Sint-Pieters- en Paulusabdij

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Dendermonde
Deelgemeente Dendermonde
Straat Vlasmarkt
Locatie Vlasmarkt 23, Dendermonde (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Dendermonde (geografische inventarisatie: 01-12-1999 - 31-12-2001).
Links

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Abdij Sint-Pieter en -Paulus

Deze bescherming is geldig sinds 04-12-2003.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Sint-Pieters- en Paulusabdij

Deze vaststelling is geldig sinds 20-09-2010.

Beschrijving

Historiek.

Enig overgebleven Oost-Vlaamse (mannen)abdij, in 1837 heropgericht als de abdij van Affligem te Dendermonde. Het abdijdomein met de voormalige abdijschool die nu door het provinciaal onderwijs gebruikt wordt, is gelegen binnen het bouwblok gevormd door de Vlasmarkt, Dijkstraat en Oude Vest. De abdijkerk is gelegen aan de Vlasmarkt, de historische Koornaard. Links hiervan ligt de bescheiden hoofdtoegang tot de abdijgebouwen. De kerk is tevens tegen het klooster van de zwartzusters aangebouwd die vroeger een rechtstreekse toegang tot de kerk hadden. De geschiedenis van de plaats waar de abdijkerk en het klooster van de zwarte zusters gevestigd zijn, gaat terug tot het voormalige zogenaamde Prinsenhof waar, naar aangenomen wordt, ooit de verblijfplaats was van de heren van Dendermonde.

De zuidelijke vleugel van deze burcht en de bijhorende gronden werden in het midden of derde kwart van de 16de eeuw gekocht door de benedictijnen van de Abdij van Affligem die er een grote refuge inrichtten. Tot in de eerste decennia van de 17de eeuw was deze door een voorplein met een ingangspoort afgesloten van de rest van de Koornaard en gekend als de Affligemhoek. Vanaf het begin van de 17de eeuw werden de gebouwen geleidelijk aan verkocht. In 1828 vestigden de zwartzusters zich op de Vlasmarkt en kochten het zogenaamde "Gouvernement", dat een gedeelte van de refuge van Affligem omvatte.

De noordelijke vleugel van het voormalige Prinsenhof en de aanpalende gronden werden in 1596 aangekocht door de Spaanse plaatselijke bevelhebber de Idiaquez en aan de paters kapucijnen geschonken die zich enige tijd voordien in de stad hadden gevestigd in een voormalige brouwerij. Na de schenking vingen deze meteen aan met de bouw van een kloosterkerk die drie jaar later ingewijd werd.

Circa 1626-1629 werden nieuwe kloostergebouwen en een nieuwe kerk opgericht naar de plannen van broeder Benignus van Amersfoort (of van Antwerpen). Volgens een grondplan van B. Cnops bestond het kloosterpand in 1827 uit drie vleugels rondom een vierkant kloosterhof waarvan de vierde vleugel of zuidvleugel gevormd werd door de oostelijk georiënteerde Sint-Franciscuskerk.

De Sint-Franciscuskerk betrof een eenbeukig gebouw met twee aangebouwde zijkapellen en een twee traveeën tellend smaller koor. Het benedengedeelte van de westgevel was uitgevoerd in - waarschijnlijk hergebruikte – ledische zandsteen. Voor het overige werd baksteen aangewend, verfraaid met enkele natuurstenen speklagen in de topgevel. Boven het rondboogportaal bevond zich een nis met het beeld van de Heilige Benedictus onder een bekronend wapenschild. De voorgevel was voorts voorzien van twee grote rondboogvensters, een groot rozetvenster en een topoculus.

Het interieur bevatte onder meer een biechtstoel van Willem Kerricx I (1629) en twee altaren van de hand van Willem Ignatius Kerricx (1742).

In 1797, onder het Franse regime, werd ook het kapucijnenklooster afgeschaft. In 1815, onder het Hollandse gezag, kreeg men toestemming de kerk tot een openbare bidplaats in te richten, bediend door een kapelaan.

Een Belgisch koninklijk besluit van 1842 handhaafde de abdijkerk als openbare kapel met bezoldigde kapelaan, nu een pater benedictijn van de in 1837 in het voormalige kapucijnenklooster heropgerichte abdij van Affligem. In 1901-1902 werd de te klein geworden kerk afgebroken en vervangen door de huidige neogotische abdijkerk. Niet enkel de kapucijnenorde te Dendermonde was onder het Franse bewind afgeschaft en verdreven, ook de drieëndertig benedictijnen van de abdij te Affligem (1083) ondergingen hetzelfde lot. Zij verbleven een tijd in het kasteel van Overham nabij Aalst vanwaar zij zich in 1798 verspreidden. Een van hen, Dom Veremundus D’Haens (1771-1846), trok zich terug in zijn geboortestad Dendermonde. Na de staatsgreep van Napoleon in het najaar van 1799 konden de priesters weer als vrije burgers op straat verschijnen. Na de Belgische onafhankelijkheid en de herwonnen vrijheid van vereniging slaagde superior Dom Veremundus D’Haens er in 1837 in het voormalige kapucijnenklooster te Dendermonde te verwerven van het armenbestuur. De afgeschafte orde werd bij decreet van de Heilige Stoel 26 oktober 1841 en met toestemming van de bisschop van Gent canoniek hersteld als de Abdij van Affligem te Dendermonde. Op dat moment telde het convent acht leden waarvan Dom Veremundus de enige van de oorspronkelijke monniken was die zich in de opnieuw gestichte abdij kwam vestigen. De orde nam niet meer zijn intrek in de oude abdijgebouwen omdat die na afschaffing in handen waren gekomen van drie verschillende eigenaars; bovendien waren ze voor het grootste deel tot ruïne herschapen. Het bouwmateriaal was onder meer voor de bouw van de Mechelse Poort te Dendermonde (1822) hergebruikt. Uitgebroken grafstenen waren gebruikt voor de bevloering van de Dendermondse Ooie- en de Krijgemsluis, die na de Tweede Wereldoorlog in de noordelijke kruisgang van de nieuwe abdijgebouwen ingemetseld werden.

Onder Dom Jozef Vael werd in 1868 het zogenaamde Bisschoppenhuis, het enige gedeelte van de oude abdij te Affligem dat niet volledig in puin was, aangekocht en hersteld. Op 16 juni 1870 werd dan ook het heroprichtingsdecreet voor de oude abdij van Affligem uitgevaardigd. Enkele Dendermondse monniken en novicen gingen er zich vestigen. De verstandhouding tussen beide abdijen was echter lang zoek en het conflict over welke nu de eigenlijke voortzetting van de Sint-Pieters- en Paulusabdij van Affligem was, werd pas in 1898 opgelost waarbij het archief en de kunstschatten onder beide abdijen verdeeld werden.

Gedurende het laatste kwart van de 19de eeuw werd het voormalige kapucijnenklooster dat door de heropgerichte orde van de benedictijnen van Affligem in 1837 verworven was, verbouwd en vergroot rond een rechthoekige pandhof. Ook de kerk werd vergroot en tot kruiskerk verbouwd. Onder Dom Jozef Vael werd door architect Bauwens de abdij in 1886 vergroot in neogotische stijl. Onder Dom Maurus Lebeau, zoon van een aannemer, stelde Bauwens in 1891 een plan op voor een nieuwe kerk met aanpalende bibliotheek en nachtkapel. Enkel de achter de kerk gelegen bijbouw met bibliotheek en nachtkapel werd gerealiseerd.

Pas in 1901-02 werd op de plaats van de voormalige kapucijnenkerk een nieuwe, grotere kerk in neogotische stijl opgetrokken gewijd aan Sint-Petrus en Sint-Paulus, met behoud van de vermelde bibliotheek en nachtkapel. In ditzelfde ontwerp werd tevens het aanpalende poortgebouw nummers 23 voorzien. De driebeukige kerk met drie achter elkaar liggende sacristieën in de zuidoostelijke hoek werd in neogotische stijl naar ontwerp van de Gentse architect August Van Assche uitgevoerd door de Brusselse aannemer De Bock. De afbraak van de oude kerk was op 15 januari 1901 voltooid en het laatste kerkvenster werd al op 3 mei 1902 ingezet. Tot de inzegening op 6 juni 1902 maakte men gebruik van een houten noodkerk. De abdijkerk werd door Monseigneur A. Stillemans geconsacreerd op 19 augustus 1902. De glasramen in de apsis werden geleverd door Gustave Ladon; het kerkmobilair werd hoofdzakelijk vervaardigd door Remi Rooms, met een kruisweg van Aloïs De Beule.

De gebouwen van het voormalige kapucijnenklooster gingen bijna volledig in de vlammen op in september 1914. Van de abdijkerk werden enkel de torenspitsen en het dak vernield. Het kerkgebouw bleef gevrijwaard dankzij het sterke gewelf dat stand gehouden had. Ook de bibliotheek bleef dankzij de troggewelven gespaard. Een deel van het mobilair, koorgestoelte en de sacristie werden echter wel verwoest.

In 1919 werd al gestart met de herstellingswerken. De gebouwen naast de kerk werden hersteld en een kapel en sacristie opgebouwd in de achtergedeelten van het klooster.

De drie uitgebrande sacristieën langs de volledig vernietigde zuidelijke zijde aanleunend tegen het zwartzusterklooster, werden door architect Vander Cruyssen herbouwd. Eén sacristie werd omgevormd tot kapel voor de leerlingen die vandaar de mis konden bijwonen. Het uitgebrande orgel dat oorspronkelijk vlak boven het koorgestoelte aan de zuidzijde stond, werd na de Eerste Wereldoorlog vervangen en hoger geplaatst. Ook de vloer van het hoogkoor werd verhoogd en meer naar de middenbeuk geschoven. De communiebank werd verwijderd. De glasramen in het koor waren gespaard gebleven. Het beschadigde koorgestoelte werd door Remi Rooms hersteld en voorzien van een nieuwe ruggensteun. Het dak van de kerk werd hersteld door architect Valentin Vaerwyck.

In 1939 kreeg de abdijkerk de eretitel van basiliek.

De opdacht voor de heropbouw van de abdij werd door abt Abelardus Vander Meeren toegekend aan architect Valentin Vaerwyck. Het ontwerp van Vaerwyck voor de nieuwe abdij was vrij traditioneel en voorzag in vier vleugels met kloostergang rond een open binnenhof in een neo-Vlaamserenaissance-stijl. In 1924 waren de oostelijke en zuidelijke vleugel voltooid en de fundamenten van de overige vleugels werden tot op één meter hoogte afgewerkt. Pas in de jaren 1940 werden de werken verder gezet. Dom Antonius Maes, monnik en architect, voltooide in licht gewijzigde vorm de onafgewerkte westelijke en noordelijke vleugel.

In 1945 startte men onder impuls van Abt Maurus met een abdijschool in een oud herenhuis waarvan de tuin aan de hof van de abdij paalde. In 1953-1954 werd naar plannen van Dom Antonius een eerste nieuwbouwvleugel opgetrokken; in 1964 volgde een tweede vleugel, naar ontwerp van architect Verbruggen.

Het abdijdomein ontwikkelde zich aldus ook langs de Dijkstraat met een verbouwde huizenrij met toegangspoort die uitgeeft op een met gaanderijen afgeboorde parking langs de abdijtuin. De even verderop in de straat gelegen gebouwen van de abdijschool vormen de verbinding tussen de Dijkstraat en de Oude Vest. Langs de kant van de Oude Vest worden de gebouwen die nu door het provinciaal onderwijs gebruikt worden voorafgegaan door een speelplaats.

Beschrijving.

Abdijkerk. De neogotische kerk aan de Vlasmarkt werd opgetrokken in 1901-1902 naar ontwerp van architect August Van Assche en is aan drie zijden ingebouwd. Met de zuidzijde leunt zij aan tegen het zwartzusterklooster en met de noordzijde tegen de hoofdingang van de abdijgebouwen. Aan de oostzijde bevindt zich de voormalige bibliotheek en nachtkapel naar het ontwerp van architect Bauwens uit 1891.

Georiënteerde driebeukige kruiskerk met niet-uitspringend transept en twee ingebouwde westtorens. De plattegrond vertoont een doksaal, een vijf traveeën lang schip, een breed transept met twee zijkapellen gewijd aan Heilige Benedictus en Heilige Antonius in de oksels van de transeptarmen en een smaller koor dat drie traveeën telt met driezijdige sluiting. De zuidelijke zijde van het hoogkoor staat in verbinding met de drie sacristieën die zich voor de zuidelijke beuk bevinden. De kerk is opgetrokken uit baksteen op een ruw gekapte plint van blauwe hardsteen met schaars gebruik van hardsteen voor (kordon)lijsten, stijlen en dorpels. De hoofdbeuk is afgedekt met een zadeldak en de lagere zijbeuken met een lessenaarsdak in leien. De rechthoekige transeptarmen hebben leien schilddaken en het koor en presbyterium een leien zadeldak met dakkapellen. Boven de viering priemt een zeshoekig vieringtorentje uit, bedekt met lood, circa 1920 ontworpen door Valentin Vaerwyck en bekroond met een kruis en weerhaan van Isidore Blanckaert.

De gevel aan de Vlasmarkt wordt gedomineerd door twee massieve vierkante westtorens symbool voor het Oude en Nieuwe Verbond alsook voor de geestelijke en tijdelijke macht. De torens van vier geledingen en gestut door versneden steunberen zijn afgedekt door een tentdak met dakkapellen en bekronende sierkruisen met weerhaan. Iedere geleding is opengewerkt door middel van spitsboogvormige muuropeningen. Eerste geleding met drielicht onder een druiplijst met traceerwerk en vierlobben in de top, de twee volgende geledingen met smal venster en bovenste geleding met spitsbogige blinde tweelichten, steigergaten en bekronend galmgat onder een druiplijst met traceerwerk en galmborden.

Rijzige torens met doorlopende lijsten die de geledingen van de torens afbakenen en doorlopen als kordons over de middenpartij van de westgevel.

Westelijke voorpuntgevel op schouderstukken met centraal een groot spitsbogig venster met druiplijst voorzien van neogotische tracering, boven spitsboogvormig portaal met timpaan; kleiner tweelicht in de topgevel.

Centraal kerkportaal voorzien van eikenhouten vleugelpoort met fraai bewerkte stijlen, omlijst door twee halfzuilen en een pilaster op hoog basement met knopkapiteel onder spitsboogvormig timpaan op imposten. De toegang zonder bordes leidt naar een later toegevoegd houten tochtportaal. De zijgevels en het koor zijn volledig ingebouwd en bijgevolg niet zichtbaar. Volgens het bouwplan werden de vlakke gevels enkel geritmeerd door spitsbogige vensters met traceerwerk in neogotische stijl in het schip, koor en transeptarmen. De zijbeuken zijn niet verlicht.

Interieur. Het interieur is in drie beuken verdeeld door spitsboogarcaden op eerder gedrongen hardstenen zuilen met knopkapiteel op een achtzijdige sokkel. De viering wordt gedragen door vier gelijkaardige maar samengestelde zuilen. Heel de kerk is overkluisd met bakstenen kruisribgewelven op beschilderde geprofileerde ribben op kapiteeltjes. In dezelfde materialen werd het straalgewelf in het hoogkoor uitgewerkt.

In het presbyterium leiden spitsboogvormige doorgangen naar de zijkapellen van architect Van der Cruyssen die voorzien zijn van een bakstenen graatgewelf. Het doksaal wordt door scheibogen op hardstenen zuilen van het schip gescheiden en met een hardstenen balustrade afgesloten.

De aankleding van de kerk was zeer sober gehouden en werd bijna volledig verkregen door het kleurige materiaalgebruik van onbewerkte baksteen, natuursteen en blauwe hardsteen afgewisseld met bepleisterde vlakken, kenmerkend voor de ideeën van "reformed gothic".

Oorspronkelijk waren de bepleisterde muurvlakken afgewerkt met een beschildering in imitatiesteen. In 1937 werd deze karakteristieke afwerking naar ontwerp van August Van Assche in het sanctuarium, koor, kruisbeuk en schip overschilderd met muurschilderingen van Fr. Kiekens (Aalst). Circa 1972-1974 werd deze tweede schildering evenals de bakstenen omlijstingen en gewelven overschilderd door een egale beige verflaag. De onbeschilderde hardstenen zuilen werden gelukkig ongemoeid gelaten.

De vloer is bedekt met zwarte marmeren tegels met in het middenschip een repeterend ruitvormig patroon in witte tegels. Een rij van witte tegels bakent de zijbeuken af.

In de zuidelijke beuk, rechts van de inkom, werd een Mariakapel, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Fatima ingericht, afgesloten met ijzeren hekwerk met kaarsenhouders. Het gepolychromeerde Mariabeeld staat in een houten gepolychromeerde nis in neogotische stijl. Hieronder staat een altaar met een op hout beschilderd antependium verlucht met zilverkleurig gepolychromeerd rankwerk met centraal de voorstelling van de Aanbidding der Wijzen in reliëf, voor de grafsteen van pater Paulus Luyckx. Zijn lichaam werd in 1971 bijgezet in de abdijkerk en voorzien van een grafsteen door Jef Boudens. Het glasraam in deze kapel in de westgevel van de kerk stelt de ‘Dood van de Heilige Scholastica’, stichtster van de benedictinessen en zuster van de Heilige Benedictus voor. De pendant van dit glasraam wordt gevormd door de ‘Dood van de Heilige Benedictus’ in de noordelijke beuk. Het grote centrale glasraam boven het portaal stelt ‘O.-L.-V. Regina monachorum’ voor. De glasramen zijn van Cesar Van Hevele, het centrale glasraam dateert van 1947, de pendanten van 1946.

De glasramen in het hoogkoor zijn van Gustave Ladon (Gent) en stellen voor van links naar rechts de Heilige Benedictus en Heilige Scholastica (1934), de Heilige Petrus en Heilige Paulus (1902) en de Heilige Maurus en Heilige Bernardus (1902). In de zeslobbige rozetten onder deze glasramen prijken van links naar rechts: het wapenschild O.S.B. (PAX) van de abdij (1902), en het schild van abt Maurus Lebeau, onder wie de kerk gebouwd werd (1902).

De glasramen in het schip en de overige glasramen in het transept en het presbyterium bestaan uit witte glasvlakken met eenvoudige geometrische motieven.

Mobilair. Beeldhouwwerk: Houten gepolychromeerde piëta, de Bewening Christi in het noordelijk transept, mogelijk uit de 16de eeuw. Op de noordelijke evangelistenzuil aan het hoogkoor hangt een groot gepolychromeerd houten beeld van Christus met doornenkroon die zijn wonden toont bijgestaan door twee engelen aan zijn voeten, mogelijk uit 15de eeuw. Daartegenover hangt een houten deels gepolychromeerd Portugees Christuscorpus uit de 17de eeuw aan een neogotisch torenkruis afkomstig van de abdijkerk.

Neogotische kruisweg naar ontwerp van Aloïs De Beule van 1906, bestaande uit stenen bas-reliëfs in vierlobben. Meubilering. Hoogaltaar met albasten retabel van 1907 met verguldsel in neogotische stijl met taferelen uit het leven van Christus met centraal de kruisiging, een ontwerp van Remi Rooms. De twee zijluiken met de voorstelling van de patroonheiligen de Heilige Petrus en de Heilige Paulus zijn latere toevoegingen. De herkomst van het schilderijtje met de voorstelling van de Verrijzenis is niet met zekerheid gekend.

Altaar van de Heilige Benedictus in noordelijk transept, voorzien van beeld van Heilige Benedictus voorgesteld in pij en zijn Regel tonend in een nis onder een baldakijn. Het eronder geplaatste stenen retabel is toe te schrijven aan Remi Rooms en dateert uit 1911. Het stelt de prekende Benedictus voor omringd door monniken met eronder het opschrift "INTER VERBA ORATIONIS S.P. BENEDICTUS SPIRITUM AFFLOVIT".

Het altaar van de Heilige Antonius van Padua in de zuidelijke beuk met gepolychromeerd beeld op sokkel onder baldakijn boven een stenen retabel met zilver- en goudkleurige polychromie uit 1912. Centraal toont de door monniken omringde Heilige Antonius de monstrans aan een varken in aanbidding met eronder het opschrift "TIBI DICO ANIMAL UT DEBITAM REVERENTIAM FACIAS"; links en rechts van dit tafereel staat de Heilige Athala met opschrift "SANCTA ATHALA ORAPRONOBIS" en de Heilige Edmondus met opschrift "SANCTA EDMUNDE ORA PRONOBIS".

Fraai neogotisch tabernakel in de sacristie.

Koorgestoelte, waarvan de originele ontwerptekeningen uit 1911 bewaard bleven in het abdijarchief, in 1914 vervaardigd door Remi Rooms. Het gedeelte aan de zuidzijde werd bij de brand in 1914 vernield en door het atelier van Rooms naar de oorspronkelijke ontwerpen in 1930 hermaakt; circa 1970 werden de rugpanelen toegevoegd. De sporen van het verschroeiende vuur zijn nog steeds zichtbaar.

Vier gelijkaardige houten biechtstoelen in neogotische stijl naar ontwerp van P. Lenssens (Dendermonde) van 1903-1904 en A.J. Sinaeve – D’Hondt (Gent) van 1907.

Het orgel van 1906 van firma Vereecken (Gijzegem) met een orgelkast uit 1908 van beeldhouwer Remi Rooms, verbrandde tijdens de Eerste Wereldoorlog en werd in 1920 vervangen door een orgel van Leon Daem (Appelterre). Het huidige orgel van de firma Johannes Klais Orgelbau uit Bonn dateert van 1958. De orgelkast werd gemaakt door Dom Daniël Peleman naar ontwerp van Hans Klais. Het elektrisch aangedreven orgel met opusnummer 1153 bevat 28 spelen en 2056 pijpen vervaardigd uit tin, koper en hout. De speeltafel staat in het koor der monniken en het pijpwerk op het koordoksaal.

Poortgebouw. Hoofdingang van de abdij gelegen aan de Vlasmarkt nummer 23, ten noorden van de abdijkerk. Met een leien zadeldak afgedekte voormalige portierswoning gelijktijdig met de kerk ontworpen, gebouwd door architect August Van Assche en in dezelfde materialen opgetrokken. Baksteenbouw in neogotische stijl van drie bouwlagen met verwerking van hardsteen in de vensteromlijstingen en plint. De plint van de kerk werd daarbij voortgezet. Gekoppelde kruiskozijnen gevat in een natuurstenen omlijsting met negblokken onder pseudo-ontlastingsbogen. Boven de toegangspoort met spitsboogvormig timpaan prijkt het beeld van de Heilige Benedictus in pij met Regel en een raaf in een nis. Dit gebouw werd eveneens tijdens de Eerste Wereldoorlog beschadigd en enkel de voorbouw bleef behouden.

In de vestibule bevindt zich een gedenkplaat afkomstig uit de oude Kapucijnenkerk maar die gedurende een tijd te Brussel bewaard werd, met het opschrift "DEO OPTIMO MAXIMO/ET/D. FRANCISCO, FRATRIBVSQ CAPVCINIS/ DOMINICVS DE IDIAQVEZ PRO SVA/ MAIESTATE CATHOLICA VRBIS/TENERAMONDAE GVBERNATOR ET VNIVS/ COHORTIS HISPANICAE DVX HOC/ MONASTERIVM CUM SVIS MILITIBUS/ DEDICARVNT A° DOMINI.M.D.XCVI." die de schenking in 1596 aan de kapucijnen in herinnering brengt.

Het poortgebouw verleent toegang tot een lange gang die parallel loopt aan de abdijkerk en in verbinding staat met de kerk en de kloostervertrekken. Deze gang werd na 1945 door architect Dom Antonius Maes, conform de gevelsteen ‘JUSTITIA ET PAX 1956’, voorzien van een tweede bouwlaag bestemd als gastenkwartier; thans bevindt de bibliotheek zich op de tweede verdieping. In de gang op begane grond werden in de oostelijke muur gepolychromeerde wapenschilden en enkele gedenkplaten aangebracht. Een plaat herinnert aan de herstichting van de abdij door Dom Veremundus D’Haens: "IN MEMORIAM/REV. ADM. DNI. VEREMUNDI D’HAENS MON. AFFLIGEMENSIS/ QUI POST DESTRUCTIONEM SUAE ABBATIAE,/ DE CONSENSU CONFRATRUM ADHUC VIVENTIUM/VITAM MONASTICAM HIC RESTITUIT./ RECURRENTE PRIMO CENTENARIO EJUS MORTIS ANO 1946".

Een volgende herinnert aan de verbouwing van de abdij door Bauwens uit 1886: "GEBOUWD TEN JARE/ ONZES HEEREN MDCCCLXXXVI/ DOM. JOZEF VAEL, PRIOR./ EDWARD BAUWENS, ARCHITECT./ UIT DE VERNIELDE ABDIJ 1914". De bouw van de nieuwe abdijkerk wordt als volgt herinnerd: "DEZE KERK WERD GEBOUWD/ TEN JARE ONZES HEEREN MCMII./ ONDER: DOM MAURUS LEBEAU, ABT:/ A. VAN ASSCHE ARCHITECT. F. DE BOCK: ONDERN."

De gang geeft onder meer uit op de met kruisgewelven overkluisde zuidelijke pandgang die naar de abdijtuin leidt, toegankelijk via een spitsboogpoort met het opschrift "HOSPITES TAMQUAM CHRISTUS SUSCIPIANTUR" in het boogveld.

De abdijgebouwen werden door architect Valentin Vaerwyck ontworpen zoals de herinneringsplaat vermeldt: "IN DE JAREN ONZES HEEREN 1919-1924/ IS DEZE IN DEN WERELDOORLOG VERNIELDE ABDIJ HEROPGEBOUWD/ ONDER/ DOM ADELARDUS VANDER MEIREN, ABT/ BOUWMEESTER VALENTIJN VAERWYCK UIT GENT/ ONDERNEMER FREDOR DE BOCK UIT BRUSSEL/ DAT ? VERHEERLIJKT WORDE (H. BENEDICTUS)". De abdij werd volgens het bestaande principe rond een vierkant binnenhof ontworpen, maar ze werd meer naar achter ingeplant. Het complex ligt ten noorden van de kerk en de oostvleugel paalt aan de grote tuin.

Architect Valentin Vaerwyck ontwierp het hele complex in neo-Vlaamserenaissance-stijl maar realiseerde in 1924 enkel de oost- en zuidvleugel. De noord- en westvleugel werden slechts tot op één meter hoogte afgewerkt. Dom Antonius Maes voltooide deze twee vleugels naar het oorspronkelijke ontwerp in de jaren 1940. Het werk van de verschillende architecten is onder meer herkenbaar in de dakafwerking en de verschillende venstertypes. Vaerwyck had op de binnenhof ook een achtzijdige uitbouw voorzien, die niet werd uitgevoerd.

De abdijvleugels tellen drie en twee bouwlagen van zeven en acht traveeën. Afgedekt onder een plat dak (west-, noordvleugel) en onder leien schilddaken met dakkapellen (oost-, zuidvleugel). De houten kroonlijst en dakoverstek van de oost- en zuidvleugel wordt op regelmatige afstanden onderbroken door een getrapt dakvenster.

De abdijvleugels werden opgetrokken in baksteen met verwerking van imitatienatuursteen in de speklagen, druiplijsten, vensteromlijstingen en monelen, verlevendigd met rood geschilderd schrijnwerk. Zeer evenwichtige gevelopbouw, waarvan de begane grond geritmeerd wordt door overhoeks geplaatste pinakelsteunen met hogels en kruisbloem. De oostvleugel is voorts verfraaid met drie cartouches met gebeeldhouwde gepolychromeerde wapenschilden van de abten. Op de begane grond werden grote spitsboogvensters met maaswerk gevat in een geprofileerde omlijsting aangebracht die de pandgangen verlichten. Enkel de noordvleugel werd voorzien van grote rechthoekige vensters met eerder flamboyant traceerwerk. De bovenverdiepingen zijn voorzien van beluikte kruisvensters onder pseudo-ontlastingsbogen. Drie spitsboogpoorten met beglaasd bovenlicht met traceerwerk met korfboogvormige deur verlenen toegang vanuit de pandgang tot de binnenhof. In de zuidvleugel bevindt deze deur zich centraal, in de oost- en westvleugel in de tweede travee.

De pandgang van de oost-, zuid- en westvleugel palen aan de binnenhof. De door Vaerwyck gerealiseerde oost- en zuidvleugel, worden overkluisd door een bakstenen kruisgewelf op geprofileerde ribben op consoles in imitatienatuursteen. Deze van de noord- en westvleugel hebben een vlakke bakstenen zoldering. De muren zijn deels bepleisterd, de vloer en plinten zijn in gepolijste blauwe steen. De zuidvleugel staat in verbinding met het poortgebouw, geeft uit op tuin en heeft toegang tot de kerk. Centraal, ter hoogte van het hoogkoor, treft men de traphal aan die naar de vroegere bidkapel en bibliotheek leidt.

In tegenstelling tot de andere vleugels paalt de noordelijke pandgang niet aan de binnenhof. Twee interessante ruimtes geven uit op de binnentuin zoals de voormalige bureaukamer van Dom Antonius Maes met een massieve schouw in neogotische stijl, ook ‘ontvangstkamer’ genoemd en de ‘Kapittelzaal’ in een eerder neoclassicistische uitvoering met een schouw in neorococostijl. In de donkere hal werden de uit de Dendersluizen gerecupereerde Affligemse grafstenen opnieuw ingemetst.

Op de gelijkvloerse verdieping van de westgevel werden de spreekkamers ondergebracht. In de ‘ontvangstzaal’ in neo-Vlaamserenaissance-stijl, met monumentale schouw met echte en imitatie roodmarmeren getorste zuiltjes en schouwbalk, zijn alle portretten van de abten verzameld.

De oostvleugel herbergt op de begane grond de keuken en de grote eenvoudige refter met uitspringende lezenaar. De houten zoldering van deze ruimte wordt gedragen door monumentale zuilen met geprofileerd kapiteel. De vleugel grenst met de volledige lengte aan de tuin en loopt door tot achter de voormalige bibliotheek en nachtkapel, waardoor de abdijkerk ook vanuit de tuin niet te zien is. De indrukwekkende tuingevel wordt gemarkeerd door verspringende gevels en dakvolumes. Het centrale middendeel onder schilddak met dakvensters wordt rechts en links begrensd door uitkomende hoger oplopende trapgevels met een in erkervorm uitgewerkte venstertravee. Deze vormgeving werd hernomen in de centrale erker op de begane grond bestemd voor het lezenaarszitje van de refter.

De tuingevel is verfraaid met gebeeldhouwde cartouches met de wapenschilden van de benedictijnenorde, abdij en stad in de borstwering en voorzien van een korfboogvormige poort gevat in een omlijsting met hogels en kruisbloem rustend op een halfzuil.

De opbouw, ritmering en het materiaalgebruik stemt overeen met de gevels aan de binnenhof, met uitzondering van de kruisvensters op de begane grond.

De abdij geeft uit op de tuin en paalt ten noorden aan een voormalig magazijn en schrijnwerkerij dat na de Eerste Wereldoorlog als noodverblijf door de monniken gebruikt werd. Daarachter is er een doorgang naar de Dijkstraat. Aan een gekasseide koer met gaanderij, thans gebruikt als fietsenstalling en parking, paalt een korfboogvormige poort, een rest van een in 1937 in neogotische stijl herbouwde woning en een rest van een verwaarloosd herenhuis waar naar verluidt in 1945 de abdijschool werd gestart.

Ten oosten paalt het complex aan de voormalige abdijschool en wordt ten zuiden ter hoogte van de Oude Vest begrensd door een nieuwe afsluitmuur met poort en bijgebouwen.

  • Archief Abdij Dendermonde, Plannenarchief. Vlaamse Overheid, Ruimte & Erfgoed, Afdeling Oost-Vlaanderen, Onroerend erfgoed, archief.
  • BEKAERT G., Landschap van kerken, Leuven, 1987, p. 112, 119.
  • DE CLOEDT F., e.a., De abdij van Dendermonde, Dendermonde, 1973.
  • DE COCK A., De abdijkerk: beknopte beschrijving, in Mozaïek. Nieuws uit Dendermonde, 9, 1, 1999, p. 5-8.
  • DE COCK A., Dom Veremundus D’Haens (1771-1846) en het herstel der Benedictijnen, in Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, Derde reeks, deel 19, 1971, p. 97-122.
  • DE COCK A., Grafstenen uit Affligem te Dendermonde, in Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, Vierde reeks, deel 1, 1976, p. 151-155.
  • DE MAEYER J., De Sint-Lucasscholen en de Neogotiek 1862-1914, Leuven, 1988, p. 431-432.
  • DEMEY A., Valentin Vaerwyck. Van Oud-Vlaendren tot nieuw Provinciehuis, Gent, 1993.
  • Inventaris glasramen. Provincie Oost-Vlaanderen, Glaskunst Informatie- en Documentatie v.z.w., Gent, 1998.
  • D’HANENS E., Dendermonde, in Inventaris van het kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen, IV, , Gent, 1961, p. 200-201, 207-210.
  • MAES A., Abdij der E.P. Benedictijnen te Dendermonde, in Mozaïek. Nieuws uit Dendermonde, 17, 3, 1999, p. 32-33.
  • ROBIJNS L., De St.-Pieters- en St.-Paulusabdij te Dendermonde, Gent, 2001.
  • STROOBANTS A. – PEE L., 500 jaar Zwarte Zusters te Dendermonde, 1491-1991, Dendermonde, 1991, p. 227 e.v.
  • STROOBANTS A., Twaalfde dag van het Orgel in Vlaanderen, in Stadskrant Dendermonde, 2001.
  • STROOBANTS A., 50 jaar Klaisorgel in onze basiliek 1958-2008, Dendermonde, 2008 (Abdij Dendermonde).
  • VAN KAMPEN A., De abdijkerk van Dendermonde, Dendermonde, 1902.

Bron: Bogaert C. , Duchêne H. , Lanclus K. & Verbeeck M. s.d.: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Dendermonde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 20N, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke

Datum tekst: 2001

Relaties

maakt deel uit van Dendermonde

Dendermonde (Dendermonde)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.