Militair Hospitaal en Arsenaal

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam Mariagasthuis
Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Albert Claudestraat, Artsen zonder Grenzenstraat, Jules Bordetstraat, Marialei, Paradeplein
Locatie Albert Claudestraat 1, 2-16, 5, 21, 25, Artsen zonder Grenzenstraat 2, 8, 11-15, 21-23, 31, 41, 51-53, 61, 71, Jules Bordetstraat 10-12, 20-22, 30, Marialei 53, 61-67, 71-75, Paradeplein 1, 11-15, 12, 31-33, 32, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Antwerpen (actualisaties: 05-01-2006 - 05-01-2007).
  • Adrescontrole Antwerpen (adrescontroles: 23-07-2007 - 23-07-2007).
  • Inventarisatie Antwerpen (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1992).
  • Inventarisatie Erfgoed WOI Provincie Antwerpen (thematische inventarisatie: September 2013 - Februari 2014).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).
  • Synchronisatie onderzoeksproject Renaat Braem (1910-2001) (synchronisaties: 16-09-2010 - 31-10-2010).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Militair Hospitaal en Arsenaal

Deze vaststelling is geldig sinds 05-10-2009. (Vaststellingsbesluit)

is beschermd als monument Militair hospitaal

Deze bescherming is geldig sinds 11-06-2004.

Beschrijving

Het Militair Hospitaal en Arsenaal werden opgericht op de plaats van het vroegere, circa 1885 gesloopte Fortje 4 van Berchem. De ontwerpen dateren uit 1898 voor het Arsenaal en 1899 voor het Militair Hospitaal, en zijn ondertekend door luitenant-kolonel Waffelaert, Commandant du Génie de l'Enceinte d'Anvers. De architectuur behoort tot de eclectische stijl met voornamelijk neo-Vlaamserenaissance-elementen. Langs de Marialei is de site toegankelijk via toegangspoorten, en vanuit de Lange Leemstraat langs het poortgebouw van het Arsenaal.

Historiek

Rond het einde van de 18de eeuw veranderde de mentaliteit van bevelhebbers, vorsten en autoriteiten ten overstaan van zieke en gekwetste militairen. Sedert enkele tijd immers bleven heel wat regimenten en andere eenheden langer bestaan dan voor één wel bepaalde campagne nodig was en evolueerde de legerstructuur naar een strakkere nationale hiërarchie. Een mengeling van meer menselijke betrokkenheid en de behoefte aan vlugger herstel van geoefende krijgslui vormde wellicht het uitgangspunt voor een aparte opvang van uitgevallen militairen. Dat deze in eigen krijgshospitalen ook onder beter militair toezicht bleven dan in burgerhospitalen en daarenboven minder kostten, speelde zeker een rol. In 1793 waren er in het hospitaal van de Antwerpse citadel heel wat gewonde en zieke Oostenrijkse militairen achtergebleven. Het enige gasthuis, Sint-Elisabeth, kon niet volstaan om naast burgers ook de talrijke militairen te verzorgen, die als gevolg van de Franse revolutionaire en keizerlijke campagnes ziek of gekwetst waren. Vooral kloosters, zoals deze van kapucijnen, cellenbroeders, miniemen en andere, die op het einde van het Oostenrijks bewind waren afgeschaft, kwamen in aanmerking om als militair hospitaal in gebruik te worden genomen, al waren de aanpassingen voor verzorging en sanitair, zelfs voor die tijd, vaak zeer beperkt.

In 1794 stelde de Franse Commissaris van de Republiek vast dat Antwerpen reeds sedert 1544 eigenaar was van het door de jezuïeten verlaten klooster met school, het zogenaamde Hof van Lier in de Prinsstraat, en eiste het op om het voornaamste militair hospitaal te worden. De decreten van 23 april en 30 juli 1810 bepaalden dat het voor 450 patiënten moest worden uitgerust. Ook na de nederlaag van Napoleon in 1815 in Waterloo bleef het militair hospitaal hier gevestigd en verscheen voor het eerst de benaming 'krijgsgasthuis'. Op 14 juli 1817 sloot het Departement van Oorlog een overeenkomst met de stad waarbij de pacht van de gebouwen op 4.725 florijnen per jaar werd vastgesteld. Opvallend vlug na de Belgische revolutie, op 30 april 1831, kwam in de interne organisatie van ons leger deze van de gezondheidsdienst aan de beurt. De jonge Belgische Staat bevestigde de huurovereenkomst met de stad. Slechts enkele weken later, op 14 mei 1831, werd het Militair Hospitaal van Antwerpen (MHA) als 'hospitaal van eerste klas' ingedeeld. De eerste grote actie was de opvang van Belgische en Franse militairen, gekwetst bij de belegering in 1832 van de citadel, die toen nog door het Hollands leger bezet was. Na de capitulatie, in december 1832, werden in het MHA ook circa 350 gewonde Hollandse militairen verzorgd. De laatsten werden op 9 februari 1833 per schip geëvacueerd. In 1849 woedde in Antwerpen een vreselijke cholera-epidemie, wellicht via schepen naar ons gebracht en o.m. door de slechte hygiëne van de vlieten, die tevens als openbare riolen dienst deden, zeer moeilijk te bestrijden. Het MHA in de Prinsstraat bleef tot 1910 in werking.

Reeds in de tweede helft van de 19de eeuw echter deed zich de noodzaak gevoelen over een meer efficiënt hospitaal te beschikken, waarvoor enkel een nieuw gebouw in aanmerking kwam. De gewijzigde wijze van oorlog voeren, zoals aangetoond in de Frans-Duitse oorlog van 1870, de steeds stringentere rol van de artillerie en de veel grotere getalsterktes, dreven de belangenstrijd tussen de behoeften van het burgerleven en die van het leger ten top. Na tal van besprekingen en betwistingen werd, vooral om niet nog meer grond aan de expansief groeiende stad te onttrekken, besloten het nieuwe Krijgsgasthuis te bouwen op het terrein van 'Fortje 4 van Berchem', samen met het arsenaal. Volgens het Plan de la Ville d'Anvers van 1886 opgemaakt door Aloys Scheepers was dit gelegen tussen de Marialei, de Boomgaardstraat, de Van Luppenstraat, de Lange Leemstraat en de Provinciestraat-Zuid (de huidige Lamorinièrestraat). Tijdens de lang aanslepende besprekingen waren inmiddels reeds verschillende burgerhuizen gebouwd in de Van Luppenstraat en de Provinciestraat-Zuid, zodat uitbreiding van de circa 4 hectare niet meer kon en het hospitaal van meet af aan zijn ommuring met de aangrenzende burgerlijke percelen moest delen.

Fortje 4 (niet te verwarren met het latere fort IV in de fortengordel en vaak ook met de Franse benaming van Fortin 4 aangeduid), was het resultaat van een paniekreactie van de Belgische regering op de staatsgreep van de Franse keizer Napoleon III in december 1851. De reeds tientallen jaren aanslepende discussies, die vooral de mogelijkheden van het leger hypothekeerden, werden plots besloten door de uitvoering van een vooruit geschoven verdedigingslinie rond Antwerpen. De Spaanse omwalling (de huidige Leien) werd niet gesloopt doch beschermd door zeven 'gebastioneerde' forten op 1500 à 3000 meter van deze omwalling, opgevat als een soort aarden veldversterkingen met vier- , soms vijfhoekige plattegrond en zijden van ongeveer 150 meter. De open keel werd door een palissade beschermd. De 'fortjes' dienden vooral voor de plaatsing van artilleriesecties. Nog tijdens het bouwen werden ze versterkt met onder meer een reduit en een van schietgaten voorziene muur als afsluiting van de keel. Slechts van 1853 tot 1859 waren ze operationeel. Het hier uitgewerkte defensieconcept werd het voorbeeld voor het latere Nationaal Reduit. Gaandeweg werd ingezien dat het onmogelijk was de stad nog langer in haar wallen gevangen te houden en zag het Ministerie van Oorlog af van de toepassing van militaire erfdienstbaarheden rond forten en versterkingen. In de periode 1859-1885 werd Fortje 4 vermoedelijk gebruikt als opslagplaats, mogelijk ook voor troepenkazernering. In 1885 werd het gesloopt, hierbij zijn sporen nalatend in de verkavelingstructuur en het stratenpatroon van de stad. De militaire eigendommen werden in 1891 voor verkoop overgedragen aan de Domeinen. Daar er geen schot kwam in de verkoop, eiste het Ministerie van Oorlog in 1896 het gebied van Fortje 4 terug op en breidde het uit met enkele aankopen. Voor het MHA -apotheek en klooster, respectievelijk circa 3.100 en 2.200 vierkante meter, inbegrepen- werden ongeveer twee derden van het terrein gebruikt, grosso modo een rechthoek van circa 270 op 150 meter met een uitstulping van ongeveer 55 op 75 meter. De rest van het fortje werd voornamelijk ingenomen door het arsenaal en enkele militaire diensten langs de kant van de Lange Leemstraat.

De architectonische en medische eisen die aan een 'modern ziekenhuis' werden gesteld gaan terug tot de desastreuze brand van het Hôtel-Dieu, eind 18de eeuw, op het Ile de la Cité in Parijs. In 1788 sprak de Parijse ziekenhuiscommissie zich onomwonden uit voor het paviljoentype als enig model voor een efficiënt functionerend genezingsinstituut, waarbij een optimale isolatie gecombineerd met een even optimale luchtverversing een absolute garantie moesten bieden in de strijd tegen het besmettingsgevaar. Het Hôpital civil et militair de Montpellier naar ontwerp van de Franse architect C. Tollet gold als het klassieke voorbeeld. De patiëntenzalen bevonden zich op de bovenste verdieping van de gebouwen die gerangschikt waren in paviljoenvorm. Aan beide zijden werd een veranda voorzien. De patiëntentoiletten werden van de ziekenzalen afgezonderd door een geventileerde gang. De zalen herbergden twee groepen van 28 patiënten. Om de ventilatie te controleren werden vensters en deuren afgedicht en verse lucht werd aangevoerd via een ingenieuze toepassing van het klassieke hypocaustum, geplaatst onder de gelijkvloerse verdieping. Het grootste deel van de begane grond werd gebruikt voor de ventilatie en als overdekte recreatieplaats voor de herstellende patiënten. Op het uiteinde lagen de slaapzalen voor de herstellende patiënten en de eetzalen. De verbindingsgangen van het paviljoenplan omsloten een binnenplaats, waarin de keukens en badkamers lagen, en verbonden aan de buitenkant de kapel en de kwartieren voor het verplegend personeel. Verschillende variaties op het paviljoenschema werden gebouwd, maar de ingewikkelde kunstmatige ventilatiesystemen bevorderden eerder de door de lucht aangevoerde kruisinfecties dan ze te verhinderen. Behoudens enkele uitzonderingen zoals het Royal Naval Hospital in Plymouth van 1756-1764 naar ontwerp van Rovehead, is de bouw van dit ziekenhuistype pas in de tweede helft van de 19de eeuw volop op gang gekomen. Ook aan de locatie, bij voorkeur op een verhoogd terrein buiten de stad, werd veel belang gehecht. Vele van de door Tollet vooropgestelde richtlijnen werden bij de bouw van het MHA toegepast, ofschoon zoals uit de beschrijving blijkt, niet alles klakkeloos werd gekopieerd. Door de hiërarchische organisatie van de genie kan het ontwerp van het MHA niet aan een bepaalde architect worden toegeschreven. In principe was het de directeur van de Fortificatiedirectie die de plannen voor nieuwe constructies moest (of liet) opstellen.

Op 16 mei 1899 werd de bouwaanvraag goedgekeurd, in 1910 waren de werken beëindigd en op 31 juli 1911 werden de gebouwen volledig in gebruik genomen. In hetzelfde complex werd nu ook de militaire hoofdapotheek ondergebracht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het MHA door de Duitsers bezet. Vanaf 1919 werd het onder impuls van kolonel geneesheer Moenaert tot een modelinrichting uitgebouwd en in 1927 werd de Dienst Neuro-Psychiatrie er aan toegevoegd. Opnieuw bezet tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd het in 1946 terug ingericht. Stuwende kracht in deze naoorlogse periode was kolonel geneesheer Van der Meiren, die het hospitaal op velerlei wijzen verfraaide. Einde van de jaren 1960 werd de hoofdapotheek overgebracht naar Nijvel doch in dezelfde periode werden onder kolonel geneesheer Van Praet nog drie volledig nieuwe afdelingen geopend. De vierledige opdracht van het MHA bestond uit hospitalisatie (een capaciteit van maximaal 120 bedden, die in geval van rampen tot 400 patiënten kon worden opgevoerd), consultatie, beheer en garnizoensdienst. De eerste tekenen van sluiting tekenden zich af in de jaren 1980 met de overplaatsing van de afdeling neuropsychiatrie naar Neder-over-Heembeek. Op 30 juni 1993 sloot het MHA definitief zijn deuren.

Architectuur

De totale oppervlakte van het MHA bedroeg bij de bouw in 1899-1910, 42.035 vierkante meter waarvan 14.462 vierkante meter werden bebouwd en 27.573 vierkante meter aangelegd als tuin of plein. Later werd de totale oppervlakte vergroot tot 44.374 vierkante meter door een stuk van het arsenaal in te palmen.

Het terrein van het MHA wordt gestructureerd door een rechte oost-westas in het verlengde van de toegangspoort, waarop haaks een secundaire 'straat' aansluit. De hoofdstraat volgt het tracé van de vroegere Marialei en wordt omgeven door de hoofdapotheek aan de zuidzijde en het hoofdgebouw van het MHA aan de noordzijde. De secundaire noord-zuidas loopt langs de dienstgebouwen die de scheiding vormen met het arsenaal in het oosten en verleent toegang tot het corridorsysteem tussen de paviljoenen.

Hoofdapotheek en klooster waren autonome entiteiten binnen de grenzen van het MHA. Het hospitaal bestond uit een hoofdgebouw, paviljoenen, een kapel, en dienstgebouwen waaronder het mortuarium en het bacteriologisch labo. De watertoren (op het moment van bescherming (2004) verwijderd) op terrein van het arsenaal werd ook door MHA gebruikt. Het toegangsgebouw van het arsenaal bevindt zich aan de Lange Leemstraat.

Algemene architecturale kenmerken die de verschillende gebouwen van het MHA typeren zijn: de rechthoekige volumes, de leien en zinken daken, het baksteenmetselwerk met knipvoegen, de arduinen plinten en lekdrempels, de constructieve en decoratieve gevelonderdelen van witte natuursteen, de boogvelden en metselmozaïeken van gele en zwarte baksteen. De eclectische bouwstijl grijpt voor de meer representatieve gevels en interieurs terug naar elementen ontleend aan de Vlaamse renaissance, de barok en het classicisme; in de andere gevels en interieurs overheerst het functionalisme.

Hoofdapotheek

Samen met het tegenoverliggende hoofdgebouw, waar de militaire staf van het hospitaal een onderkomen had, vormt ze de hoofdstraat van het MHA. Beide bouwvolumes, opgetrokken in een imposante eclectische stijl met neo-Vlaamserenaissance- en neobarokke inslag vormen de representatieve visuele as die de toegang van het MHA aan de Marialei markeert. De hoofdapotheek fungeerde als centrale apotheek voor het ganse Belgische leger en vormde binnen de site een volledig zelfstandige entiteit. Het gebouw werd zowel in- als uitwendig volledig gerenoveerd. Trapeziumvormig bouwblok bestaande uit twee lange en drie korte vleugels gegroepeerd rond twee binnenplaatsen waarvan de westelijke vanaf het begin met een glazen koepel overdekt was, de oostelijke later met een plat dak werd afgedekt. Solide bakstenen vleugels van twee bouwlagen onder leien en zinken mansarde- en één afgewolfd zadeldak, geopend met talrijke dakkapellen. Bakstenen lijstgevels op arduinen plint, rijkelijk opgemaakt met constructieve en decoratieve onderdelen van witte natuursteen en met knipvoegen afgewerkt metselwerk. Overwegend segmentboogvormige muuropeningen op lekdrempels van arduin; betraliede benedenvensters. Noordvleugel aan de binnenstraat met monumentaal gevelfront van eenentwintig traveeën, ter hoogte van de haaks aansluitende middenvleugel met risaliet van drie traveeën, gemarkeerd door een imposante dakkapel met halsgevel, flankerende voluten, segmentboogvormig fronton, smeedijzeren topversiering en aansluitend afgeknot tentdak met smeedijzeren vorstkam. Gelijkaardig afgewerkte kopgevels ter hoogte van oost- (voormalig laboratorium) en westvleugel (voormalige magazijnen), beide met inkompartij. Horizontaal aflijnende muurbanden van witte natuursteen, gevelafsluiting met houten kroonlijst op versierde voluutconsoles, traveemarkering d.m.v. sierankers; begane grond met smeedijzeren lichtarmen en lantaarns. Deels met natuursteen (hoekblokken, aanzet- en sluitstenen), deels met booglijsten van gele en zwarte baksteen omlijste vensters; rechthoekige bovenvensters onder blind rondboogveld met metselmozaïek. Met driehoekig fronton en voluten omlijste dakkapellen.

Gelijkaardig uitgewerkte oostvleugel van één op zes traveeën gemarkeerd door monumentale schoorstenen ter hoogte van de oostgevel. Risalietvormende kopgevels met hoekkettingen, aan noordzijde met segmentboogvormige toegang in geblokte omlijsting met waterlijst, waarboven natuurstenen plaat en fraai uitgewerkt drielicht; top met inscriptie “ANNO MDCCCXCIX”; aan zuidzijde met breed segmentboogvormig benedenvenster en sober drielicht daarboven. Minder versierde zuidvleugel van 22 traveeën (en vier van de westvleugel), eveneens gemarkeerd door muurbanden van witte natuursteen en booglijsten van geel en zwart metselwerk. Ter hoogte van de haaks aansluitende midden- en westvleugel met rechthoekige bovenvensters onder blind rondboogveld met metselmozaïek. De verspringende muuropeningen ter hoogte van de vijfde travee verwijzen naar een aansluitende trappenhal, de kleine benedenvensters naar het achterliggende sanitair. Toegang met rechthoekige deur en segmentboogvormig bovenlicht ter hoogte van de zevende travee. De segmentboogpoort in de tiende travee correspondeert met een gelijkaardige toegang in de elfde travee van de noordvleugel. Middenvleugel van zeven op drie traveeën met onversierde lijstgevels en eenvoudige segmentboogvormige muuropeningen onder booglijsten van zwart metselwerk zoals trouwens alle gevels die op de binnenplaatsen uitgeven. Westvleugel van vier (smalle) op zes traveeën met noordelijke kopgevel (zie supra). De overige, deels ingebouwde gevels vertonen geen vermeldenswaardige kenmerken.

De vier aan de westzijde van de hoofdapotheek aansluitende woonhuizen waren eertijds bestemd als huisvesting voor onder meer de hoofdapotheker en zijn adjunct. Enkelhuizen van respectievelijk vier, drie, twee en vier traveeën en drie of twee bouwlagen onder leien tent- of afgeknot zadeldak. Uitgewerkt als telkens verschillende burgerhuizen doch in een stijl die aansluit bij de hoofdapotheek. De aansluiting van het laatste huis met de Marialei wordt gemarkeerd door een sierlijke torenarkel onder leien helm. De voormalige hoofdapotheek fungeerde op het moment van bescherming (2004) als mess en congrescentrum.

Interieur: fraaie met Polonceauspanten overdekte westelijke binnenplaats. Omringende vleugels met troggewelven tussen ijzeren liggers, al dan niet op geklonken I-balken. Bewaard houtwerk. De in functie van de huidige bestemming gewijzigde binneninrichting bracht geen wezenlijke structurele veranderingen met zich mee. Twee glas-in-loodramen door F. Van Immerseel, bevinden zich respectievelijk in de eetzaal en in de bar.

Augustinessenklooster met kapel

Onlosmakelijk verbonden met het Militair Hospitaal is het klooster van de hospitaalzusters augustinessen, afkomstig van het Parijse Hôtel-Dieu, sinds 1835 in Antwerpen gevestigd en sinds 1912 in het MHA. Deze congregatie stelde zich voornamelijk ten dienste van de krijgsziekenhuizen. L-vormig, eclectisch opgevat gebouwencomplex rond binnenkoer met Lourdesgrot, bestaande uit een nabij de inkom gelegen voorhuis, een aansluitende haaks op de straat ingebrachte kapel en een evenwijdige kloostervleugel die rechtstreeks in verbinding stond met de hoofdgang van het corridorsysteem (zie infra).

Voorhuis met enkelhuisopstand van drie traveeën en twee bouwlagen onder leien en zinken mansardedak met dakkapellen. Bak- en natuurstenen lijstgevel met risalietvormende inkomtravee, lijstwerk, pseudo-kruisvensters en rondboogdeur in geblokte omlijsting met driehoekig fronton; originele houten vleugeldeur met glas- en ijzerwerk. Bedoeld voor de opvang van vreemdelingen, bevatte het onder meer een spreekkamer en een refter en in de links aansluitende spievormige aanbouw een berging en portiersloge. Eenbeukige kapel op rechthoekig grondplan met schip van zes traveeën onder leien zadeldak en lagere koorapsis met aansluitende sacristie van twee traveeën onder plat dak. Deels ingebouwde, bakstenen gevels met omlijste rondboogvensters alternerend met eenvoudige steunberen per travee.

Interieur: binneninrichting in een sobere classicistische stijl, geïnspireerd op de gesloopte kapel van het vroegere augustinessenklooster aan de Prinsstraat. Bepleisterde en beschilderde muren en tongewelf, gemarkeerd door pilasters met verguld composiet kapiteel, omlopende gekorniste lijsten en gordelbogen. Eerste travee met inkomportaal waarboven een eenvoudige (orgel)tribune werd aangebracht. Rechthoekige koorapsis met rondvenster; de flankerende deuren evenals de inkomdeur, met paneelversiering en omlijsting onder segmentboogvormig fronton uit bouwperiode. Het meubilair is niet meer aanwezig. De negen gebrandschilderde glasramen daarentegen bleven intact bewaard; naar de stijl te oordelen werden ze vermoedelijk vervaardigd in het atelier Stalins-Janssens. Originele cementtegelvloer.

Licht trapeziumvormige, bakstenen kloostervleugel van acht traveeën en drie bouwlagen onder afgewolfd pannen zadeldak. Lagere haakse uitbouw en ommuurde tuin. Lijstgevels met muurbanden en segmentboogvensters; kordonvormende lekdrempels.

Hospitaal

De oorspronkelijk gekasseide paden en bestrating (zie iconografische documenten), werden in latere fasen deels geasfalteerd. Aan de zijde van de Lange Leemstraat, is het terrein afgesloten met een gelede bakstenen tuinmuur die het MHA scheidt van private tuinen en in het westen aansluit op het mortuarium.

Ondergrondse structuur

Uit het overzichtsplan van het MHA, bewaard in het archief van de Simon Stevinstichting, (schaal 1/400, niet gesigneerd of gedateerd, doch op basis van de opmaak te situeren voor de Eerste Wereldoorlog) kan worden afgeleid dat alle gebouwen volledig onderkelderd zijn. Met het oog op een stabiele verwarming van de ziekenzalen op 18 °C alsook voor de vereiste ventilatie werden de kelders onder elk paviljoen volledig uitgebouwd met twee kleinere kelders aan de uiteinden en een grote centrale ketelkamer met warmtekern op 25 °C, een rookkanaal en een omringende klaringskamer. Een net van onderaardse gangen werd aangelegd voor het kanaliseren van de technische leidingen vanuit de centrale stookplaats, o.m. voor de aanvoer van stoom. In deze ondergrondse ruimte zijn tot op heden een aantal van deze galerijen toegankelijk. Ze zijn opgetrokken in baksteenmetselwerk en overspannen door een tongewelf.

Hoofdgebouw

Het hoofdgebouw waar de militaire staf van het hospitaal een onderkomen had, was oorspronkelijk voorzien voor administratie, opvang, verpleging van zieke officieren en logement voor de conciërges. Samen met de tegenoverliggende hoofdapotheek (zie supra) vormt het de hoofdstraat van het MHA. Beide bouwvolumes, opgetrokken in een imposante eclectische stijl met neo-Vlaamserenaissance- en neobarokke inslag vormen de representatieve visuele as die de toegang van het MHA aan de Marialei markeert. Symmetrisch uitgewerkte vleugel van zeventien op drie traveeën en twee bouwlagen onder leien en zinken mansarde- en afgeknotte tentdaken, geopend met talrijke dakkapellen. Bakstenen lijstgevels op geblokte arduinen plint, rijkelijk opgemaakt met constructieve en decoratieve onderdelen van witte natuursteen en met knipvoegen afgewerkt metselwerk. Overwegend rechthoekige muuropeningen op lekdrempels van arduin; betraliede benedenvensters. Risalietvormende midden- en hoekpartijen van respectievelijk drie en twee traveeën gemarkeerd door geblokte pilasters en de hoger vernoemde tentdaken met smeedijzeren vorstkam, monumentale schoorstenen en dakkapellen in rijk uitgewerkte omlijsting met voluten, fronton en pinakel met bolornament. Horizontaal markerende kordonvormende lijsten naast gevelafsluiting met gelede architraaf, fries met panelen van baksteenmozaïek en omlopende houten kroonlijst op modillons. Gekoppelde rechthoekige vensters in een geblokte omlijsting, hetzij bovenaan uitwaaierend, hetzij afgeboord met een gekorniste waterlijst. Met paneelwerk versierde borstweringen. Soberder behandelde zij- en achtergevels, op de bovenverdieping verlevendigd met gekoppelde booglijstjes van geel- en zwart metselwerk; witstenen muurbanden en doorlopende bovendorpel ter hoogte van de benedenvensters.

Interieur: grotendeels bewaarde binnenindeling met aan voor- en achtergevel evenwijdig lopende middengang waarop de verschillende vertrekken uitgeven. Bewaarde tegelvloeren, parketten, houten trappartijen, bepleisterde en beschilderde muren en plafonds.

Voormalige woning van de hoofdgeneesheer

Ten oosten van voornoemd hoofdgebouw gelegen herenhuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder tentdak, uitgevoerd in dezelfde stijl.

Paviljoenen met verbindingsgangen / corridors

Het corridorsysteem bestaat uit een hoofdgang, de Promenade d’hiver, haaks aangebracht op het hoofdgebouw, waarop smallere, secundaire gangen aansluiten die toegang verlenen tot de paviljoenen en de centraal gelegen kapel. Paviljoen 2 ligt afgezonderd, maar is toch voorzien van een wandelgang. De Promenade d’hiver is over haar volledige lengte afgedekt met licht hellende zinken zadeldaken. Ze wordt verlicht door grote rechthoekige vensters, waarvan het schrijnwerk recent werd vernieuwd. Bewaarde oorspronkelijke tegelvloer en dakstructuur. Overwelving van de gang met ijzeren spanten en houten lattenzoldering versterkt door een ribbenstructuur. Dezelfde opbouw is aangewend in de secundaire gangen, waar ook pilasters met voluutconsoles werden ingebracht; ter hoogte van de paviljoenen zijn de secundaire gangen hoger opgetrokken, van brede segmentboogvensters voorzien en verhoogd met een overdekt terras (zie infra).

Paviljoenen op rechthoekig grondplan met T-vormige uitbouw achteraan, van respectievelijk elf (paviljoenen 1, 2, 3, 4) of dertien traveeën (paviljoenen 9, 10, 11) en twee bouwlagen onder licht hellend zinken zadeldak met overlangse dakruiter. Bakstenen lijstgevels op arduinen plint, verlevendigd met constructieve en decoratieve onderdelen van witte natuursteen. Horizontaal markerende muurbanden, de lange gevels bovendien met gekorniste puilijst, doorlopende gelede waterlijst op de bovenverdieping en afsluitende houten kroonlijst op modillons; de bredere eerste en laatste travee van elk paviljoen (zie interieur) wordt telkens afgelijnd met pilasters. Korte zijden met tuitgevel, vooraan aansluitend bij de corridor waarboven telkens een overdekt terras met koepels van ijzer en glas op slanke gietijzeren kolommen werd aangebracht, afgesloten met een fijne smeedijzeren leuning. Segmentboogvormige muuropeningen met rechthoekige ramen en deurvensters onder blind boogveld en booglijsten van geel en zwart metselwerk; lekdrempels van arduin. Veelal bewaarde ramen met kantelend bovenste deel; betraliede vensters voor de afdeling psychiatrie.

Interieur: de plattegrond van de paviljoenen vertoont een ruime ziekenzaal op beneden- en bovenverdieping bestemd voor tweemaal vierentwintig zieken, respectievelijk overspannen met geklonken ijzeren I-balken en een licht hellende zoldering die de dakhelling volgt. Eerste en laatste travee bevatten respectievelijk een trapzaal en wasplaats vooraan, een lokaal voor de bewaking en een isolatiekamer achteraan. Tussen beneden- en bovenverdieping was er geen directe verbinding voorzien; de trapzaal gaf uit op de ventilatiegang enerzijds, de gang tussen terras en bovenzaal anderzijds. Kenmerkend zijn de afgeronde hoeken in alle vertrekken teneinde een optimale hygiëne te kunnen handhaven, de nog aanwezige roosters van het ventilatiesysteem, de schuin aflopende onderdorpels voor de vensters. T-vormige uitbouw met volledig gescheiden sanitair voor beneden- en bovenzaal.

Kapel

De kapel is centraal gelegen tussen de paviljoenen (volgens het traditionele schema van hospitalen van het paviljoentype) en is met de overige bouwdelen verbonden door middel van een overdekte gang. Eclectisch opgevat gebouw met overwegend neoclassicistisch gevelschema en interieur, vermengd met neo-Vlaamserenaissance- en neobarokke elementen.

De plattegrond ontvouwt een éénbeukige kapel met schip van vijf traveeën, koor van één rechte travee en driedelige halfronde koorapsis met sacristie en berging in de oksels. Baksteenmetselwerk, verlevendigd met constructieve witstenen gevelonderdelen zoals omlijstingen, hoekkettingen, enz. en decoratieve zoals muurbanden, panelen, sculpturale elementen, gevelkruis enz. Zinken bedaking voorzien van een zeszijdige houten dakruiter met helmspits tussen schip en koor; smeedijzeren kruisen op dakruiter en koorapsis. Tweeledig opgebouwde voorgevel geflankeerd door octogonale traptorens met helmspits. Met fraaie pilasters afgelijnde lijstgevel onder gevelbreed driehoekig fronton voorzien van uurwerk en topvazen. Barokke inkompartij met rondboogdeur in geblokte omlijsting, begrepen tussen dito zuilen en driehoekig fronton met siervazen; de smalle vensters links en rechts van de inkom zijn bekroond met een omlijst oeil-de-boeuf. Tweede gevelgeleding met groot segmentboogvenster in omlijsting met waterlijst, sluitsteen en guirlandes. Zij- en koorgevels, per travee geritmeerd door verjongende steunberen, met omlopende, gekorniste houten kroonlijsten en segmentboogvensters in omlopende omlijsting met neuten, oren en waterlijst. De eerste travee van het schip, opgevat als portaal, sluit aan op de overdekte gang; op de verdieping bevindt zich de orgeltribune, toegankelijk via twee houten spiltrappen aan weerzijden.

Interieur: neoclassicistisch interieur gekenmerkt door bepleisterde en beschilderde muren, ton- en halve tongewelf en gordelbogen, versierd met lijst- en paneelwerk en Ionische pilasters. Glas-in-loodramen met geometrische motieven. Tegelvloer. Originele houten deuren. Al het mobilair werd verwijderd. Opmerkelijk is de nog bestaande kelder onder de kapel die een ongefragmenteerde ruimte beslaat en aansluit op de ketelkamer. Deze ruimte werd vermoedelijk gebruikt als opslagplaats voor kolen, zie de restanten van ijzeren sporen in de vloer.

Ketelhuis / stookcentrale

Centrale installatie die instond in voor de verwarming van alle gebouwen van het MHA. De door drie generatoren geproduceerde stoom werd naar de verschillende gebouwen vervoerd via kanalen in de ondergrondse galerijen (zie supra). Achter de kapel gelegen, rechthoekig bakstenen gebouw van drie op vijf traveeën onder licht hellend zinken zadeldak. Lijst- en puntgevels geritmeerd door pilasters en lijstwerk naast grote segmentboogvormige muuropeningen en rondvensters in een omlijsting van geel- en zwart metselwerk.

Interieur: overspanning met ijzeren vakwerkspanten.

Bijgebouwen / strookbebouwing

Deze gebouwen, waarin oorspronkelijk een kazerne met logement voor onderofficieren, verplegers en andere manschappen was ondergebracht, verder ook de keuken, de wasserijen en groots uitgebouwde ruimtes voor hydrotherapie, vormen de materiële scheiding tussen het MHA en het arsenaal. Hun functionele stijl sluit aan bij de architectuur van de hiervoor beschreven paviljoenen en corridors. De originele indeling bleef grotendeels bewaard. Langgestrekte bakstenen vleugels van twee of anderhalve bouwlaag onder kunstleien zadeldak met haaks aansluitende vleugels aan de achterzijde. Aan de voorzijde is op de begane grond een doorlopend afdak van ijzer en glas aangebracht wat zo typisch is voor de 'droge circulatie' binnen het MHA. Eenvoudige lijstgevels op arduinen plint, gemarkeerd door witstenen muurbanden en knipvoegen. Segmentboogvormige muuropeningen met booglijsten van geel en zwart metselwerk; met diamantpunten versierde hoekstenen en lekdrempels van arduin.

Arsenaal

Het constructie-arsenaal werd in 1898-1907 opgericht op de terreinen van het voormalige Fortje 4, ten oosten van het MHA. De toegang aan de Lange Leemstraat wordt gemarkeerd door een monumentaal poortgebouw.

Poortgebouw

Dit poortgebouw is het enige dat gebouwd werd van een in plan groter geheel dat een monumentale afsluiting moest vormen tussen het constructie-arsenaal en de Lange Leemstraat. Het diende om de wacht onder te brengen. Op de bovenverdieping woonde de conciërge. Eclectisch poortgebouw van drie traveeën, twee bouwlagen en lagere inkomtraveeën aan weerszijden onder complexe leien bedaking met monumentale schoorstenen en smeedijzeren sierelementen; aansluitende zuidoostelijke ronde traptoren met kegelspits en windvaan. Bak- en natuurstenen lijstgevels met centrale, rondbogige doorgang in een geblokte omlijsting van witte steen; dito muurbanden, hoekkettingen en booglijsten. Voorzijde met pseudo-kloosterkozijnen.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1898#1775 en 1899#657.
  • Berkvens C. 1996-1997: Militair Hospitaal Antwerpen, 2 delen, onuitgegeven eindverhandeling, Departement Architectuur, Henry Van de Velde-instituut, Antwerpen.

Bron: Beschermingsdossier DA002388, Militair Hospitaal (digitaal dossier)

Auteurs: Brenders, Francis

Datum tekst: 2004

Alle teksten

Aanvullende informatie

Het militaire hospitaal wordt tijdens de bombardementen van 7 en 8 oktober 1914 beschadigd. De achtergevel en trapzaal zouden dan aanzienlijke schade hebben opgelopen.

  • S.n., s.d.: Berchem en de oorlog, 1914-1918, Berchem, 7-8.

Van Severen, Elke (24-03-2014 )

Via een publiek-private samenwerking werd een ontwikkelingsproject opgestart voor de herbestemming van de site van het Militair Hospitaal. De site werd tussen 2004 en 2014 omgevormd tot woonpark 't Groen Kwartier.

Daemen, Caroline (02-12-2014 )

Relaties

maakt deel uit van Lange Leemstraat

Lange Leemstraat (Antwerpen)

maakt deel uit van Marialei

Marialei (Antwerpen)

U kunt deze pagina citeren als:

Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Militair Hospitaal en Arsenaal, Inventaris Onroerend Erfgoed [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7254 (geraadpleegd op ).
Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.