Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Sint-Baafsabdij (ID: 19148)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Nr. 1. Z.g. "St.-Baafsabdij", thans "Museum voor Stenen Voorwerpen". Ten W. van de voormalige Gallo-Romeinse vicus "Ganda" of het Romeinse Castellum (cf. archeologische opgravingen), nl. aan de samenvloeiing van Leie en Schelde, zou de H. Amandus tussen 630 en 639 een St.-Petruskerk en een religieuze gemeenschap gesticht hebben, te identificeren met het Gandaklooster, vanaf 864 St.-Baafsabdij genoemd naar de H. Bavo, gestorven in de abdij in 653. Rond de abdij ontwikkelde zich het afhankelijke St.-Baafsdorp of de St.-Baafsstede. Een gelijkaardige ontwikkeling deed zich voor bij de St.-Pietersabdij, de tweede Gentse abdij in opdracht van de H. Amandus gesticht.

Verwoest door brand en plunderingen tijdens de invallen van de Noormannen in 851 en 879-883. Door de monniken volledig in puin achergelaten tot X A. Wederopbouw van 940 af onder stimulans van graaf Arnulf de Grote die Gerardus van Brogne belastte met de hervorming tot benedictijnerabdij. Grootste bouwcampagne in XII B. Heropbloei onder abt Raphaël de Mercatel door verfraaiings- en aanpassingswerken ca. 1495, o.m. de kruisgang. Onder paus Paulus III werden de monniken in 1536 geseculariseerd en overgebracht naar een nieuw kapittel aan de St.-Janskerk, vanaf dan St.-Baafskathedraal genoemd.

Opnieuw gedeeltelijk gesloopt op bevel van Keizer Karel in 1540 voor het bouwen van een citadel of dwangburcht, het z.g. "Spanjaardkasteel", voltooid in 1545. Deze citadel, gebouwd n.o.v. Donato Buoni di Pellozuoli, vertoonde, naar model van het oude Italiaanse type, een vierhoekige plattegrond op de hoeken versterkt met bastions. Gebouwd op een gedeelte der gronden van het St.-Baafsdorp (eertijds afgesloten met twee poorten) palmde het Spanjaardkasteel de abdij en omliggende straten volledig in waardoor enkele belangrijke abdijgebouwen verloren gingen. Reeds vanaf 1577 was de citadel het slachtoffer van talrijke belegeringen en aanpassings- en verbouwingswerken. Totale vernieling van de kerk door de calvinisten in 1581.

Tot ca. 1830 kazerne, nadien ontmanteling en afbraak van de citadel; herontdekking van de oude abdij en besluit tot conservatie van de ruïnes. Sinds 1882 Museum voor Stenen Voorwerpen, bekend om zijn rijke verzameling grafzerken en architectonische getuigenissen van gesloopte monumenten te Gent.

De inplanting der abdijgebouwen volgt grotendeels het eenvoudige grondplan van een benedictijnerabdij uit de vroege middeleeuwen: een ommuurd domein met een grote toegangspoort aan de O.-zijde (verdwenen), een grote abdij kerk met ten N. aanleunende kloostergang waarrond de voornaamste gebouwen gegroepeerd zijn: ten O. de kapittelzaal en dormitorium, ten N. refter en keuken met voorraadkamers, ten W. de gebouwen van de lekebroeders, in de kloosterhof het lavatorium en tenslotte buiten de abdij enkele losstaande dienstgebouwen en een waterput.

Thans met uitzondering van de gerestaureerde N.-vleugel grotendeels in puin of verdwenen. Behalve uitdrukkelijk vermeld zijn alle gebouwen opgetrokken uit Doornikse steen, aangevoerd langs de nabijgelegen Schelde. Voorts ook gebruik van tufsteen en later verwerking van zandsteen.

Abdijkerk In tegenstelling tot de gebruikelijke aanleg van de benedictijnerabdij gelegen ten Z. van het complex gebouw.

De opgravingen van Prof. Dr. F. De Smidt begonnen in de jaren 1940, legden de fundamenten van de kerk bloot, onder de Gandastraat en het Slachthuis, en verschaften belangrijke informatie omtrent de oriëntatie, juiste afmetingen en het uitzicht van de kerk.

De eerste, Karolingische kerk werd in IX nagenoeg volledig vernield en vervangen door een karakteristieke vijfbeukige romaanse abdijkerk met dubbele buitenkrocht, opgetrokken tijdens vijf bouwcampagnes. Aanvang van de bouw met het koor en transept, begonnen in 985 en voltooid voor het einde der eeuw. Tijdens de tweede bouwcampagne in XI werd het schip opgericht, inwijding in 1067. Nadien volgden kruisingtoren en buitenkrocht ingewijd in 1148 en tenslotte het W.-blok, begonnen in 1138 doch grotendeels XII B te dateren en slechts voltooid in XIII. De gehele kerk werd in XIII reeds aangepast in gotische stijl, waarbij de twee zijbeuken vervangen werden door een brede zijbeuk. Bewaarde N.-zijmuur (XI), eertijds verbonden met kloosterhof door de aanleunende kruisgang, waarvan sporen van de spitsboogarcade in de buitenmuur.

Boven de spitsboogarcade veertien trav. met rondboogvensters. Jongere bovenverd. deels van baksteen. Twee deuren verleenden vanuit de kruisgang toegang tot de kerk: deze in de meest O.-trav. werd in XIII (B?) vervangen door een nog bestaand typisch Doorniks portaal, de andere deur is gedicht. Aan de binnenzijde typische rondboogarcade als gevelversiering, een deel der gordelbogen en de geboorten van de graatgewelven bleven behouden. Gedeeltelijk bewaarde N.-uiteinde van de W.-muur van de N.-transeptarm van Doornikse steen daterend uit X. Recent opgegraven funderingen van het W.-blok te bezichtigen.

Kloostergang Kruisgang rondom grote vierhoekige kloosterhof met de waterput van de abdij, in XVI en XVII gebruikt als begraafplaats. Resten van de romaanse kruisgang, opklimmend tot ca. 1177, in de O.-vleugel: nl. een behouden deelzuiltje en gekoppelde zuiltjes aan de toegang tot het lavatorium. 0.l.v. abt Mercatel in 1494-95 bouw van een gesloten laat-gotische kloostergang, hersteld in 1671-75. Naast de behouden fundamenten bleven in de O.-vleugel twee trav. bewaard en drie werden in 1839 gereconstrueerd o.l.v. A. Van Lokeren; eveneens reconstructie met oorspronkelijk materiaal van één trav. in de N.-vleugel. Gedrukte spitsboogarcade overwelfd met laat-gotisch kruisribgewelf rustend op gehistorieerde consoles. Voorts bemerkt men de sporen van de spitsboogarcade met in de zwikken de op een na behouden consoles en aanzetten van de gordelbogen of ribben.

O.-vleugel Merkwaardige kapittelzaal (3), vlg. Van Lokeren "crypte van de H. Maria". Het visgraatverband duidt op een X-kern, gedeeltelijke wederopbouw op vierkante plattegrond in XII, verfraaiingswerken in XIII b. Driebeukige ruimte van drie trav. oorspronkelijk met kruisribgewelf. De W.-muur vertoont de sporen van de oudere rondboogvormige muuropeningen; thans prachtig uitgewerkte ingang en flankerende vensters: nl. rondbogen met spits- of rondboogvormige tweelichten met deelzuiltje in typisch Doornikse overgangsstijl, vermoedelijk uit XIII a-b. Eén der vensters is dicht gemetseld.

Drie gedichte gotische vensters (XV) in de O.-gevel, voorzien van bakstenen bovenbouw met gedichte rechth. vensters en aan de straatzijde versterkt door steunberen. N. en W.-muur voorzien van dito spitsboogvenster in het uitspringende gedeelte. Zoals gebruikelijk bevindt zich een stenen bank rondom de zaal. Deels bewaarde bundelpijlers en halfzuilen.

Het dormitorium op de bovenverd. bewaart alleen de buitenmuren met eenvoudige rondboogvensters in de W.gevel, en typisch uitgewerkt tweelicht met Doorniks deelzuiltje in de straatgevel. R. van de kapittelzaal resterende muren van de sacristie (4), uit X(?), wederopbouw in XVIII vnl. van baksteen, cf. gedichte deur met ovaal bovenlicht. Palend aan het andere uiteinde van de kapittelzaal drie kleinere vertrekken, gewoonlijk vermeld als spreekplaats (5), gang (6) en trap (7) naar dormitorium, vermoedelijk in kern opklimmend tot X. De spreekplaats, voor het ogenblik ontoegankelijk, bezit rondboogvenstertjes in de W.-gevel uit XIII A.

In de N.O.-hoek treft men de z.g. kelder (8), doch eerder de gelijkvloerse verd. op het oude straatniveau van een gebouw dat door de sporen van het visgraatverband midden X te dateren is, ook wel eens beschouwd als de oude refter; aanpassingen en wederopbouw in XII A. Zou vanaf begin XIV voorraadkelder zijn. Vnl. romaanse XII-rondboogvensters in de grotendeels gewijzigde muren (cf. ook sporen in de N. buitenmuur). De drie aangepaste en gedichte spitsboogvensters in de N.muur zijn vermoedelijk uit XIII A. Fraai venster met deelzuiltje voorzien van Doorniks kapiteel op de bovenverd. (oorspronkelijke bestemming onbekend, later gebruikt als graanzolder). Drie zuilen en een pijler van Doornikse steen (XIII ?) dragen de resten van het vroegere bakstenen gewelf.

N.-vleugel Rechth. gebouw onder zadeldak (leien), daterend van ca. 1180, bovenverd. (refter) gerestaureerd o.l.v. Charles Van Rysselberghe in 1896. De begane grond vormt een gesloten blok aan de tuinzijde voorzien van enkele deuren.

Een gang (9) in de N.-O.-hoek als verbinding van het kloosterhof met erbuiten gelegen kloostergebouwen. De gotische deur (N.-gevel) werd in 1495 onder abt Mercatel aangebracht en is thans gedicht.

Ernaast bevindt zich de z.g. gotische zaal (10), aangepast in 1495 onder abt Mercatel. Overkluisd met kruisribgewelf van bak- en zandsteen op een herbruikte zuil (XIII A) uit XV. Stenen bank tegen de W.-muur. Na sluiting van de gang gebruikt als ontvangstzaal.

Twee romaanse zalen (11) van vier trav. verdeeld in twee beuken door drie zeilen op achtkantige basis en van elkaar gescheiden door gotische gang (12). Enkel in de N.-muur verlicht d.m.v. smalle openingen, een soort schietgaten.

Ernaast bevinden zich nog een trap (13) en de benedenverd. van de keuken (14). Op de bovenverd. van de N.-vleugel: refter en keuken. De refter, met afmetingen van 41 x 10,S0 m de grootste in België, wordt van 1540 tot 1584 gebruikt als arsenaal, van 1589 tot XVIII kapel van het Spanjaardkasteel en van 1834 tot 1882 parochiekerk St.-Macharius. Thans o.m. expositieruimte voor grafstenen. Daterend uit eind XII, in XVI d overkluisd met een houten tongewelf.

Veertien trav. met eenvoudige rondboogvensters, gerestaureerd in XIX d. Ingebouwde leesstoel in de tiende trav. De zijpuntgevels, voormalige trapgevels, van drie trav. werden samen met het nieuwe gebint aangepast en verhoogd met baksteen in XVI. In de O.gevel sporen van de oorspronkelijke XII-muurschilderingen met H. figuren (restauratie aan de gang). Naast de refter herinneren slechts vijf romaanse rondbogen (XIII) in de Z.-muur aan de voormalige keuken.

W.-vleugel Voormalige gebouwen van de lekebroeders. Thans grotendeels ruïne met bewaarde pandmuur uit XI en fundamenten. Gedeelte van het gebouw ten Z. van de keuken bewaard: vermoedelijk doorgang, d.m.v. rondboogvormige openingen (gereconstrueerd) leidend naar de kruisgang. In het midden eertijds een grote zaal, vermoedelijk de refter der lekebroeders, toegankelijk langs een rondboogdeur gecantonneerd door gelijkaardige vensters, afgewerkt met zuiltjes, en waarschijnlijk XII te dateren. Ernaast bevond zich een kleinere zaal met pijlers waarvan de fundamenten zijn teruggevonden (schatkamer?). In de Z.W.-hoek van de kloosterhof bereikte men eertijds via het nog bewaarde fraaie rondboogdeurtje met trap de tribune in de kerk; typisch Doornikse stijl uit XII: rechtstanden geflankeerd door zuiltjes met gekoppelde basissen en kapitelen.

Lavatorium. Ten O. van de binnenplaats; verbonden met de kapittelzaal door de kruisgang. Uniek gebouwtje op achthoekige plattegrond met twee bouwl. daterend van ca. 1171, vanaf 1634 St.-Machariuskapel. Op de bovenverd. bevond zich een sanctuarium, ingewijd in 1179, toegankelijk langs het dormitorium en sedert eind XV voorzien van een trap (niet toegankelijk). De begane grond wordt geritmeerd door rondbogen; de bovenverd. vertoont eveneens rondboogvensters en een klaverbladvormig venster in de gevel gericht naar de kloosterhof. De benedenverd. is overkluisd met een geribd koepelgewelf van Doornikse steen rustend op kleine halfzuiltjes gedragen door zandstenen consooltjes waarin figuren verwerkt zijn en die zouden toegevoegd zijn in XIV. Sporen van XVII-fresco's. Het stenen altaar en de gedenksteen werden geschonken door kanunnik Triest die de kapel in 1635 liet herstellen. Het huidige platdak dateert van 1836.

Put van St.-Macharius. Fraaie XVI-bekroning van waterput opgetrokken uit Balegemse steen onder een tentdakje (leien); vanaf 1634 beschouwd als de wonderdoende put van St.-Macharius tegen pest en koorts. Oorspronkelijk stond de put ten N. van de abdij op de plaats van de huidige St.-Machariuskerk. Afgeschaft in 1859 en vervangen door een pomp; overgebracht naar zijn huidige plaats ten W. van de kloostertuin in 1898.

Brouwerij. Gelegen buiten het museum, op de hoek van Buitenhof met Prooststraat. Opgetrokken in XII uit Doornikse steen. Brouwerij tot XVIII. Oorspronkelijk romaans gebouw van twee bouwl., thans door het verhoogd straatniveau slechts één bouwl. hoog met rondboogvensters. Gebouw aangepast en gevels gecementeerd in 1844. XIX-historiek zie Buitenhof.

Z.g. "Hoge Huis", Prooststraat. Zeer oud breed gebouw, in 1796 ingericht als woning voor de gouverneur van de vesting. Sporen van het oudere gebouw (vermoedelijk opklimmend tot XIII) in de hoge plint van Doornikse steen met versnijding. Heden vnl. XVI- en XVIII-elementen. Bakstenen bovenbouw van in totaal achttien trav. met rechth. vensters met vnl. XVIII-uitzicht. R. deel, bestaande uit dertien trav. gevat tussen gekoppelde pilasters met Toscaans kapiteel en geaccentueerd door een middenrisaliet van drie trav. eveneens afgelijnd door gekoppelde pilasters en bekroond met een driehoekig fronton; middentrav. voorzien van oorlogsmonument .geschonken door G. Taelman, deken van het Spaans Kasteel". L. deel: vermoedelijk een XIX-verbouwing van een oudere kern. Haakse aanbouw, zij-en achtergevel vnl. XVI te dateren met oudere sporen. R. zijgevel met sporen van vroegere muuropeningen, speklagen en muurvlechtingen.

Interieur. Vlg. Heins diverse elementen uit het interieur bewaard zoals XVI-schouwen, XVIII-trap en romaanse overwelfde kelder, voorheen vermoedelijk de gelijkvloerse verd.

  • S.A.G., Atlas Goetghebuer, F.13/D.9, D.10, D.11; F.14/D.12.
  • BERGMANS P., Les ruines de l'abbaye de St.-Bavon à Gand, Gand, 1908.
  • CASIER J., Ruines de l'abbaye Saint-Bavon, Gand, Guide illustre, Gand, p. 35-45.
  • DE BUSSCHER E., Les ruines de l'abbaye de St.-Bavon à Gand, Gand, 1853.
  • DE SMIDT F., Opgravingen in de Sint-Baafsabdij te Gent: de abdijkerk, Gent, 1956.
  • HEINS A., Un vieux bâtiment, peu connu ayant fait partie de l'abbaye de St.-Bavon, Bulletijn der Maatschappij van Geschied- en Oudheidkunde, 1910, p. 451-456.
  • NINANE L., L'abbaye de Saint-Bavon à Gand, Brugge, 1930.
  • VAN DEN KERKHOVE A., Museum voor stenen voorwerpen: ruines van de Sint-Baafsabdij (gids voor de bezoekers), Gent, 1973.
  • VAN HEMELRIJCK M., De Vlaamse Krijgsbouwkunde, Tielt, 1950, p. 141-145.
  • VAN LOKEREN A., Histoire de l'abbaye de Saint-Bavon et de la crypte de Saint-Jean à Gand, Gand, 1855.
  • VAN WERVEKE A., Bouwvallen van Sint-Baafsabdij en Museum voor Steenen Voorwerpen, Gent, 1912.
  • VERHULST A., Over de stichting en de vroegste geschiedenis van de St.-Pieters- en de Sint-Baafsabdijen te Gent, Handelingen der Maatschappij van Geschied- en Oudheidkunde te Gent, Gent, nieuwe reeks, deel VII, 1953, p. 3-53.
  • VOET L., Over de stichting en de vroegste geschiedenis van de Sint-Pieters en de Sint-Baafsabdijen te Gent, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis- en Oudheidkunde te Gent, Gent, I, 1944, p. 81-126.

Bron: Bogaert C., Lanclus K. & Verbeeck M. met medewerking van Linters A. 1979: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent,  Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4NB N-O, Brussel - Gent.

Relaties