Restant van het kasteelpark Beaulieu

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Machelen
Deelgemeente Machelen
Straat Woluwelaan
Locatie Woluwelaan 100 (Machelen)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie tuinen en parken ten noordoosten van Brussel (geografische inventarisatie: 1997 - 2008).
Toegankelijkheid Niet toegankelijk

Juridische gevolgen

Beschrijving

Landschappelijk park met serpentinevijver ('rivier') en strak afgelijnde vista's tussen bosschages, eigenaardig mengsel van regelmatige en onregelmatige elementen, oorspronkelijk circa 17 hectare, vermoedelijk aangelegd aan het einde van de 18de eeuw achter een in 1653-1656 gebouwd barok waterkasteel; vervanging van de lineaire vista's door een meer gebruikelijk patroon van bosjes en bomengroepjes rond 1880; grotendeels verkaveld voor industrie en woningbouw sinds 1920; vervallen en verminkt kasteel omringd door circa 1 hectare braakliggend terrein; recente, nog niet voltooide restauratie.

Tour en Tassis, Fayd'herbe en Hansche

Het barokke kasteel Beaulieu ligt op een verwilderd terrein van amper één hectare aan de oostzijde van de drukke Woluwelaan, aan de benedenloop van de Woluwe en de oostrand van de Zennevallei, op 1200 m van het kanaal Brussel-Willebroek. De Zennevallei tussen Brussel en Vilvoorde was sinds de aanleg van het kanaal in 1560-1561 en vooral in de 17de en 18de eeuw erg in trek voor de vestiging van buitenverblijven, 'huizen van plaisantie', 'speelhuizen'. Na 1900 werd dit gebied grotendeels ingepalmd door de industrie. Het kasteel werd gebouwd in opdracht van prins (Fürst') Lamoral Claudius von Thurn und Taxis (ook de la Tour et Tassis), erfelijk grootmeester van het keizerlijke postwezen, residerend in Frankfort. Volgens sommige auteurs en volgens recent bouwhistorisch onderzoek werd Beaulieu gebouwd op de grondvesten van een oudere burcht. In de literatuur wordt sinds 1932 Lucas Fayd'herbe (1617-1697) aangehaald als ontwerper van het kasteel dat werd voltooid tussen 1653 en 1656, wat door recent onderzoek kon worden bevestigd. Sommige vertrekken, waaronder de kapel, werden voorzien van stucwerk van de hand van Jan Christiaan Hansche. Beroemd zijn de beschadigde en deels verdwenen 'Herculespanelen' van het plafond in het grote salon, geïnspireerd op schilderijen van Frans Floris (1516-1570).

Het goed, oorspronkelijk 'Belvédère' geheten, ontving in de loop van de geschiedenis notoire bezoekers – onder meer de Engelse koning Willem III (1693) en de hertog van Marlborough na de slag van Ramillies (1706) – en had een plejiade van vooraanstaande en soms dubieuze eigenaars, onder meer de slavenhandelaar Frederik Romberg (1782). Een kopergravure door J. Harrewijn in 'Castella et Praetoria nobilium Brabantiae' van J. Le Roy (1694), is de oudste afbeelding van het kasteel en zijn onmiddellijke omgeving. Het was een rechthoekig waterkasteel van zeven traveeën met een souterrain en twee bouwlagen onder een complexe bedaking, samengesteld uit een schilddak en een zadeldak ter hoogte van de hogere risalieten. Het heeft een strakke plattegrond met op de gelijkvloerse verdieping zes rechthoekige ruimtes, drie vooraan en drie achteraan. De Herculeszaal bevindt zich centraal aan de westzijde. Het kasteel – tot 1930 geflankeerd door twee uitspringende, vierkante hoektorens met klokdaken en achthoekige lantaarns – werd opgetrokken uit lokale zandsteen en blauwe hardsteen voor de kozijnen en de balusters. Een opvallend kenmerk zijn de maximaal opengewerkte hoofdgevels, waar de strenge, haast classicerende gevelordonnantie een contrast vormt met de barokke topgevel. De vensters, voornamelijk in de oostelijke voorgevel, zijn zeer groot en beslaan, met een minimale onderbreking, de volledige traveeën, die van elkaar gescheiden worden door smalle pilasters en op pilasters lijkende penanten. Ongewoon grote vensters waren overigens ook een kenmerk van het stedelijke paleis van de familie Thurn und Taxis, die misschien ook voor haar landelijke residentie een maximale lichtinval wenste. Het kasteel Beaulieu mag beschouwd worden als een synthese van de toenmalige stijlkenmerken uit de zuidelijke en noordelijke Brabantse architectuur en andere, zowel oudere als innoverende 17de-eeuwse architectuurelementen.

Landingsbanen in een rivierlandschap

Volgens de ets van Harrewijn was de omgevingsaanleg rond 1690 van een merkelijk bescheidener niveau: rechts van het kasteel een boomgaard; links, tussen het neerhof en de slotgracht en achter (ten westen van) het kasteel doorlopend, een siertuin opgebouwd uit vierkante, met zuilboompjes versierde parterres. In de meest linkse parterre is loofwerk duidelijk herkenbaar. Het door balustrades omzoomde ereplein lag buiten de slotgracht en bestond uit louter grind of aarde. Op de achtergrond de Zennebeemden, de vaart Brussel-Willebroek in de nabijheid van het sas van Drie Fonteinen en de helling waarop nog geen honderd jaar later een van de eerste 'Engelse tuinen' van België zal worden aangelegd – het domein van Drie Fonteinen. Het contrast tussen de prestigieuze architectuur van het kasteel en de wat povere aanleg van de omgeving wordt bevestigd en zelfs benadrukt op de 18de-eeuwse kaarten, onder meer op de Ferrariskaart (1771-1775). De Ferrariskaart toont echter het patroon van brede grachten – een bijna vierkante ringgracht die een kleiner vierkant omsluit – dat de Woluwebeek doorheen het Machelenbroek verbond met de Zenne. Dit patroon zal de aanzet vormen van een embryo van landschappelijke, 'Engelse' tuin, afgebeeld op de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs', gepubliceerd door G. De Wautier in 1810 en, ongeveer gelijktijdig, op de ontwerpversie van de Primitieve kadasterkaart opgemaakt door landmeter Degyzer in 1812.

Opdrachtgever voor de aanleg van deze landschappelijke tuin was wellicht Romberg, eigenaar van Beaulieu vanaf 1782 en associé van Jean-Joseph Walckiers de Gammerages, die de Engelse tuin van Drie Fonteinen aan de overkant van de vallei liet aanleggen. De Wautier tekent een bijna ovale ringgracht met onnatuurlijk golvende contouren. De oevers op de ontwerpversie van de kadasterkaart worden veel strakker getekend, maar de bedoeling is duidelijk: de kasteelbewoners keken uit over een 'rivierlandschap' – een zachtjes slingerende 'rivier' (1 hectare 89 are groot) met twee bruggen (vermoedelijk boogbruggen), ingebed in een tot 50 m brede "weyde van vermaeck" omkaderd door strak afgelijnde "bosschen van vermaek". Kunstmatige 'rivieren', vaak niet veel meer dan verbrede en opgestuwde grachten, vormden vooral na de aanleg van het nabijgelegen kasteeldomein Schonenberg (het huidige park van Laken) rond 1780, een belangrijk motief in de landschappelijke, 'Engelse' parken. Intrigerend en vrij uniek is echter het netwerk van strakke, op landingsbanen lijkende, visuele corridors (samen 4 hectare 71 are) en strak afgelijnde bosmassieven (circa 9 hectare), waar de ‘rivier’ zich doorheen slingerde. Op de definitieve versie van de Primitieve kadasterkaart (circa 1830) worden deze 'landingsbanen' achter het 'kasteel van Godin', de toenmalige eigenaar – iets meer getemperd weergegeven (in de onmiddellijke omgeving van het kasteel gaan de lijnen wat kronkelen), maar op de stafkaart van 1877 zijn ze nog duidelijk herkenbaar. Volgens het Primitief kadaster besloegen de "vermaek"-percelen in 1831 samen bijna 17 hectare.

Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw, onder de families d'Alcantara (vanaf 1841) en Rittweger (vanaf 1875) die Beaulieu ook permanent bewoonden, onderging het kasteel ingrijpende verbouwingen. De vensters werden aangepast, er werd een terras aangelegd, de torendaken werden vervangen en het interieur werd heringericht, onder meer met een nieuwe trap en een schouw in neorenaissancestijl. Het middenrisaliet van de westgevel, oorspronkelijk met een afgewolfd dak, kreeg een gekrulde topgevel, min of meer gelijkend op die van de oostgevel, vermoedelijk omdat toen de hoofdingang werd verlegd naar de westzijde van het gebouw. De aanleg van het landschappelijke park, nu zonder 'landingsbanen' (het verdwijnen hiervan wordt kadastraal geregistreerd in de opmetingsschets van 1885) maar bezaaid met boomgroepjes en bosjes zoals afgebeeld op de stafkaart van 1891, was ongetwijfeld het werk van de Brusselse verzekeringsmakelaar Emile Rittweger, die het domein in 1875 had gekocht. De totale oppervlakte van de als 'lustgrond' geregistreerde percelen bedroeg toen meer dan 16 hectare, bijna één hectare minder dan in 1831, maar deze afname hing samen met het verschijnen van een uitgebreide infrastructuur – broeikassen, hondenren, volière, ijskelder (nog in 1885 geregistreerd ) – eigen aan permanent bewoonde landgoederen. Verschillende percelen aan de overzijde van de weg Diegem-Machelen (de huidige Pieter Schroonstraat) maakten deel uit van het domein.

Franse tuin

Omstreeks 1920 begon het verval. Beaulieu werd in 1919 door de erfgenamen van Rittweger verkocht en belandde via enkele kortstondige eigenaars in 1923 bij de Brusselse vastgoedvennootschap 'Société Belge Immobilière'. De dreven verdwenen, het park werd verkaveld en de grachten en vijvers werden gedempt. In 1930 werd het kasteel aangekocht door August Braun, die overeenkomstig de verkoopsvoorwaarden begon met de afbraak en de ontmanteling. De noordoostelijke kasteeltoren werd gesloopt en heropgebouwd – zij het met een licht gewijzigd uitzicht – op zijn landgoed Ter Meeren in Sterrebeek, maar de rest van het gebouw bleef gelukkig gespaard. Materialen van de gesloopte bijgebouwen werden her en der hergebruikt, onder meer voor het herstel van de kerk van Tervuren. De teloorgang van Beaulieu verliep niet ongemerkt, maar gaf aanleiding tot een bescheiden schandaalkroniek en een poging van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen om op grond van de kersverse wet op het 'behoud van monumenten en landschappen' (7 augustus 1931) het kasteel te beschermen als 'monument'. Na de Tweede Wereldoorlog werden onder impuls van 'De Vrienden van Beaulieu', een vereniging opgericht in 1944 en herstellingswerken uitgevoerd naar ontwerp van architect Marcel Schmitz. Deze werken, beëindigd in 1949, omvatten ook de herinrichting van het interieur met onder meer het terugbrengen van de omstreeks 1930 verwijderde Herculespanelen.

De vereniging was niet alleen bekommerd om het kasteel, maar schonk ook aandacht aan wat er van de omgeving was overgebleven. De aanleg van een formele, 'Franse' tuin op de resterende niet verkavelde of bebouwde ruimte rond het kasteel (iets meer dan één hectare) was een onderdeel van haar programma. Het plan dat de 'Vrienden' opmaakten, grijpt niet terug naar de parterres op de ets van Harrewijn, maar geeft een eigen, historiserende en toen al gedateerde invulling. De plattegrond draagt de datum 12 maart 1947, maar aan de soepjurken van de dames op de voorgrond van het bijgevoegde perspectief valt af te lezen dat het plan, getekend "FV.", toen al minstens vijftien jaar oud was. Met buxushaagjes en -bollen afgebakende grascompartimenten, de waterbekkens met spiegelbogen, de waaiervormige parterres aan weerszijden van het centrale deel, de vrij onhandig uitgetekende rand met loofwerk… De ontwerper, duidelijk van het tweede garnituur, heeft ongetwijfeld inspiratie gezocht in de neo-Franse tuinstijl, die in het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, de 'style Duchêne', zijn hoogtepunt bereikte, maar na de Eerste Wereldoorlog zijn beste tijd had gekend. De verwachtingen waren trouwens hoog gespannen; Beaulieu zou in de ogen van Charles Mertens, directeur van de vereniging, uitgroeien tot een 'musée dynastique', later afgezwakt tot een 'musée des gloires nationales' zoals te lezen valt in een brief uit 1945 aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Maar ook dat was te hoog gegrepen en de 'Franse tuin' is er nooit gekomen.

In 1956 werd het kasteel aangekocht door de daartoe opgerichte vereniging 'Verdedigers van Beaulieu', een spin-off van de 'Vrienden'. Architect R. Van Beginne werd toen belast met gedeeltelijke herstellingswerken, die voltooid werden in 1964. In dat jaar was er in Beaulieu op de begane grond een permanente tentoonstelling van het Postmuseum te zien en was er in de ruime gewelfde kelder een restaurant ondergebracht. Deze activiteiten werden respectievelijk in 1972 en 1975 stopgezet, waarna een periode van verval en vandalisme volgde. Ondanks beschermingsmaatregelen om verder verval te voorkomen en pogingen tot behoud, zoals het dichtmetselen van de muuropeningen op de begane grond in de jaren 1980 en 1990, stond het kasteel er in het begin van de 21ste eeuw zwaar verwaarloosd en verlaten bij op een verwilderd terrein, overblijfsel van het eens zo uitgestrekte park. De eiken ingangsdeur, marmer- en parketvloeren, lambriseringen, schouwen en stucwerk vielen ten prooi aan diefstal en vernieling; vier van de negen Herculespanelen zijn verdwenen, enkele andere zijn zwaar beschadigd. Na moeizame besprekingen en onderhandelingen werden in de zomer van 2002 restauratiewerken naar ontwerp van het architectenbureau Quirijnen en Jacobs aangevat. Hierbij werd de oorspronkelijke ringgracht opnieuw opengemaakt zodat het souterrain weer zichtbaar is; de bedaking werd vernieuwd, de gevels werden gereinigd en de beschadigde stenen behandeld met een verharder. Over de aanleg van de omgeving werden nog geen beslissingen genomen.

  • Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven, brief van Ch. Mertens d.d. 15-12-1945 aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Machelen, art. 37 nrs. 18-29 en 34-51, arts. 349, 422, 376 en 657.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Machelen 1885 nr. 18.
  • Une oeuvre nationale. La restauration du château de Beaulieu à Machelen près de Bruxelles pour y installer le 'Musée dynastique', in Commoedia 6(153-154-155), 7-20 juillet 1944, p. 1.
  • DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe, 1998.
  • KENNES H. & STEYAERT R., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Machelen, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 33-37.
  • LEURS S., Een schandaal te Machelen-bij-Vilvoorde: de ondergang van het Kasteel Beaulieu, in Toerisme 11(10), 1932, p. 358-361.
  • TEMMERMAN C., Beaulieu. Le Château des Tour et Tassis à Machelen, in Revue des Archéologues et Historiens d'Art de Louvain, XIX, 1986, p. 238-265.
  • VANNOPPEN H. & SOMMEREYNS-PARENT L., De geschiedenis van Sterrebeek, het kastelendorp, Tielt, drukkerij Veys, 1978, p. 886.
  • VAN VAECK M., Beelden van omhoog. Hansches 17de-eeuwse plafonddecoraties in stucwerk in de kastelen van Horst, Modave en Beaulieu en in het Gentse Brouwershuis, in Monumenten & Landschappen 16(5), 1997, p. 21-55.
  • VERSTREPEN E., Le Château de Beaulieu à Machelen,(eindverhandeling), Bruxelles, ULB, Faculté des Sciences Appliquées, Institut d’ Urbanisme et d’Aménagement du Territoire, 1995-1996).
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII, heruitgave van de editie van 1855, Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 164-169.
  • WILLIS A., Architectural History of Beaulieu, kunsthistorische analyse februari 2001.

Bron: DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.

Auteurs: Deneef, Roger; Kennes, Hilde & Steyaert, Rita

Datum tekst: 2009

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Woluwelaan

Woluwelaan (Machelen)

omvat Kasteel Beaulieu

Pieter Schroonsstraat zonder nummer, Machelen (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.