erfgoedobject

Krekengebied van Kieldrecht en Meerdonk

landschappelijk geheel
ID: 135197   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135197

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het krekengebied van Kieldrecht en Meerdonk strekt zich uit tussen de dorpen Kieldrecht-Nieuw Namen in het noorden, tot aan de grens van de zandstreek Sint-Gillis-Waas, Vrasene in het zuiden en De Klinge in het westen. Door zware overstromingen werd het krekengebied eerst tot een kustvlakte omgevormd en later onder invloed van de mens heringedijkt. Door militaire inundaties op het einde van de 16de eeuw kwam het gebied opnieuw gedurende een lange tijd onder invloed van de getijden. De complexe overstromingsgeschiedenis heeft sporen in het landschap nagelaten. Zo zijn er diverse krekenpatronen en dijkdoorbraken met wielen. Het krekengebied is een puzzel van geulen, grachten, kanaaltjes, bredere bekkens, wielen, plassen en plasjes.

De Grote Geule van Kieldrecht en de Grote Geule van Meerdonk zijn de belangrijkste open kreken. Zij maken deel uit van het waternetwerk in dit krekengebied. Via de Kieldrechtse Geul en andere watergangen ontwateren de kreken via een pompgemaal in de Schelde. Er komen een aantal zuidwest-noordoost georiƫnteerde ruggen voor waarop de bewoning zich heeft gevestigd. De eerste rug situeert zich in het noorden van het gebied en bevat de bewoningsas tussen De Klinge en Kieldrecht. De tweede, niet meer topografisch waarneembaar, bevindt zich tussen de gehuchten Kalf en Zandloper, waar hij aansluit bij het dekzandgebied van Hoog-Verrebroek. Tussen deze twee ruggen lag een relatief diepe depressie, waarin zich veen had ontwikkeld, die aansloot bij het grote, meer noordelijk gelegen veenareaal. De afwezigheid van transgressie-afzettingen van de 13de eeuw wijzen erop dat dit veengebied niet door zeewater verdronken werd voor de 13de eeuw. Vermoedelijk verlaagden veenafgravingen het oppervlak, waardoor het voor overstroming vatbaar werd.

Rond 1350 waren deze veengronden niet alleen bedijkt maar ook grotendeels ontgonnen. De namen Turfbanken en Rode Moerpolder verwijzen naar de veenontginning. De militaire inundaties brachten ook hier overstromingen waardoor een jong kleidek werd afgezet. Het zuidelijk gedeelte werd in 1615 drooggelegd, het noordelijk gedeelte (Konings Kieldrechtpolder) in 1653.

De Grote Geul van Meerdonk is in deze polder een belangrijke getuigenis van deze overstromingen. De kreek sneed zich een weg door de zuidelijke zandrug ter hoogte van Konijnepijpen, waardoor de mariene invloed zich ver zuidelijk kon laten voelen (Sint- Gillis-Broekpolder en Saligempolder). Tijdens de indijkingswerken van de Konings- Kieldrechtpolder hebben zich twee dijkdoorbraken voorgedaan met het ontstaan van het Kleine Weel en het Grote Weel (oorspronkelijk respectievelijk Groot Vingerling en Cleyn Vingerling genoemd) tot gevolg. Na de dijkdoorbraken werd de dijk langs de Welen gelegd. Aan de rand van dit gebied komen enkele militaire verdedigingswerken voor die deel uitmaakten van de voormalige Bedmarlinie.

Het bodemgebruik vertoont een samenhang met de topografie en de bodemgesteldheid: op de zandruggen is er een afwisseling van akkerland en weiland, in de delen met mariene afzettingen akkerland. In het oosten van de Konings Kieldrechtpolder en in de Turfbankenpolder, maar vooral ten zuiden van Hoog-Verrebroek komen veel laagstamboomgaarden voor. Het perceleringpatroon is erg heterogeen. In het westen van het gebied is de percelering grootschaliger ten gevolge van ruilverkaveling (Meerdonk). Ze bestaat er vooral uit een complex van regelmatige blokken en stroken. Enkel de zuidelijk zandrug wordt gekenmerkt door kleine kavels, geassocieerd met de bewoningsas van het gehucht Kalf. De Konings Kieldrechtpolder wordt gekenmerkt door een planmatiger en relatief grootschalige strookpercelering, gegroepeerd in verbanden. Daarin komt nog een verband voor met kleinschalige smalle stroken. Ten zuiden van Hoog-Verrebroek is de percelering eveneens kleinschaliger.

De kenmerken van het wegennet variƫren in functie van de inpolderingsgeschiedenis. In het westen en het zuiden zijn de belangrijkste wegen geassocieerd met oude dijken of met de dekzandrug. Ze volgen een kronkelend verloop. De Konings-Kieldrechtpolder, die later werd ingepolderd en een relatief dik marien dek draagt, getuigt van een grote planmatigheid. Zowel de dijken die deze polder naar het noordwesten en het noordoosten toe begrenzen, als de wegen in de polder zelf, vertonen een dambordpatroon. Enkel de weg Kieldrecht - Vrasene doorsnijdt dit patroon. De hierboven genoemde Grote Geul wordt plaatselijk afgezoomd door weiland of door bomenrijen. Op de plaats waar de kreek de zandrug doorsteekt ligt de oude geul tussen beplante dijken wat deze doorbraak landschappelijk accentueert. De verschillen in bodemgebruik beklemtonen de geomorfologische verschillen en bepalen de landschappelijke variatie in dat overgangsgebied. Op de ruggen komen sporadisch perceelsrandbegroeiingen voor die, hoe gering ook, bijdragen tot de visueel-landschappelijke verschillen op grond van bodemgebruik.


Bron     : Ankerplaats 'Krekengebied van Kieldrecht en Meerdonk'. Landschapsatlas, A40021, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2001


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Krekengebied van Kieldrecht en Meerdonk [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135197 (Geraadpleegd op 22-10-2019)