erfgoedobject

Burgerhuis

bouwkundig element
ID
74537
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/74537

Juridische gevolgen

Beschrijving

De oudste schepenakte die melding maakt van de panden in de Goswin de Stassaertstraat 18-20-22 dateert van 25 oktober 1554. Daarin wordt beschreven hoe enerzijds Magdalene van Eede, vergezeld van haar echtgenoot Jan Colyn, raadsheer en rekwestmeester van de Grote Raad te Mechelen, en anderzijds Jacob Van Eede, Magdalenes broer, alsook Cornelis en Philippe De Meyere, twee huizen verkopen aan Jan Nonnen en zijn vrouw Lysbeth. Het betreft hier een 'groot huys met eenen clynen huyse metten hove, gronde etc. gestaen aen malcanderen inde kerckhofstrate alhier tusschen Cornelis De Greve erve aen de twee zijden ende de Biest aldaer aende derde zijde.'

De twee huizen die in de verkoopakte vermeld staan omvatten vandaag vier bouwvolumes, de panden Goswin de Stassartstraat 16 tot en met 22. De huizen die nu als de respectievelijke nummers 18, 20 en 22 bekend staan, vormden bij het opstellen van de akte in 1554 één groot geheel, het zogenaamde 'groot huys'. Deze huizen zijn ongetwijfeld ouder dan de datum van de akte vermits het duidelijk gaat om de samenvoeging van enkele huizen die mogelijk door de vorige eigenaars, de familie Van Eede - De Meyere, was doorgevoerd. De bouw van deze huizen mag dus vermoedelijk in het begin van de 16de eeuw gesitueerd worden.

De panden 20 en 22 dienen zich heden aan als een complex met een U-vormig grondplan, bestaande uit een breedhuis dat de hele voorgevel beheerst, waartegen aan de oostzijde twee diephuizen met daartussen de oorspronkelijke traptoren gebouwd zijn.

Vermoedelijk is het geheel terug te brengen tot een 16de-eeuws complex met L-vormig grondplan ontstaan uit de samenvoeging van een breed- en een diephuis, die beide mogelijk dateren uit de late 15de of vroege 16de eeuw. Langs de straatzijde wordt het pand 20-22 in zijn geheel gezien als een breedhuis van twee bouwlagen en zes traveeën onder zadeldak met mechanische pannen. De voorgevel is uitgevoerd in traditionele bak- en zandsteenstijl. Accoladebogen en dubbele ontlastingsbogen overspannen door een brede boog, witstenen sleutels, negblokken en muurbanden ter hoogte van de dorpels wijzen op voormalige kruiskozijnen.

De traditionele bak- en zandsteenstijl werd gewijzigd in de 19de eeuw met verlaagde onderdorpels, toegevoegde arduinen lekdrempels en strekse ontlastingsbogen. Zowel de plint als een aantal negblokken en stukken speklagen, zijn in imitatie-natuursteen uitgevoerd. De vroegere traptoren (16de eeuws?) met lessenaarsdak bevindt zich in de oksel van het L-vormig volume gevormd door breedhuis nummer 22 en diephuis nummer 20. De achterpuntgevels zijn aangepast in de 19de en 20ste eeuw.

De inwendige opbouw van het nummer 20 laat zich zien als een typische laatmiddeleeuwse woning. Een evenwijdig aan de straatgevel gelegen muur deelt de gelijkvloerse verdieping op in twee nagenoeg even grote ruimten: een voorkamer en een achterkamer die uitgeeft op het erf. Deze eenvoudige ruimtelijke structuur herhaalt zich op de verdieping. De evenwijdige ligging met de straat van de moerbalken in de achterste kamer op het gelijkvloers en op de verdieping refereert wellicht naar de aanwezigheid van het diephuis. Onder de achterkamer bevindt zich de kelder overspannen door een tongewelf met de lengte-as loodrecht op de straat. Vermoedelijk was dit de voorraadkelder en aanvankelijke enerzijds te bedienen via de door natuurstenen negblokken afgezette en nu dichtgemetselde opening in de achtergevel en anderzijds bereikbaar via de traptoren.

Naast het diephuis nummer 20 zien we het breedhuis nummer 22. Het 'noordelijke diephuis' aan nummer 22 wordt omwille van een aantal onzekerheden beschouwd als niet behorend tot de oudste kern. Zichtbare sporen zoals moerbalken, balksleutels en spantonderdelen verschillen danig van de zichtbare interieurelementen aangetroffen in de overige ruimten.

De ganse noordvleugel onderging bovendien ingrijpende 19de- en 20ste-eeuwse wijzigingen, onder meer ten gevolge van industriële activiteiten en van brand en oorlogsschade. Onderzoek wees uit dat het diephuis nummer 20 en het breedhuis nummer 22 vóór 1554 werden verenigd tot dit L-vormige volume. De aanbouw van de traptoren moest de circulatie tussen de verschillende ruimten mogelijk maken. De stilistische eenheid van diverse 16de-eeuws gedateerde constructieve interieurelementen is overigens opmerkelijk terug te vinden in balksleutels met zaagtandmotief, twee haardgewelven, moerbalkconsoles, spantconstructie en andere.

Het is niet uitgesloten dat deze stijleenheid van het interieur gerealiseerd werd in de 17de eeuw. Het wordt algemeen aangenomen dat in Mechelen de bouwtrant van de 16de eeuw in de daaropvolgende eeuw zonder al te veel originaliteit werd verdergezet. De bewoningsgeschiedenis waarbij het pand tussen 1603 en 1676 onafgebroken in het bezit van de familie de Vendville was laat een dergelijke denkpiste toe.

Naast deze elementen zijn er nog een aantal interieurelementen aanwezig die getuigen van een rijke bouwgeschiedenis: vloer met vierkante natuurstenen tegels met twee soorten zwarte natuursteen en Carrara-marmer, vloer in blauwe hardsteen, verschillende donkere eikenhouten beplankingen, sporen van kalkschilderingen op consoles, stucwerk en muren, een schouw in régence-stijl, behangpapier op stijl- en regelwerk met jute, en andere. Op verschillende plaatsen van zowel de benedenverdieping als de eerste verdieping ziet men stucplafonds die dateren uit de 18de eeuw.


Bron     : Beschermingsdossier DA002308
Auteurs :  Brenders, Francis


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Burgerhuis [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/74537 (Geraadpleegd op 17-04-2021)