Sociale woonwijk Egelsvennen

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ bouwkundig geheel

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Mol
Deelgemeente Mol
Straat Egelsvennen
Locatie Egelsvennen 1-141, 2-140, Egelsvennen 151-189, 190-204, Egelsvennen 250-309, 318-338 (Mol)
Status (deels) bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Sociale woonwijk Egelsvennen

Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019.

Beschrijving

Laagbouw structuralistische parkwijk ontworpen door de Molse architect Leo Verbist, die aanleunde bij de architecten van de Turnhoutse School. De bebouwing kwam tot stand in een viertal bouwfasen tussen 1968 en 1981. De groenaanleg is een ontwerp van Henri Carlier.

Bouwgeschiedenis

In de jaren 1960 tot 1980 realiseerde Verbist in opdracht van de Molse Bouwmaatschappij voor de Huisvesting twee opmerkelijke woonwijken die geïnspireerd zijn op het toenmalig Scandinavisch modernisme. De eerste was de wijk Egelsvennen (1968-1981) en later volgde nog de wijk Keirlandse Zillen (1984). Beide wijken getuigen van een opvallend stedenbouwkundig plan en een opmerkelijke architecturale vormgeving. Wijk Egelsvennen won in 1973 de Prijs van de “mooiste wijk van België”.

De vroegste uitbouw van de wijk vatte aan in het zuidelijk deel, meer bepaald met de realisatie van 75 woningen en 85 garages, naar ontwerpplannen van 1966-1967 en uitgevoerd vanaf 1968 onder leiding van aannemer Gebroeders Geenen (Kwaadmechelen). Volgens bouwplannen van 1971 en 1973 volgde de verdere uitbouw van de wijk met respectievelijk 53 en 12 woningen. Bij de bouwaanvraag van 1973 waren twee inplantingsplannen gevoegd, gedateerd 1966, waarbij op het ene plan behalve de 140 op dat moment uitgevoerde, geschakelde laagbouwwoningen, drie torengebouwen in het noorden van de wijk waren voorzien die in totaal 108 appartementen zouden bevatten. Het andere plan voorzag vier torens met samen 100 appartementen. De noordgrens van de wijk werd volledig afgelijnd door garages. In de wijk waren volgens het inplantingsplan immers 184 garages voorzien (gegroepeerd en individueel), evenals openlucht- en overdekte parkings met nog 44 parkeerplaatsen. De torengebouwen werden echter niet gerealiseerd. In 1977 ontwierp Verbist de noordelijke voltooiing van de wijk met 15 gelijkaardige, geschakelde woningen en 18 garages. De homogeniteit van de bebouwing is verstoord door nieuwbouwwoningen die enkele jaren geleden ten noorden van de wijk werden gebouwd (nummers 142-154, 310-317).

Beschrijving en typering

De wijk Egelsvennen illustreert treffend een aantal verschuivingen in de ‘parkwijkgedachte’. In de ‘golden sixties’ maakte het model van de rationele gemengde ontwikkeling plaats voor een laagbouwmodel, dat eerder geïnspireerd was door Scandinavische en Zwitserse wijkmodellen. In de plaats van strokenbouw werden steeds vaker andere schakelwijzen toegepast, zoals geschrankte rijtjeshuizen of dichte schakelingen van patiowoningen. Een nieuw gegeven, passend binnen de nieuwe tijdgeest, is dat de woningen meestal voorzien werden van een kleine private buitenruimte, en vaak ook van een individuele garage. Daarmee werd ingespeeld op het toenemende autobezit en op de tendens naar individualisering en het zoeken naar een ‘levendige’ vormgeving, die in de loop van de jaren 1960 steeds sterker werden. De zaagtandvorm werd vaak toegepast om aan elke woning een eigen individualiteit te geven en het visueel beeld van de wijk te verlevendigen. Scandinavische wijken, zoals het wooncomplex van Arne Jacobsen in Søholm en Terraserne in Fredensborg (1959-1962) van Jørn Utzon, golden daarbij als voorbeeld.

Inplanting en groenaanleg

De wijk Egelsvennen is gelegen in Achterbos, een groen gehucht ten noordwesten van Mol. Achterbos vormde een aantrekkingspool voor het nabijgelegen industriële Donk en ontwikkelde zich hierdoor tot woongebied. Parkwijk Egelsvennen wordt gekenmerkt door een ingenieuze getrapte schakelingen van compacte (patio)woningen, die als geschrankte kettingen in het bos zijn gelegd en die collectieve hoven afbakenen waarop de woonkamers uitgeven. Woning en perceel zijn één, aangezien elke bewoner beschikt over een intieme patio die door een tuinmuur en de muren van de buren wordt afgeschermd. Deze inplanting garandeert dus zowel een dense schakeling en bewoningsdichtheid, evenals voldoende privacy. De wijk wordt ontsloten door een wijkweg, waarvan doodlopende dienstwegen (pijpenkoppen) aftakken naar de woningen. De garages van de bungalows zijn voorzien in rijen in de rand van de wijk, terwijl de tweelaagse woningen beschikken over gekoppelde garages aan de straatzijde van de percelen. De inplanting en het stratenpatroon getuigt van het Radburn-principe, meer bepaald met toegangen van de woningen aan de zijde van de keukens gericht naar de collectieve groenzones en aldus de voetgangersgebieden, in combinatie met de straten die hoofdzakelijk de ontsluiting van garages voorzien, maar eveneens een toegang garanderen van de woningen en de patio’s.

De wijk laat zich lezen als een Gesamtkunstwerk, met een geïntegreerd ontwerp van architectuur, stedenbouwkundige inplanting en groenaanleg. Ook de integratie in het landschap is essentieel. De wijk is ingeplant op een terrein beplant met grove en Oostenrijkse den. De wijk wordt gekenmerkt door hagen en massieven van mahoniestruik, veldesdoorn, klimhortensia, zuurbes, bolhortensia, vuurdoorn, scherpe hulst, dwergden, sneeuwbes, hertshooi, kamperfoelie, forsythia, bruinbladige zuurbes, laurierkers, scherpe en Japanse hulst, Japanse dwergkwee, dwergmispel, rode kornoelje, lavendel, spierstruik, palmboompje, rododendron en seringen. Centraal in de wijk bevindt zich een heuvel met bezembrem.

Architectuur

Egelsvennen bestaat uit laagbouwwoningen, die typische voorbeelden zijn van het experimentele type van de patio- of tuinkamerwoning, en opgevat zijn als modernistische bungalows en woonhuizen met twee bouwlagen, onder platte daken afgedekt met roofing. De daken worden gemarkeerd door strakke bakstenen schouwvolumes, bekroond met een geopend betonelement. De gevels zijn uitgevoerd in zichtbaar metselwerk (volgens de bouwplannen echter bedoeld om te beschilderen), en worden bovenaan afgelijnd door de zichtbare betonconstructie van het platte dak. Hierdoor sluiten de woningen aan bij het brutalisme. De betonband is in sommige gevallen geschilderd. De lage tuinmuren en garages worden gekenmerkt door een gelijkaardig materiaalgebruik als de woningen. Het karakter van de wijk is beperkt aangetast door individuele aanpassingen van het oorspronkelijk metalen schrijnwerk van de vensters, de vernieuwing van toegangsdeuren en garagepoorten, evenals de aanpassing van enkele tuinmuren en patio’s.

De planindeling van de woningen in de wijk gaat volgens de bouwplannen terug op zes types, herleidbaar tot vier hoofdtypes, namelijk drie types bungalows en één type woning met twee bouwlagen. De bungalows zijn voorzien voor twee personen (types 1 en 2), vijf personen (type 3) of voor bejaarde koppels (type 4). Het plan van de bungalows bestaat over het algemeen uit een volume met twee verspringende onderdelen en een quasi L-vormige plattegrond, waarbij de overige hoek ingevuld is met een ommuurde tuintje met toegangspad tot de voordeur. Het terugspringende volume bestaat uit het nachtgedeelte met één, twee of drie slaapkamers, verbonden met een kleine badkamer. De inkomhal leidt anderzijds naar het daggedeelte met woonkamer en keuken. De keuken is voorzien van een achterdeur met toegang tot de gemeenschappelijke groenzone. Elke bungalow bezit een bergplaats gesitueerd in de kop van het volume, ofwel enkel van buiten toegankelijk (types 1, 2, 3) ofwel geïntegreerd in de woning (type 4). De woningen met twee bouwlagen (types 5 en 6) zijn voorzien voor zes personen en zijn eveneens patiowoningen. De woning wordt voorafgegaan door een ommuurde voortuin, om de ene woning afgeschermd aan de straat door gekoppelde garages. Aan de zijde van de private tuin bevindt zich volgens de bouwplannen de inkomhal met toilet en traphal, die toegang biedt tot de woonkamer en vervolgens de keuken, die beide aan de achterzijde uitkijken op de collectieve groenzone. De keuken is voorzien van een achterdeur. Op de bovenverdieping bevinden zich drie slaapkamers en een badkamer.

De woningen werden voorzien van modern comfort, meer bepaald een geïnstalleerde keuken met gootsteen in roestvrij staal en ingebouwde kasten, en een badkamer voorzien van toilet, ligbad en wastafel. Elke woning beschikte eveneens over een vestiaire in de inkomhal en een kleine stookruimte. De in licht gewapend beton uitgevoerde vloerconstructie was bekleed met linoleum, terwijl de muren en plafonds werden bepleisterd en het binnenschrijnwerk uitgevoerd werd in hout. De huidige toestand van de interieurs is onbekend.

Evaluatie

Deze wijk werd binnen de thematische inventarisatie van het sociale woningbouwpatrimonium zeer hoge tot uitzonderlijke erfgoedwaarde toegekend (top van de selectie).

Egelsvennen is een uitzonderlijk voorbeeld van een experimentele parkwijk met opvallende patiowoningen, gekenmerkt door een sterke samenhang van de stedenbouwkundige inplanting, architecturale vormgeving en groenaanleg. De wijk vormt een goed bewaard, herkenbaar geheel en bezit een hoge stedenbouwkundige en architecturale waarde.

Bepalende erfgoedelementen zijn de circulatiepatronen (aanleg met scheiding auto- en voetgangersverkeer volgens Radburn-principes, en garages in de rand van de wijk), de kenmerkende inplanting (woningen getrapt geschakeld) met een duidelijke overgang tussen private en publieke ruimte (ommuurde patio’s), evenals de opvallende groenaanleg en landschapsarchitectuur met ruime collectieve hoven. Architecturaal wordt de erfgoedwaarde bepaald door een sterke eenvormigheid van de woningen op het vlak van schaal (laagbouw), type (patiowoningen), materialiteit (zichtbare baksteenarchitectuur met betonelementen), stijl (modernisme met brutalistische kenmerken) en vormgeving en silhouet (strakke volumes onder platte daken met gemarkeerde schouwen).

  • Gemeente Mol, Dienst Ruimtelijke Ordening, bouwdossiers, 1971/18, 1973/29 en 197/22.
  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 1230, Mol, Egelsvennen.
  • KENNES H. & STEYAERT R. 2002: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Turnhout, Kanton Mol, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 16N5, Brussel - Turnhout.
  • S.N. 1972: Enkele realisaties van de N.M.H., Mol, Wonen (Tijdschrift uitgegeven door het Nationaal Instituut voor de Huisvesting) 55-56, 47-49, 59.
  • S.N. 1997: Monografieën erkende bouwmaatschappijen, in: S.N., Bouwstenen van sociaal woonbeleid ’45-‘95. De VHM bekijkt 50 jaar volkshuisvesting in Vlaanderen. Deel 2, Brussel, 60-147, 72-73.
  • VAN HERCK K. 2012: Wonen in een park: sociale woningbouw in de golden sixties, in: DE BONDT Y. en STRAUVEN F. (ed.), Architectuur in de golden sixties. De Turnhoutse School, Tielt, 229-244.
  • Informatie over groenaanleg verkregen van Herman van den Bossche (18 juli 2016).

Bron: -

Auteurs: Van Herck, Karina & Verhelst, Julie

Datum tekst: 2016

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Achterbos

Mol (Mol)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.