Geografisch thema

Meer

ID: 14406   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14406

Beschrijving

Gemeente in de Antwerpse Noorderkempen, ten noordwesten van Hoogstraten; strekt zich uit tot het meest noordelijke punt van België; grenst aan Meerle (ten oosten), Minderhout (zuiden, zuidoosten), Loenhout (zuidwesten) en aan het Nederlandse Zundert (ten westen), Rijsbergen en Nieuw-Ginneken (ten noorden), zie de genummerde grenspalen van 1843 in conische gietijzeren vorm met wapenschilden en bekronend dropmotief bijvoorbeeld paal nummer 226 op kruising Vaalmoer/Maxburgdreef. Sinds 1/1/1977 grootste deelgemeente van Hoogstraten. Oppervlakte: 3799 hectare; inwoners: 3692 (31/12/1999).

Woondorp met sterk agrarisch karakter. Hoofdzakelijk land- en tuinbouwgebied, enerzijds gekenmerkt door weiden en akkerland, anderzijds door een gestadige groei van serrebouw; sporadisch nog kleine stroken loof- en naaldbos. Een groter bosgebied is het recreatiecentrum met vijver "De Mosten" ten noorden; twee domeinen aan de John Lijsenstraat vormen eveneens een aanzienlijke bos- en parkzone in het westen.

De belangrijkste natuurlijke waterloop is De Mark die het grondgebied doorkruist van zuid naar noord en op bepaalde plaatsen de grens vormt met Minderhout en Meerle. Het groots en landelijk decor van weilanden in het stroombekken van de Mark is uitgegroeid tot een druk wandel- en fietsgebied; sinds de rechttrekking van de Mark in 1977 over een afstand van circa 10 kilometer in het ruilverkavelingsgebied Minderhout-Meer-Meerle gingen echter heel wat waardevolle landschapselementen verloren; in dit gebied is De Mark in de eerste plaats een afwateringskanaal geworden, op sommige plaatsen resten nog antropogeen afgesneden meanders als relicten van de oude bedding.

Sedert 1/1/1972 wordt de gemeente tevens van zuid naar noord doorsneden door de autosnelweg E 19. Waar deze Europese verkeersader de grens overschrijdt heeft zich een ruime transportzone ontwikkeld met expeditieburelen en een douanepost. Enerzijds zorgde dit voor een ontsluiting van het gebied en nieuwe tewerkstelling; anderzijds is vanwege het zware vrachtvervoer de rust in de dorpskern voorgoed verdwenen. De geplande HST-lijn naast de E 19 is bedoeld voor doorgaand verkeer en zal Meer enkel bijkomende geluidshinder bezorgen.

De schrijfwijze van de naam wisselde in de loop der tijd van Mera, Mere (1200), Merenam, Meere (1496, 1526), Meir(e) (vierde kwart 18de eeuw - eerste kwart 19de eeuw, eerste kwart 20ste eeuw) tot het huidige Meer (1836). De betekenis duidt op een waterrijk gebied, een moerassige laagte. Een verwijzing hiernaar is niet alleen de Mark, maar ook het ongewoon aantal beken en lopen die vermoedelijk van nut geweest zijn bij het droogleggen en het vruchtbaar maken van het gebied, zie De Beek, de Raamloop, Blauwputtenloop, Blankenaartloop, Moerkensloop, Meerloop, Wouwerloop, Leiloop, Witvenloop,...

Ten zuiden van de John Lijsenstraat, in het natuurgebied de Meirberg en de aanpalende zone langs de Kettingdreef, het Groot Meir, gebeurden belangrijke archeologische ontdekkingen, door vakspecialisten beschouwd als wereldberoemde vindplaatsen. De Meirberg vormt een laatste overblijfsel van de fossiele zandruggen die materiële getuigen bevatten van de prehistorische mens onder meer vuurstenen werktuigen, houtskoolconcentraties,... De opgegraven en bestudeerde neolithische Tjongervindplaats, bestaande uit drie sites, getuigt van menselijke activiteit in het mesolithicum of de midden steentijd (15000-3500 voor Christus). Een oppervlakteprospectie heeft aangetoond dat de bodem van het terrein nog meerdere sites bevat. Op het gehucht Hoogeind, in de nabije omgeving van Gaarshof nummer 3 werden paalsporen gevonden van een nederzetting uit de ijzertijd; sporadisch gevonden vertrappelde scherven in dezelfde regio verwijzen naar het La Tènetijdperk (470-57 voor Christus). Zeker is dat vanaf de Merovingische periode (5de - 10de eeuw) het Hoogeind in Meer opnieuw bewoond werd: bij uitzavelingswerken in 1948 werd tegenover Gaarshof nummer 20 een lage grote grafheuvel met een aantal Merovingische crematiegraven vernield.

Terwijl Hoogstraten en Wortel ontstonden als afsplitsingen van het moederdorp Vorsel, ontstond Meer, evenals Meerle en Minderhout, als onderdeel van het Land van Breda. Op het einde van de 12de eeuw was Meer een "allodium" in bezit van de familie van Meer. Vermoedelijk was dit geslacht nauw verbonden met de heren van Breda. Verschillend met een leenheerlijkheid is een "allodium" een onafhankelijk, zelfstandig vrijgoed waarvan de heer de volledige eigendom bezit en aan niemand hulde of trouw verschuldigd is. De oudste gekende heer is Wouter van Meer (circa 1160-vóór 1216?). De familie van Meer behield de heerlijkheid tot na het afsterven van de laatste uit het geslacht, Margaretha van Meer, in 1278. In de daaropvolgende decennia viel het dorp, samen met Meerle en Minderhout, in de handen van de heer van Hoogstraten, Jan I van Kuik: voor Meer zou dit plaatsgevonden hebben tussen 1278 en 1338. Als deel van het Land van Hoogstraten stond Meer achtereenvolgens onder de heren van Kuik (1303-1442) met een onderbreking in 1363-1381 door tussenkomst van Gerard III van Vorselaar, Frank van Borselen (1442-1470), Jasper van Culemborg (1470-1504), Elisabeth van Culemborg (1504-1516), de graven de Lalaing (1516-1709) en de hertogen van Salm-Salm (1740-1795). Nadat het Frans bewind komaf had gemaakt met de structuren en instellingen van het ancien régime (1794) bestond Meer als autonome gemeente binnen het departement van de twee Neten, voorloper van de provincie Antwerpen.

De buitenbank van Hoogstraten, vermoedelijk tot stand gekomen vóór 1349 en waarin schepenen zetelden van Meer, Meerle en Minderhout, vonniste volgens de "costuymen" (lokale gewoonterecht) van de hoofdbank van Zandhoven.

In de tweede helft van de 12de eeuw stichtte Wouter van Meer op zijn allodium een parochie en liet een kerk bouwen die hij met zijn eigen goederen begiftigde. Tevens beschikte hij over de tienden en het patronaatsrecht. Circa 1257 werden deze door zijn nazaten (Petrus van Meer) overgedragen aan de norbertijnen van de Antwerpse Sint-Michielsabdij. Tot 1826 bleef de kerk door de witheren bediend; dit wordt verduidelijkt door de arduinen gevelsteen in de noordelijke zijbeuk van parochiekerk. Tot 1559 ressorteerde Meer onder het bisdom Luik, vanaf 1559 onder het bisdom Antwerpen (vanaf 1571 onder de dekenij Breda; vanaf 1609 onder de dekenij Hoogstraten), sedert 1802 onder Mechelen en vanaf 1962 terug onder Antwerpen.

Buiten het eigenlijke dorpscentrum bevat Meer verschillende oude gehuchten onder meer Gestel, Ipenrooi, Werkhoven, Beek, Eind, Looi,... Het noordelijk gelegen Meersel-Dreef ligt deels op grondgebied Meer, deels op Meerle, zie de gemeente-inleiding Meerle.

Voortgaande op de Ferrariskaart (circa 1775) waren de krachtlijnen van het huidige dorp en zijn stratenpatroon toen reeds aanwezig. De eigenlijke dorpskern werd (en wordt) gevormd door de Donckstraat en Meerdorp met centraal de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Bezoeking. Kleinere woonkernen waren de voormelde gehuchten met als belangrijkste Beek, Gestel, Werkhoven en Eindmeer. Rondom deze kernen lagen omhaagde akkers. In de vallei van De Mark en zijn vertakkingen bevonden zich weiden, hooilanden en beemden. Op de overige (zand)gronden heerste overwegend heide met sporadisch plassen, moerassen en dennenbossen. Tot midden 19de eeuw bleef deze landschappelijke structuur nagenoeg onveranderd, zie de Vander Maelenkaart (circa 1854). In de loop van de 19de eeuw werd echter door betere technieken en een efficiëntere bemesting een deel van de heide in landbouwgrond omgezet. Een opvallend element op laatst genoemde kaart was de geplande verbinding Hoogstraten-Meer-Zundert, op Meers grondgebied de as Meerseweg-Meerdorp-John Lijsenstraat: circa midden 19de eeuw was de steenweg tot en met Meerdorp gerealiseerd; de verlenging tot Zundert werd in de tweede helft van de 19de eeuw verder uitgevoerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden tussen Maxburgdreef en de Nederlandse grens grote heidevelden ontgonnen onder meer voor de teelt van koolzaad.

Tot op vandaag concentreert de dichte bebouwing zich rond de dorpskom en de verschillende verbindingswegen namelijk de Meerseweg naar Minderhout, het begin van de Meerleseweg naar Meerle en van de John Lijsenstraat richting Zundert. Met uitzondering van de kerktoren, gaat de oudste, gaaf bewaarde bebouwing in het dorpscentrum terug tot de eerste helft van de 19de eeuw; verwijzingen naar of sporen van oudere kernen zijn zeer schaars. Voornamelijk Meerdorp en de Donckstraat tellen nog ettelijke typische dorpswoningen, daterend van de eerste helft van de 19de eeuw tot het eerste kwart van de 20ste eeuw en gaande van (boeren)arbeiderswoningen tot burgerhuizen. In Meerdorp zijn enkele gebouwen, meestal van het type woonwinkelhuis, café/hotel/restaurant sobere voorbeelden uit de interbellumperiode met kenmerkend(e) siermetselwerk, materialen, afgeronde onderdelen,... Invullingen in een banale architectuur uit de tweede helft van de 20ste eeuw bepalen voorts het beeld van de dorpsstraten. Rijkere bouwstijlen zoals het eclectisme, neostijlen, de "cottagestijl" zijn terug te vinden in enkele scholen (Donckstraat), de pastorie, maar vooral in herenhuizen uit de tweede helft van de 19de eeuw (Meerseweg) en een drietal kastelen met bijhorend domein uit de tweede helft van de 19de eeuw - eerste kwart van de 20ste eeuw (Maxburgdreef, John Lijsenstraat).

Het merendeel van de hoeven die midden 18de eeuw werden aangekocht door eerste hertog van Hoogstraten Niklaas Leopold van Salm-Salm, lagen op grondgebied Meer. Op de oude inplanting gelegen voornamelijk sterk gerestaureerde hoevecomplexen met behouden benaming herinneren nog aan deze "hertogse hoeves" onder meer de Mosthoeve (De Mosten nummer 4) en de achterin gelegen Rooimanshoeve, modo Rauwmoershoeve (Terbeeksestraat nummer 55). De meeste hoeven dateren van de periode van de eerste helft van de 19dee eeuw tot het eerste kwart van de 20ste eeuw; ook deze hebben inmiddels al enige wijzigingen of vernieuwingswerken ondergaan; enkel de inplanting of de -in groten getale bewaarde- typische schuurvolumes met oud gebinte refereren aan de vroegere hoevesite.

Op de Donkakker, ten westen van de dorpskom, werd door bouwmaatschappij "De Noorderkempen" begin jaren 1980 gestart met de bouw van een sociale woonwijk; een boszone ten noorden van "De Mosten", palend aan de Meerse Bergen, werd vanaf midden jaren 1960 verkaveld tot een riante villawijk.

De huidige moderne land- en tuinbouwbedrijven bewijzen dat het accent nu ligt op moderne veehouderij en fruitgroententeelt van aardbeien, tomaten, paprika's en komkommers, zowel in open lucht als in kassen. Binnen de "Veiling Hoogstraten" vormt afdeling Meer een aanzienlijke producent; te Meer zelf vinden nog steeds kleine veilingactiviteiten plaats; in de periode 1952-1999 bestond te Meer zelf de "Vrije Veiling", later "Veiling Meer en Omstreken" genaamd, een familiebedrijf dat fruitgroententeelt uit geheel de Noorderkempen aanvoerde en verhandelde.

Ook te Meer uit de Kempense volksdevotie zich in diverse, veelal recente boom- en staakkapellen, stenen kapellen en Mariagrotten. De interessantste met enige stijlkenmerken dateren uit circa midden 19de eeuw tot het tweede kwart van de 20ste eeuw.

Van het Meerse molenpatrimonium bleef quasi niets bewaard: langs de Meerseweg, op ongeveer een 50 meter achter woning nummer 22, werd in 1859 een stenen beltmolen als graan- en oliemolen opgericht waarvan de resterende romp verdween in 1964; langs Hoogeind, ongeveer ter hoogte van nummer 4, stond een standaardmolen, opgericht vóór 1830 -op een 17de-eeuwse tiendekaart was reeds een molen aangeduid- en verdwenen in 1927.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg Antwerpen, Cel Monumenten en Landschappen, archief, dossier A/0977.
  • CAHEN D., KEELEY L. en VAN NOTEN F., Un campement paléolithique en Belgique, in Pour la Science, nummer 32, 1980, p. 34-45.
  • DIRIKEN P., Toeristisch-recreatieve atlas van Antwerpen. De Kempen. Geogids Noorderkempen-West, sine loco, 1996, p. 35-38.
  • GRATIANUS P., Meir (in de Kempen), Brussel, 1912.
  • LEUNEN M., De Noordhoek, Retie, 1981, p. 121-195.
  • Monumentenwandeling Meer, brochure, sine loco, 1992.
  • MUËSEN G., Meerle en het Land van Hoogstraten in de Middeleeuwen, in Jaarboek van Koninklijk Hoogstraatse Oudheidkundige Kring, LI, 1996.

Bron     : De Sadeleer S. & Plomteux G. 2002: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Turnhout, Kanton Hoogstraten,  Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 16N4, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Plomteux, Greet
Datum  : 2002


Relaties