erfgoedobject

Stadswoning Den Lusthoff

bouwkundig element
ID: 42432   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/42432

Juridische gevolgen

Beschrijving

In 2001 als monument beschermd 16de-eeuws gebouwencomplex in zogenaamde bak- en zandsteenstijl dat gevormd wordt door een hoofdpand en een achterhuis, een kleine binnenplaats en een ommuurd tuintje.

Het hoofdpand is een diepgericht enkelhuis dat een rechthoekig grondplan beschrijft, met drie bouwlagen, onder een leien zadeldak dat is gevat tussen een trapgevel aan de straat- en een tuitgevel aan de achterkant.

De rijk uitgewerkte, verankerde voorgevel omvat een zandstenen, kwarthol geprofileerde plint en drie traveeën, en loopt uit in een tweeledige geveltop met overhoeks geplaatste, afgeknotte pinakels. Typerend zijn de veelvuldig aangebrachte speklagen van zandsteen die voor een horizontale geleding van de gevelwand zorgen. De huidige vensters, die de voormalige kruisvensters vervangen, zijn telkens vervat in een zandstenen, ingediepte of kwarthol geprofileerde omlijsting met hoek- en negblokken en gekoppelde ontlastingsboogjes. In de geveltop zijn een rondboogvenster en twee kleine, rechthoekige vensters met elkaar verbonden door een sterk geprofileerde waterlijst. Onder een balkgat in de top bevindt zich ten slotte nog een derde kleine vensteropening. De toegangsdeur van het hoofdhuis bevindt zich in de rechtertravee. De 19de-eeuwse, dubbelvleugelige paneeldeuren zijn in neoclassicistische stijl vormgegeven, terwijl het waaiervormig bovenlicht uit de 18de eeuw dateert. Het geheel is gevat in een 18de-eeuwse, hardstenen en spiegelboogvormige deuromlijsting met imposten en neuten, onder een gebogen kroonlijst met gestrekte uiteinden. De sluitsteen van de omlijsting is gedecoreerd met een typisch bladmotief en in de zwikken verrijken gesculpteerde rocailles de overigens vrij sobere Lodewijk XV-ornamentiek.

Anders dan de gevel aan de straatkant is de gedeeltelijk zichtbare achtergevel van het hoofdpand soberder uitgewerkt. Aandak, schouderstukken op geprofileerde kraagstenen en muurvlechtingen zijn bewaard, evenals drie voormalige kloosterkozijnen in een zandstenen omlijsting met hoek- en negblokken.

Het achterhuis sluit in westelijke richting aan op het hoofdpand. In tegenstelling tot het hoofdvolume gaat het hier om een tweelaags breedhuis onder een vernieuwd pannen zadeldak, dat is gevat tussen zijtuitgevels met aandak, muurvlechtingen en schouderstukken op geprofileerde kraagstenen.

De gang die het hoofdpand met het bijhuis verbindt, onttrekt de oostgevel van het bijhuis grotendeels aan het oog. De verankerde westgevel is vanuit het bijbehorende stadstuintje wel zichtbaar en telt twee traveeën. Net als in de voorgevel van het hoofdpand zijn ook hier de natuurstenen omlijstingen van de voormalige kruisvensters bewaard. Boven de vensters van de eerste verdieping zitten steigergaten. De zijgevels ten slotte zijn nagenoeg blind, op twee kleine en getoogde vensters in beide geveltoppen na.

Interessant is de vraag welke functie dit achterhuis oorspronkelijk had. Uit een onderzoek naar het Nederlandse woonhuis dat in 1969 werd verricht, blijkt dat achterhuizen in de 16de-eeuwse Noordelijke Nederlanden vrij regelmatig voorkwamen. Wanneer het daarbij niet om een losstaand gebouw ging maar, zoals ook hier het geval is, om een bijhuis dat door een gang op het hoofdpand aansloot, werd dit type bijbouw veelal als keuken gebruikt.

Het interieur van het hier besproken 16de-eeuwse gebouwenarsenaal kenmerkt zich door een bijzonder klare "planopbouw". In het hoofdpand bestaat elke verdieping telkens uit een voor- en een achterkamer, die op de begane grond onderling zijn verbonden, maar op de bovenverdiepingen enkel via een noordelijk gelegen gang toegankelijk zijn. In het achterhuis bestaat elke verdieping uit één ruime kamer. Voor beide panden verbindt een hoofdtrap, die in het verbindingsstuk tussen hoofd- en bijhuis is aangebracht, de verschillende verdiepingen. Om de lichte niveauverschillen tussen de verdiepingen van beide panden te "overbruggen", zijn bijkomend kleinere trapjes ingebouwd.

Opmerkelijk zijn de goed bewaard gebleven interieurelementen die teruggaan tot de bouwperiode van beide huizen. Zo zijn er onder meer de gedeeltelijk zichtbare 16de-eeuwse dakconstructie en, alleen voor het hoofdpand, de draagstructuur met troggewelfjes die nog zichtbaar zijn in de gang en in de achterkamer van de eerste verdieping. Bovendien zijn in het hoofdhuis nog vier laatgotische haarden bewaard, waarvan enkel de schouw in de voorkamer van de tweede verdieping niet is ingekast. De schouw is er uitgebouwd tegen de binnenmuur en bestaat uit een boezem in metselwerk die rust op een eiken schouwbalk en eenvoudig geprofileerde platen en wangen van natuursteen. Hoewel de overige drie haarden momenteel zijn bepleisterd en gedeeltelijk achter een inkasting zijn verborgen, doet het profiel vermoeden dat het hier om dezelfde exemplaren gaat.

Uit het midden van de 18de eeuw dateert het fraaie stucwerk dat op de plafonds van beide kamers in het achterhuis is aangebracht. Het best bewaard is het stucwerk van de bovenverdieping, waar zich aan weerszijden van een omstucte moerbalk op sloffen en consoles - de bestaande draagconstructie werd op die manier in het stucwerk opgenomen en zelfs licht geaccentueerd - telkens een plafondvlak bevindt. In de manier waarop het geheel is geconcipieerd en in de aard van de ornamentiek is de rococostijl merkbaar. De overgang van het wand- naar het plafondvlak wordt hier benadrukt door een geprofileerde kroonlijst. De lege plafondspiegels worden vervolgens omkaderd door twee licht geprofileerde, in- en uitzwenkende lijsten die op enige afstand van elkaar zijn aangebracht. De binnenste lijst is opgesmukt met sierlijke en gevarieerde rocaillemotieven.

De algemene karakteristieken van het stucwerk op de eerste verdieping zijn ook herkenbaar in dat van de begane grond. Door eind-19de-eeuwse aanpassingen is hier de oorspronkelijke opzet en lichtheid echter gedeeltelijk verloren gegaan. De moerbalk en een tamelijk brede omranding van beide plafondvlakken zijn overgeschilderd in een donkerbruine kleur. Bovendien zijn ook de zijkanten van de schouwmantel in deze kleur geschilderd en gedecoreerd met gestileerde, florale motieven in goudkleur.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg Vlaams-Brabant, Archief Monumenten en Landschappen: beschermingsdossier (02.04.1982 en 19.04.2001).
  • HALFLANTS J., Merkwaardige huizen in de Parijsstraat, in Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Leuven en Omgeving, 6, Leuven, 1966, p. 198-201.
  • HALFLANTS J., Notes sur les anciennes façades de Louvain: la fenêtre à croisillons, in M.G.O.K.L.O., 1963.
  • MEISCHKE R. en ZANTKUIJL H. J., Het Nederlandse woonhuis van 1300-1800. Vijftig jaar vereniging "Hendrick De Keyser", Haarlem, 1969.
  • MEULEMANS A., Atlas van Oud-Leuven, Leuven, 1981.
  • IDEM, De Parijsstraat, in M.G.O.K.L.O., 6, Leuven, 1966, p. 151-197.
  • PEETERS M., Gids voor oud Leuven, Antwerpen-Bussum, 1983.
  • UYTTERHOEVEN R., Leuven weleer 5. Naar de Biest en tot aan de Westhelling: Brusselsestraat, Kapucijnenvoer, Fonteinstraat,...., Leuven, 1989.
  • FRELING WIJNAND V.J., Stucwerk in het Nederlandse woonhuis uit de 17e en 18e eeuw, Leeuwaarden-Mechelen, 1996.

Bron     : Mondelaers Lydie & Verloove Clara i.s.m. Van Roy Diane, Van Damme Marjolijn en Meulemans Katharina. 2009. Inventaris van het bouwkundig erfgoed. Provincie Vlaams-Brabant. Leuven binnenstad. Herinventarisatie. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. VLB2 (onuitgegeven werkdocument)
Auteurs :  Mondelaers, Lydie, Verloove, Claartje
Datum  : 2009


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Stadswoning Den Lusthoff [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/42432 (Geraadpleegd op 12-08-2020)