erfgoedobject

Vijvergebied tussen Laambeek en Slangebeek

landschappelijk geheel
ID: 300246   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300246

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het gebied bevindt zich in het midden van de provincie Limburg en maakt deel uit van een brede laagvlakte die de Lage Kempen vormt. De ankerplaats wordt gekenmerkt door een aaneenschakeling van vijvers, moerassen, heide, hooiland en bos en telt verschillende natuurreservaten. Het is het grootste aaneengesloten vijvergebied van België dat ook gekend is als de Wijers. Deze vijvers worden hoofdzakelijk gevoed door de Slangebeek, Roosterbeek en Laambeek die tot het stroombekken van de Demer behoren. Dit gebied wordt naast de vijvers ook gekenmerkt door de aanwezigheid van twee kasteeldomeinen, Vogelzang en Terlamen. Vlakbij Terlamen ligt de Bolderberg, een getuigenheuvel opgebouwd uit tertiair materiaal die met zijn 60 meter hoogte boven het landschap uitsteekt. Het landschap in deze regio is een uitgestrekt cultuurlandschap met een belangrijk naaldhoutareaal en een beperkte bewoningsdichtheid gekenmerkt door lintbebouwing langs de wegen.

De autostrade E314 van Lummen naar Zonhoven vormt de noordgrens van de ankerplaats. In het zuidwesten vormt het Albertkanaal een even harde grens. In het oosten wordt de begrenzing grotendeels bepaald door de bebouwing rondom Zonhoven die systematisch wordt uitgesloten. In het zuidoosten wordt deels de (vroegere) spoorlijn Houthalen-Hasselt gevolgd tot aan de beekvallei van de Slangebeek die de zuidgrens is. Ook langs de westzijde van de ankerplaats ligt de grens op het einde van de bebouwing rond de gehuchten Viversel en Stokrooie en het circuit van Zolder. De ankerplaats omvat de nog resterende onbebouwde ruimte.

Fysische geografie

Zo’n 10 miljoen jaren geleden (tijdens het middenmioceen) werd een zandpakket afgezet aan de Noordzeekust die zich in die periode zuidelijker bevond dan nu. In de ondiepe zee werden toen zandbanken gevormd met materiaal, afkomstig van een sterk verweerd continent, vermoedelijk de Ardennen. Bij een iets lagere waterstand ontstonden lagunes met zeer rustig water, waarin klei kon bezinken en een pakket met zeer zuivere, sneeuwwitte zanden. Soms kon er zich een vegetatie op ontwikkelen die later weer werd overspoeld. Zo ontstond er veen, dat langzaamaan, onder toenemende druk van nieuwe sedimenten, omgezet werd in bruinkool. Tot het einde van het tertiair werden in hoofdzaak mariene sedimenten afgezet waarna zich een rivierstelsel ontwikkelde op de vrijgekomen regressievlakte. Het insnijden van de rivieren in combinatie met hellingserosie vormde de basis van het moderne reliëf. Zo’n 10 miljoen jaren geleden (tijdens het middenmioceen) werd een zandpakket afgezet aan de Noordzeekust die zich in die periode zuidelijker bevond dan nu. In de ondiepe zee werden toen zandbanken gevormd met materiaal, afkomstig van een sterk verweerd continent, vermoedelijk de Ardennen. Bij een iets lagere waterstand ontstonden lagunes met zeer rustig water, waarin klei kon bezinken en een pakket met zeer zuivere, sneeuwwitte zanden. Soms kon er zich een vegetatie op ontwikkelen die later weer werd overspoeld. Zo ontstond er veen, dat langzaamaan, onder toenemende druk van nieuwe sedimenten, omgezet werd in bruinkool. Tot het einde van het tertiair werden in hoofdzaak mariene sedimenten afgezet waarna zich een rivierstelsel ontwikkelde op de vrijgekomen regressievlakte. Het insnijden van de rivieren in combinatie met hellingserosie vormde de basis van het moderne reliëf.

Tijdens het pleistoceen werd het tertiair substraat (Bolderiaan en Diestiaan) afgedekt door een laag dekzand van niveo-eolische oorsprong. Door de Maas werd tijdens het middenpleistoceen een massale hoeveelheid puin meegevoerd uit de Ardennen waarna de rivier hier voor zichzelf een bedding uitsneed. Ten westen van de Maas vormde het afgezette puin een vlak landschap dat boven de omgeving uitsteekt, namelijk het Kempens plateau. Dit pleistoceen terrasgrind wordt afgedekt met een jongere pleistocene zandlaag. De Lage Kempen, ten westen van het Kempens plateau, zijn lager gelegen omdat de ondergrond voornamelijk bestaat uit zachte tertiaire zandafzettingen, die tijdens de ijstijden diep uitgeschuurd werden door de rivieren. Hierdoor ligt het Kempens plateau toch hoger dan de omgeving, ondanks de veel kleinere steilrand.

Ten westen van het plateau wordt het landschap gekenmerkt door langgerekte heuvelruggen afgewisseld met brede beekdalen. Oorspronkelijk zouden deze heuvels zandbanken geweest zijn die voordien voor de Noordzeekust lagen. Toen de zee zich terugtrok begon ijzerhoudend zand op de hoger gelegen zandbanken te verkitten. Er ontwikkelde zich een harde laag die weinig aan erosie onderhevig was. Geleidelijk ontstond op die manier een golvend landschap. De Bolderberg vormt de typelocatie voor het Bolderiaan. Deze getuigenheuvel bestaat uit Bolderiaan met Diestiaanse ijzerzandsteen aan de top. De harde ijzerzandsteen wist zich te handhaven tussen de valleien van de Laambeek en Bolderbergbeek. In tegenstelling tot andere formaties van het tertiair dagzoomt het Diestiaan op talrijke plaatsen op de hoogste delen van de bergen waar het grote ontsluitingen vormt.

Tijdens de weichselijstijd (würm) kon de schaarse vegetatie het bodemmateriaal nauwelijks vastleggen. De wind had hierdoor vrij spel. Fijne partikeltjes zoals leem werden grotendeels naar het zuiden vervoerd dankzij de overheersende noordenwind. Het zwaardere zand werd minder ver vervoerd zodat de Lage Kempen en de Hoge Kempen met een zandlaag bedekt werden. Tijdens het holoceen (boreaal) werd dit dekzand plaatselijk geërodeerd en onder invloed van neerslag in de beekvalleien afgezet. Door afspoeling of verplaatsing door de wind geraakte het dekzand vermengd met de onderliggende grindlagen. Door het opwaaien van het dekzand werden langs de beek- en rivierdalen stuifzandduinen gevormd. Een voorbeeld van dergelijke stuifzandcomplexen is de Galgenberg nabij Stokrooie. In de valleien zelf werd alluvium afgezet onder de vorm van lichte sedimenten. In afgesloten kommen of valleigebieden met onvoldoende oppervlakkige waterafvoer werd venig materiaal gevormd.

Hydrologie

Over het Kempens plateau, van het zuidoosten naar het noordwesten, loopt de waterscheidingslijn tussen het Maas- en Scheldebekken. De beken met oorsprong op het zuidelijk deel van het plateau (Laambeek, Roosterbeek, Slangebeek, Mangelbeek, Zwarte beek,...) behoren tot het Demerbekken. De Dommel, Abeek, Itterbeek, Bosbeek,... met oorsprong op het oostelijke en zuidoostelijk plateau wateren af naar de Maas. Het regenwater van het Kempens plateau dringt hoofdzakelijk de grond in en stroomt dan als grondwater af naar het oppervlaktewater aan de rand van het plateau. Het water kan kort of lang onderweg zijn en is hierdoor arm of rijk aan mineralen.

De beken ten westen van het Kempens plateau wateren allemaal af in zuidwestelijke richting. Ze hebben een redelijk intacte beekmorfologie met sterke meanders, holle oevers en kwelzones. In hun bovenloop hebben de beken zich ingesneden in de flanken van het Kempens plateau. Eens in de vlakte wordt hun vallei breder en natter. De grondwatertafel bevindt zich buiten de beekvalleien op minder dan 3 meter onder het bodemoppervlak. In de beekvalleien ligt ze op minder dan 1,25 meter en dagzoomt in de venige kommen en talrijke vijvers.

De waterlopen doorsnijden het gebied van het noordoosten naar het zuidwesten en hebben een evenwijdig verloop. Deze beekvalleien waren bepalend voor de organisatie van het landschap in het verleden. De belangrijkste beken die het vijvergebied voeden zijn de Laambeek, Echelbeek, Roosterbeek, Slangebeek, Bolderbergbeek en Zonderikbeek. Het zijn smalle valleien met een vrij ongunstige waterhuishouding, redelijk veel sedimentatie en een permanente grondwatertafel op gemiddeld 40-80 centimeter onder het maaiveld onderhevig aan seizoenschommelingen. Van nature komen deze natte gronden enkel in aanmerking voor hooiweide en bosaanplant met populier en broekbossen met zwarte els en wilgenstruwelen. Dankzij ontwatering kunnen de gronden ook geschikt gemaakt worden voor graasweiden. De beken met de grootste sedimentatie zijn de Rooster- en de Slangebeek.

De Laambeek ontspringt op de grens van Meeuwen-Gruitrode en Houthalen-Helchteren. Het is een typische laaglandbeek. Ze verzamelt regenwater van het Kempens plateau. De historische bedding werd op diverse plaatsen – zij het minder in de bovenloop – gewijzigd of rechtgetrokken. De Echelbeek ontspringt als de Winterbeek in Lilo (Houthalen-Helchteren) en stroomt door de gemeente Heusden-Zolder om uit te monden in de Laambeek nabij het Vogelzangbos. De historische bedding werd nagenoeg over de volledige lengte omgelegd of rechtgetrokken. De Roosterbeek ontspringt in Zwartberg (Genk) en mondt uit in de Slangebeek te Sint-Jansheide (Hasselt). In de vallei van de Roosterbeek is veen aanwezig dat vermoedelijk begin 20ste eeuw op lokale schaal werd ontgonnen. Het veen werd vooral ondiep uitgebaat omdat de watertafel zeer snel werd bereikt. De veenwinningsputten werden nadien ingericht als visvijvers. Een uitgestrekte reeks vijverplassen verbindt de vallei van de Roosterbeek met die van de Bolderbergbeek. De bron van de Slangebeek ligt ten noorden van Termolen (Zonhoven). Dit brongebied vormt het natuurreservaat ‘Slangebeekbron’. De Slangebeek mondt uit in de Demer. In de vallei komt een kleine vlek veengronden voor. De Bolderbergbeek/Voortbeek heeft zijn bron in een natuurgebied te Geelberg (Zonhoven) en mondt uit in de Demer. De Zonderikbeek of Oude Roosterbeek ontspringt in het natuurreservaat Wijvenheide (Zonhoven) en mondt in Stokrooie (Hasselt) uit in de Demer. Daarnaast wordt het gebied ook gekenmerkt door talrijke winterbeken of greppels die vooral tijdens de winter water transporteren en uitmonden in de diverse beken. De talrijke zouwen zijn gegraven afwateringsgreppels in beemden en weiden.

Er komen zeer veel, soms grote vijvers voor, die het wateropslagvermogen van het Lage Kempense landschap bepalen. Het bekenstelsel in combinatie met de uitgestrekte vijvercomplexen geven aan het landschap een hoge esthetische waarde. Voor het ontstaan van de vijvers zorgden de verschillende rechterbijrivieren van de Demer. Tijdens en na de laatste ijstijd ontstonden in de middenloop van deze bijrivieren vennen en moerassige laagtes tussen zandophopingen. Ten gevolge van veenontginning werden deze waterpartijen vergroot en uitgediept en nadien omgevormd tot kweekvijvers voor zoetwatervis. Niet enkel de beken voeden de vijvers van het vijvergebied. Ook doorsijpelend water van hoger gelegen gebieden aan de rand van het Kempens Plateau, de moerasstruwelen, leveren water aan de vijvers. Het Kempens plateau fungeert dus als brongebied en als infiltratie en heeft een belangrijke hydrologisch relaties met het vijvergebied. Veel vijvers hebben echter geen natuurlijke oorsprong; de watertoevoer is gebaseerd op een cascadesysteem via een netwerk van aan- en afvoersloten. Het water wordt geleverd door de Laam- en Rooster- en Slangebeek.

Cultuurhistorie

Archeologie

In het vijvergebied, vooral in de omgeving van de Wijvenheide, werd een hele reeks archeologische sites gelokaliseerd die getuigen van de vroegste menselijke aanwezigheid. De toenmalige jager–verzamelaars vestigden zich dikwijls op hoger gelegen plaatsen (duinen, donken,...) in de nabijheid van water (beken, vennen). De meeste gekende sites zijn ingeplant op de randen van de vallei van de Roosterbeek, op de iets drogere zandgronden langs de natte vallei. Het merendeel van de vondsten dateert uit de steentijd met duidelijke concentraties aan lithisch materiaal uit het jongpaleolithicum (circa 35000-10000 voor Christus). Op de site Zonhoven-Bolderdal, aan de rand van de ankerplaats, werd een kampement uit het mesolithicum (circa 9500-4000 voor Christus) aangetroffen met talrijke stenen artefacten. Uit de Romeinse periode (1ste tot 3de eeuw) dateert slechts één losse vondst van aardewerk ter hoogte van de Zandstraat bij de gemeentegrens tussen Zonhoven en Zolder. Vanaf de vroegste landbouw startte ook een proces waarbij de bodem stelselmatig werd uitgeput. Intensieve beweiding resulteerde in bodem- en bosdegradatie en na enige tijd ontstonden boomarme heidegebieden. Ook de introductie van de ijzerindustrie circa 500 voor Christus zorgde voor een uitbreiding van het heideareaal. De ijzeraanrijkingshorizont van de podzolbodem in de Kempen was een belangrijke ertsbron; voor de ontginning van ijzererts verdwenen nog meer bosgebieden.

Waterhuishouding en inrichting vijvers

De hoge bodemvochtigheid ten gevolge van de aanwezigheid van moeilijk waterdoorlatende ijzerertslagen en kleilenzen en de beperkte afwatering van de beken maakten dat er talrijke moerassige plassen en vennen aanwezig waren in dit deel van de Lage Kempen. Heivennen waren echter wegens hun zandige of veenachtige en onvruchtbare bodem niet zo geschikt voor de viskweek. Ook het water was te hard, te koud en te zuur. De waterhuishouding vertoonde bovendien uitersten zoals wateroverlast in de winter en watergebrek in de zomer. Dit kwam omdat vennen ontstonden op gronden met een tijdelijke stuwwatertafel. Men was dus genoodzaakt om zelf vijvers aan te leggen. Voor de bouw van deze vijvers moest er een zeker verval aanwezig zijn. Het zacht hellend karakter van de Lage Kempen zorgde voor een geschikt gradueel verval zodat de dijken voor de aanleg van de vijvers niet al te hoog gemaakt dienden te worden. Hierdoor konden de vijvers gemakkelijk in terrasvorm aangelegd worden waardoor ze zonder pompinstallaties op- en afgelaten konden worden. Via een systeem van dijken, sluisjes en verbindingssloten, op- en aflopen was een instelling van het waterpeil mogelijk.

In Zonhoven en omgeving vormde de visteelt al in de middeleeuwen een belangrijke economische activiteit. De eerste vijvers ontstonden in de 13de eeuw door de ontginning van turf en ijzererts in de drassige gronden. De ondiepe kuilen werden achteraf in gebruik genomen als visvijvers. Door de lage vruchtbaarheid brachten de Kempense bodems eiwitarm voedsel voort. De aanvoer van zeevis of riviervis uit de Maas was echter praktisch onmogelijk. Hierdoor begon men zelf met de kweek van vissen. Vooral onder impuls van de kloosterlingen werd een wijercomplex uitgebouwd waarbij talrijke, door veenontginning uitgediepte vennen werden omgevormd tot viskweekvijvers. De karperkweek nam daarbij een centrale plaats in. Het Groot en Klein Witven of Wijven, de Ballewijers en de Platweijers werden al in de 15de eeuw vermeld en waren vermoedelijk vennen, door veenontginning uitgediept en later gebruikt voor de viskweek. De visvijvers in de valleien van de Rooster- en Slangebeek werden vanaf de 15de eeuw aangelegd in functie van de viskweek als onderdeel van het plaatselijk landbouwsysteem. Onder meer de abdijen van Herkenrode en Averbode zorgden ervoor dat deze vijvers vanaf de 16de eeuw in gebruik werden genomen als viskweekvijvers. Het 17de-eeuws kaartboek van de abdij van Averbode toont dat de abdij een pachthoeve van 112 hectare bezat te Bolderberg met onder andere een akkercomplex op de zuidflank van de Bolderberg. De vlakte ten noorden van de berg werd aangeduid als de Bergh Heyde. Het abdijdomein van Herkenrode lag ingeplant op de linkeroever van de Demer maar bezat uitgestrekte gronden aan weerskanten van de rivier en langs zijbeken. Al kort na de stichting (circa 1222) had de abdij ook het visrecht op dat gedeelte van de Demer dat het domein bespoelde. De abdij van Herkenrode heeft een bepalende rol gespeeld bij de inrichting van een vijvercomplex op de Demer en zijtakken zoals de Zonderikbeek.

Later begon men ook op andere plaatsen waar de grond niet te doorlatend was en waar er voldoende water aangevoerd kon worden, vijvers aan te leggen. Beken werden opgestuwd om grotere waterpartijen te bekomen zodat in de vallei een ruime aaneenschakeling van kweekvijvers of wijers ontstond. Hiervoor verwijderde men alle houtopslag en effende men het terrein. Indien het terrein laag genoeg lag, dienden enkel dijken aangelegd te worden. In het andere geval moest de vijver uitgegraven worden. Een combinatie van dijken, sluisjes en sloten maakte het waterbeheer mogelijk. In de meanderende beken werden sluizen geplaatst om het water naar de vijvers te leiden. Elke wijer had aan het hoofd een oploop voor de watertoevoer en aan de laagste kant een afloop. De vijverbodem helde zachtjes af naar één plaats. In het midden van de vijver werd van de oploop tot aan de tap een gracht, een moeder- of hoofdzouw, uitgegraven. Bij grote vijvers maakte men nog een aantal zijgrachten (zouwkes) in de vorm van een visgraat. De hoofdgracht eindigde op een kuil. Hieruit vertrok een buizenstelsel dat diende om de vijver volledig leeg te laten lopen. Op de tap, een houten stop die de buizen afsloot, stond een grote ring waarmee men vanaf de kant de stop kon verwijderen met een haak. Om te verhinderen dat de vissen meegesleurd werden met het water, plaatste men een rooster op de afvoerpijp. Op de laagste plaats in de dijk plaatste men een overloop om het waterpeil te regelen. Tot slot groef men het aanvoerkanaal (oploop). Hierin plaatste men een sluis om de watertoevoer te kunnen regelen. Er diende ook een omleidingsgracht voorzien te worden. Zo ontstonden vijvercomplexen die bevoorraad werden door een ingewikkeld en kunstmatig gestuurd hydrologisch systeem. Tussen de vijvers lagen ook hooilanden en broekbossen.

De toevoer van het water kon op twee manieren gebeuren. In het oudste systeem werden de vijvers aangesloten op een beek. De vijvers werden met een dijk versterkt op het laagste punt aan de zuidwestelijke stroomafwaartse zijde. Aan de noordoostelijke zijde was de oever zacht hellend. De volgende vijver werd stroomafwaarts afgedamd en zo kreeg men een ‘snoer’ van vijvertjes. Om meer vis te kunnen kweken werden later vijvers gegraven met dijken aan alle vier de kanten. De ene vijver liep over in de andere en na verloop van tijd ontstond er een complex systeem van vijvers naar analogie met het systeem dat we kennen van de rijstvelden. Vaak ging het in dit geval om hooilanden die omgezet werden naar vijvers. Het rechthoekig patroon van de vijvers is hiervan het bewijs. Het hydrologisch systeem van het vijvergebied kan in verscheidene eenheden ingedeeld worden op basis van de sluis (of val) op de Rooster- en Laambeek. Vanaf de sluis vertrok een sloot (of zouw) die het water naar de vijvers voerde. Deze grachten zijn vaak ook nu nog in het landschap aanwezig. Soms werden ze echter ingebuisd en zijn ze niet meer zichtbaar.

Op de Roosterbeek zijn vijf sluizen aangelegd waarvan er drie binnen de ankerplaats liggen. Deze sluizen bevinden zich ten oosten van het vijvergebied.

  • Vanaf de Molensluis op Termolen bij de Korenmolen vertrekt een sloot voor de watervoorziening van o.m. de Ballewijer, de Molenschans, de Ruddelwijer, het Saarbroek en ‘t Welleke. Deze oploop is tevens het begin van de Slangebeek.
  • De Hoge Val is een sluis vanwaar de Platwijerszouw vertrekt, een oploop voor o.m. het Witven, de Kwak, het Ganske en de Platwijers. De omgeving is hier echter sterk heraangelegd.
  • Aan de Stenen Sluis vertrekt de Hoebenzouw, een oploop voor de Hoebenwijers en de Engstegenschans. Vroeger leverde deze sloot ook het water voor de vijvers rond het huidige Heidestrand. Recent werd voor deze vijvers echter een nieuwe oploop aangelegd vanuit de Laambeek wegens de vervuiling van de Roosterbeek. Momenteel is de toestand wel verbeterd door de riolering en vooral het zuiveringsstation van Lilac.
  • De Vranckenzouw vertrekt aan de sluis op de Delleweg voor de wateroploop van o.m. de Vranckenschans, de Vranckenwijer en de Katschitwijer.
  • De Wijvesluis vormt het begin van de Witvenzouw voor de groep wijers van het (Groot/Klein) Witven.

Op de Laambeek zijn twee sluizen aanwezig.

  • De sluis met oploop voor de Brelaarschans.
  • Aan de Vogelzangval vertrekt een zouw voor de waterbevoorrading van onder meer de Begijnenwijer en de wal van de Kolverenschans.

Voor de viskweek werden er drie typen vijvers aangelegd. Het eerste stadium van de visteelt vond plaats in kweekvijvers. Deze vijvertjes stonden gedurende een groot deel van het jaar leeg om bewerkt, bemest en bezaaid te worden. Vroeger werd veelal spurrie en haver gezaaid, nu veelal raaigras. Deze begroeiing was noodzakelijk omdat de vissen hun eitjes afzetten op de planten. Bovendien zorgde de plantengroei voor het nodige natuurlijk voedsel voor de jonge vissen. Na verloop van tijd werden de kleine visjes uitgezet in grote vijvers, zogenaamde groeivijvers. Met bemesting trachtte men de hoeveelheid natuurlijk voedsel zo groot mogelijk te maken. Daarnaast werden de visjes ook bijgevoederd. Het oogsten van de vis gebeurde eind oktober. Hiervoor liet men een groot deel van het water uit de vijver lopen zodat de vissen zich verzamelden in de centrale gracht en de zijgrachten. Daarna werden de vijvers met grote sleepnetten leeg gevist. Wanneer de vissen niet direct verkocht werden, kwamen ze in verzamelputten terecht waarin ze per soort en per grootte uitgesorteerd werden.

De visvijvers werden een onderdeel van het plaatselijke landbouwsysteem, dat samenhing met het voorkomen van heidegebieden, akkers, weilanden, houtwallen, bossen en beemden. De vijvers rondom de kastelen van Vogelzang en Terlamen werden tevens ingericht voor de jacht op waterwild. In de loop van de geschiedenis zijn er telkens nieuwe vijvers bijgemaakt en zijn bestaande vijvers verdwenen. De 18de en 19de eeuw vormden het hoogtepunt van de commerciële visteelt in Zonhoven. Op de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1777) zijn de vijvers van Terlamen en de vijvers langs het huidige Albertkanaal al aanwezig. Veel van de vijvers van het huidige natuurreservaat Wijvenheide zijn ook al opgetekend (Nieuwe vijver, Wey ven). De vijvers in het Slangebeekbronnengebied zijn nog niet uitgegraven. Op de kaart van Vandermaelen (1848) neemt het aantal vijvers verder toe, vooral ter hoogte van de huidige natuurreservaten Terdonk en Platwijers. Veel van de typische benamingen van de vijvers worden op de kaart vermeld: Zueren vijver, Hamel vijver, Grooten vijver, Kleinen vijver, Klein wit ven, Groot wit ven, Kleyne vijver, Nieuw vijvers, Scherpen en Platten vijver, Prins vijver en Galgeven. De legger van het primitief kadaster (1844) toont aan dat rondom de vijvers heide domineerde. Ook de smalle dijkjes tussen de vijvers waren begroeid met heide en struweel wat zich vertaalde in een overwegend open landschap. In het begin werden lokale vissoorten als brasem, zeelt en paling gekweekt maar na de introductie van de gemakkelijk vet te mesten karper werd deze vis al gauw het succesnummer. De aanleg van de spoorwegen in Limburg in 1870 betekende een enorme uitbreiding van de potentiële afzetmarkt. Vanaf dat ogenblik kon de commerciële visteelt op grote schaal worden uitgebreid. In 1865 werd de viskweek een professionele bezigheid voor Antoon Bijnens. De vijvers werden hoofdzakelijk aangelegd in de nabijheid van de woonhuizen, zoals in de Boomsesteeg waar tot op heden de familie Vandeput woont.

Een sterke toename van het vijverareaal was er in de 19de en 20ste eeuw. Veel vennen werden uitgediept en omgevormd tot viskweekvijvers omdat men bij de exploitatie ervan het eigendomsrecht erover verkreeg. De opkomst van de sportvisserij na de Tweede Wereldoorlog zorgde voor een grote bloei van de viskwekerijen. Na 1970 drong intensivering zich op. Veel vijvers verloren hun natuurwaarde omdat ze degradeerden tot ‘badkuipen’ met steile, verstevigde oevers zonder gevarieerde begroeiing.

In de 20ste eeuw verdwenen ook veel vijvers. Sommige werden na verloop van tijd terug omgezet tot weiland of zelfs tot recreatievijvers, zoals het Heidestrand. Maar in tegenstelling tot andere Limburgse locaties zoals De Maten bleef in Midden-Limburg de viskweek wel bestaan. Momenteel zijn er nog vier familiale viskwekerijen (waaronder Bijnens en Vandeput) met 188 hectare vijvers actief. Ze zijn gericht op de kweek van vis bestemd voor consumptie, het uitzetten in openbare of privé-visplaatsen en op sierviskweek. De vissen worden niet meer zelf gekweekt maar aangevoerd vanuit Oost-Europa.

Bewoning en inrichting van het landschap

Oorspronkelijk maakte de ankerplaats deel uit van de grote Kuringer Heyde die zich uitstrekte tussen Zonhoven en Stokrooi zoals te zien op de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1777). De heide werd slechts door een beperkt aantal wegels doorkruist in oost-westelijke richting (verbinding met Zonhoven). Ook de Bolderberg lag volledig onder heide. De valleien van Rooster- en Laambeek vormden groenen linten doorheen de heide en deden talrijke vijvers ontstaan. Ten noorden van de Roosterbeek strekte de Wijvenheide zich uit als nat heidegebied. De belangrijkste zones open water waren de Nieuwe Vijver, de Plat Vijvers en het Wey Ven, vergezeld van clusters kleine waterplassen. In de beekvalleien domineerde moerassige grond en nat hooiland; langs de Roosterbeek lag aansluitend ook een bosgebied genaamd Borgers Heyde Bosch. Dichter bij de nederzettingen was de heide sterker versnipperd en onderhevig aan cultivatie vanuit de omliggende gehuchten en dorpen zoals Zolder, Viversel en Bolderberg. Vanuit deze kernen strekte de zone cultuurland, met door houtkanten en hagen omgeven perceeltjes akker- en weiland, zich stelselmatig uit wat resulteerde in een aantal geïsoleerde heidestukken met vennen/vijvers.

De heide werd ingeschakeld in een extensief landbouwbedrijf. De arme akkers werden aangereikt met mest afkomstig van de potstal. In de stal stonden van eind oktober tot half augustus enkele koeien, die gevoederd werden met het maaisel van de hooilanden en heidevelden. Schapen werden slechts een halve dag uitgelaten waardoor het grootste gedeelte van de mest in de stallen terecht kwam. De fosfaatrijke dierlijke mest werd op de stalbodem vermengd met heideplaggen en vormde een natuurlijke meststof die op de akkers gebruikt werd. Er ontstonden zogenaamde plaggenbodems. Het kringloopsysteem van heide-potstal-akker steunde op een natuurlijk evenwicht. Op de akkers werden weinig eisende gewassen verbouwd zoals rogge, boekweit, spurrie (veevoeder), rapen en aardappelen. Aan de randen van de ankerplaats vinden we nog dergelijke plaggenbodems terug rondom de oude dorpskernen van Terdonk in het oosten en Viversel in het noordwesten. Terdonk is een oorspronkelijke veldnaam, minstens uit de 15de eeuw, die verwijst naar een ophoging bij een depressie. Deze nederzetting ligt ook opmerkelijk hoger dan het wijergebied.

De heidevlakten werden geëxploiteerd door begrazing, maaien, kappen en plaggen. In de heidegebieden was ook de imkerij een belangrijke activiteit. Ook de moerassen en beemden die in de winter verrijkt werden met overstromingsslib, hadden een grote betekenis voor het toenmalige landbouwsysteem. In de drassige beekvalleien werden vijvers uitgediept of beemden als hooiland in cultuur gebracht zoals De Waterloozen langs de Bolderbergbeek. Hiervoor werd een grachtensysteem voor afvoer van het oppervlaktewater ingericht. Tot begin vorige eeuw werden hier ook waterbeemden of bevloeide hooilanden ingericht die vooral tijdens het voorjaar onder water werden gezet. Deze praktijk van bevloeiing van grasland verzekerde een rijkere kwalitatief betere grasopbrengst. De waterbeemden leverden hooi dat als wintervoer gebruikt werd voor de trekdieren en het vee. De schrale heide bracht immers geen voedzame planten voort. De hooilanden werden hiervoor een- of tweemaal per jaar gemaaid. In de natte gronden werd ijzer gewonnen maar ook turf gestoken dat gedroogd werd en een uitstekende brandstof leverde. Ook de plaggen van de drassige heiden werden hiervoor gebruikt. Langs de waterlopen werd wilgenhakhoutstruweel uitgebaat voor de productie van brand- en geriefhout. Hout werd ook geoogst uit de talrijke houtwallen die de akkers en graslanden om- of beschermden. Plaatselijke bosjes leverden hout en mutserds. De rietvelden leverden het nodige materiaal voor vlechtwerk en daken.

De omliggende heidegebieden waren gemeenschappelijke graasweiden voor schapen en koeien. Ieder dorp of gehucht had een herder die met de schaapskudden een rondgang maakte voor iedere gemeenschap. De heide functioneerde als heerd- of weidegang. Vanuit de gehuchten vertrokken brede zandwegen de heide in die van oudsher ‘gemene grond’ werd genoemd. De inwoners hadden bij het heidegebruik en de turfwinning allemaal dezelfde rechten. Het gebruik van de grondstoffen moest echter beperkt blijven tot het eigen levensonderhoud. Bij het hoeden van het vee mochten bepaalde gemeentegrenzen overschreden worden, maar wat het plaggen, maaien en turfsteken betreft, moesten de dorpelingen op hun eigen grondgebied blijven. Het feit dat de heidegrenzen tussen buurgemeentes niet altijd precies en duidelijk waren aangegeven, heeft aanleiding gegeven tot vele grensgeschillen, die soms lang aansleepten. Herkenningspunten waren er nauwelijks en grenspalen werden soms verplaatst. Zowat elke Kempense gemeente lag dan ook eeuwenlang overhoop met een andere, wat regelmatig aanleiding gaf tot processen en incidenten, soms zelfs tot gevechten tussen dorpsgemeenschappen. Dichtbij de oever van de Slangebeek, op de historische grens tussen de voormalige heidegebieden van Hasselt en Zonhoven, ligt een grens- of paalsteen. In 1666 werden door de magistraat van Hasselt vier kalkstenen grensstenen opgericht om de twist over de heide tussen beide gemeentes te beslechten. De grenssteen draagt het wapenschild van de prins-bisschop van Beieren, een sterk verweerde tekst en het wapenschild van Hasselt.

Tijdens de door talrijke oorlogen geteisterde 17de eeuw viel de bevolking ten prooi aan plundering en vernieling door rondtrekkende soldatentroepen. De belangrijkste verdedigingswerken voor de Kempische plattelandsdorpen waren de schansen. Deze goed verdedigbare kampen werden opgericht ter verdediging van mens en vee. De overwegend vierkante schansen werden ingeplant aan de rand van het dorp, meestal op door de grondheer beschikbaar gestelde grond en bij voorkeur in of bij een depressie, omgeven door een gracht en wal. De inplanting in natte gronden verzekerde de permanente watertoevoer voor de verdedigingsgracht. Toen de schansen op het einde van de 18de eeuw hun eigenlijke betekenis verloren werden ze verhuurd; vanaf de 19de eeuw kwamen ze onder het beheer van de gemeenten. Midden in het vijvercomplex Ter Donk langs de Roosterbeek ligt de goed bewaarde Donckse of Vranckenschans, die dateert uit 1601. De schans is genoemd naar de ernaast gelegen Vrankenwijers. De aarden wal en het omgevende grachtensysteem met enkele oude eiken zijn duidelijk zichtbaar. Ook de verhoogde hoekbastions zijn nog herkenbaar in het terrein. Het huidige hoevegebouw dateert nog deels uit de 19de eeuw. Op de 19de-eeuwse kadasterkaart wordt langs een zijtak van de Bolderbergbeek de Felder Schans of Feste Schans vermeld maar verdere informatie hierover ontbreekt. Op het terrein zijn ook geen relicten zichtbaar van deze vroegere structuur.

Reeds vanaf de late middeleeuwen kwam het proces op gang om heidegrond te ontginnen tot bouw- en grasland. Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat vooral in de loop van de 18de en 19de eeuw de heide onderhevig is aan ontginningsdruk als reactie op de eerste ontginningswet (1836). Eigenaars van minder rendabele gronden werden verplicht deze rendabel te maken waarna rondom de dorpen en gehuchten het areaal cultuurland geleidelijk aan werd uitgebreid. Begin 20ste eeuw deed de vraag naar mijnhout in het Luikse en het Ruhr-bekken grootschalige, rechtlijnige naaldboombestanden ontstaan. Ook de Belgische wet van 25 maart 1847, betreffende de gemeentelijke verplichting tot bebossing of ontginning van onbebouwd land, was een belangrijke drijfveer voor de aanplanting van tientallen ha gemeenteheide met naaldbomen. Het duurde nog iets meer dan honderd jaar om deze bebossing volledig door te voeren. Vooral dennensoorten (Pinus sylvestris en vooral na 1940 Pinus nigra) leken op zandige bodems snel oogstbaar hout op te leveren. Vanaf het einde van de 19de eeuw zijn op de topografische kaarten de eerste aanwijzingen voor de bebossingsgolf zichtbaar. Deze eerste ontwikkelingen speelden zich voornamelijk af op de braakliggende gronden aan de gemeentegrenzen. Op de topografische kaart van het Militair Cartografisch Instituut (1871) is te zien dat deze verkavelingen gekenmerkt werden door een strakke aanleg, vaak volgens dambordpatroon zoals in de Keurheide en Galgenbergheide. In de beekvalleien kende het bosareaal ook een geleidelijke uitbreiding ten koste van de heide. Toch bleef de heide haar uitgestrektheid grotendeels behouden en was er een duidelijke toename van het aantal visvijvers, vooral in de beekvalleien. De heuvel van Bolderberg, voorheen gekend als de Barreberg als een verwijzing naar de open heide, was volledig bebost met naaldhout en het wegennetwerk kende hier een uitbreiding. De toenemende druk op de heide bleek ook uit de aanleg van grote verbindingswegen zoals de ‘Chaussée de Beeringen à Hasselt’ langs het kasteeldomein van Vogelzang en de weg naar Bolderberg die de grote vijver van kasteel Terlamen doorsnijdt.

Om in transportmogelijkheden te voorzien werden grote infrastructuurwerken uitgevoerd zoals de aanleg van kanalen en de uitbouw van een spoorwegennet wat tevens bijdroeg tot de ontsluiting van de Kempen. In de tweede helft van de 19de eeuw werd de spoorweg Hasselt-Eindhoven aangelegd en een ‘Embranchement’ gerealiseerd ter voorbereiding van het latere Albertkanaal. De kanalen waren niet alleen belangrijke verkeersassen maar voerden tevens voedselrijk Maaswater aan dat gebruikt werd om de droge zandvlakte te bevloeien. Vooral de aanleg van de spoorlijn stimuleerde de toegankelijkheid en verdere ontginning van de heide, wat zich onder andere ook uitte in de toename van het aantal wegen doorheen de heide.

In de 20ste eeuw schakelde de landbouw over op melkvee en moest de heide vooral plaats ruimen voor de uitbreiding van het weideareaal rondom de beekvalleien. Langs de Bolderbergbeek strekte zich het weilandgebied De Waterloozen uit. Ook delen van het in de 19de eeuw aangelegd bos werden weer omgezet in weiland zoals in het gebied Tegen Schuur. Enkel de Galgenberg wist hier als bosgebied stand te houden. De verhoogde veestapel zorgde voor een verhoogde productie van mest. Daarenboven werd nu ook kunstmest op de markt gebracht zodat de opbrengst per hectare gevoelig kon stijgen. Het oprichten van landbouwcoöperatieven en de organisatie van het landbouwonderwijs gaf aan deze evolutie een geweldige impuls. Uiteindelijk bleek de potstaleconomie, die gedurende eeuwen voor een geringe, maar stabiele voedselproductie had gezorgd, te zijn doorbroken. In de plaats van de 'gesloten' economie, waar zelfvoorziening voorop stond, kwam er een 'open' economie. Geleidelijk aan werd de tussenruimte tussen de verschillende beken opgevuld met een afwisseling van percelen weiland, bos en in beperkte mate ook akkerland, afhankelijk van de drainagemogelijkheden. In de beekvalleien zelf trad vooral in de tweede helft van de 20ste eeuw een sterke verbossing/verdichting op zodat het open karakter verdween. Langs de Zonderikbeek kende het areaal bos een exponentiële toename in vergelijking met de topografische kaart van 1960. Tegelijk met de verbossing was er ook een sterke toename van het aantal (vis)vijvers, vooral in de valleien van de Oude Roosterbeek en Roosterbeek. Ook de vijvers van de Grote Platwijer namen in omvang toe en werden omringd door een zone (moeras)bos. Anderzijds zijn er ook voorbeelden van vijvers die uiteindelijk werden drooggelegd of omgezet in bos of akker zoals het geval is met de reeks vijvers in het Natuurreservaat Kolberg, nog herkenbaar in de perceelsvorm.

Na de Tweede Wereldoorlog zorgden de verdere industrialisering en bevolkingstoename voor een afname van het heideareaal. Langs de rechtlijnige verbindingen zoals de E-314 (1974) en het Albertkanaal (1936-1939) kwamen vele industrieterreinen tot ontwikkeling. Grote delen van het Kempens plateau werden omgevormd tot een nieuw stedelijk-industrieel landschap.

Huidig landschap

De grote lijnen in het landschap zijn allemaal zuidwestelijk georiënteerd, hoofdzakelijk een gevolg van het reliëf en de ondergrond. Zowel de Bolderberg, als de beekvalleien, als de grote vijvercomplexen, als de verbindingswegen door de heide volgen dezelfde richting. De afwisseling van landduinen en vochtige depressies versterkt het uitgesproken reliëf. Op plaatsen waar vegetatie ontbreekt, treedt nog actieve verwaaiing op maar de duinen zijn grotendeels gefixeerd. De landduinen liggen min of meer evenwijdig met de beken en hebben uiteenlopende vormen. De belangrijkste woonkernen zijn omgeven door oude cultuurgronden waar al vroeg ontginning plaatsvond, getuige de diepe humeuze bovenlaag (plaggenbodems). Dat het gebied grotendeels onbebouwd is gebleven is het resultaat van de specifieke ondergrond en daaraan gekoppeld de ontginningsgeschiedenis. De gehuchten concentreerden zich aan de rand van de heidevlakte en met de inrichting van de vijvercomplexen bleef de bewoning zich ontwikkelen rondom de oudste nederzettingskernen zoals Terdonk. In het centraal gelegen vijvergebied is de historische configuratie maw grotendeels ongewijzigd.

Het vijvergebied is gelegen in de Lage Kempen. Deze laagvlakte helt langzaam af van het noordoosten naar het westen en het zuidoosten. In het noordwesten van het vijvergebied wordt de vlakte onderbroken door een getuigenheuvel uit het Diestiaan, de Bolderberg. Deze tertiaire opduiking is 60 meter hoog, 3000 meter lang, 500 meter breed en noordoost-zuidwest gericht. Dit overblijfsel van een groot duinengebied bleef van erosie gespaard dankzij harde lagen van fossielhoudend basisgrind en van glauconietrijk zand. Het zand verhardde tot ijzerzandsteen. De Bolderberg is vandaag hoofdzakelijk bedekt met naaldhoutbossen. Vanaf de noordhelling is er een prachtig zicht op het domein Terlamen. Het overgangsgebied tussen de Bolderbergheuvel en het vijvercomplex van Terlamen herbergt een smalle venige zone. Regenwater en voedselarme kwel zorgen ervoor dat hier ontwikkelingskansen zijn voor natte heide- en hoogveenrelicten. Er wordt gagel, dopheide en veenpluis aangetroffen. De aanleg van de Terlamenlaan splitste de getuigenheuvel in twee gebieden: de Bolderberg en de Galgenberg. In het tussenliggende reservaat Gust Claesheide domineert opnieuw, na beheerswerken van de stichting Limburgs Landschap, een droge struikheidevegetatie met struik- of boomopslag (voornamelijk berk).

Boven op de Bolderberg bevindt zich de Kluis. De kapel en de toren dateren uit de 17de eeuw en werden gebouwd door Lambert Hoelen. Hij woonde er als eerste kluizenaar en wijdde de kapel aan Onze-Lieve-Vrouw van Lorette. Achter de kluis lag een moestuin. De Kluis vormde een druk bezocht bedevaartsoord. In 1794 werd de Kluis verwoest door de Franse Sansculotten waarna ze enkele jaren leegstond. Rond 1800 werd de Kluis hersteld en uitgebreid met een woonruimte met twee kamers. Later werden nog een stal en schuurtje opgetrokken. Tot 1882 woonden er kluizenaars gevolgd door een periode van verval. Rond 1995 kwam de restauratie van de Kluis op gang. Op initiatief van baron de Villenfagne de Vogelsanck werd in 1986 de Commanderij van de Kluis van Onze-Lieve-Vrouw van Loreto opgericht en werden de gebouwen geherwaardeerd. Het complex bestaat uit vijf delen, met in het midden de kapel. Links daarvan de originele kluis. Rechts van de kapel staat het woonhuis (18de-19de eeuw). De westgevel van de kapel is gedeeltelijk opgetrokken in mergelsteen, de gebouwen bestaan voor het overige uit baksteen. Twee rondboogvormige panelen stellen in reliëf de Boodschap aan Maria voor. Sinds 2005 is de Kluis terug bewoond door een kluizenaar. Rondom de Kluis staan oude linden (vijf stuks aangeplant in halve cirkel), beuken, eiken, dennen en een uitgegroeide haag van haagbeuken rond het voormalige moestuinperceel. Vanuit de Kluisstraat leidt het Kluispad tot aan de kluis die een panoramisch zicht biedt op de omgeving.

De kasteeldomeinen van Vogelzang en Terlamen liggen ten noordoosten en noorden van de Bolderberg in de vallei van de Laambeek. De E314 vormt de noordelijke grens. Langs de weg van Bolderberg naar Zolder ligt het kasteel van Terlamen. Het landgoed Terlamen wordt al vermeld in 1293 als eigendom van Clara van der Lamen. Het goed was een voormalige Loonse heerlijkheid bij de Laambeek. Sinds die tijd is het domein vrijwel ongewijzigd gebleven. Het 200 hectare groot domein bestaat hoofdzakelijk uit heidevelden en vijvers. Het kasteel is gelegen op een omgracht perceel langs de weg van Bolderberg naar Zolder. Een lange, smalle voortuin tussen het huis en de straat is begrensd door smeedijzeren hekwerk. Via een inrijhek bereikt men de achteraan gelegen erekoer met het kasteel ten oosten en een dienstgebouw ten zuiden. Het kasteel is een laatclassicistisch herenhuis, in de tweede helft van de 18de eeuw gebouwd als jachtverblijf. Een 18de-eeuwse tekening toont een omgrachte boerderij met vierkante omhaagde tuin volgens een klassiek geometrische aanleg. Deze 18de-eeuwse configuratie is ook vandaag nog herkenbaar. Het dienstgebouw is een versteende en witgekalkte leembouw. De oprit ligt op de resterende noordelijke grachtarm. Het erf is verhard met rode steenslag en heeft een centraal rond grasveld. De resterende gracht ten westen en ten zuiden doet dienst als langgerekte parkvijver. Het erf sluit ten westen aan op een ruim rechthoekig grasveld dat voorheen de boomgaard was. Nu heeft het een bomenrand en een apsisvormige beëindiging. Ten noorden, over de gracht, vertrekken twee dreven van grootbladige linde (Tilia platyphyllos) en zomereik (Quercus robur) naar de westelijke bossen. Tussen beide dreven is een quincunx van gewone beuk (Fagus sylvatica) en gewone esdoorn (Acer psuedoplatanus) aangeplant. Het parkje werd aangelegd in de 19de eeuw, in landschappelijke stijl met pittoresk karakter. Het park is duidelijk geënt op een oudere site met geometrische aanleg. Aan de overzijde van de Terlaemenlaan liggen uitgestrekte vijvers met eilandjes.

Schuin tegenover het kasteel ligt het 19de-eeuwse jachtwachterhuis. In 1498 liet Philips van der Hulst ten zuiden van het huidige kasteel, op de Laambeek, een slagmolen bouwen. In 1870 werd op dezelfde plaats, verbreed tot molenvijver, een nieuwe molen gebouwd bestaande uit woon- en molenhuis met een stal, de zogenaamde Oude Molen. Het gebouwencomplex in witgekalkte baksteen en met restant van leembouw is momenteel in gebruik als manege. Het buitenwerk van de molen is deels bewaard.

In het domein van Terlamen kunnen er verder nog vier biotopen onderscheiden worden. De eerste biotoop is het waterrijk gebied met 20 kweekvijvers en elzenbroeken. Het overgangsgebied tussen de Bolderbergheuvel en het vijvercomplex van Terlamen herbergt een smalle, venige zone. Regenwater en plaatselijke, voedselarme kwel zorgen ervoor dat hier natte heide- en hoogveenrelicten voorkomen. Een tweede biotoop wordt gevormd door de bossen, waarbij men drie soorten onderscheidt. Zo zijn er de gemengde bossen met zowel loofbomen (eiken en beuken) als naaldbomen (grove den). Daarnaast zijn er de naaldbossen met overwegend de grove den die vooral uit het begin van de 20ste eeuw dateren. Tenslotte zijn er talrijke nog zuivere loofbossen met eiken-, berken- of beukenbomen. Deze bevinden zich vooral aan de Snoekvijver en in de omgeving van het kasteel. De derde biotoop is de heidebiotoop, ingedeeld in droge en vochtige heide, waarvan de grootste oppervlakten op de Bolderberg liggen. Weiden en hooilanden vormen de vierde biotoop.

Het tweede kasteeldomein in het vijvergebied is Vogelzang. Sinds 1741 is het domein met waterburcht onafgebroken eigendom van de baron de Villenfagne de Vogelsanck et du Saint-Empire. De geschiedenis van het kasteel gaat terug tot 1187. Vanuit dit kasteel werd tot 1795 de zelfstandige 'Heerlijkheid Vogelsanck' bestuurd. Zij omvatte onder andere de dorpen Zolder, Zonhoven, Houthalen en delen van Hasselt, Heusden, Genk en Peer. Het uitgestrekt domein omvat een waterburcht en kasteelboerderij, een bospark, vijvers, moerassen en weiland, in totaal 269,9 hectare. Het waterkasteel is opgetrokken rondom een gekasseide binnenplaats. Verschillende dreven uit de vier windrichtingen komen samen bij het kasteel: twee Kasteeldreven, de Vogelsancklaan en de Grote Dreef die naar de kasteelboerderij voert. Een gekasseide oprijlaan verbindt het omgracht kasteel met de kasteeldreef die oorspronkelijk doorliep tot het dorpscentrum van Zolder. Door de aanleg van de autosnelweg is de verjongde dreef van bruine beuk onderbroken. De hoofdtoegang ligt nu in het zuiden van het domein.

Het oudste gedeelte van het kasteel is de basis van de slottoren in ijzeroer en bruine ijzerzandsteen. Het zijn de resten van een vroegmiddeleeuws donjon uit het jaar 1000. Vanaf 1422 werd een versterkte vleugel aan de kasteeltoren toegevoegd en werd het geheel verbouwd tot een kasteel. De omgrachte neerhof-opperhofstructuur is nog steeds leesbaar. Omstreeks 1440 kwam er ook een gotische slotkapel in de oostvleugel. Het meest indrukwekkende gedeelte is opgetrokken in Maaslandse renaissancestijl en dateert van 1637. Op de torenbasis werd een nieuwe toren gebouwd in dezelfde stijl. Ook werden er buiten de kasteelomwalling stallen en voorraadschuren gebouwd. Vanaf 1756 bouwde Jean-Ignace de Villenfagne het kasteel verder uit. De oost- en westvleugel werden van een verdieping voorzien en de oostvleugel heeft een rococofronton. In de buurt van het kasteel werd de kasteelboerderij gebouwd. In 1875 zorgde de ingetrouwde Ierse gravin Camille Preston voor een romantisering van het kasteelcomplex in neo-Vlaamserenaissance- en Tudorstijl. Zo werden de zuidwestelijke gevel en het poortgebouw uitgebouwd in neo-Tudorstijl. Te midden van het Vogelzangbos, aan de overkant van de N72, werden in de 19de eeuw een boswachterswoning en tuinierswoning in vakwerkbouw en een wagenhuis opgetrokken.

Rond het kasteel strekt zich over 10 hectare een Engels park uit. Het eerste park werd aangelegd in de tweede helft van de 17de eeuw door Ferdinand van In- en Kniphausen die zich liet inspireren door de Franse renaissancetuinen. Op de kabinetskaart van graaf de Ferraris ligt het waterkasteel Vogelzang aan de Laambeek en wordt het omgeven door een uitgestrekt kasteeldomein, gestructureerd binnen een strak (geometrisch) netwerk van grote dreven met bomenrijen. Het domein rondom het kasteel is vooral vrij open en omvat natte gronden en zones met akker- en weiland. Langs de Laambeek strekken zich verschillende soorten bosjes uit. De grote dreven scheiden het kasteeldomein af van de heide met vennen en vijvers zoals de Nieuwen Vijver.

Op het einde van de 18de eeuw werd het 17de-eeuwse park uitgebreid door Jean Louis de Villenfagne. Hij liet een vroeglandschappelijke tuin aanleggen met zo'n 150 inheemse en uitheemse boomsoorten, onder andere op de vroegere omgrachte tuin ten oosten bij het kasteel. Onder Lady Preston, de echtgenote van Jules de Villenfagne, werd de Franse tuin gemoderniseerd en visueel opengetrokken met zichtassen vanuit het kasteel op het landschap. Het resultaat was een Engelse tuin die veel groter was en waarin veel meer water voorkwam dan voorheen. Zo werd de kasteelgracht verlandschappelijkt en omgevormd tot een grote vijver voorzien van een eiland met beplanting. Veel van deze beplantingen zijn nog steeds aanwezig zodat het kasteelpark een waardevolle dendrologische verzameling bevat met een uitzonderlijke variatie aan boomsoorten, te midden van een uitgestrekt moerasgebied. Uitzonderlijk is het Pinetum, aangelegd door Jean Louis de Villenfagne op het einde van de 18de eeuw met onder andere Cedrus brevifolia, Chamaecyparis pisifera, Chamaecyparis pisifera ‘Plumosa’, Pinus koraiensis, Pinus nigra, Pseudolarix kaempferi, Sciadopitis verticillata, Thuja plicata. Het domein illustreert hoe de landschappelijke stijl in meerdere fasen kan gerealiseerd worden met behoud van de oude morfologie als basis.

Het vijvercomplex van Terlamen-Vogelzang bestaat in totaal uit een 30-tal vijvers, grotendeels ontstaan uit moerassige laagtes en vennen die achteraf werden uitgediept door turfstekers. Onder impuls van de abdijen werden deze putten omgevormd tot kweekvijvers voor zoetwatervis waarde watertoevoer geregeld wordt via een systeem van aan- en afvoersloten. Zowel in de vijvers van Terlamen als van Vogelzang worden nog steeds vissoorten gekweekt die geserveerd worden als streekgerecht.

Vlakbij het Albertkanaal is de voormalige hoeve Olmenwinning. Het was een pachthoeve van de abdij Herkenrode die dateerde uit 18de eeuw. Het bezit van de abdij strekte zich ver uit en omvatte ook het domein Kolberg. Zowel op Kolberg als ten noordoosten van de Olmenhoeve kwamen veel visvijvers voor die door de abdij uitgebaat werden. Van het oorspronkelijke complex van de Olmenhoeve bleef enkel het woonhuis in Maasstijl bewaard met muurankers die 1743 aangeven. Sinds de aanleg van het Albertkanaal in 1930-1939 is het Olmenhof door een fysieke grens gescheiden van het voormalige abdijdomein. Van de vijvers verdwenen de meeste exemplaren. Alleen de vijver (Bosweier) het dichtst bij de Zonderikbeek is uit het verleden overgebleven. Ter hoogte van de vroegere Olmer Vijver herinnert de perceelsvorm nog aan de voormalige inrichting.

Voor het ontstaan van de talrijke vijvers zorgden de verschillende rechterbijrivieren van de Demer. Het vijvergebied wordt ontwaterd door een sterk hydrografisch net dat tot het Demerbekken behoort. De belangrijkste beken zijn de Laambeek, de Roosterbeek en de Slangebeek. Maar ook de Zonderikbeek en Bolderbergbeek voeden talrijke vijvers. De hoge grondwatertafel is te danken aan de aanwezigheid van een ondiepe ijzeroerlaag en kleilenzen. Hierdoor is het gebied bijzonder rijk aan plassen, vennen, moerassen, vijvers en rietvelden wat resulteert in een rijke flora en fauna. Een deel van de vijvers werd opgenomen in het Natuurreservaat Wijvenheide. Voor veel plant- en diersoorten vormt het vijvergebied een laatste toevluchtsoord in Vlaanderen zodat hier een unieke hoge concentratie aan bedreigde soorten voorkomt. Naast de talrijke vissoorten vallen onder de vogelpopulatie vooral de grote concentraties aan blauwe reiger en aalscholver op. De broedvogels tellen grote populaties van roerdomp en woudaap. Verder is het gebied ook zeer belangrijk voor reptielen en amfibieën zoals de boomkikker. Ook zeldzame libellen en vlindersoorten gedijen hier goed.

De waterpartijen zijn van elkaar gescheiden door al dan niet beboste dijken en worden afgewisseld met broekbosjes. Van de typische oever- en rietvegetatie is door de jaren heen veel verloren gegaan ten gevolge van de intensieve viskweek. Sommige dijken werden heraangelegd of opgehoogd met bouwpuin. Veel vijvers zijn met netten overspannen om de vissen te beschermen tegen predatoren. Andere vijvers werden verlaten en ondergingen een spontaan proces van verruiging en uiteindelijk verlanding. De aanwezigheid van het uitgestrekt vijvercomplex met meer dan 50 vijvers heeft een enorme invloed op de biodiversiteit in dit gebied. Wat betreft de flora is het vijvergebied op Vlaams niveau belangrijk voor planten gebonden aan natte situaties zoals waterlobelia en drijvende waterweegbree. Vijverranden zorgen voor een verscheidenheid aan gradiënten en bijgevolg voor een rijke flora. Droogvallende oevers zijn er getooid met pilvaren en gesteeld glaskroos. Het vijvergebied is ook gekend om zijn grote diversiteit aan paddenstoelen.

De beekvalleien vormen een aaneenschakeling van vochtig wilgenstruweel, oude graslanden ten prooi aan verbossing, alluviaal elzenbos, venig berkenbos en populierenaanplantingen. Langs de beken domineren verschillende gradaties van natte zandgronden, geschikt voor graasweiden en de natste gronden voor hooiweide en populier. Naast beken en vijvers wordt het landschap ook gekenmerkt door (broek)bossen, moerasland, droge en natte heiderelicten en een licht golvend landschap met weilanden. De weiden zijn nog vaak omringd door opgehoogde wallen met bomenrijen of houtkanten als restant van hun vroegere inrichting. Plaatselijk liggen ook naald- en loofbossen zoals op de Galgeberg, afgewisseld met hier en daar een poel of akker. De percelering is deels historisch stabiel. Door het achterwege blijven van beheer treedt er verruiging op in de vochtige graslanden zoals de Waterloozen. Door een aangepast beheer (onderhoud van sloten en aangepast maaibeheer) kunnen dottergraslanden ontstaan. De lange geschiedenis van traditioneel landbeheer in Midden-Limburg resulteerde hier in een landschapsstructuur met een hoge graad van biodiversiteit. Het half open landschap biedt een variatie aan biotopen wat een rijke fauna en flora met zich meebrengt en zorgt voor een hoge visuele belevingswaarde.

  • Informatie verkregen van Myriam Van den Broeck, Erfgoedconsulenten Landschappen, Onroerend Erfgoed Limburg (2012).

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20000
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven tussen 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000. (Lemoine-Isabeau, 1988)
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • ALLEMEERSCH L., GEUSENS J., STEVENS J., RASKIN L. 1988: Heide in Limburg, Tielt.
  • BAEYENS L. 1977: Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Kermt 77W, Gent.
  • BURNY J. 1999: Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950). Tweehonderd gesprekken samengevat, Natuurhistorisch genootschap in Limburg XLII, 1, Maastricht.
  • DE MAEGD C., VAN DEN BOSSCHE H.J., DENEEF R., VAN DEN BROECK M. 2006: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel 2, M&L Cahier 12, Brussel.
  • FREDERICKX E. & GOUWY S. 1996: Toelichting bij de Quartairgeologische Kaart, Kaartblad 25 (Hasselt), Leuven.
  • MOLEMANS J. 1982: Toponymie van Zonhoven. Historisch-naamkundige studie, Nomina Geographica Flandrica. Monografieën XIII, Leuven.
  • MOLEMANS J. 1983: Wijers en heidevennen in hun relatie tot de visteelt, meer bepaald in Zonhoven, Limburg 62, 1-8.
  • NATURA ‘2000’ 2002: Promotie van de voordelen: een socio-economische evaluatie. Case study in het vijvercomplex van Midden-Limburg, Brussel.
  • OTERO C. & BAILEY T. 2003: Europe’s natural and cultural heritage, the European estate, s.l.
  • SOUPHY L. 1971: Het domaniaal bezit van de abdij ban Herkenrode, onuitgegeven licentiaatsverhandeling UGent.
  • ULENARTS P. 1995: Ecologische situatieschets van het vijvergebied Midden-Limburg, Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 28, Hasselt.
  • VAN ERMEN E. 1997: Het Kaartboek van Averbode (1650-1680) , Cartografische en Iconografische bronnen voor de geschiedenis van het Landschap in België, Brussel.
  • VERBOVEN H. 2006: De Hoorn des overvloeds. Over landschappen en landgebruik op het abdijdomein van Herkenrode, Leuven.
  • VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ 2010: Startnota De Wijers, Brussel.
  • WOUTERS L. & VANDENBERGHE N., 1994, Geologie van de Kempen, Brussel.


Bron     : Aanduidingsdossier ankerplaats 'Vijvergebied tussen Laambeek en Slangebeek', definitieve aanduiding 22/01/2013. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2013


Relaties

  • Omvat
    Park van het kasteel Vogelsanck
    Kasteeldreef 1 (Heusden-Zolder)

  • Is deel van
    Hasselt
    Hasselt (Limburg)

  • Is deel van
    Heusden-Zolder
    Heusden-Zolder (Limburg)

  • Is deel van
    Zonhoven
    Zonhoven (Zonhoven)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Vijvergebied tussen Laambeek en Slangebeek [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300246 (Geraadpleegd op 15-10-2019)