Sint-Pieterskapel en Sint-Pietersschool

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam Sint-Kwintenskapel, d'Oude Kapel
Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Gent
Deelgemeente Gent
Straat Sint-Kwintensberg
Locatie Sint-Kwintensberg 84, Gent (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Gent (actualisaties: 01-01-2006 - 24-09-2007).
  • Adrescontrole Gent (adrescontroles: 25-09-2007 - 25-09-2007).
  • Inventarisatie Gent (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1983).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Sint-Kwintenskapel

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

omvat de bescherming als monument Sint-Pieterskapel
gelegen te Sint-Kwintensberg 84 (Gent)

Deze bescherming is geldig sinds 26-03-1998.

omvat de bescherming als monument Sint-Pietersschool met binnenplaats
gelegen te Sint-Kwintensberg 84 (Gent)

Deze bescherming is geldig sinds 26-03-1998.

Beschrijving

De voormalige Sint-Pietersschool, een kosteloze katholieke lagere jongensschool met jongenspatronaat, ook zogenaamd Piers de Raveschoot, werd in 1852 gesticht door het Sint-Vincentius a Paulogenootschap. Zowel Joseph de Hemptinne als Alfred Piers de Raveschoot, beide werkzaam binnen de Gentse Sint-Vincentius a Paulovereninging, hadden een belangrijk aandeel in de oprichting van deze dag- en zondagsschool. Aan de school werd een neogotische kapel gehecht, in 1857 gerealiseerd volgens plannen van baron Jean Baptiste Bethune. Zowel door haar locatie als door het bouwtype refereert de kapel aan een veel oudere verdwenen kapel die hier omstreeks 1300 door de abt van de Sint-Pietersabdij zou zijn opgericht en toegewijd was aan Sint-Kwinten.

Historiek

Algemeen

De oprichting van de Sint-Pietersschool en de bijhorende kapel aan de Sint-Kwintensberg, behoort tot de initiatieven uit de beginperiode van de werking van het Sint-Vincentius a Paulogenootschap te Gent. Het ontstaan van deze gebouwen kadert dan ook binnen de specifieke historische context die tekenend was voor het midden van de 19de eeuw en gekenmerkt was door een groeiende industrialisatie in de steden met een sterke toenamen van de arbeidersbevolking.

De tendens tot laïcisering in het Belgisch liberalisme en de opkomst van het socialisme veroorzaakten tegenreacties van katholieke zijde. Typerend voor de tijdsgeest was ook de samenwerking tussen geestelijkheid en katholieke kapitaalkrachtige industriëlen en zakenlui waarbij laatstgenoemde optraden als mecenas voor het optrekken van onder andere kerkelijke gebouwen.

De maatschappelijke, sociaal-economische en politieke omstandigheden van die periode leidden tot het oprichten van de wijdvertakte Sint-Vincentius a Paulovereniging in ons land. Het Sint-Vincentius a Paulogenootschap was een katholieke lekenorganisatie die naar het voorbeeld van Frankrijk in Gent werd opgericht in 1845, na de stichting in Brussel (1842). De Gentse Vincentianenbeweging heeft binnen de geschiedenis van dit genootschap in België een vooraanstaande rol gespeeld. Onder de Bijzondere Raad van Gent, opgericht op 15 augustus 1845 ressorteerden de Gentse Conferenties. De Centrale Raad van Gent, opgericht in 1855 overkoepelde alle Conferenties van het bisdom Gent en Brugge. De Conferentie van de Sint-Pietersparochie was één van de vier Conferenties te Gent die nog in 1845 was opgericht. Zij werd in 1848 uitgebreid met de aangrenzende Sint-Annaparochie doch vanaf 1855 bestond op beide parochies een afzonderlijke Conferentie.

Onder haar leden telde het Gentse Sint-Vincentius a Paulogenootschap adellijken, industriëlen, succesrijke zakenlui, bankiers, notarissen en advocaten. Zij behoorden tot de begoede, katholiek-conservatieve Gentse burgerij. Een aantal leidinggevende textielfabrikanten zoals de gebroeders Casier en voornamelijk Joseph de Hemptinne namen in de Sint-Vincentiusbeweging een zeer vooraanstaande positie in.

Deze hiërarchisch gestructureerde, paternalistische liefdadigheidsvereniging trok zich het lot aan van de arme werkliedenklasse om de toenmalige dreigende sociale onrust in te tomen. Tegelijkertijd met de huisbezoeken en materiële hulpverlening trachtten zij het christelijk geloof en moraal van de arbeidersklasse te stimuleren. Van bij het begin breidde het Sint-Vincentiusgenootschap haar activiteiten daarom ook uit tot volkseducatieve werken. Dit omvatte de uitbouw van een netwerk van georganiseerd katholiek volksonderwijs door het oprichtten van kosteloze dag- en zondagsscholen. Zij vormden zowel een aanvulling op als een alternatief voor het gemeentelijk onderwijs. In de jongensscholen verzorgden vooral de Broeders van de Christelijke Scholen het onder¬richt. Het accent lag er sterk op de moreel-religieuze vorming. Naast het kosteloos onderwijs zorgde het Sint-Vincentius a Paulogenootschap ook voor de oprichting van volksbibliotheken die door hen ondersteund werden of van hen afhingen.

Sint-Pietersschool

Volgens archiefgegevens van het kadaster had de Hemptinne-Gonthijn Joseph, textielfabrikant te Gent, in 1853 drie percelen in zijn bezit waarop zich nu de gebouwen Sint-Kwintensberg nummers 84-90 bevinden. Deze percelen omvatten op dat ogenblik een lusttuin achter twee aan de straat palende huizen met aanhorigheden die door de nieuwe eigenaar grotendeels werden gesloopt.

Tegen de linker perceelsgrens van de lusttuin was in 1855 een klein schoolgebouw geconstrueerd dat in 1856 volgens kadastergegevens in gebruik was genomen. Het betreft de lagere kosteloze katholieke jongensschool van Sint-Pieters, gesticht door het Sint-Vincentius a Paulogenootschap in 1852 op de Sint-Pietersparochie en waaraan in 1852 een patroonschap voor (leer)jongens was toegevoegd. De stichting van dit patronaat voor jonge arbeiders of leerjongens uit de grootindustrie op de Sint-Pietersparochie gebeurde onder impuls van Alfred Piers de Raveschoot. Het stond ook bekend als Patroonschap Piers de Raveschoot.

De school werd geleid door de communauteit van de Broeders van de Christelijke Scholen. Alfred Piers de Raveschoot was net als Joseph de Hemptinne een actief lid van het Sint-Vincentius a Paulogenootschap van Gent: in de periode 1860-1887 was eerstgenoemde voorzitter van de Sint-Jacobsconferentie. De patronage van Sint-Pietersparochie naast deze van Sint-Jacobs waren de enige te Gent die rechtstreeks bleven afhangen van het Sint-Vincentius a Paulogenootschap. Jongens die reeds onderwijs hadden genoten werden naar het patroonschap van Sint-Pieters gestuuurd, de andere naar dat op Sint-Jacobsparochie. De overige zondagsscholen die in het derde kwart van de 19de eeuw te Gent waren opgericht, werden door de parochiegeestelijkheid geleid.

In het laatste kwart van de 19de eeuw (volgens archiefgegevens van het kadaster in 1879 en 1897) was het schoolgebouw aan de binnenplaats van de Sint-Pietersschool aan weerszij in de lengte uitgebreid tot het nog bestaande rechthoekige gebouw dat de zuidzijde van de binnenplaats begrenst. De achtergevel van de school aan de één niveau lager gelegen Hippolyte Metdepenningenstraat (aangelegd in 1889) draagt de nog deels leesbare opschriften: "PIERS DE RAVESCHOOT / JONGENSPATROONSCHAP / LAGERE JONGENSSCHOOL". De jongensschool, waar tot enkele decennia geleden nog lager onderwijs werd verstrekt, doet thans dienst als jeugdverenigingslokaal. Tot circa 1990 was in de lokalen nog een volksbibliotheek ondergebracht.

Sint-Pieterskapel

Zowel door de locatie als door het bouwtype refereert de Sint-Pieterskapel naar de verdwenen Sint-Kwintenskapel die omstreeks 1300 door de Sint-Pietersabdij werd gesticht.

Voorganger: Sint-Kwintenskapel

Het geheel van de Sint-Pieterskapel en de Sint-Pietersschool is gelegen binnen de parochie van Onze-Lieve-Vrouw-Sint-Pieters, nabij het Sint-Pietersplein met gelijknamige voormalige abdij. De aanvankelijke parochiekerk, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw stond naast de abdijkerk maar werd in 1799 gesloopt. Sindsdien functioneert de voormalige abdijkerk als parochiekerk.

De Sint-Kwintensberg, voor 1942 Sint-Pieters-Vrouwenstraat geheten of Vrouwestraat, vormt één van de oudste straten van de vroegere Sint-Pietersheerlijkheid en huidige Sint-Pieterswijk. De naam 'Sint-Kwintensberg' verwijst naar de Sint-Quintinuskapel (of Sint-Kwintenskapel) met bijhorende kluis die circa 1300 door Arnoldus van Zwijnaarde, toenmalige abt van de Sint-Pietersabdij werd opgericht ter hoogte van het einde van de Sint-Amandstraat, te lokaliseren in de omgeving van de huidige neogotische kapel. In de 15de eeuw verbleven er vrouwelijke religieuzen.

De Sint-Kwintenskapel werd in 1580 samen met de andere abdijgoederen geconfisqueerd. Van 1641 tot 1648 zou de Sint-Kwintenskapel bediend zijn door ongeschoeide karmelieten. Volgens een panoramisch zicht van 1641 op Sint-Pietersabdij en omgeving vanuit het zuiden, gemaakt door A. Sanderus, deed de Sint-Kwintenskapel zich voor als een éénbeukige kapel met dakruiter en veelzijdig koor aan de straatkant binnen een ommuurd terrein.

Na 1760 werd de kapel verlaten. Ze werd niet meer onderhouden en verviel. Op het plan van Gent door G. Goethals van 1796 werd naar zes kapellen in de stad met naam verwezen doch de Sint-Kwintenskapel is er niet op aangeduid. Het precieze tijdstip waarop ze werd gesloopt is niet bekend, maar ze was in ieder geval verdwenen toen in 1856 de bouwplannen klaar waren voor een nieuwe kapel boven op de Sint-Kwintensberg.

Sint-Pieterskapel

Joseph de Hemptinne liet bij de Sint-Pietersschool een kapel oprichten volgens plannen van 1855-56. De bouw van de school en kapel op de Sint-Pietersparochie gebeurde onder het voorzitterschap (1849-1859) van Joseph de Hemptinne van de Bijzondere Raad van het Sint-Vincentius a Paulogenootschap. De opdracht voor de bouw van de kapel vertrouwde hij toe aan J.-B. Bethune, voorman van de neogotische beweging in België. Deze laatste onderhield reeds vriendschapsbanden met de familie de Hemptinne vooraleer hij zich in 1859 te Gent vestigde. J.-B. Bethune was reeds in zijn voorgaande woonplaats Brugge lid van het Sint-Vincentius a Paulogenootschap aldaar. In 1859 volgde hij de Hemptinne als voorzitter van de middenraad van deze vereniging te Gent op. Jozef de Hemptinne zou een van de belangrijkste opdrachtgevers worden voor het artistieke werk van J.-B. Bethune.

Toen J.-B. Bethune de plannen tekende voor de kapel aan de Sint-Kwintensberg (1855-1856) stond hij volledig aan het begin van zijn carrière als zelfstandig architect en het betrof feitelijk binnen zijn architecturaal oeuvre zijn eerste officiële opdracht die hij volledig eigenhandig uitvoerde. De kapel bij de broedersschool aan de Sint-Kwintensberg was gerealiseerd (1857) voor de bouw van de congregatiekapel te Zottegem (plannen van 1858) en voor de voltooiing van het complex van Vive-Kapelle (1855-1867), beide eveneens architecturaal werk van Bethune. Afgezien van dit feit wordt dit eenvoudig kerkelijk bouwwerk binnen de architectuur van de Vlaamse neogotiek aanzien als een baanbrekend werk gesitueerd in de beginperiode van de rijpe neogotiek. Betekenisvol voor de kapel is dat het de aanzet vormt van de neogotische architectuur die teruggrijpt naar de baksteenarchitectuur van de vroeggotiek in de Scheldestreek en hierdoor aansluiting vond bij de eigen lokale bouwtraditie.

Joseph de Hemptinne diende in 1856 bij het Gentse stadsbestuur de aanvraag in voor de bouw van een kapel met sacristie op zijn eigendom in de toen zogenaamde Sint-Pieters-Vrouwenstraat. Baron J.-B. Bethune tekende verschillende bewaarde ontwerpen (1855-1856). Eén van de voorontwerptekeningen vermeldt "Chapelle de Saint-Pierre Gand 1855" en laat een éénbeukige kapel zien van slechts drie traveeën lang, eindigend op een driezijdig koor en voorzien van een dakruiter. Dit ontwerp vertoont merkbare overeenkomsten met de vroegere Sint-Kwintenskapel zoals weergegeven door A. Sanderus. Een inplantingsschets voor de kapel zoals ze uiteindelijk werd gerealiseerd met vlak afgesloten koor aan de straat in het verlengde van de beuk, geeft tevens de ligging weer van de al bestaande bijbehorende broedersschool. J. Helbig vermeldt de kapel als horend bij de "patronage Saint-Pierre". Volgens de bewaarde ontwerptekening bij de bouwaanvraag was rechts van de aan de straat palende oostelijke kapelgevel of ten noorden van het koor een sacristie gepland (thans verdwenen) en links was een gevelpoortje met spitsboogpoort voorzien (ter hoogte van de huidige toegangspoort naar de binnenplaats van de school).

Tot in 1917 werd de kapel als bidruimte voor de schooljongens gebruikt. In de jaren kort voordien werden er nog gebedsoefeningen voor jongens gehouden voor en na de activiteiten van het jongenspatronaat doch geen erediensten meer. Sinds omstreeks 1930 zou de kapel haar religieuze functie volledig verloren hebben en diende vanaf dan tot bergplaats. De centrale steekboogpoort in de straatgevel van de kapel zou dan waarschijnlijk gestoken zijn. De vzw 'D'Ou¬de Kapel', centrum voor dans en beweging, opgericht in 1976 nam vanaf dat jaar de kapelruimte in gebruik. Op initiatief van de vereniging werd de polychromie van het kapelinterieur vrijgelegd en geconserveerd door studenten van het Gentse Sint-Lucasinstituut. De kapel staat thans bekend als d'Oude Kapel en in de volksmond ook nog verkeerdelijk als de Sint-Kwintenskapel.

Beschrijving

Sint-Pietersschool

De voormalige lagere jongensschool en patronage van Sint-Pieters of patroonschap Piers de Raveschoot omvat een eenvoudig langgerekt gebouw bestaande uit een rechthoekige bakstenen vleugel van twee verdiepingen en achttien traveeën, onder een flauw hellend zadeldak, in 1995 voorzien van een nieuwe dakbekleding (zwarte polygum).

De blinde bakstenen achtergevel vertoont sporen die bevestigen dat een aanvankelijk kleiner schoolgebouw (bestaand in 1855) later (laatste kwart 19de eeuw) werd aangepast en uitgebreid. De gevel vertoont namelijk een verspringing in het gevelvlak en verschillen in metselwerk die daar op wijzen. De onderste bouwlaag van het oudste bouwvolume (middendeel) is verstevigd met steunberen.

De eenvoudige gewitte lijstgevel op de binnenplaats is regelmatig geritmeerd door twee registers van licht getoogde muuropeningen (vensters en deurvensters). De benedenverdieping is voorzien van een cementering met schijnvoegen. Over de volledige gevelbreedte bezit de gevel een doorlopende galerij geschraagd door slanke gietijzeren zuiltjes. Aanvankelijk bezat de galerij een overwelving met bakstenen troggewelfjes tussen ijzeren liggers zoals bewaard in de brede overbouwde doorgang van huis nummer 86 naar de binnenplaats. In 1989 werd deze overwelving vervangen door betonnen liggers; de oorspronkelijke decoratieve ijzeren leuning werd eveneens om veiligheidsredenen vervangen door een eenvoudige metalen buisleuning. De toegang tot de verschillende lokalen op de bovenverdieping kan slechts geschieden van buitenuit vanop de galerij. De ijzeren buitentrap ervan met zijn oorspronkelijke leuningen en hekwerk bleef bewaard. Het betreft een dubbele bordestrap die vanaf het eerste bordes overgaat in een enkele rechte steektrap.

De smalle rechter zijgevel van de school aan de Hippolyte Metdepenningenstraat is de enige aan de straat palende gevel van de school. Het betreft een stompe zijpuntgevel van twee traveeën die drie niveaus telt waarbij de onderste blinde verdieping overeenstemt met de kelder of onderbouw van de school. De smalle en hoge, bepleisterde en gewitte straatgevel vertoont horizontaliserende banden en lijstwerk. De verankerde kelderverdieping met twee lage blinde vensters is uitgevoerd in horizontale banden, de twee verdiepingen erboven met schijnvoegen. Drie gevelbrede vlakke friezen tussen fijne geprofileerde kordonlijsten boven elk van de opeenvolgende bouwlagen dragen nog duidelijke sporen van de volgende geschilderde opschriften: "PIERS DE RAVESCHOOT", "JONGENSPATROONSCHAP" en "LAGERE JONGENSSCHOOL". Een cirkelornament met geprofileerde omlijsting is deels ingeschreven in het verhoogd topstuk van de gevel.

Met uitzondering van de rechtertravee vormde de benedenverdieping van het schoolgebouw vroeger één doorlopende zaal met een toneelscène. In de afzonderlijke ruimte gevormd door de laatste travee bevindt zich een trappenhuis met keldertrap naar de kelderruimte onder de scène en een houten trap naar één van de bovenlokalen. De kelder bezit nog een noodtrap naar de binnenplaats afgesloten door een kelderluik in de galerij. De toneel- en turnzaal kon voorheen door twee rolluiken in drie afzonderlijke ruimten worden ingedeeld. Deze luiken zouden nog aanwezig zijn. De benedenverdieping is met uitzondering van de vroegere scène betegeld met zwarte en witte vierkante tegels diagonaal gelegd in dambordpatroon. De bovenverdieping is afgedekt door een afgeknotte geplafonneerde zolderkap met deels ziende gebint, namelijk met ijzeren trekstangen in dwars- en lengterichting aan hangende houten stijlen met schoren. In het plafond zijn nog sporen zichtbaar van vijf vroegere brede rechthoekige dakvlakvensters aan de voorzijde van het schoolgebouw.

Sint-Pieterskapel

De éénbeukige bakstenen kapel is vijf traveeën lang waarbij de oostelijke travee aan de straatzijde het vlak afgesloten koor vormde. In de langsgevels vertoont het koor geen vensters. De kapel is afgedekt door een leien zadeldak gevat tussen twee gelijkaardige puntgevels met natuurstenen topaflijning en hoge schouderstukken met ezelsrug.

Het bouwontwerp van de straatpuntgevel voorzag een geveltopafwerking met kruisbloemen en hogels en een bekroning met ijzeren kruis. De westgevel met oorspronkelijke kapelingang ziet uit op de binnenplaats. Oost- en westpuntgevel zijn van dezelfde vensteropeningen voorzien: drie gegroepeerde hoge lancetvormige spitsboogvensters met geaccentueerde dagkanten voorzien van kraalprofiel en knopkapiteeltjes onder de boogaanzet. Beide geveltoppen zijn middenin geopend met een sferische driezijdige oculus. De westgevel, begrensd door versneden steunberen, bewaart zijn centraal portaal gevormd door een spitsboogpoort afgewerkt met kraalprofiel en knopkapiteeltjes. De steekboogpoort in de straatgevel, de huidige toegang, dateert wellicht van circa 1930.

De langsgevels zijn geritmeerd door versneden steunberen en per twee gekoppelde lancetvensters. De steunberen van de zuidgevel zijn gedeeltelijk weggekapt; de vensters van dezelfde gevel zijn per travee afwisselend gedicht met metselwerk of voorzien van geblind glas. In de overbouwde doorgang is de dichtgemetste zuidelijke zijingang van de kapel (travee naast de koortravee) nog merkbaar in de vorm van een spitsboogvormige nis met brede afgeschuinde dagkanten.

Het interieur van de kapel bewaart zijn typisch neogotische decoratieve polychromie met onderverdeling van de wanden in horizontale registers door banden. De houten beplanking van het spitstongewelf is eveneens met geschilderde gestileerde motieven gedecoreerd. De vier spanten met houten makelaar en trekbalk met balksleutel worden geschraagd door korbelen op geprofileerde consoles. Het schragende gedeelte is wellicht een latere aanpassing of toevoeging. Kruising van gewelfgraten voorzien van vierlobbige gewelfschotels versierd met IHS-monogram. Een horizontale lijst met rozetten lijnt de aanzet van de gewelfbogen af. Verschillen in de wandpolychromie (kleur en motieven) geven de scheiding aan tussen het koor en de benedenkapel. Het onderste register van de wandbeschildering vertoont een typisch gordijnmotief. Een fries samengesteld uit verschillende gestileerde motieven (rankwerk, rozetjes, klimopblaadjes) vormt de scheiding tussen onder- en bovenregisters met een regelmatig patroon van imitatievoegwerk met rozetjes. De wanden van het koor zijn gedecoreerd met een ruitvormig patroon waarin leliesymbolen en mariamonogrammen aangebracht zijn. Karakteristiek voor deze neogotische polychromie is de accentuering van architecturale elementen zoals vensters. De dagkanten van de vensters met kraalprofiel en knopkapitelen zijn geaccentueerd door een polychromie met gevarieerde motieven waaronder vierpasjes. Ook de dagkanten van de gedichte zijingang is door vierpasmotiefjes gemarkeerd. Stilistisch is de polychromie sterk verwant aan realisaties van het gekende atelier Bressers waarmee Bethune samenwerkte.

De oorspronkelijke bevloering zou nog aanwezig zijn onder de huidige plankenvloer. De tegelvloer van het koor vertoont bladmotieven. Kenmerkend voor de tegelvloer in de benedenkapel is de accentuering van een middengang door een tegelpatroon.

Er is geen kapelmeubilair meer voorhanden in de vroegere bidplaats. Baron J. Bethune ontwierp in 1858 voor de kapel eveneens een altaar en drie glasramen die thans niet meer aanwezig zijn in de kapel. Beeldhouwer M. Abeloos zou circa 1859 het altaar geleverd hebben.

  • Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DOoo2074, Sint-Pietersschool en -kapel (S.N., 1998)

Bron: -

Datum tekst: 2015

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Sint-Kwintensberg

Sint-Kwintensberg (Gent)

is gerelateerd aan Ensemble van neogotische burgerhuizen met schoolpoort

Sint-Kwintensberg 86-90, Gent (Oost-Vlaanderen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.