erfgoedobject

Domein Zuurbemde

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 300812   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300812

Juridische gevolgen

  • is deel van de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Dorpskern Glabbeek-Zuurbemde
    Deze bescherming is geldig sinds 03-07-1981

Beschrijving

Landhuis uit 1858 met hoefijzervormig grondplan omgeven door park in landschappelijke, 'arcadische' stijl, vanaf 1850 aangelegd over 9 hectare; na 1900 versnippering van het domein en vernietiging van de westelijke helft van de parkaanleg; restanten van originele beplanting(zilver­esdoorns). IJskelder, mogelijk opgetrokken in 1850-1860.

Wederopbouw van een dorpskasteel

Edmond-Charles de la Coste bouwde rond 1850 een riant landhuis op 400 meter ten zuiden van de dorpskern van Zuurbemde, aan de noordrand van de Velpevallei. De la Coste (1788-1870), telg uit een oude, uit Genua afkomstige familie die zich aan het einde van de 15de eeuw in de Lage Landen had gevestigd, was in 1815 getrouwd met een dochter van de laatste heer van Zuurbemde en had onder Napoleon I en het koninkrijk der Nederlanden belangrijke functies bekleed, onder meer als provinciegouverneur van Antwerpen en als minister van Binnenlandse Zaken. Na de Belgische onafhankelijkheid was hij achtereenvolgens senator, volksvertegenwoordiger en, in 1846, kortstondig provinciegouverneur van Luik. Ook op literair gebied was hij actief, onder meer als anonieme auteur van een roman, en als historicus. Bij zijn dood in 1870 bezat Edmond de la Coste in Glabbeek-Zuurbemde 137 hectare, dit is nagenoeg één vijfde van het (voormalige) gemeentelijke grondgebied. De site die hij uit zijn vele bezittingen uitkoos als bouwplaats viel ongeveer samen met de plek waar ooit het feodale slot stond dat de kern vormde van het leen Zuurbemde. Dit slot was al minstens twee eeuwen verdwenen, want rond 1650 was er alleen nog het toponiem, de oude castrale motte, wat puin, een huis en een schuur. De keuze van de plaats was dus misschien niet alleen gebaseerd op landschappelijke overwegingen, maar ook symbolisch geladen.

De nieuwe villa van de la Coste, omringd door circa 9 hectare park ("plaisierhof" in de kadastrale legger), brandde enkele jaren later af. In 1858-1860 werd op de ruïnes van het eerste gebouw een aanzienlijk grotere villa met kasteelallures opgetrokken, die vrijwel onveranderd bewaard bleef. Uit de kadastrale documenten kan worden afgeleid dat eerst de oude villa werd heropgebouwd, die vervolgens van twee grote gebogen zijvleugels met koppaviljoenen werd voorzien. De kaart van Popp toont het hoefijzervormige grondplan. Het geheel werd opgetrokken uit baksteen met overvloedig gebruik van witte zandsteen (hoekkettingen, lijstwerk, plinten en sokkels, gebogen terrasuitbouw, balustrades) en, in mindere mate, ook arduin (lateien, kordons, pilasterbasementen en -kapitelen). De middenvleugel kreeg een sterk uitgebouwd risaliet met gelijkvloerse rondboogarcaden en een afgeknot schilddak, eertijds (zie oude ansichtkaarten) bekroond door een belvedère met een (nu verdwenen) stenen balustrade. In de symmetrisch uitgebogen zijvleugels flankeren rondboognisjes met siervazen de toegangen. De verdiepingen zijn geritmeerd door pilasters en afwisselend brede en smalle vensters met fraaie roedeverdeling. De linker zijvleugel werd door recente verbouwingen gedeeltelijk verminkt. Risalieten met Palladiaans geïnspireerde deurtraveeën, en de voorgevels onder driehoekige frontons, typeren de koppaviljoenen. De oorspronkelijke achterzijde (nu voorzijde) werd soberder uitgewerkt met toch enkele interessante details, onder meer de getoogde spaarvelden tussen pilasters waarin de benedenvensters werden aangebracht, en de sierlijke smeedijzeren consoles van de luifel boven de toegangsdeur van de middenvleugel.

Rond 1880 werd het complex van dienstgebouwen aan de noordrand van het domein nog uitgebreid met een "werkhuis", een broeikas en twee stuks "vogel[v]lucht", waarschijnlijk volières want op de mutatietekening van 1878 ziet men op korte afstand van elkaar twee gebouwtjes met respectievelijk een vierkant en een zeshoekig grondvlak. Niet zichtbaar op de kadasterkaarten maar nog aanwezig en – naar het metselwerk te oordelen – mogelijk opgetrokken in 1850-1860, is een ijskelder: een cilindervormige bakstenen constructie met een diameter van 4 meter.

Wijzigingen in het aanlegconcept

De opeenvolgende militaire topografische kaarten (1864, 1893, 1908, 1930) geven pas in 1930 het kasteelgebouw correct weer. Enige omzichtigheid is dus geboden bij de interpretatie van het nogal fluctuerende beeld dat deze kaarten van het park geven, zeker wat de details betreft. De veelbelovende beschrijving die Wauters in 1882 – Edmond de la Coste is al twaalf jaar dood en het domein wordt bewoond door zijn zoon Paul-Alexandre – geeft van het domein ("belles avenues... 12 hectares de pelouses, de massifs d'arbres") is momenteel nauwelijks herkenbaar. Opmerkelijk in de huidige situatie is dat het kasteel aan de rand ligt van het park en naar het westen uitkijkt over een onopgesmukt landschap van akkers en weiden. Dit is de concave, meest monumentale zijde van het kasteel, die hierboven werd beschreven; langs deze zijde zou men het zwaartepunt van de tuinaanleg verwachten. Het huidige park ligt als het ware aan de achterdeur. Het onooglijk kasseitje dat momenteel vanuit het noorden naar het kasteel leidt is een allesbehalve riante toegangsdreef.

Op de topografische kaarten – vooral op de oudste (1864) – is duidelijk te zien dat een substantieel gedeelte van het park van de la Coste ten westen van het kasteel lag. De hoofdtoegang bevond zich aan de Broekstraat (nu Ruiterij genoemd). De toegangsdreef was niet rechtlijnig maar slingerde 'pittoresk' naar het kasteel toe, door een langgerekte (400 meter lange) ruimte heen die gestoffeerd was met bomengroepjes en solitaire bomen of struikmassieven en afgezoomd door enerzijds het grote bosperceel langs de Velpe – het Primitieve perceel 186, "den grooten bosch" in de kadastrale legger – en, anderzijds aan de kant van het dorp, door een smalle, nieuw aangeplante strook, in de kadastrale legger omschreven als boomkwekerij (duidelijk zichtbaar op de kaarten van 1864 en 1893). Eenmaal buiten het park, vanaf de Broekstraat, koerste de dreef na een weidse bocht tussen velden en weiden linea recta naar de pas aangelegde steenweg Tienen-Diest. Uit de kadastrale bescheiden blijkt echter dat de toegangsdreef die Edmond de la Coste in 1849-1850 bij de bouw van het eerste kasteeltje had aangelegd, recht op het kasteel toeliep (perceel 184b op de kaart van Popp). Het idee om de toegangsdreef binnen het park te laten slingeren dateert dus van na de brand en werd uitgevoerd naar aanleiding van de wederopbouw. Dit duidt ongetwijfeld op een verandering in het aanlegconcept en in de smaak van de eigenaar.

De ruimte aan de achterzijde (noordoostzijde) van het kasteel was eveneens door hoogstammig groen omgeven, gedeeltelijk (langs de kant van de Velpe) door het reeds vermelde 'grooten bosch', gedeeltelijk door nieuw aangeplante singels. De verleiding is groot (maar te weerstaan) om in de spoelvormige vijver die deze ruimte beheerst een recyclage te zien van de oude castrale motte, want op de topografische kaarten van 1864 en 1894 wordt een relatief groot eiland ingetekend. De toegangsweg liep rakelings langs het kasteel, via een kleine boomgaard, dook even weg in de nieuwe hoogstammige beplanting en verdween ten slotte in de 'grooten bosch', voortdurend vertakkend, uitbundig lussen en serpentines vormend.

De arcadische ambiance werd versterkt door vier groepen van drie Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'), die omstreeks 1900 al aanzienlijke afmetingen hadden bereikt, zoals blijkt uit een ansichtkaart (die met de vijver op de voorgrond) die de datum 1904 draagt maar vermoedelijk een oudere opname weergeeft. Ongeveer op dezelfde plaats staan momenteel nog Italiaanse populieren met 3 meter stamomtrek. Ze stonden (en staan nog steeds) symmetrisch opgesteld achter het kasteel en vormden als het ware het onmiddellijke decor. Door de halvering van het park in 1901 en de heroriëntering van de aanleg (zie verder), is het theatrale van deze opstelling minder evident geworden. Links op deze ansichtkaart zien we nog een groep zilveresdoorns (Acer saccharinum), momenteel met stamomtrekken tot 4,53 meter, die eveneens tot de door Edmond de la Coste uitgevoerde beplantingen behoren en een idee geven van de wijze waarop het westelijke (nu verdwenen) gedeelte van het park was aangekleed. Het werk van de gebroeders Denis en Eugène Bühler vormde waarschijnlijk een belangrijke inspiratiebron voor de (vooralsnog onbekende) ontwerper: genereus kronkelende paden, enorme grasvlakten spaarzaam bezaaid met homogene groepjes bomen (in dit geval witte esdoorn) en een heterogene randbeplanting.

Levensvreugd in Arcadia

In 1901, na het overlijden van Thérèse, de laatste de la Coste, werd het domein verkocht aan verschillende eigenaars. Alle sporen van parkaanleg aan de monumentale zijde (ten zuidwesten) van het kasteel verdwenen volledig; deze zone werd opnieuw ongerept landbouwgebied. Het kasteel werd in dienst genomen als weeshuis en maakte samen met de bijgebouwen en de resten van het park nog slechts 10 hectare uit. De sociale functie van het gebouw bleef sindsdien behouden: omstreeks 1965 werd er een rustoord in gevestigd, "Levensvreugd", recentelijk omgedoopt tot "Arcadia", een wellicht onbewuste hommage aan de visioenen van Edmond de la Coste. Het 'grooten bosch', dat niet meer bij het kasteel hoorde, werd nog geruime tijd als "lustgrond" omschreven en ook nu nog zijn de slingerpaden van de la Coste herkenbaar. De volières, de broeikas en het werkhuis werden afgebroken en in 1907 werd voor de wezen en oog in oog met de monumentale façade van het kasteel een groot nieuw "werkhuis" gebouwd, dat gelukkig al in 1914 werd afgebroken. In datzelfde jaar werd het kasteel gedeeltelijk door brand vernield.

Toch viel niet alle belangstelling voor het resterende gedeelte van het park weg. De vijver werd hergraven: het eiland verdween (maar zal later weer worden aangelegd) en de versmallende uiteinden van de spoelvorm maakten plaats voor een brede gebogen uitloper die aan de rand van het 'grooten bosch' in een lob eindigt. Over het smalste gedeelte werd een recht brugje met een smeedijzeren balustrade gebouwd. Aan de zuidoostelijke oever werd een belvédère aangelegd in de vorm van een tussen zomerlindes oplopend pad en een klein terras; van daaruit kon de weerspiegeling van het kasteel in de vijver bewonderd worden. In diezelfde omgeving, evenwijdig met een dreefje zomereiken dat in het verlengde van het kasteel de grens vormt met het gerooide gedeelte van het park, bevindt zich een moeilijk te duiden element dat vermoedelijk ook na de verdeling van het domein werd aangelegd: een lijnrecht 'kanaal' van ongeveer 100 meter lang en 2 tot 3 meter breed met een uitstulping in het midden. Verspreid over het park komen platanen (Platanus x hispanica), Amerikaanse eiken (Quercus rubra), zilveresdoorns met ingesneden blad (Acer saccharinum 'Laciniatum') en zomerlindes (Tilia platyphyllos) voor, bomen met stamomtrekken tussen 2 en 3 meter, die na 1900 werden aangeplant. In de nog jongere aanplantingen vinden we twee rariteiten: eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia') en – omringd door veel wortelopslag – Cappa­do­ci­sche esdoorn (Acer cappadocicum).

Bij de recentste aanplantingen werd vooral geput uit zeer courante soorten: blauwe atlasceder (Cedrus atlantica 'Glauca'), Japanse sierkers (Prunus serrulata 'Kanzan'), zoete kers (Prunus avium), Prunus cerasifera 'Nigra', Juniperus virginiana 'Skyrocket'... Het bos bezit een vrij authentieke bosflora met bosanemoon (Anemone nemorosa), schaduwkruiskruid (Senecio ovatus), slanke sleutelbloem (Primula elatior), boskortsteel (Brachypodium sylvaticum), groot heksenkruid (Circaea lutetiana), boszegge (Carex sylvatica), muskuskruid (Adoxa moschatellina) enzomeer. Storend is het plantsoentje dat recentelijk werd aangelegd op de esplanade voor de huidige ingang, waardoor het uitzicht op het kasteel vanuit het park wordt gehinderd.

Merkwaardige bomen (Het cijfer in vet geeft de stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte op 17 juni 1998)

  • 11. Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) 150
  • 14. eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia') 170
  • 19. zilveresdoorn (Acer saccharinum) 443
  • 20. zilveresdoorn (Acer saccharinum) 453
  • 21. zilveresdoorn (Acer saccharinum) 428
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Glabbeek-Zuurbemde 1850.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger Glabbeek-Zuurbemde, art. 935, nr. 4.
  • Anselme Adorne, sire de Corthuy: pèlerin de Terre-sainte, sa famille, sa vie, ses voyages et son temps, récit his­tori­que, Muquardt, Bruxelles, 1855, 383 p.
  • La noblesse belge. Annuaire de 1900 (I), Bruxelles, Veuve Monom, 1903.
  • Le pas-d'armes de Villers-sur-Lesse, Société typographique belge, Bruxelles, 1840, 284 p.
  • JELLICOE G. e.a., The Oxford companion to gardens, Oxford, New-York, Oxford University Press, 1986, p. 79-80.
  • POPLIMONT Ch., La Belgique héraldique (tome III), Bruxelles, 1866, p. 427-441.
  • WAUTERS A., Géographie et histoire des communes belges. Arron­dissement de Louvain – canton de Glabbeek, Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1882), 1963, p. 10-11.

Bron     : DENEEF R., 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Mondelaers, Lydie, Wijnant, Jo
Datum  : 2004


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Domein Zuurbemde [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300812 (Geraadpleegd op 04-06-2020)