Medisch en Heelkundig Instituut Middelheim

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Lindendreef
Locatie Lindendreef 1, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Antwerpen (actualisaties: 05-01-2006 - 05-01-2007).
  • Adrescontrole Antwerpen (adrescontroles: 23-07-2007 - 23-07-2007).
  • Inventarisatie Antwerpen (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1992).
  • Synchronisatie onderzoeksproject Renaat Braem (1910-2001) (synchronisaties: 16-09-2010 - 31-10-2010).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Medisch en Heelkundig Instituut Middelheim

Deze vaststelling is geldig sinds 05-10-2009. (Vaststellingsbesluit)

Beschrijving

In 1945 wordt Braem betrokken bij een van de eerste grote naoorlogse projecten voor openbare infrastructuur van de Stad Antwerpen, het Medisch Heelkundig Instituut Middelheim. De bouw kent een lange voorbereiding en een complex verloop, die zich over een kwarteeuw uitstrekken. Opdrachtgever voor dit nieuwe algemeen ziekenhuis is de Commissie voor Openbare Onderstand (COO). Het moet in de eerste plaats de totaal verouderde infrastructuur van het Sint-Elisabethgasthuis vervangen, waarvan sommige ziekenzalen nog uit de vijftiende en zestiende eeuw dateren. Het grootste openbare ziekenhuis van Antwerpen op dat moment is het in 1884 geopende Stuyvenberggasthuis van architect Frans Baeckelmans. Zijn destijds vooruitstrevende typologie van ronde ziekenpaviljoens is intussen volledig achterhaald. De nieuwbouwplannen volgen een trend die vanaf 1945 in heel Europa op gang komt. De ziekenhuisinfrastructuur wordt aangepast aan de demografische evolutie, de nieuwe sociaal-maatschappelijke verhoudingen en de vooruitgang van de medische wetenschap en de bouwtechniek. Diagnostiek, behandeling en ambulante poliklinische zorg hebben een steeds groter aandeel verworven in de ziekenhuispraktijk dankzij een doorgedreven specialisatie van de geneeskunde en de evolutie van de medische apparatuur en de heelkundige technieken. De ziekenhuisexploitatie wordt ook het voorwerp van professioneel bedrijfsmanagement, om het hoofd te bieden aan de schaalvergroting die het gevolg is van de groei van de gezondheidszorg. Het project van het Middelheimziekenhuis past binnen de naoorlogse ontwikkeling van het rationele ziekenhuis, met het welzijn van de patiënt en de organisatie van de zorg als uitgangspunt. Uit de verschillende ontwerpfasen blijkt een zoeken naar een innovatieve typologie, een gestandaardiseerde bouwmethode en een hoogtechnologische uitrusting, die voldoende flexibel zijn om gelijke tred te houden met de almaar snellere evolutie van de geneeskunde.

In augustus 1945 wordt Braem samen met de architecten Alfons Francken en Karel Van Riel belast met de voorstudie van het Middelheimziekenhuis. Het initiatief gaat uit van de toenmalige secretaris van de COO, de schrijver en kunstcriticus Roger Avermaete, die al vóór de oorlog met Braem had samengewerkt naar aanleiding van de tentoonstelling 'Antwerpen 1937'. Zij worden verkozen boven Jan De Braey en Hugo Van Kuyck, die andere opdrachten toegewezen krijgen. Tegelijk wordt een Bijzondere Commissie opgericht, waarin naast de opdrachtgever en de architecten ook het medische korps van de Antwerpse openbare ziekenhuizen vertegenwoordigd is. Het is de ambitie van deze werkgroep om het best uitgeruste algemeen ziekenhuis van de regio Antwerpen tot stand te brengen. Bij gebrek aan een universitaire instelling moet het ook kunnen uitgroeien tot een volwaardig opleiding- en vervolmakingcentrum voor de medische praktijk.

Het programma gaat uit van een algemeen ziekenhuis met alle bijbehorende diensten en specialisaties, een geïsoleerde afdeling voor besmettelijke ziekten, een nachthospitaal en een kraaminrichting. Verder is in lokalen voor de administratie, een auditorium, een verpleegstersschool en -home en een klooster met kapel voorzien, evenals in technische installaties zoals een keuken, een wasserij en een thermische centrale. In navolging van de algemene stedenbouwkundige tendens kiest de COO voor een inplanting op een open locatie in de periferie van de stad, geïntegreerd in het verkeerswegennet en met voldoende ruimte voor latere uitbreidingen. Hiertoe wordt 8,5 ha grond van het vroegere domein Middelheim nabij de toekomstige Ring ter beschikking gesteld. Het ligt op het hoogste punt van de stad en maakt bovendien deel uit van de 85 ha grote groenzone van het Nachtegalenpark aan de zuidrand van Antwerpen. Op het terrein, dat door meerdere invalswegen wordt ontsloten, bevindt zich ook al de Koloniale Hogeschool.

Tijdens de oorlogsjaren valt de bouw van ziekenhuizen niet alleen in België maar zowat overal in Europa stil. Een van de weinige uitzonderingen is het in 1944 voltooide Södersjukhuset in Stockholm, een groot algemeen ziekenhuis met 1200 bedden, ontworpen door de Zweedse ziekenhuisspecialist Hjalmar Cederström. De typologie van dit hoogbouwziekenhuis, dat tot de modernste van zijn tijd behoort, is gebaseerd op een functionele afsplitsing van de verpleegafdeling en de behandelafdeling in aparte, evenwijdige blokken. Cederström introduceert hier ook het concept van de verpleegeenheid als compacte basismodule voor het patiëntenblok. Een module bestaat uit een vast aantal vier-, twee- en eenpersoonskamers met bijbehorende dienstruimten en een dagverblijf voor 32 zieken, onder het toezicht van een hoofdverpleegster. Het principe gaat uit van de individuele noden van de patiënt en is gericht op een efficiënte organisatie van de zorgverstrekking met een minimum aan personeel. Zowel vanuit technisch oogpunt als om een multidisciplinaire aanpak van diagnose en behandeling te bevorderen, groepeert het behandelblok de operatiekamers, de urgentiedienst, de röntgenafdeling, de labo's en de polikliniek. Hoewel het Södersjukhuset pas in augustus 1947 tijdens een studiereis naar Stockholm door de Bijzondere Commissie wordt bezocht, staat het vanaf het begin tot in detail model voor de voorstudie van het Middelheimziekenhuis. Braem, Francken en Van Riel dienen al in januari 1946 een eerste voorontwerp in voor een algemeen ziekenhuis van 1350 bedden, dat volledig aan het vooropgestelde programma beantwoordt. Het concept wordt in de loop van 1946 en 1947 in nauw overleg met het medische korps verder ontwikkeld en verfijnd, met varianten in de indeling en de omvang. Daarbij richt het onderzoek zich zowel op het algemene organisatieschema en de volumestudie, als op het typemodel van de verpleegeenheid.

In de verschillende versies van deze plannen wordt het hoofdgebouw in een oost-westoriëntatie op de middenas van het terrein ingeplant, met de hoofdingang op de kruising van de Elisabethlaanlaan en de Floraliënlaan. De verpleegsterschool en het home met klooster en een flatgebouw voor inwonend kaderpersoneel vormen twee afzonderlijke gebouwen aan de oostelijke rand van het terrein, zijde Prinses Josephine Charlottelaan. Voor de afdeling besmettelijke ziekten wordt in een kleine hoogbouw achteraan op het terrein voorzien. Naar analogie van het Södersjukhuset vormt het langgerekte patiëntenblok de ruggengraat van het hoofdgebouw, dat in de loop van het ontwerpproces varieert van negen tot twaalf verdiepingen. De getande plattegrond met vier korte dwarsvleugels laat een zuidelijke, westelijke of oostelijke oriëntatie van alle ziekenkamers toe, terwijl de parallelle circulatie- en dienstenzone zich aan de noordzijde bevindt. Elke verdieping telt vier verpleegeenheden, met de heelkundige afdelingen en de kraaminrichting op de onderste en de geneeskundige en dermatologische afdelingen op de bovenste niveaus. Op de dakverdieping wordt in een tbc-kliniek met ruime terrassen voorzien. Zowel het patiëntenblok als het evenwijdige behandelblok rusten op een doorlopende sokkel van twee bovengrondse niveaus en een souterrain, georganiseerd rond een centrale corridor. Vooraan bevindt zich de toegangshal, de administratie en het nachthospitaal. Helemaal achteraan is er de apotheek, de keuken, de wasserij en de thermische centrale. De middenzone wordt aan één zijde ingenomen door de labo's en aan de andere zijde door de polikliniek met therapieruimten, die als getande paviljoens tegen de corridor aanleunen. De vijf bovenverdiepingen van het behandelblok omvatten uitsluitend de operatiezalen en verloskamers, opgebouwd rond twee lichthoven en op elk niveau verbonden met het patiëntenblok. Hoewel de architecturale vorm in het voorontwerp slechts schematisch wordt weergegeven, wijzen de voorbereidende schetsen op een rationeel functionalisme, vergelijkbaar met het gelijktijdige ontwerp van de Decrolyschool in Ukkel. Belangrijke kenmerken zijn de structuur van gestapelde, balk- en blokvormige volumes als weerspiegeling van de interne organisatie en de kennelijk veralgemeende toepassing van glazen gordijngevels en blinde kopgevels.

In het najaar van 1947 wordt de definitieve uitwerking van de plannen opgeschort, in afwachting van een beslissing over het administratieve statuut, de financiering en het medische programma van het nieuwe ziekenhuis. Pas begin 1955 gaat het project opnieuw officieel van start, met een hernieuwde aanstelling van de drie architecten. Francken is intussen echter noodgedwongen met zijn architectenpraktijk gestopt als gevolg van een hersenbloeding en ziet af van verdere deelname. Van Riel is zich specifiek gaan toeleggen op de bouw van ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen. Hij is niet alleen beheerder van de Belgische Vereniging der Ziekenhuizen, maar ook lid van de International Hospital Federation, het belangrijkste internationale forum van in ziekenhuisbouw gespecialiseerde architecten. Het programma en de omvang van het Middelheimziekenhuis zijn in de nieuwe opdracht meer dan gehalveerd tot een algemeen ziekenhuis van nog slechts 600 bedden. Initieel voorziene onderdelen zoals een verpleegstersschool en personeelshuisvesting worden in een later stadium nog geschrapt. De samenwerking van Braem en Van Riel leidt nog voor het einde van 1955 in een drietal stadia tot een volledig nieuw voorontwerp, dat de basis vormt voor het definitieve ontwerp in juli 1957. Het aandeel van Braem concentreert zich vooral rond het masterplan, de inplanting, de architecturale vormgeving en de landschappelijke aanleg. Ook na de eerstesteenlegging op 15 maart 1958 en de eigenlijke start van de bouwwerken in de zomer van dat jaar, buigt hij zich onder meer nog over het profiel van de draagpijlers, de gevelafwerking en de kleurstelling van het gebouw. Veel aandacht gaat naar de vormgeving van de hoofdingang en het dakpaviljoen. Los van het hoofdgebouw werkt hij voorontwerpen uit voor een rouwkapel bij het mortuarium, een portiersloge en een auditorium. In de vooral technische fase van het uitwerken van de detailplannen trekt Van Riel met zijn gespecialiseerde en talrijk bemande bureau de opdracht echter meer en meer naar zich toe. De verantwoordelijkheid van Braem beperkt zich in deze periode voornamelijk tot het ontwerp van de hoofdtoegang en de grote hal. Omdat verder met zijn inbreng nauwelijks rekening wordt gehouden, trekt hij zich na 1960 uit het project terug. De ruwbouw raakt al in de loop van 1961 voltooid, maar de afwerking neemt nog enkele jaren in beslag. Het Middelheimziekenhuis wordt in 1969 in gebruik genomen met de opening van de kraaminrichting, gevolgd door de officiële inhuldiging in 1970. In Het schoonste land ter wereld schrijft Braem dat hij met dit project een menselijke architectuur wilde scheppen die de zieken kon genezen "ondanks de dokters". Deze bevlogen ambitie brengt hem onvermijdelijk in botsing met het functionele en zakelijk gefundeerde positivisme van de ziekenhuisspecialisten. Toch behoort het Middelheimziekenhuis alleen al door de omvang, de duur en de intensiteit van het ontwerpproces tot zijn belangrijkste architectuurontwerpen uit het midden van de jaren 1940 en 1950. Binnen de Belgische ziekenhuisbouw van deze periode zijn de oplossingen die hij aanreikt voor een vernieuwing van de typologie op zijn minst opmerkelijk.

Aanvankelijk bouwen Braem en Van Riel voor het nieuwe concept van het Middelheimziekenhuis nog grotendeels voort op het organisatieschema van hun voorstudie uit 1947. In een eerste versie van het voorontwerp wordt de inplanting integraal hernomen, net als de twee niveaus hoge sokkel die de ingangspartij, de polikliniek en de technische ruimten groepeert. Een ruime mezzanine, vanuit de toegangshal bereikbaar via roltrappen, krijgt hier een publieke functie als bezoekershal met een ontvangstbalie, vestiaire, winkels en kinderopvang. In plaats van de parallelle opstelling van het patiëntenblok en het behandelblok kiezen Braem en Van Riel voor het centraliseren van beide onderdelen tot een T-vormige structuur. De korte vleugel van het behandelblok wordt daarbij loodrecht op de lange vleugel van het patiëntenblok geprojecteerd, met een centrale, verticale circulatieschacht als verbinding. Het principe van de sokkel maakt in de tweede versie van het voorontwerp plaats voor een vrijstaand cirkelvormig paviljoen dat zich zowel op het behandelblok als op het patiëntenblok ent. Het omvat aparte toegangsniveaus voor ziekenwagens, dokters en personeel in de benedenbouw, en ambulante en gehospitaliseerde patiënten in de bovenbouw. De grote toegangshal, met een koepelgewelf in translucide beton, vormt het centrum van het paviljoen. Op de begane grond zijn de publieke functies als administratie, cafetaria, winkels en kinderopvang gelegen. Op de mezzanine met open wenteltrappen bevinden zich de directiekantoren, de raadzaal, de bibliotheek en een auditorium. Voor bezoekers wordt in een afzonderlijk toegangscomplex voorzien in de benedenbouw van het patiëntenblok. Dit gegeven zet Braem vervolgens aan tot de ontwikkeling van een volkomen nieuw concept voor het Middelheimziekenhuis, dat alle bestaande conventies overboord gooit. In dit schetsontwerp, dat hij vermoedelijk volledig op eigen initiatief als alternatief uitwerkt, komt het cirkelvormige paviljoen in het centrum van een ringvormig ziekenhuis van zes verdiepingen te staan, met een totale diameter van 110 m. Deze radiale structuur maakt naar zijn mening het gebouw niet alleen minder hoog, maar laat ook een volkomen vrije en flexibele groepering en indeling van de verpleeg- en behandeleenheden toe, zowel horizontaal als verticaal, met een oriëntatie aangepast aan de aard van de ziekte. De 15 m brede verdiepingen worden ingedeeld door een centrale gang. Via zes circulatieschachten en loopbruggen staan ze in verbinding met de centrale kern, zodat elke afdeling zich op gelijke afstand van de toegangshal en het dokterskwartier bevindt. Door de polikliniek op de eerste verdieping en alle technische installaties op de dakverdieping te installeren, wordt het ziekenhuisterrein vrijgehouden van bijgebouwen en blijven de verpleegafdelingen gevrijwaard van geur- en lawaaihinder. De vrije zone tussen de kern en de ring vormt een binnentuin, met dakaanplantingen en een vis-à-vis op de hogere verdiepingen van 80 m. Het innovatieve concept gaat zeven jaar vooraf aan zijn veelgeprezen ontwerp van het Glaverbelgebouw in Watermaal-Bosvoorde, waar hij met dezelfde beweegredenen tot een soortgelijk resultaat komt.

Pas in de derde versie van het voorontwerp geven Braem en Van Riel het principe van de functionele scheiding tussen patiëntenblok en behandelblok op. Ze kiezen nu voor de definitieve, overzichtelijke structuur in kruisvorm, gevormd door vier identieke vleugels van negen verdiepingen die op de centrale kern met de elf liften en het hoofdtrappenhuis aansluiten. De benedenbouw omvat opnieuw twee niveaus met aparte toegangscomplexen, bovenaan voor ambulante patiënten en bezoekers, onderaan voor ziekenwagens, urgentiedienst en personeel. Verder bieden deze niveaus onder meer ruimte aan de cafetaria, de administratie, personeelsruimten, een vergaderzaal en kapel, de apotheek en lokalen voor hydro- en fysiotherapie. De eerste drie verdiepingen zijn integraal bestemd voor de verschillende poliklinische diensten, de röntgenafdeling en de labo's, de hoogste verdieping voor het operatiekwartier. De vijf tussenliggende verdiepingen, met een oppervlakte van 3700 m², herbergen de verpleegafdelingen. Ze zijn opgedeeld in vier verpleegeenheden, één per vleugel, die elk 26 tot 28 bedden tellen. Deze omvatten vier-, twee- en eenpersoonskamers, dienstruimten en een dagverblijf aan beide zijden van een centrale gang. Die mondt uit op een open terras aan de kopgevels. Ook het dakniveau, met de machinekamer van de liften en het waterreservoir, krijgt een functie als wandelterras en solarium met kleine pergola's. Het gebouw wordt nu georiënteerd met de hoofdtoegang pal op het noorden, voorafgegaan door een dubbele toegangshelling en een vijver. Op de oostelijke vleugel sluiten de lage bijgebouwen van de keuken en de thermische centrale aan, terwijl de zuidelijke binnenblokken worden ingenomen door een paviljoen voor röntgen- en isotopentherapie en het centrale magazijn. De architecturale vormgeving van het gebouw zoals het in zijn definitieve vorm wordt opgetrokken, vloeit rechtstreeks voort uit de toepassing van een gestandaardiseerde staal- en betonconstructie met een modulair raster. Het staalskelet bestaat uit portaalspanten met een vrije overspanning van 13,90 m, waarvan de in beton gegoten posten op hun beurt de verticale gevelstructuur uitmaken. Vlakke betonplaten en aluminium raampartijen bepalen uniform de horizontale gevelgeleding. Die wordt slechts in de centrale kern en aan de uiteinden doorbroken door de trappenhuizen, en beëindigd met een dakbalustrade. In de blinde kopgevels wordt verticaal het accent op de middenas gelegd door oplopende loggia's met breed overstekende balkons. Verder is de structuur van het gebouw uitgedacht met het oog op een optimaal en flexibel gebruik van de vloeroppervlakte. Zo voorziet het staalskelet boven elke verdieping in een 1 m hoge technische ruimte voor het stelsel van nutsleidingen, herkenbaar aan de lichtbanden in de gevels. Een transportsysteem op rails maakt die ruimten toegankelijk voor onderhoud. Voorts bestaat de volledige binnenindeling uit gestandaardiseerde, verplaatsbare wanden.

Aanvankelijk wil Braem de betonconstructie volledig bekleden, met tegels of aluminium, of een combinatie van beide. Daarvoor werkt hij ook een kleurschema uit. Dat vertrekt van een contrast in wit voor de structuur en lichtblauw voor de gevelvelden, met doorlopende kleurvlakken in rood en blauw als plastisch accent voor de loggia's. Uiteindelijk wordt het gebouw grotendeels wit geschilderd, met zwarte kopgevels. Het hoofdvolume probeert hij met een meer rijzige allure te verlichten, door de pijlers een afgeslankt, ruitvormig profiel te geven, naar analogie van het torengebouw van het Administratief Centrum in Antwerpen. Deze geaffirmeerde verticale geleding trekt hij vervolgens ook door in het dakpaviljoen. Tegelijk wordt de horizontale geleding gediversifieerd met een diagonaal kruis ter hoogte van de technische ruimten. De thermische centrale wil Braem prominent in beeld plaatsen, zoals in zijn sociale wooncomplexen. Een eerste idee is een glazen paviljoen met een gigantische, ellipsvormige schouw bovenop de kruising van het dak. Een alternatief is een driehoekige constructie met een schoorsteen tegen het hoofdvolume, naar het voorbeeld van de Modelwijk op de Heizel in Brussel. Verder maakt Braem omstreeks 1959 een hele reeks detailontwerpen voor de luifel van de hoofdtoegang. Hij denkt onder meer aan een strakke orthogonale portiek met primaire kleurvlakken of diverse types van gewelfde schaalconstructies, telkens in combinatie met een plastiek, hetzij als ceramiekreliëf, hetzij als betonnen rondsculptuur. Een andere optie is een overstekend paviljoen in porte-à-faux, waarin ook de cafetaria wordt geïntegreerd. Het meest in detail gaat Braem bij de ruimte-indeling, de inrichting en de verlichting van de grote hal met de inschrijvingsbalies en wachtruimten. Hij stelt ook voor om de platte daken van de lage aanbouwen aan de zuidzijde met groen en zithoekjes in te richten als ziekenterrassen, met een hellend vlak naar de ziekenhuistuin. Ook voor de vrijstaande gebouwen op het ziekenhuisterrein werkt Braem in deze fase enkele schetsontwerpen uit. Die wijzen erop dat hij streeft naar een plastisch brutalistische vormgeving. Het paviljoen voor de afdeling pathologie combineert hij met een portiersloge en een sculpturaal uitgewerkte claustra als tuinomheining. De rouwkapel die bij het mortuarium wordt gepland, krijgt dezelfde afgeknotte kegelvorm als in zijn gelijktijdige ontwerp voor de aula van de begraafplaats Ruggeveld in Deurne. Verder schetst Braem nog een groot auditorium, onder de vorm van een vrijstaand polygonaal volume dat in porte-à-faux op pilotis steunt.

  • Archives d'Architecture Moderne, Archief Renaat Braem, Dossiernummer 108.
  • Architectuurarchief Provincie Antwerpen, Archief Karel Van Riel.
  • Stadsarchief Antwerpen, Bouwdossier 18#37258.
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Archief Renaat Braem, 345.
  • MENS N., TIJHUIS A. & WAGENAAR C. (ed.) 1999: De architectuur van het ziekenhuis. Transformaties in de naoorlogse ziekenhuisbouw in Nederland, Rotterdam, 89-108.
  • S.n. 1961a: Institut du Middelheim à Anvers, Architecture 61 43, 906-910.
  • S.n. 1967c: M.H.I.M. - Medisch en Heelkundig Instituut Middelheim bei Antwerpen, DLW-Nachrichten 31.43/44, 60-61.

Bron: Braeken J. (ed.) 2010: Renaat Braem 1910-2001. Architect, Relicta Monografieën 6. Archeologie, Monumenten en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, Brussel.

Auteurs: Braeken, Jo

Datum tekst: 2010

Alle teksten

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Lindendreef

Lindendreef (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.