erfgoedobject

Eenheidsbebouwing van neoclassicistische burgerhuizen

bouwkundig element
ID
6226
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6226

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Reeks van veertien burgerhuizen, die tussen circa 1830 en 1859 tot stand is gekomen als een eenheidsbebouwing in neoclassicistische stijl. Volgens kadastrale gegevens bestonden de huizen nummers 2, 4 en 6 reeds in 1835-1837 (oprichting kadaster). Daarvan werd het bouwdossier niet teruggevonden, bouwheer, ontwerper noch aannemer zijn gekend. De overige elf huizen zijn tussen 1846 en 1859 voor eigen rekening opgetrokken door de architecten Henry en Louis Van Cuyck: nummers 8-10 in 1846, nummers 12-14 in 1847, verhoogd met een tweede verdieping in 1848, nummer 24 in 1849, nummers 20-22 in 1850, nummers 16-18 in 1851, en nummers 26-28 in 1859.

De gebroeders Henry en Louis Van Cuyck, zonen van architect Emmanuel Van Cuyck, voerden een gezamenlijke architectenpraktijk van 1845 tot 1859. Beiden bleven vervolgens actief tot begin jaren 1880. In hetzelfde bouwblok realiseerden zij tussen 185 een neoclassicistisch burgerhuis aan de Langegang.

Architectuur

Hoewel in verschillende bouwcampagnes tot stand gekomen was deze huizenrij opgezet als een eenheidsbebouwing, waarbij de oorspronkelijke ordonnantie steeds gerespecteerd werd. Zij wordt gekenmerkt door bepleisterde en beschilderde lijstgevels op een grijs getinte of hardstenen plint, drie bouwlagen hoog onder doorlopende zadeldaken. De uniforme, heden nog intact bewaarde gevelwand wordt geritmeerd door de regelmatige traveeënindeling met hoge rechthoekige vensters en deuren. Het uitzicht als eenheidsbebouwing wordt nog versterkt door cordonvormende lekdrempels van de eerste verdieping, en het doorlopende, klassieke hoofdgestel met houten kroonlijst. Deze laatste, deels met tandlijst, rust veelal op klossen, en in nummers 26-28 op voluutconsoles waartussen casementen. Opmerkelijk is de gelijke ordonnantie van het overal nog oorspronkelijk bewaard gevelschrijnwerk: hoge vleugelramen verticaal verdeeld in vier onderverdelingen, luiken op het gelijkvloers en paneeldeuren met bovenlichten, waarin een ijzeren roedeverdeling is aangebracht. Tot de overige gemeenschappelijke kenmerken behoren de doorgetrokken lekdrempels op de begane grond, en de individuele lekdrempels op de lagere tweede verdieping. Op nummers 16 tot 28 zijn de vensters van de eerste verdieping voorzien van giet- of smeedijzeren parapetten.

De twee middelste panden op nummers 16 en 18, zijn iets drukker uitgewerkt met een geblokte begane grond, consoles onder de lekdrempels van de derde bouwlaag en een architraaf onderbroken door rozetten. Het pand nummer 24 onderscheidt zich door een zijrisaliet in de eerste travee, gemarkeerd door de rechthoekige koetspoort met gekorniste waterlijst, geriemde vensteromlijsting en consoles onder de lekdrempel van de topgeleding, en een gekorniste kroonlijst.

De oudste panden op nummers 2-6 vormen een samenstel van een dubbelhuis van drie traveeën, en twee gespiegelde enkelhuizen van samen vijf traveeën met een blindnistravee in de middenas. Deze laatste worden gemarkeerd door een drie traveeën breed middenrisaliet met gekorniste kroonlijst. De panden door de gebroeders van Van Cuyck op nummers 8 tot 28 vormen, met uitzondering van nummer 24, telkens een samenstel van twee gespiegelde huizen, samen acht (nummers 8-10 en 26-28) of zeven traveeën (nummers 12-14, 16-18 en 20-22) breed, met een symmetrische opstand. De alternering van enkelhuis- en dubbelhuisopstand, respectievelijk drie en vier traveeën, correspondeert bij de nummers 8 tot en met 22 bovendien met een opmerkelijke plattegrond, waarbij het trappenhuis van elke woning steeds uitgespaard is in de aanpalende woning en omgekeerd.

Ook de achtergevels, eveneens bepleisterde en beschilderde lijstgevels met hoge rechthoekige ramen, gelijke traveeënindeling en doorlopende kroonlijsten, bewaren eveneens nog een bijzonder authentiek karakter, nog steeds gevrijwaard van enig aanbouwsel. Bijzonder aantrekkelijk, en tevens uniek op deze centrale ligging in de stad zijn de bewaarde tuinen, van elkaar gescheiden veelal door hagen.

Evenals de gevels getuigen ook de interieurs van een voorname soberheid, een intelligente indeling en een duurzaam materiaalgebruik. In haast alle huizen zijn deze elementen bewaard gebleven: zwart- en witmarmeren vloer in de gang, plankenvloeren in de overige kamers, eenvoudige stucplafonds en marmeren schouwen. Ook het oorspronkelijke schrijnwerk van de binnendeuren, trappen en ingemaakte kasten is haast overal bewaard gebleven.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1846#71 (nummers 8-10), 1847#365 en 1848#87 (nummers 12-14), 1849#465 (nummer 24), 1850#448 (nummer 20-22), 1851#519 (nummer 16-18), 1859#397 (nummer 26-28).
  • Onroerend Erfgoed Antwerpen, beschermingsdossier DA000837, Tabakvest, (MANDERYCK M., 1994).

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo, Manderyck, Madeleine, Plomteux, Greet, Steyaert, Rita
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Eenheidsbebouwing van neoclassicistische burgerhuizen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6226 (Geraadpleegd op )