Instituut voor Tropische Geneeskunde Prins Leopold

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Nationalestraat
Locatie Nationalestraat 155, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Antwerpen (actualisaties: 05-01-2006 - 05-01-2007).
  • Adrescontrole Antwerpen (adrescontroles: 23-07-2007 - 23-07-2007).
  • Herinventarisatie stad Antwerpen architectuur 20ste eeuw (thematische inventarisatie: 01-01-2015 - 31-12-2019).
  • Inventarisatie Antwerpen (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1992).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Instituut Tropische Geneeskunde Prins Leopold

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als monument Instituut Tropische Geneeskunde Prins Leopold

Deze bescherming is geldig sinds 03-04-1995.

Beschrijving

Gebouwencomplex in art-decostijl begrensd door Nationalestraat, Kronenburgstraat en Sint-Rochusstraat, gebouwd in opdracht van de Provincie Antwerpen, naar een ontwerp door de architecten Marcel Spittael en Paul Le Bon uit 1925, voltooid in 1933.

Historiek

De Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen organiseerde op 1 april 1923 een architectuurwedstrijd onder Belgische architecten voor het ontwerp van de nieuwe vestiging van het Provinciaal Instituut voor Hygiëne. Het uitgestrekte grondstuk met een oppervlakte van 9500 m² was in 1921 door het provinciebestuur verworven van het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen van Antwerpen. Volgens het reglement bestond de wedstrijd uit twee proeven, waarvan de eerste eliminatieronde op 1 juli 1923 werd afgesloten. Het programma voorzag drie grote onderdelen: als eerste een laboratorium voor bacteriologie met stallen voor dieren en een verbrandingsoven, als tweede een ziekenhuis met polikliniek, operatiekwartier, radiografie en twee dispensaria voor de behandeling van tuberculose en syfilis, en als derde een laboratorium voor onderzoek van sociale, beroeps- en koloniale ziekten met een museum voor hygiëne, een conferentiezaal, vergader- en leslokalen en een directeurswoning. Verder werd de deelnemers aanbevolen in de architectuur: “un caractère très simple et un aspect riant” na te streven. “Ils auront soin d’en prescrire un luxe intempestif, mais par contre, ils choisiront des matériaux solides et durables, réfractaires autant aux intempéries qu’aux déprédations et à une usure précoce.” De jury voorgezeten door provinciegouverneur baron Gaston van de Werve de Schilde, was samengesteld uit provinciaal deputé Charles Van Nijen, geneesheer-directeur van het provinciaal bacteriologisch laboratorium Dokter De Moor, provincieraadslid Dokter Dieudonné Ciselet, provinciaal architect Jan Frans Sel, ingenieur R. Deloof, ere-provinciaal architect Louis Gife, architect Eugène Geefs als afgevaardigde van de Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen, en architect Victor Horta die werd gekozen door de deelnemers. Uit de vierentwintig inzendingen selecteerde de jury zes projecten voor de tweede, definitieve proef, die op 1 februari 1924 zou worden afgesloten. Het betrof twee inzendingen van het duo Maurice Spittael en Paul Le Bon, twee inzendingen van de partners Jan Vanhoenacker, John Van Beurden en Jos Smolderen, en twee inzendingen van het duo Adolphe Van Coppernolle en Emile Van Leemputten, die in detail dienden te worden uitgewerkt. Op 5 februari 1924 wees de jury, nu voorgezeten door provinciegouverneur baron Georges Holvoet, het project “Un Disque dans un Cercle” van Spittael en Le Bon als winnaar aan. Zij hadden het volledige programma weten te realiseren binnen het kleinste aantal m² bebouwde oppervlakte en aan de laagste prijsraming. “Le musée, les laboratoires, la salle des conférences, les dispensaires, les cliniques et les locaux secondaires étant tous indistinctement presque parfaits, au point de vue de l’éclairage, de l’orientation et de l’hygiène, et ajoutons, même au point de vue de l’architecture des coupes et des façades, - dont il ya lieu d’admirer la simplicité, non exclue de variété, - constitueront, après leur exécution, un des meilleurs modèles des édifices hospitaliers en Belgique.” Vanwege de hoge kwaliteit van het geleverde werk, kende de jury aan de zes projecten van de tweede proef een premie van 5000 Belgische frank toe. Behalve het winnende ontwerp van Spittael en Le Bon, werden ook de ontwerpen van Jan Vanhoenacker en Jos Smolderen gepubliceerd in L’Emulation, het tijdschrift van de Société Centrale d’Architecture de Belgique. Het project van Vanhoenacker was klassiek symmetrisch van opzet, dat van Smolderen onderscheidde zich door een dynamisch geaccentueerde vormgeving, gemarkeerd door polygonale hoekpartijen en een vrijstaande toren.

De bouw van het complex, waarvan de eerstesteenlegging plaats vond op 7 augustus 1925 verliep in drie fasen, met als eerste op de oostelijke helft van het terrein aan de Kronenburgstraat het ziekenhuis en de dispensaria, het dienstgebouw met garage en dierenstallen en het mortuarium, waarvoor in april 1925 een bouwaanvraag werd ingediend. De tweede fase op de westelijke helft van het terrein, waarvan de bouwaanvraag uit oktober 1925 dateert, betrof het hoofdgebouw (laboratorium voor onderzoek van sociale, beroeps- en koloniale ziekten) aan de Nationalestraat, het aansluitende laboratorium voor bacteriologie en de flankerende directeurswoning. In januari 1926 volgde de bouwaanvraag voor de stookplaats met schoorsteen aan de Sint-Rochusstraat. Uitvoerder van de werken was aannemer Debusschere-Vandenborre & Zonen uit de Kronenburgstraat. Naast budgettaire problemen werd de voltooiing vooral vertraagd door de fusie van het Provinciaal Instituut voor Hygiëne met het Instituut voor Tropische Geneeskunde Prins Leopold, dat in 1906 door koning Leopold II was opgericht in Brussel. Voor de huisvesting van deze nieuwe instelling, waartoe was besloten door de Belgische Staat, de Provincie en de Stad Antwerpen, diende het gebouw nog tijdens de bouw te worden aangepast en uitgebreid, met wijzigingen aan de indeling en invulling van de verschillende gebouwen, en de verhoging van het laboratorium met een extra bouwlaag. Spittael en Le Bon tekenden de plannen voor deze ingrepen eind 1929, de bouwaanvraag ingediend eind maart 1930 kreeg pas een vol jaar later, in maart 1931 een vergunning. In de laatste fase van de voltooiingswerken stond aannemer Guillaume Grangé in voor de binneninrichting, en het atelier Pierre Meeuws leverde het smeedwerk van deuren, trapleuningen en tuinhekken. In het interieur werd een markante reeks schilderingen met koloniaal thema geïntegreerd, van de hand van Fernand Allard l’Olivier, die eerder de erehal van het Congopaleis sierden op de Wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. De plechtige inhuldiging van het Provinciaal Instituut voor Hygiëne en het Instituut voor Tropische Geneeskunde Prins Leopold vond uiteindelijk plaats op 4 november 1933. Bij latere verbouwingen in de naoorlogse periode kreeg het ziekenhuis nog een extra bouwlaag, voortbouwend op de oorspronkelijke gevelordonnantie, en ook het hoofdgebouw en het laboratorium werden verhoogd. Het dienstgebouw met garage en dierenstallen werd gesloopt voor de nieuwe hoogbouw van het Provinciaal Instituut voor Hygiëne ten oosten van het complex, naar een ontwerp door de architect Joseph-Louis Stynen uit 1963. De tuinen en ondergingen een restauratie in 2002.

Marcel Spittael, die de dag na zijn bekroning in de architectuurwedstrijd zijn vijfentwintigste verjaardag vierde, studeerde van 1914 tot 1920 architectuur aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel, in de ateliers van Franz De Vestel en Joseph Van Neck. Ook de vijf jaar oudere Paul Le Bon behaalde zijn diploma aan dit instituut. Het Provinciaal Instituut voor Hygiëne en het Instituut voor Tropische Geneeskunde Prins Leopold vormen de eerste en veruit belangrijke realisatie van Spittael, die in 1924 een zelfstandige praktijk vestigde in Sint-Gillis. Van zijn hand zijn uit de jaren 1920 en 1930 eengezinswoningen, landhuizen en flatgebouwen in baksteenmodernisme bekend, met als meest opvallende de Villa Muller uit 1938 in Sint-Genesius-Rode. Paul Le Bon brengt in en rond Brussel een naar stijl en typologie gelijkaardig oeuvre tot stand, met onder meer het markante, modernistische appartementsgebouw uit 1935 op de hoek van Lombardstraat en Zuidstraat in de Brusselse binnenstad. Het oeuvre van beide architecten dient nog nader te worden onderzocht.

Architectuur

Het langgerekte complex bestaat uit drie onderling verbonden vleugels die van west naar oost in het midden van het terrein zijn ingeplant. Aan de Nationalestraat bevindt zich het hoofdgebouw, oorspronkelijk drie/vier bouwlagen hoog op een T-vormige plattegrond. Hierbij sluit het laboratorium voor bacteriologie aan, oorspronkelijk globaal drie bouwlagen hoog op een T-vormige plattegrond. Ten oosten van dit geheel strekt zich het ziekenhuis met dispensaria uit, oorspronkelijk twee/drie bouwlagen hoog op een H-vormige plattegrond. Tot de overige gebouwen behoort de vrijstaande directeurswoning ten zuiden van het hoofdgebouw op de rooilijn van de Kronenburgstraat, een souterrain en drie bouwlagen hoog op een vierkante plattegrond. De stookplaats met woonst en polygonale schoorsteen, een paviljoen van twee bouwlagen, bevindt zicht ten noorden van het hoofdgebouw op de rooilijn van de Sint-Rochusstraat. Verdwenen zijn het dienstgebouw met garage en dierenstallen ten oosten van het ziekenhuis aan de Kronenburgstraat, twee bouwlagen hoog op een U-vormige plattegrond, en het mortuarium ten noorden van het ziekenhuis aan de Sint-Rochusstraat, één bouwlaag hoog op een rechthoekige plattegrond. De gebouwen worden omringd door geometrisch ontworpen, verzonken tuinen, getrapte parterres uit breuksteen met een octogonale fontein, een rechthoekige waterpartij en een langgerekte pergola, in combinatie met een strakke beplanting. Het domein is volledig afgezet door een omheining met hardstenen plint, postamenten uit roomkleurige Silezische brikken en smeedijzeren hekken met keperpatroon in art-decostijl, de toegangen gemarkeerd door lantaarns.

De eenvoudige, kubische gebouwen onder platte of gedrukte schilddaken, die zijn opgetrokken met een structuur uit gewapend beton, hebben uniforme gevelopstanden. Deze onderscheiden zich door een gediversifieerd oppervlaktereliëf dat een levendige licht- en schaduwwerking genereert, een overwegend verticaal gevelritme dat de traveeënindeling accentueert, in evenwicht gehouden door de strakke horizontale belijning van de plint, de breed overstekende kroonlijst en de blinde attiek. Het parement uit roomkleurige Silezische brikken in kruisverband, discreet geaccentueerd door gele baksteen in de friezen en topgeleding, wordt gekenmerkt door het overvloedige gebruik van blauwe hardsteen voor de plint, kozijnen, vensteromlijstingen, speklagen en dekstenen. Het vensterschrijnwerk is uitgevoerd in gevernist hout.

Het hoofdgebouw aan de Nationalestraat onderscheidt zich door een volkomen symmetrisch gevelfront van zeventien traveeën, dat in de middenas wordt gemarkeerd door een hoger middenrisaliet van drie traveeën. Beide smalle, terugwijkende traveeën met bronzen vlaggenmasten die dit laatste afzonderen van de flanken, werden bij de verbouwings- en uitbreidingswerken van 1931-1933 tot boven de daklijst doorgetrokken voor de toevoeging van liftkokers, trappenhuizen en een U-vormige dakpaviljoen. Zowel risaliet als flanken worden geritmeerd door gekoppelde, over begane grond en eerste verdieping oplopende vensters gevat in een massieve, sterk geprononceerde, doorlopende omlijsting uit blauwe hardsteen. De lage tweede verdieping onderscheidt zich door een horizontale vensterregisters met decoratief bewerkte posten, gevat in een omlopende omlijsting met getande waterlijst. Het centrale portaal in het middenrisaliet heeft een fraaie smeedijzeren vleugeldeur met keperpatroon, en een medaillon met esculaap en bloemenranken in het bovenlicht, en sierlijke, flankerende lantaarns; wapenschild in de fries. Het compositieschema van het gevelfront wordt herhaald in de drie traveeën brede kopgevels en de achtergevel van de voorbouw, daar waar de gevels van de dwarsvleugel hun verticale ritme ontlenen aan over de bovenbouw oplopende vensternissen en lisenen. De opstanden van het eveneens T-vormige laboratoriumgebouw dat hierbij aansluit, geaccentueerd door een hoger opgetrokken middenpartij, beantwoorden over de volledige omtrek aan dit laatste schema.

Volgens de oorspronkelijke bouwplannen bood het hoofdgebouw onder meer ruimte aan de centrale inkom- en traphal, museumzalen, het directiekantoor, een conferentiezaal, raadzaal, club, en bibliotheek. Bij de verbouwing van 1931-1933 werd de indeling gewijzigd voor de inbreng van vooral leslokalen. Het laboratoriumgebouw bestond volgens de oorspronkelijke en de verbouwingsplannen uit 1931 uit kantoren, diverse lokalen voor bacteriologisch onderzoek, dierproeven en snijkamers.

Tot de meest opmerkelijke ruimten in het hoofdgebouw behoren de monumentale traphal centraal in het gebouw en de bibliotheek op de tweede verdieping van de dwarsvleugel. De hoge traphal met witgeschilderde wanden, rondboogarcaden, ramen en een bovenlicht uit monochroom glas in lood, wordt gedomineerd door de dubbele bordestrap uit twee kleuren marmer met metalen leuningen en borstweringen. De ruimte onderscheidt zich verder door de kleurrijke tegelvloeren met geometrisch patroon, de marmeren lambrisering en deurlijsten, het gevernist houten schrijnwerk, de wand- en plafondluchters uit metaal en glas. De geïntegreerde, kleurrijke schilderingen door Fernand Allard l’Olivier bepalen de atmosfeer. De dubbel hoge bibliotheek, aan drie zijden omringd door een galerij met rondboogarcade aan de lange zijde, heeft een casementenzoldering, een eiken lambrisering met ingewerkte kasten, keperparket en glas-in-loodramen.

De directeurswoning vormt een vrijstaand, kubisch volume met dubbelhuisopstand, waarvan de opstanden op de eerste verdieping worden gemarkeerd door driezijdige erkers met balkonbekroning aan drie gevelzijden, en een traplicht in de vierde. Volgens de bouwplannen bood het souterrain ruimte aan de keuken en dienstlokalen, de begane grond aan de vestibule en traphal met spreekkamer, het salon, de eetkamer en living-room met office en terras. Op de eerste verdieping bevonden zich vier slaapkamers, de badkamer en naaikamer, op de tweede vijf overige kamers, een wasplaats en zolder.

Het ziekenhuis met dispensaria grenst aan de Kronenburgstraat door midden van een U-vormig gevelfront met lagere zijvleugels en een hogere, vooruitspringende middenvleugel van vier traveeën. Dit laatste is ingeplant rond een rechthoekige, verdiepte en betegelde waterpartij, omringd door getrapte, beplante terrassen uit breuksteen. De middenpartij onderscheidt zich door de inkomportalen met luifel, ritmerende pilasters met bewerkt kapiteel, en over de bovenverdiepingen oplopende, driezijdige erkers. Volgens de oorspronkelijke bouwplannen omvatte de plattegrond onder meer consultatieruimten voor mannen en vrouwen met wacht- en kleedkamers, de radiografie, het operatiekwartier, quarantainekamers, ziekenzalen voor mannen en vrouwen. De verbouwing uit 1931-1933 bleef structureel beperkt, met vooral een toename van ziekenkamers.

De stookplaats aan de Sint-Rochusstraat vormt een eenvoudige rechthoekig paviljoen met een rondboogarcade aan straatzijde, dat wordt gedomineerd door de hoge schoorsteen. De schoorsteen is opgebouwd uit een hoge vierkante sokkel en een polygonale schacht, waarvan de basis en het topstuk zijn uitgevoerd in blauwe hardsteen. Volgens de bouwplannen huisvestte de ondergrond de stookketels, de begane grond de bergplaatsen voor steenkool en as, en de bovenverdieping de woning van de stoker.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1925#20238, 1925#20644, 1925#22318, 1926#22913, 1931#38697.
  • CALLEWAERT A. 1933: L’Institut Provincial d’Hygiène et l’Institut de Médecine Tropicale “Prince Léopold” à Anvers, L’Emulation 53.8, 163-170.
  • DE SMET A. & BRISON S. 2015: Villa Muller. Marcel Spittael 1938, Brussel, 44-55.
  • E.D. 1934: L’Institut Provincial d’Hygiène et l’Institut de Médecine Tropicale à Anvers, Le Document 10.2, 30-31.
  • GILLES P. 1933: L’architecture hospitalière. L’Institut Provincial d’Hygiène et l’Institut de Médecine Tropicale, à Anvers, Bâtir 2.13, 500-508.
  • HORTA V. 1924: Concours pour un Institut Provincial d’Hygiène, à Anvers, L’Emulation 44.7, 103-106.
  • SCHOBBENS J. 1923: Programme du Concours pour la Construction d’un Institut Provincial d’Hygiène à Anvers, La Cité 3.11, 242-245.
  • S.N. 1923: Resultat de la première épreuve du concours pour l’érection d’un Institut Provincial d’Hygiène, à Anvers, La Cité 4.3, 52.
  • S.N. 1924: Concours pour un Institut Provincial d’Hygiène à Anvers, L’Emulation 44.11, 172-173.

Bron: -

Auteurs: Braeken, Jo

Datum tekst: 2018

Alle teksten

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Nationalestraat

Nationalestraat (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.