erfgoedobject

Kasteeldomeinen Gruuthuyse, De Cellen, Erkegem en Kampveld

landschappelijk geheel
ID: 135401   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135401

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het gebied ‘Kastelen Gruuthuyse-De Cellen-Erkegem en Kampveld’ wordt gekarakteriseerd door het vertakte benedenstroomse valleigebied van de Rivierbeek, inclusief de Waardammebeek en Hertsbergebeek, waarvan de beddingen een opvallend sterke meanderstructuur vertonen. Een viertal kastelen, met vaak uitgestrekte parken en voormalige domeingoederen, zijn verscholen ingeplant op de valleiflanken. In het licht verheven samenvloeiingsgebied van de Waardammebeek en de Hertsbergebeek tekent zich het ontginningslandschap van Kampveld-Papevijvers af, met een afwisselende structuur van akkers, jonge bossen en enkele graslanden, doorkruist met een dambordvormig drevenpatroon.

Fysische geografie

Reliëf en geologie

Het landschap wordt grotendeels bepaald door een resterend erosiereliëf dat in hoofdzaak tot stand is gekomen in het midden- en jong-pleistoceen, toen de diestiaan-zee zich in deze streken naar het noord-noordoosten heeft teruggetrokken. De vorming ervan is ontstaan uit een langdurig erosieproces waarbij eerder door de zee afgezette en zacht naar het noorden hellende lagen, afhankelijk van hun bestendigheid ten aanzien van weers- en afspoelingsfactoren, in reliëf werden geplaatst. De Rivierbeekvallei vormt hierbij een diepe, thans opgevulde glaciale insnijding (10-15 meter) in het tertiaire reliëfoppervlak. De ondiepe tertiaire substraten (5-10 meter) binnen het gebied betreffen in hoofdzaak kleiige, glauconiet- en glimmerhoudende zandlagen uit het Lid van Beernem (Formatie van Aalter), plaatselijk afgewisseld met veldsteenbanken die uitzonderlijk dagzomen. In het noorden wordt deze geologische eenheid plaatselijk afgedekt door lagen van fijn zand uit het Lid van Oedelem (Formatie van Aalter), lokaal met aanwezigheid van schelpfossielen. Deze grondlagen rusten vervolgens op een dikke en gedeeltelijk watervoerende basis van fijne, respectievelijk zeer fijne zanden uit de Leden van Vlierzele en Pittem (Formatie van Gent). Het diepere tertiaire substraat (15 meter) bestaat dan weer uit meer kleiige lagen uit het onderliggende Lid van Merelbeke (Formatie van Gent) opgevolgd door lagen van fijn zand, afgewisseld met dunne kleilagen uit de Formatie van Tielt. Al deze lagen hellen af in noord-noordoostelijke richting. Het watervoerende karakter van de relatief ondiepe tertiaire lagen uit de Leden van Vlierzele en Pittem zorgt voor een zekere grondwaterstroming vanuit het zuidwesten naar de depressie van het Kanaal Gent-Oostende toe.

Bodem

Bovenop het reliëf dat ingesneden is in de afwisselend zandige en kleiige ondergrond, is tijdens de ijstijden van het quartair (vooral tijdens de laatste ijstijd, circa 50.000 tot 10.000 jaar geleden) en onder invloed van belangrijke stofstormen met aanvoer van grote hoeveelheden löss, zandige löss en fijn zand, een gevarieerde bodemtextuur tot ontwikkeling gekomen. In het gebied 'Kastelen Gruuthuyse-De Cellen-Erkegem en Kampveld' komen overwegend matig natte tot matig droge bodems voor, waarbij de zand- en lemige zandgronden domineren. In de diepste valleigedeelten en in enkele depressies, komen natte tot zeer natte kleigronden en licht zandlemige tot lemige zandgronden zonder profielontwikkeling voor, lokaal ook met bijmenging van veen. In de hogere valleiovergangsgebieden komen matig natte tot droge zand- en lemige zandgronden voor met ofwel verbrokkelde ofwel intacte bodemhorizonten, soms met kleiig-zandige substraatvorming. Op de zuidwestelijke valleiflank van de Waardammebeek komen natte lemig zandgronden voor met verweringskenmerken, waarop tevens lokale kwelactiviteit wordt waargenomen.

Hydrografie

De waterlopen behoren tot het benedenstroomse gedeelte van het hydrografisch bekken van de Rivierbeek. Het mondingsgebied van de Rivierbeek situeert zich thans ter hoogte van Moerbrugge in de sterk vergraven valleistructuur van de historische Zuidleie, een oorspronkelijke bovenloop van de Reie. Deze valleistructuur wordt in een ruimer verband ook aangeduid als de Kanaaldepressie, waarbinnen eerst het Zuidervaartje en later het Kanaal Gent-Oostende zijn gegraven. De Dalevijverbeek en de Listebeek, beiden voormalige zijwaterlopen van de Rivierbeek, zijn kunstmatig omgeleid en wateren thans via het Zuidervaartje af in noordelijke richting. De Jonkheresbeek behoort eveneens tot de valleistructuur van de historische Zuidleie. Het afvoerdebiet van de Rivierbeek naar het Kanaal Gent-Oostende wordt bepaald door een uitwateringsconstructie. De Waardammebeek, Hertsbergebeek en Rivierbeek bezitten nog een goede tot vrij goede structuurkwaliteit met een sterke meanderingsgraad, een gevarieerd stroomkuilenpatroon in de bodem van de waterloop en een aanwezigheid van holle oevers, waarin zich spontane erosie- en sedimentatieprocessen met oeverwalvorming afspelen. Slechts op een beperkt aantal plaatsen is de oever gefixeerd door middel van schanskorven. Enkel in het laatste stroomafwaartse deel vertoont de Rivierbeek een slechte structuurkwaliteit met gekalibreerde beekloop en bedijkte oeverstructuren. De structuurkwaliteiten van de omgeleide Dalevijverbeek en Listebeek alsook van het Zuidervaartje zijn matig tot zwak.

Fauna en Flora

Het gebied omvat een rijk geschakeerd cultuurlandschap met bossen, parkbossen, kapvlakten, aanplanten, graslanden, bermen, struwelen, zomen, dreefbeplantingen en kleine landschapselementen gebonden aan huiskavels, wegen, dijken, enzovoort. Hierbinnen komen spontane natuurfragmenten voor met corresponderende ecotooptypes. De biologisch meest waardevolle ecotooptypes situeren zich bij de natte beekdalbosvegetaties, bestaande uit alluviaal essen-olmenbos met kenmerkend voorjaarsaspect en fragmentair essen-vogelkersbos, vaak aansluitend bij de Rivierbeekvertakkingen. Binnen de domeingoederen van kasteelparken zijn de bossen vaak ingeplant met cultuurpopulier of met moerascipres, sikkelcipres, moeraseik, fijnspar,… Op de hogere gronden komen enkele drogere en meer zure eiken- en beukenbossen voor, alsook enkele naaldhoutbestanden of mengvormen tussen beide. Lokaal komen ook kapvlaktes voor waarin regeneratie van droge heidevegetaties wordt beoogd. Op nog andere plaatsen zijn recente initiatieven genomen rond bosontwikkeling, vaak op voormalig akkerland, elders ook in graslandkernen. De echte parkbosgedeelten, met aanplanten van talrijke parkboomsoorten en heestermassieven in parkbosranden, graslanden en tuinruimten, dragen geen eenduidige bosvegetaties. Soms komen ook bijzondere collecties aan zeldzame parkboomsoorten voor. Lokaal komen typerende stinsenmilieus voor. In de kasteelparken van Gruuthuyse en Rooiveld komen ook boomweides voor. De bossen en parkbossen vormen een geschikt biotoop voor andere diergroepen, waaronder dag- en nachtroofvogels, zangvogels, kleine zoogdieren en dagvlinders. De grillige parkvijvers bij de kastelen De Cellen en De Herten of Erkegem en bij het landhuis Rooiveld vormen een waardevol ecotooptype als open water en zijn interessant als foerageergebied voor vleermuizen, waarbij de aanwezige ijs- en bewaarkelders fungeren als geschikte overwinteringsplaats. Buiten de (park)bossen zijn de ecotooptypes minder gevarieerd. Niettemin vertonen de valleigraslanden langs van de Hertsbergebeek en Waardammebeek wel nog duidelijke natuurfragmenten, bijvoorbeeld onder de vorm van microreliëf (oeverwalstructuren), kwelplekken, grachten en enkele veedrinkpoelen. Deze karakteristieken komen enkel voor bij historisch permanent grasland (graasweide of lokaal soms hooiweide) en zijn onder meer van belang voor amfibieën en watergebonden insecten. In het stroomgebied van de Rivierbeek wordt plaatselijk ook nog een bijzondere populatie bolgewassen aangetroffen, die zich via natuurlijke overstromingen op zandige oeverwalafzettingen verspreiden. Lijnvormige elementen komen voor onder de vorm van opgaande bomenrijen met beuk, eik en populier, onder meer als dreefstructuren in en rond het jonge veldontginningslandschap van Kampveld-Papevijvers, binnen de verspreide parkdomeinen of langsheen de dijken van het Kanaal Gent-Oostende en als knotbomenrijen in de valleistructuren van de Waardammebeek-Hertsbergebeek en de historische Zuidleie. Langs de sterk meanderende vertakkingen van de Rivierbeek komen ook talrijke houtige oeverbegroeiingen voor met es, els en wilg. De grazige vegetaties van bermen, dijken, paden en dreefzomen zijn divers en variëren van matig voedselrijke tot voedselarme, lokaal zelfs heischrale types. Bij de verspreide hoeves en overige landelijke bebouwing tenslotte komen ook hagen, hoogstamboomgaarden, houtkanten en knotbomenrijen voor.

Cultuurhistorie

Vroege bewoning en eerste nederzettingen

De vroegste menselijke aanwezigheid in dit gebied gaat ver terug, met een voor de regio belangrijke reeks van gekende sporen die naar datering kunnen variëren van het neolithicum (5.300-2.000 jaar voor Christus), tot de metaaltijden (2.000–57 jaar voor Christus), de Romeinse tijd (57 jaar voor Christus–5de eeuw) en de middeleeuwen. De belangrijkste gekende vindplaatsen zijn gesitueerd op oude bouwlandlocaties nabij Rooiveld en Papevijvers, aansluitend bij de beekvalleien van de Waardammebeek en de Hertsbergebeek. Het betreffen onder meer sporenclusters van begraving (grafheuvels), erfbegrenzingen en percelering, gedetecteerd via luchtfotografische prospectie en enkele zeldzame oppervlaktevondsten. Rekening houdend met de recent vastgestelde sporen van structurele neolithische bewoning in de nabijheid van Waardamme (in casu site Vijvers nabij Stokhovenstraat), wordt aan de omgevingen van Rooiveld en Papevijvers een uitzonderlijk hoog archeologisch potentieel toegewezen. Ook in de nabijheid van het Kanaal Gent-Oostende is vroege menselijke aanwezigheid vastgesteld, met onder meer een tweetal circulaire structuren, als mogelijke relicten van grafheuvels uit de bronstijd (2.000-800 jaar voor Christus), alsook enkele vermoedelijke restanten van perceelsgrenzen en erfbegrenzingen, mogelijk deel uitmakend van een ruimere nederzetting gekend als ‘’t Zwarte Gat’, daterend uit de ijzertijd (800–57 jaar voor Christus) of de Romeinse periode. De nederzetting Erkegem, eindigend op het Germaanse –heim toponiem, grenst onmiddellijk ten oosten aan het gebied, is meer dan waarschijnlijkheid van vroegmiddeleeuwse oorsprong en kan teruggaan op een woonplaats van een lokale gemeenschap. De vroegste vermelding is gesitueerd rond de tweede helft van de 10de eeuw, in de periode waarin ook de kerk van de dorpsnederzetting Oostkamp, wellicht afgeleid van Orscamp, wordt vermeld in een schenking van het Brugse kapittel van Sint-Donaas.

Bodemgebruik en ontginning

In historisch-geografisch opzicht kan het gebied beschouwd worden als een ontginningslandschap met hybride kenmerken van zowel vroege als recentere occupatiepatronen. De oudere kenmerken met historisch open bouwland uit een middeleeuwse ontginningfase situeren zich voornamelijk noordwestwaarts van de kasteelsite Gruuthuyse, ter hoogte van de Hoeve Joyeuse Pensée en ook ter hoogte van de Hoeve Nieuwenhove. Daartegenover blijkt het kerngebied met het huidige kasteeldomein minstens sinds de late middeleeuwen met een historisch permanent bosareaal overeen te stemmen, dat slechts vleksgewijze en in diverse tussenfasen in ontginning is genomen. Van dit areaal is bekend dat het kan vereenzelvigd worden met het jachtpark of warande van de Heren van Gruuthuse. Het uitgestrekte bosareaal is als dusdanig aangegeven op de Grote Kaart van het Brugse Vrije door P. Pourbus uit 1571 (copie uit 1601 door P. Claeissens). Ook op de kaart van de Ferraris (1771-1778) is nog een omvangrijk bosareaal of ‘B(oi)s Warande’ waar te nemen, waarin reeds enkele voorname dreefassen, met name de Hogedreef/Kasteeldreef, de Claerdreef/Nieuwenhovedreef/Hertendreef en de Portaaldreef/Klaverdreef, alsook de Daledreef blijken aangelegd. Het volledige zuidelijke deel van het gebied, rond Kampveld-Papevijvers vertoont dan weer duidelijk jongere ontginningskenmerken. Naar analogie met de ontginningsgeschiedenis van de meeste Noord-Vlaamse wastines bleven deze veldgebieden tot na het einde van de 18de eeuw buiten het eigenlijke landbouwareaal gelegen. Het geregeld afbranden, afsteken van zoden ruwe humus en het laten grazen van vee waren er de oorzaak van dat regeneratie van het oorspronkelijke bos beperkt bleef. Als niet ontgonnen gronden waren de ‘velden’ in deze regio oorspronkelijk eigendom van de Graaf van Vlaanderen waarop de dorpsgemeenschappen uit de omgeving gemeenschappelijke gebruiksrechten (bijvoorbeeld begrazing, houtsprokkeling, turfwinning…) konden laten gelden. Ten gevolge van de bevolkingsaangroei werden de Noord-Vlaamse veldgebieden op grote schaal voor ontginning prijsgegeven vanaf de 13de eeuw. Het waren kapitaalkrachtige instellingen zoals abdijen en stedelijke hospitalen die aanvankelijk poogden deze onvruchtbare gronden te ontginnen. De meeste ontginningen faalden echter omwille van het marginale karakter van de zandgronden en mede door de agrarische depressie die de late middeleeuwen kenmerkt. Wellicht verwijst het toponiem Papevijvers nabij het Kampveld naar middeleeuwse ontginningsactiviteiten van kloosterlingen, waarbij mogelijk veldsteen werd gedolven of visteelt werd beoogd. Enkele onregelmatige perceelsstructuren zouden nog als relict verwijzen naar deze voormalige veldvijvers. Onder invloed van het Oostenrijkse bewind deed zich een totaal andere aanpak voor in de 18de eeuw. Uit vrees voor een nijpend houttekort in Vlaanderen werden de ‘velden’ met speculatieve doeleinden op een systematische wijze verkaveld en omgezet tot bos of –eerder uitzonderlijk- tot akkerland. Deze ontginningen waren vaak het initiatief van nieuwe grootgrondbezitters. Ook de overheid, aanvankelijk onder Frans en later ook onder Hollands bewind, voerde hierbij een stimuleringspolitiek waarbij aan ontginningscampagnes belastingvoordelen werden toegekend. Aanvankelijk werd veelal loofhout aangeplant, terwijl later (eerste helft 19de eeuw) meer werd overgeschakeld op naaldhout omdat het door zijn snellere groei een snellere recuperatie toeliet van het geïnvesteerde kapitaal. Vanaf het midden van de 19de eeuw, toen de plattelandsbevolking bleef stijgen en het kleinbedrijf toonaangevend was in de landbouw, werd een aanvang gemaakt met het plaatselijk ontginnen van de tot bos omgezette ‘velden’. Dit proces zette zich versterkt door toen op het einde van de 19de eeuw de kunstmest ter beschikking stond. Het omzetten van bos tot bouwland gebeurde op de meeste plaatsen met behoud van het 18de-eeuwse verkavelingspatroon. Hierdoor tekent het jonge ontginningslandschap van het Kampveld-Papevijvers zich in het actuele landschap af door een dambordvormig patroon van eiken- en beukendreven, en door restanten van regelmatig geperceleerde naaldhoutaanplantingen. Ook in het oudere ontginningslandschap rond de Hoeve Joyeuse Pensée zijn recentere ontginningssporen ingeschoven. In tegenstelling tot het Kampveld-Papevijvers worden hier eerder populierendreven waargenomen.

Bewoning en bedrijvigheid

De oudste vaste bewoningkern binnen het gebied vormt wellicht het huidige kasteel van Gruuthuyse, teruggaand op een oud domein uit de 12de eeuw dat, als eigendom van de graafgezinde Lodewijk van Brugge, Heer van Gruuthuse, een hoogtepunt kende omstreeks 1470-1480. Mogelijk is zowel de inplanting als de naamgeving van het kasteel nabij de Rivierbeek destijds bepaald in functie van transport van gagel op deze belangrijke waterloop. Gagel (Myrica gale) was het vroegere regionaal basisbestanddeel voor de aanmaak van kruidenmengsels of ‘gru(y)t’, als aromatiserende toepassing bij het brouwen van bier. De Heren van Gruuthuse zouden in de 14de eeuw het monopolie op het gebruik van kruidenmengsels of ‘gruut’ hebben bezeten en zelf gemachtigd zijn geweest tot het innen van taksen op het transport ervan langsheen het ‘Gruut’-huis. Aan het toenmalige adellijke domein Gruuthuyse waren verder belangrijke jachtgebieden, waarvan het Warande-bos hoogstwaarschijnlijk een klein restant vormt, verbonden. Het geheel is sinds het einde van de 16de eeuw eigendom van de grafelijke familie d’Ursel, die het toenmalige kasteel in de 18de en 19de eeuw voornamelijk als zomerresidentie betrokken en het domein verder als jachtgebied gebruikten. Ook de heerlijkheid Rode-Nieuwenhove, die vermoedelijk ontstond in de 13de eeuw, afhing van het leenhof van de Burg van Brugge en gedeeltelijk ook van het kasteel van Dendermonde, correspondeert meer dan waarschijnlijk met een vroege vaste bewoningskern, waarvan de thans sterk verbouwde Hoeve Nieuwenhove met voormalig buitenhuis de oorspronkelijke kern kan hebben gevormd. Deze voorname heerlijkheid strekte zich ver uit op het grondgebied van Oostkamp en Waardamme. De dichtbijgelegen kasteelsite Rooiveld vormt dan weer een voormalig jachthuis dat reeds in het begin van de 16de eeuw wordt vermeld. Tenslotte is ook de imposante Hoeve Joyeuse Pensée met 17de-eeuwse kenmerken en als site teruggaand tot de 14de eeuw omschreven als een vroeg buitengoed. Opvallend is dat al deze verspreide historische sites vroegere kasteelallures hebben gehad, wat wijst op hun relatief hoge status en hun rol van betekenis ofwel in de ontginning van de streek ofwel in het gebruik ervan als jachtgebied. Overige hoeven met een duidelijke link naar ontginningen betreffen de (dubbel-)Hoeve Ter Lare met 16de-eeuwse oorsprong, de Hoeve ’t Langewater met 17de-eeuwse oorsprong en de Kampveldhoeve met laat 18de-eeuwse oorsprong. In de 19de eeuw tenslotte zijn nog talrijke hoeve-nederzettingen in het gebied bijgekomen. Gave voorbeelden zijn bijvoorbeeld de Coupure-hoeve en het Torenhof, beiden uit de tweede helft van de 19de eeuw en enkele kleinere hoeves in de omgeving van Rooiveld en Nieuwenhove en langsheen de Breeweg te Hertsberge. De meest typische bewoningsvorm binnen het gebied betreft evenwel de residentiële inpassing van laat 19de-eeuwse tot vroeg 20ste-eeuwse kasteelsites, waarbij de meeste initiatieven zich situeren ter hoogte van vroegere vestigingen. Zo is het huidige kasteel De Cellen in 1873 gebouwd op de site van een 18de-eeuws buitengoed en vervangt het huidige kasteel Gruuthuyse uit 1888 een middeleeuws kasteel. Het landhuis Rooiveld is dan weer ontstaan na verbouwing van een jachthuis met oorsprong in de 16de eeuw, terwijl het kasteel De Herten of Erkegem omstreeks 1907 werd gebouwd op de locatie van een vroeger buitengoed. De kasteelomgevingen zijn ingebed in een verzorgde landschappelijke parkaanleg met aandacht voor gazonpartijen, parkboomgroepen, vijverpartijen, diverse parkconstructies, toegangsdreven, oprijlanen,.... Het kasteel Cruydenhove, thans restaurant en feestzaal vormt een recent, maar evenwel sterk verbouwd volume, opgetrokken omstreeks 1954. De parkaanleg is zo goed als volledig verdwenen. Het huidige park bij het kasteel Gruuthuyse in zogenaamde gemengde stijl ontstond omstreeks 1890 naar ontwerp van de Franse equipe rond vader en zoon H. en A. Duchêne, beiden befaamde tuin- en landschapsarchitecten en bewaart enkele zeer merkwaardige parkelementen waaronder een spiegelvijver, enkele boulingrins, een assenpark en een lovergang, ondersteund door zorgvuldig uitgewerkte perspectieven met zichtassen of vista’s. De parken van de dicht bij elkaar gelegen kastelen De Cellen en De Herten vertonen vormgelijkenissen waarbij het vroeg 20ste-eeuwse ontwerp bij het laatste kasteel met zekerheid kan worden toegeschreven aan de bekende Brusselse tuinarchitect J. Buyssens. De parkaanleg bij het landhuis Rooiveld is meer bescheiden, maar omstreeks 1960 met zorg herwerkt op basis van een ontwerp van de Brusselse tuinarchitect R. Pechère.

Verbindingen en verkeer

Het oudste wegennet, waarin vooral de Waterstraat-Scharestraat een bijzondere positie inneemt, gaat meer dan waarschijnlijk terug op een (pre)historische weg, die de Waardammebeek op een vroegere, min of meer doorwaadbare plaats of voorde kruist middels een typische, zwenkende oversteek. Waarschijnlijk evolueerde deze route tijdelijk tot handelsverbinding tussen de steden Kortrijk en Brugge. Ook de Kapellestraat-Hertsbergestraat kan gedeeltelijk teruggaan op een vroege handelsverbinding. Over dit tracé wordt de Rivierbeek gedwarst ter hoogte van het aloude toponiem Walbrugge. In sterk contrast met de oude wegverbindingen is er de strakke geometrische indeling van het jonge ontginningslandschap rond Kampveld-Papevijvers, met een kenmerkend dambordvorming drevenpatroon, ontstaan vanaf het einde van de 18de eeuw. De Kortrijksestraat, die als Oostenrijkse steenweg in dezelfde periode is aangelegd, omzeilt het gebied aan westelijke zijde. De waterlopen zelf zijn geruime tijd als vaarweg ingeschakeld in de optiek van economisch relevante transportassen. Dit blijkt voor de Hertsbergebeek-Rivierbeek, die geldt als vroegere transportroute van gagel vanuit het Bulskampveldgebied alsook voor het Zuidervaartje, dat vanaf de 13de eeuw heeft gefungeerd als primaire kanaalverbinding tussen Brugge, Beernem, Sint-Joris-ten-Distel en Aalter, en initieel, tussen 1362 en 1379, in 1448 en tussen 1584 en 1585, aan de basis heeft gelegen van een beoogd kanaaltraject van Brugge op de Leie, de zogenaamde Zuidleie. Onenigheid tussen de handelssteden Gent en Brugge hebben ervoor gezorgd dat er pas in de Spaanse tijd, omstreeks 1625, een rechtstreekse verbinding kon worden opengesteld. Deze vaarweg is in opeenvolgende fases verbreed en verdiept tot de huidige omvang van het Kanaal Gent-Oostende. Langs deze westelijke kanaaldijk zijn een drietal Duitse schuilbunkers gelegen die tijdens de Tweede Wereldoorlog tot de Atlantikwall hebben behoord. Overige verkeersverbindingen zijn de L-50A spoorlijn Gent-Oostende, aangelegd omstreeks 1834-1838 en de E-40 autosnelweg Brussel-Kust, voltooid omstreeks 1950, maar waarvan het wegvak ter hoogte van Oostkamp, aangevat kort voor de Tweede Wereldoorlog, behoort tot de vroegst aangelegde snelwegtrajecten in Vlaanderen. Beide infrastructuurassen doorsnijden de ankerplaats van west naar oost, min of meer parallel aan het traject van het Kanaal Gent-Oostende.

  • Kaart van het Brugse Vrije, Pourbus P., uitgegeven in 1561-1571, kopie door Pieter Claeissens jr., uitgegeven in 1597-1601
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5.000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Topografische basiskaart numerieke reeks, Nationaal Geografisch Instituut, uitgegeven in 2009, schaal 1:10.000.

  • ANTROP M. e.a. 2002: Landschapsonderzoek landinrichtingsproject Brugse Veldzone: studie naar de visueel-ruimtelijke en cultuurhistorische aspecten van het landschap (inventarisatie, interpretatie en visievorming), Universiteit Gent, Vakgroep Geografie, Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa en Vakgroep Middeleeuwse Geschiedenis, studie in opdracht van Vlaamse Landmaatschappij.
  • BEUGNIER V. & CROMBE P. 2007: L’outillage commun du premier site d’habitat néolithique découvert en Flandre (Belgique), étude fonctionnelle de l’industrie lithique taillée du site de Waardamme, Bulletin de la Société préhistorique Française, 104.3, 525-542.
  • COORNAERT M. 1979: De geschiedenis van de Brugse Leie, in: Vandermaesen M., Ryckaert M. en Coornaert M., De Witte Kaproenen, Cultureel Jaarboek Oost-Vlaanderen 10.
  • DECAVELE J. 1993: De Zuidleie: het Kanaal van Gent naar Brugge, Bijlokemuseum Gent.
  • DEMEYERE F., BOURGEOIS J., CROMBE P. en VAN STRYDONCK M. 2006: New evidence of the (final) Neolithic occupation of the sandy lowlands of Belgium: The Waardamme ‘vijvers’ site, West Flanders, Archäologisches korrespondenzblatt, 36.2, 179-194.
  • DE MOOR G. 1960: De Depressie van het Kanaal Gent-Brugge, Bulletin de la Société Belge d’Etudes Géographique, 283-319.
  • HOLLEVOET Y. 1984: Opgraven in 't Zwarte Gat. Een landelijke bewoningskern te Oostkamp (prov. West-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen 4, 205-217.
  • KEIRSEBILCK P. 1985-1987: Het vroegere Oostkampse landschap, De Merel, 15.4, 16.1 en 17.1.
  • PHILIPPART F. 1998: Dossier Kanaal Gent-Brugge; Kantonnement, WMF - Simon Stevinstichting, dossier in opdracht van AROHM Afd. Monumenten en Landschappen
  • ROMMENS W. 2004: Ecologische inventarisatie en visievorming in het kader van integraal waterbeheer; Stroomgebied van de Rivierbeek, WES onderzoek en advies, studie in opdracht van AMINAL Afd. Water.
  • VAN BELLE J. 1989-1990: Rond de nieuwe brug te Moerbrugge, De Merel, 19.2-3-4 en 20.1.
  • VAN DE VIJVER M. e.a. (2008): Evaluatie en waardering van de archeologische sites Rooiveld-Papenvijvers Oostkamp (provincie West-Vlaanderen), Universiteit Gent, Archeologische rapporten 17, Gent, 160.
  • VAN KERCKVOORDE A., MARTENS L. & DECLEER K. 2003: Verkennende ecologische gebiedsvisie van het Kanaal Gent-Brugge en omgeving, Brussel, Instituut voor Natuurbehoud, 186 + kaartenbijlage.
  • VAN RYCKEGHEM E. 1974: Bouw van een stuwbrug; werken aan de Rivierbeek, werken aan de Dalevijverbeek, Cultuurleven in Oostkamp, 4.
  • VERVAET N. 1995: Historische tuinen en parken in België: een toekomstvisie voor het verleden met praktisch werk ‘Gruuthuyze, een kasteelpark van historisch belang’, onuitgegeven proefschrift, HILT Melle.

Bron     : Aanduidingdossier Ankerplaats 'Kastelen Gruuthuyse - De Cellen - Erkegem en Kampveld', definitieve aanduiding 12/05/2010, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2010


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteeldomeinen Gruuthuyse, De Cellen, Erkegem en Kampveld [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135401 (Geraadpleegd op 14-11-2019)