, de daken belegd met leien. De evenwichtige westpartij bestaat uit een vierkante toren geflankeerd door achtzijdige traptorentjes en zijkapellen onder haaks zadeldak. Het spitsbogig portaal is bekroond door een wimbert met hogels. In het timpaan zien we een bas-reliëf met Onze-Lieve-Vrouw aanbeden door twee engelen (door Fr. Van Camp). Voorts is er een ruim doksaalvenster, nissen, galmgaten en een ingesnoerde naaldspits. De dubbele hoeksteunberen lopen tot boven toe. Onder de westvensters van de zijkapellen is een arduinen gedenkplaat aangebracht (links ter nagedachtenis aan de Boerenkrijg, 1798- 1898; rechts ter nagedachtenis aan Eerwaarde heer Verwilghen, 1900).

De benedenkerk telt zes traveeën met spitsbogige tweelichten in de zijbeuken en oculi als bovenlichten. Dunne steunberen ritmeren de zijgevels. Tussen plint en vensterdorpels zijn over de hele lengte van de kerk arduinen platen ingemetseld bestemd om de overleden parochianen te gedenken die door hun milde giften hebben bijgedragen tot de bouw van de kerk. Het koor telt één travee en een apsis met spitsboogvormige tweelichten waartegen grafzerken en een calvarie. Het koor wordt langs beide zijden geflankeerd door twee lager uitgebouwde sacristieën.

De kerk werd voorzien van vier glas-in-loodramen uit het atelier van Jos Casier en gemaakt in 1903. Ze staan volledig in de neogotische traditie. In de zijbeuk noord werden de Heilige Joachim en Anna afgebeeld, in de zijbeuk zuid de Heilige Petrus en Aloysius van Gonzage. In het koor werden zes gebrandschilderde ramen geplaatst in 1885. Ze zijn vervaardigd door het atelier van Arthur Verhaegen, neef van pastoor Verwilghen. Aan de noordzijde van het koor de Heilige Apolonia, Adrianus, een bisschop en de Heilige Hubertus. In het tweede raam: Onze-Lieve-Vrouw onbevlekt ontvangen staand op een maansikkel en de slang vertrappend, Heilige Jozef, Heilige Mattheus en Heilige Johannes. Aan de zuidzijde van het koor een raam met Heilige Jacobus de meerdere, Heilige Thomas van Aquino, Heilige Marus en Heilige Lucas, Heilige Franciscus van Assisi, Heilige Catharina of Lucia, paus Cornelius en Heilige Barbara. De figuratieve ramen in de zijbeuken zijn naar ontwerp van W. Van Remortel uit 1964-1965. In de zuidbeuk zijn de Heilige.Theresia, Heilige Lutgardis, Heilige Jozef, Heilige Isidoor afgebeeld. In de noordbeuk worden de Heilige Godelieve, Maria Magdalena, Heilige Petrus en Heilige Paulus getoond.

Het interieur is overkluisd door gepleisterde en geschilderde bakstenen kruisribgewelven. Spitse scheibogen rusten op pijlers met arduinen sokkel en gepolychromeerde halfronde diensten met bladkapiteel. Spitsbogige gesloten bovenlichten, met enkel de bovenste rozet beglaasd, ritmeren het interieur. Het koor werd tijdens de laatste restauratie terug neogotisch beschilderd. Een reconstructie van de benedenkerk bleek technisch en financieel niet haalbaar.

Het aanwezige kunstpatrimonium bestaat uit neogotische altaren, koorbanken, lambrisering met kerkmeesterbanken en beelden, aangevuld met gerecupereerde kunstwerken uit de afgebroken kerk. De drie neogotische portiekaltaren uit 1870 werden vervaardigd in hout en marmer door P. De Preter uit Borgerhout met schilderijen door A. Vander Eycken (‘Hemelvaart van Christus’, hoofdaltaar) afkomstig uit Geraardsbergen en Edouard Dujardin (‘Oorsprong van de Rozenkrans’ en ‘Uitdeling der broden door de Heilige Nicolaas van Tolentijn’, zijaltaren). De neogotische lambrisering en biechtstoelen werden vervaardigd door F. Delestrée, eveneens uit Geraardsbergen.

Het hoogaltaar (1851) werd ontworpen door L. Serrure die ook de marmeren treden, altaartombe en tabernakel in Italiaans marmer uitvoerde. In reliëf wordt de Piëta afgebeeld omringd door rouwende engelen en Maria Magdalena aan het voeteinde. In de nissen links en rechts twee engelen; één met de zweetdoek van Veronica en één met de doornenkroon. Het houten deel is vervaardigd door P. De Preter. Het tabernakel is bekroond met het Heilig Hart van Jezus en een kruisbeeld. De expositietroon verbeeldt in reliëf de Emmaüsgeangers geflankeerd door Mozes en Aäron en links en rechts de Aanbidding der wijzen en herders. Het hoogaltaar herbergt het schilderij ‘Hemelvaart van Christus’ van de hand van Alfons Vander Eycken, geflankeerd door de beelden van Petrus en Paulus. Altaar en schilderij werden in één aanbesteding aangeleverd door P. De Preter.

Beide zijaltaren werden door P. De Preter vervaardigd tussen 1855 en 1858; eerst het zuidelijke zijaltaar, daarna het noordelijke. Het zuidelijk zijaltaar steunt op een marmeren altaartombe met de afbeelding van het omstraalde Lam uit de Apocalyps. In de houten bekroning werd het schilderij ‘Uitdeling der broden door de Heilige Nicolaas van Tolentijn’ door Edouard Dujardin verwerkt, geflankeerd door beelden van de Heilige Antonius van Padua en Cornelius paus en zittende engelen met banderol. Op de altaartombe staat de voorstelling van het Lam van de Apocalyps. Het noordelijk zijaltaar heeft een altaartombe vervaardigd door Wusterwulge, in de bekroningsnis het beeld van Onze-Lieve-Vrouw, geflankeerd door engelen. Het altaarstuk verbeeldt ‘Onze-Lieve-Vrouw met kind schenkt de rozenkrans aan de Heilige Dominicus Guzman’ en wordt toegeschreven aan Edouard Durjardin. Het wordt geflankeerd door beelden voorstellen Hoop en Geloof, en zittende engelen met een banderol. Op de expositietroon is in reliëf de hostiedragende kelk afgebeeld. Het altaar werd door advocaat J.M.G. Versmessen van Beveren geschonken aan de kerk in 1858.

De lambrisering, kerkmeesterbanken en biechtstoelen werden door pastoor Th. Verwilghen besteld bij Fr. Delestree (beeldsnijder) en Alfons Vander Eycken (schilder), beiden uit Geraardsbergen. Het hout van de oude lambrisering zou volgens de briefwisseling hergebruikt zijn in de nieuwe. Het model van de biechtstoelen was zo prijzenswaardig dat ze hergebruikt werden in de kerk van Wichelen. Ze kregen een neogotische vormgeving met steunberen, hogels, kruisbloemen, wimberg, spitsboogpanelen en vierlobben.

De sacristie is overwelfd met een kruisribgewelf op consoles. In de ruimte werd gerecupereerd meubilair uit de oude sacristie terug opgesteld. De neogotische ramen zijn opgevuld met gebrandschilderd glas.

Na de afwerking van de kerk werden op regelmatige basis neogotische beelden aangekocht (naargelang giften van de parochianen het toelieten) of geschonden aan de kerk. De beelden deden meteen ook dienst als processiebeelden. Ze werden vervaardigd door Frans Van Camp, Haasdonknaar die in Nederland werkte en kunstatelier Bressers. Naast de beelden in het interieur vervaardigde Van Camp ook de gevelsculptuur op de westgevel. Hij leverde volgende beelden: Franciscus Xaverius (1873), Heilig Hart van Jezus (1875) en Heilig Hart van Maria (1875), beide werden processiegewijs van de pastorie naar de kerk gedragen, Jacobus (gift van de pastoor), Nicolaas (1884), Lucia (1885), Antonius (1885, gift van de burgemeester), Jozef (1886), Aloysius en Barbara (1891).

Het interieur werd verder aangekleed met vier 19de-eeuwse processievaandels met reliëfborduurwerk van zijde-, zilver en gouddraad. Ze tonen motieven van de eucharistie, Sint-Jozef en Maria Onbevlekt. Het koor werd verder aangevuld met twee neogotische koperen luchters met engelen die een banderol dragen gedecoreerd, één godslamp eveneens in koper, twee smeedijzeren kandelaars (deels koper) en acht verzilverde kandelaars; driekantig met op elke zijde een heilige afgebeeld onder een spitsboog van takken. De kerk bezit tevens een gekleed Mariabeeld. De neogotische troon met vier engelen in verguld koper, zilveren tak, rozen, lelies, en kroon met stenen en vier schilden; werd gemaakt door L. Van Rijswijck in 1860 en was een gift van de heer Jos Versmessen aan de kerk.

Het orgel is een zeer grondige verbouwing van een Loret-orgel uit 1845. In 1886 werd het dusdanig verbouwd dat er van een nieuw orgel mag gesproken worden. De speeltafel werd in het midden geplaatst terwijl het orgelfront gesitueerd in twee zijnissen zodat het westraam vrij blijft. Het is een werk van de gebroeders Vereecken uit Aalst (Gijzegem).

Uit de afgebroken kerk werden de barokke preekstoel en communiebank en de schilderijen ‘Onthoofding van de Heilige Jacobus de Meerdere’ door C. De Vos (1627), ‘Marteldood van Sint-Sebastiaan’ door C. De Crayer, (1654) en de ‘Kroning van Maria’ door J.B. De Mangeleire (1728) gerecupereerd. Verschillende delen van het barokinterieur werden in 1847 verkocht aan een Londens antiquair voor 3000 frank.

De barokke preekstoel zou volgens historisch onderzoek door R. Weemaes vervaardigd zijn door Jan De Coster in 1689 (en dat in tegenstelling tot oudere toeschrijvingen aan familie Kerricx). De kerkfabriek kon die aankopen dankzij een legaat van de heer Jan van de Perre. Het is een kwalitatief en esthetisch hoogstaande preekstoel met een kuip op voet en kroon opgehangen aan het gewelf. De voet verbeeldt de allegorie van de Kerk: vrouw met kelk en kruis op een triomfwagen, op de wielen de afbeelding van de vier evangelisten, en getrokken door twee engelen. Op de kuip staan de bustes van de Heilige Petrus, Heilige Paulus, Heilige Jozef en Christus in de stralenkrans afgebeeld. De aantrede van de trap stellen het Oude en Nieuwe testament voor. Boven de trap vermoedelijk de afbeelding van de Heilige Jacobus. Het klankbord is versierd met een duif, medaillon, bloemenslingers en vier bloempotten, het geheel getorst door engelen. De smeedijzeren omtuining werd vervaardigd in 1833 ter vervanging van een houten voorganger.

De barokke communiebank zou wel degelijk vervaardigd zijn door beeldhouwer Willem Kerricx in 1715. Tussen 1708 en 1719 vervaardigde deze het beeldhouwwerk van koorgestoelte, marmeren hoofdaltaar en communiebank. Enkel de communiebank bleef in de kerk bewaard. De bank bestaat uit een reeks van bustes van onder andere Heilige Johannes, Heilige Gregorius de Grote, Heilige Augustinus van Hippo, en verschillende andere niet geïdentificeerde heiligen. Centraal de symbolische afbeelding van de eucharistie (hostiedragende kelk in stralenkrans). De bustes worden gescheiden door barok rankwerk (korenaren, druiventrossen, maïs, hoornen des overvloeds). De twee uiterste delen werden door P. De Preter in barokke stijl nagemaakt zodat de communiebank paste in de nieuwe kerk. Het dubbel middenpaneel werd sinds Vaticanum Twee verwerkt in het altaar.

Het schilderij van De Crayer ‘Marteldood van Sint-Sebastiaan’ werd besteld door pastoor Van Aken voor het Sint-Sebastiaanaltaar. Wellicht werd het mee bekostigd door de Handbooggilde en mogelijk ook door een donatie van een zekere Joos Lijssens. Over dit schilderij is correspondentie bewaard gebleven (1867-1869) tussen de kerkfabriek, de minister van justitie en de KCML over een potentiële verkoop van het schilderij om zo de laatste rekeningen van de kerk te kunnen betalen. De kerkfabriek is uiteindelijk nooit overgegaan tot een verkoop dankzij een aantal testamentaire giften, legaten en fundaties. Het werk van Cornelis De Vos ‘Marteldood van Sint-Jacobus’ was bedoeld voor het hoogaltaar en werd eveneens besteld door pastoor Van Aken tussen 1642 en 1655, mogelijk met tussenkomst van de Sint-Jacobusgilde. De ‘Kroning van Maria’ door J.B. De Mangeleire is vermoedelijk het voormalige altaarstukken van het Maria-altaar.

In het portaal en beide zijkapellen werden de oude grafstenen (17de-18de eeuw) uit de vorige kerk herplaatst. Beide zijkapellen hebben een spitsbooggewelf op consoles. De doopvont heeft een koperen deksel. In de doopkapel hangen vijf 18de-eeuws schilderijen die de sacramenten voorstellen.

  • DEMEY A. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België Architectuur Provincie Oost-Vlaanderen Arrondissmeent Sint-Niklaas, Bouwen door d eeuwen heen deel 7n1 (B-L), Gent.
  • GEPTS-BUYSAERT G. 1951: Guillelmus Kerricx Antwerps beeldhouwer 1652-1719, Gentse bijdragen tot de kunstgeschiedenis XIII, s.l.
  • HAUSTEIN P. 2008: Geslaagde restauraties: huis Lesseliers en kerk Haasdonk, Het Land van Beveren 51.4, s.l.
  • ROOSE- MEYER B. 1981: Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen Provincie Oost-Vlaanderen, Kanton Beveren, Brussel.
  • S.N. s.d.: Documap inventaris Oost-Vlaanderen, niet uitgegeven.
  • S.N. 1978: De Sint-Jacobuskerk te Haasdonk, Informatieblad van Beveren onze gemeente 12.2.
  • VAN DER STICHELEN K. & VLIEGHE H. 1994: Cornelis De Vos (1584/5 – 1651) als historie- en genreschilder, Academia Analecta 54.1.
  • VAN DER STRAETEN 1986: Louis Roelandt. Een bekend Gents bouwmeester Nieuwpoort 1786-Gent 1864, Heraut 21.6.
  • VAN DUYSE 2009: Alfons Van Meirvenne schilderde nieuwe kruisweg voor de Sint-Jacobskerk te Haasdonk, Het Land van Beveren 52.2, s.l.
  • VAN LOO A. (red.) 2003: Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen.
  • VINCK K. (e.a.) 1972: 100 jaar Tereken, s.l.
  • WEEMAES R. 1993: Haasdonk Sint-Jacobuskerk en parochieleven 1150-1990, Beveren.

Bron     : Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier 4.001/46003/107.1, Parochiekerk Sint-Jacobus de Meerdere.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2014


Relaties

  • Is deel van
    Haasdonk
    Haasdonk (Beveren)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Parochiekerk Sint-Jacobus de Meerdere [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/17272 (Geraadpleegd op 20-10-2019)