erfgoedobject

Provinciaal Handels- en Taalinstituut

bouwkundig element
ID: 306487   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/306487

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het Provinciaal Handels- en Taalinstituut (PHTI) is een scholencomplex dat gerealiseerd werd tussen 1959 en 1984 in verschillende fasen, steeds naar ontwerp van Jan Tanghe en Francis Serck.

Historiek

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de provincies in Vlaanderen een hele waaier aan onderwijs- en onderzoeksinitiatieven. In Oost-Vlaanderen ging het provinciale onderwijs al begin jaren twintig van start toen, in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, beslist werd een instituut voor verpleegsters op te richten in Gent. Voor het overige ondersteunde de provincie tijdens het interbellum vooral bestaande technische onderwijsinitiatieven. Pas 22 februari 1952 (provincieraadsbeslissing van 19 oktober 1951) richtte de provincie een tweede school op: het Provinciaal Handels- en Taalinstituut (PHTI). Dit kwam in feite neer op de overname van de gelijknamige private school die al in 1920 opgericht was en die op haar beurt een opvolger was van de English Club, in 1894 opgestart door Jan Wannyn.

De school was van 1894 tot eind jaren zestig gevestigd in het stadscentrum, aan de Savaanstraat. Omdat deze lokalen in de loop van de jaren vijftig ontoereikend bleken, besliste de provincieraad op 22 oktober 1959 om voor de bouw van een nieuwe campus grond aan te kopen aan de Henleykaai, niet ver van het Sint-Pietersstation, waar op dat moment al het nieuwe Provinciaal Instituut voor Verpleegkunde werd opgetrokken (tussen de Abdisstraat en Nonnemeersstraat). Op de plaats van het PHTI bevond zich voorheen de cementtegelfabriek Dutry-Massy, waarvan nog één laat 19de-eeuws gebouw (vermoedelijk de machinezaal) rest aan de Henleykaai 5-16. De overige gebouwen waren midden 20ste eeuw al afgebroken.

Voor het ontwerp van het PHTI organiseerde de provincie op initiatief van griffier Paul Beyer begin 1960 een wedstrijd die toegankelijk was voor alle Belgische of in België gevestigde architecten. Het wedstrijdprogramma omvatte vijf gebouwengroepen: één voor directie en administratie, een hogere technische afdeling voor 300 studenten, een secundair voor jongens en één voor meisjes (elk voor 500 leerlingen) en een centrum voor lichamelijke opvoeding. De directie en administratie, de sportterreinen, de turnzaal en het zwembad waren gemeenschappelijk maar de jongens-, meisjes- en hogere afdeling dienden strikt gescheiden te worden (elk met hun eigen toegang, speelterrein, overdekte gaanderijen en toiletten). Voor de meisjesschool prefereerde men bovendien een inplanting aan de Abdisstraat en in aansluiting met de refter en keuken (voor de huishoudelijke afdeling). Wat de architectuur betrof, stelde het wedstrijdprogramma dat de ontwerpers volkomen vrij waren maar zich best lieten leiden door "een streven naar voornaamheid, ernst en soberheid; zij zullen zoveel mogelijk fantasistische (sic) formules die veeleer de expressie zijn van een voorbijgaande mode weren."

Een dertigtal ontwerpers tekenden in op het wedstrijdprogramma waaronder Marc Dessauvage, Jan Lodewijk Cnops, Eugène Vanassche, Rutger Langaskens en het Hoger Instituut Sint-Lucas (mogelijk als oefening voor de studenten) maar slechts vijf ontwerpers zonden een ontwerp in: Jean Hebbelynck (Gent), Hendrik De Keye (Mechelen), Christian Kunz (Brussel), architectenbureau Delgutte (Ronse) en een samenwerkingsverband van Jan Tanghe en Francis Serck (Oostende-Gent) die de eerste prijs wonnen. Op basis van hun wedstrijdontwerp sloot de provincie eind 1960 een overeenkomst met Serck en Tanghe om een definitief voorontwerp te maken van de eerste en de tweede fase (de derde fase omvatte de sportinfrastructuur). De volgende jaren werden deze plannen meermaals herwerkt, met inbreng van Leon Durin en Pieter De Jaegere voor respectievelijk beton en technieken, tot ze de goedkeuring wegdroegen van zowel de bestendige deputatie als het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (die het grootste deel van de kosten droeg op basis van de ‘Schoolpactwet’ van 29 mei 1959). In maart-april 1964 werden het bestek en de definitieve plannen van de eerste fase (de administratie, de meisjesvleugel en de refter-keuken met overdekte speelplaats) opgemaakt en 11 januari 1965 volgde de bouwvergunning. Om allerlei redenen startte aannemer Crop Gebroeders uit Meulebeke pas in augustus 1966 met deze werken en 1 september 1969 werden ze in gebruik genomen. Deze eerste fase omvatte ook de conciërgewoningen en elektriciteitscabine (naar plannen uit 1967) en Serck en Tanghe ontwierpen ook de binnentuin en heel wat los meubilair.

Nog voor de voltooiing van de eerste fase maakten Serck en Tanghe ook al ontwerpen voor de uitvoering van de tweede fase, een zuidoostelijke uitbreiding aan de Henleykaai bestaande uit een uitbreiding van de refter en de keuken en de bouw van de afdeling jongens, de hogere afdeling en een auditorium. Deze ontwerpen van 14 augustus 1968 sloten zeer sterk aan op die van de eerste fase qua materialen en esthetiek (sober functionalisme) met uitzondering van het auditorium, dat geen deel uitmaakte van het oorspronkelijke wedstrijdontwerp en dat werd opgevat in een organische architectuur die doet denken aan het werk van Hans Scharoun en met name aan zijn concertgebouw voor de Berliner Philharmonie uit 1963. Tange en Serck schreven hierover zelf: "Het auditorium wordt als een contra-punt van het overige deel beschouwd, dat eerder klassiek en streng aandoet." De plannen werden goedgekeurd door de bestendige deputatie en door de ministeries van Nationale Opvoeding en Openbare Werken maar waarschijnlijk bleven ze onuitgevoerd door het onverwacht snelle groei van de hogeschool. Om die reden werden al in september 1970, amper enkele maanden na de voltooiing van de eerste fase, tien tijdelijke prefab klassen gebouwd onder de administratieve vleugel.

Uiteindelijk werd de tweede fase totaal anders opgevat dan oorspronkelijk gepland omwille van het succes van de hogeschool: 1.800 in plaats van 300 leerlingen, terwijl de middelbare school werd herleid van 1.000 naar 600 leerlingen. 28 februari 1973 vroeg het provinciebestuur aan Serck en Tanghe om opnieuw te beginnen met de studie van het voorontwerp van de tweede fase (de hogere afdeling en een uitbreiding van het secundair). Hun plannen voor de uitbreiding van het secundair (met Willy Canfyn voor stabiliteit en Pieter De Jaegere voor technische uitrusting) dateren van 15 juli 1976 en de uitvoering volgde in 1977-1978. Deze vleugel, die in het oorspronkelijke ontwerp aan de zuidoostzijde van de binnentuin voorzien was, werd gebouwd aan de Abdisstraat op de plaats waar in het oorspronkelijke plan de sportinfrastructuur was voorzien. Qua architectuur en materiaalgebruik sloot dit gebouw wel nog aan bij het oorspronkelijke concept: een lineair rechthoekige laagbouw met de typische gordijngevel. De uitkragende luifel die een latere verticale uitbreiding mogelijk moest maken (in 2012 gerealiseerd naar ontwerp van Piet Cnops van Partners) en de meer gevarieerde zuidoostelijke zijgevel daarentegen, zouden enkele jaren later terugkomen bij het gebouw van de hogere afdeling.

Deze hogere afdeling of het EHOKT (Economisch Hoger Onderwijs van het Korte Type) werd ingeplant aan de zuidoostelijke zijde van de binnentuin aan de Henleykaai, op de plek waar oorspronkelijk de jongensafdeling voorzien was. Een voorontwerp van Serck, Tanghe en medewerker Alfred Haeck (met Leon Durin voor stabiliteit en Pieter De Jaegere voor technische uitrusting) van 28 december 1973 toont al het afwijkende concept van dit gebouw: in plaats van een eenvoudig lineair rechthoekig volume werd geopteerd voor een hoog vierkant en naar binnen gekeerd volume met naar boven uitkragende verdiepingen en een complexe volumetrie met allerlei annexen. Deze architecturale koerswijziging lokte heel wat opmerkingen uit van de begeleidende architectuurcommissie, met name op de te complexe gevelarchitectuur en volumetrie (de overstekken en annexen) omwille van esthetische en economische redenen. Serck en Tanghe slaagden er echter in de opdrachtgever te overtuigen van hun visie, verwijzend naar zowel de nieuwe structuralistische theorieën over het gebruikersperspectief als de pragmatische voordelen van hun ontwerp (zoals het uitsparen van zonneweringen dankzij de uitkragende bovenverdiepingen). De plannen werden dus gerealiseerd, mits enkele kleinere aanpassingen zoals de vermindering van de hoekoverkraging op voorstel van betoningenieur Willy Canfyn. begin maart 1981 startte de Gentse aannemer Van Kerkhove & Gilson met de werken. Het gebouw werd opgeleverd in 1984 en 13 april 1985 officieel ingehuldigd. De groenaanleg aan de Henleykaai werd ditmaal ontworpen door tuin- en landschapsarchitect Paul Deroose (°1945). Voor het interieur werd Tecno meubilair voorzien.

Het wedstrijdprogramma van 1960 omvatte ook nog een centrum voor lichamelijke opvoeding bestaande uit sportterreinen, een turnzaal en een zwembad. Deze werken vormden de derde fase van het project en werden door Serck en Tanghe in de westelijke hoek van het terrein voorzien. Ze maakten hiervoor ook herhaaldelijk plannen (in 1964, 1967, 1977 en 1979) maar de uitvoering ervan bleef uit omwille van financiële redenen. In plaats daarvan werd de noordelijke overdekte speelplaats uit 1970 in 2001 omgevormd tot een sportzaal naar ontwerp van Thomas Serck, in samenwerking met Francis Serck en Werner Desimpelaere van groep Planning. In 2017-2019 wordt op de oorspronkelijk geplande plaats toch nog een sportcomplex gebouwd in opdracht van de provincie naar ontwerp van architectenbureau BobMcMaster, in samenwerking met BEL architecten. Dit complex zal eveneens een twintigtal klaslokalen bevatten ter vervanging van de verouderde noodklassen onder de administratieve vleugel. Door de afbraak van deze noodklassen wordt een nieuwe wandel-as tussen de Abdisstraat en de Henleykaai gerealiseerd en wordt het contact met die binnentuin hersteld.

Beschrijving

Ruimtelijke context, inplanting en omgevingsaanleg

Het PHTI is ingeplant aan de Henleykaai in een bocht van de Leie, op een laaggelegen gebied dat omhoog loopt naar het noorden, waar het ontsloten wordt door de Abdisstraat (met pijpenkop). De verbinding tussen deze hoger gelegen Abdisstraat in het noordwesten en de Henleykaai in het zuidoosten wordt gemaakt door een lange rechthoekige vleugel op pilotis (de administratie) waarvan het vloerniveau zich situeert op het niveau van de Abdisstraat. Deze administratieve vleugel vormt tegelijkertijd de zuidwestelijke zijde van een grote (45 meter op 45 meter) vierkante groenzone die zich op het niveau van de Henleykaai bevindt. De overige drie zijden zijn de hogere afdeling (zuidoosten), de meisjesafdeling (noordwesten) en de keuken-refter (noordoosten) met ten noordwesten hiervan een sporthal, oorspronkelijk de overdekte speelplaats. Ten noordwesten van de meisjesafdeling en ten zuidwesten van de overdekte speelplaats bevindt zich nog een speelplaats op het niveau van de Henleykaai; lager dus dan de Abdisstraat en ermee verbonden door een betonnen hellend vlak en platform. Ten westen van dit complex, aan de westzijde van de pijpenkop op het einde van de Abdisstraat, bevindt zich nog een vijfde vleugel (oorspronkelijk bedoeld als uitbreiding van het secundair) die door een gang verbonden is met de administratieve vleugel, evenals twee conciërgewoningen boven een hoogspanningscabine die opgevat zijn als kopwoningen van de bebouwing van de Abdisstraat, ongeveer een meter ten opzichte van de rooilijn van die straat terugspringend.

De verdiepte binnentuin bewaart de aanleg ontworpen in 1964, met uitzondering van de zuidoostelijke zijde met toevoeging van een leeszaal voor leerkrachten, waar een nieuwe invulling werd doorgevoerd naar het ontwerp uit 1977. De tuin is bereikbaar vanuit de refter via een brede tuintrap in gewassen kiezelbeton. Aanliggend aan de keuken-reftervleugel bevindt zich een zonneterras in groot formaattegels van gewassen kiezelbeton. De binnentuin is verder lineair opgedeeld met afwisselend gazonbanden en gekasseide stroken.

Aan de zijde van de administratieve vleugel sluit de aanleg af met een langgerekte patiovijver opgedeeld in drie vakken. Twee smalle verhoogde paden in gewassen kiezelbeton, loodrecht op de lineaire structuur, doorkruisen de geritmeerde aanleg met gazon-, steen- en wateroppervlakken. Aan de zijde van de meisjesafdeling sluit de aanleg af met een licht verhoogd, gekasseid schaduwterras met opgaande bomen. Tussen de pilotis van de administratieve vleugel zijn eenvoudige betonnen zitbanken aangebracht. De gekasseide stroken en het schaduwterras zijn uitgevoerd met grijs graniet van kleinschalig mozaïekformaat, gelegd in blokverband volgens een vierkantverdeling door verdiepte greppeltjes, eveneens in graniet. Op de stroken zijn ruw bekiste betonnen zitelementen en ondiepe waterbekkens als sculpturaal meubilair ingepast. Door de ongelijke hoogte van deze elementen is een speelse sfeer met zitruimtes gecreëerd. De gazonstroken zijn beplant met opgaande ruwe berken en Oostenrijkse dennen, plaatselijk aangevuld met enkele heestergroepen van onder meer vuurdoorn en dwergmispel als oorspronkelijke soorten, en momenteel aangevuld met mahonie, taxus en rode kornoelje. Bij de brede tuintrap resteert een sterk ingesnoeide schietwilg. De opgaande bomen boven het schaduwterras zijn lorken.

De ondiepe patiovijver is strak afgewerkt met enerzijds bekiste betonstroken en anderzijds geprefabriceerde oeverranden van gewassen kiezelbeton. In het water en op de oeverstrook groeien waterplanten als lisdodde, egelskop en waterlelie. De aangepaste zuidoostelijke zijde omvat een meer schaduwrijke aanplanting rondom de leeszaal van de leraars, met een dichte heesterbeplanting van onder meer krentenboompje, Portugese laurierkers, rododendron en hertshooi, overschaduwd door honingbomen en gewone essen als vervanging voor de oorspronkelijk voorgestelde olmen. Eén vak van de patiovijver is uitgebreid tot aan de leeszaal voor leerkrachten en is beplant met oeverplanten als groot hoefblad, Siberische lis. Het in 1964 ontworpen diagonale pad, deels over de patiovijver, tot aan de brede trap aan de schoolrefter is, rekening houdend met de latere uitbreidingsfase, vermoedelijk nooit gerealiseerd.

Het geheel van de binnentuin ademt nog steeds een Scandinavische sfeer met een ijle bosstructuur in de halfschaduw en bezit een sterke symbiose met de gevelarchitectuur. Aan de plinten is telkens een overgang met een grove grindstrook.

Ook aan de Henleykaai en aan de Abdisstraat is een buitenaanleg voorzien. Aan de Henleykaai bestaat die uit enkele plantvakken met kardinaalsmuts, Oostenrijkse den, Portugese laurierkers en mahonie, beplanting met honingbomen en een onderbegroeiing van sneeuwbes en klimop. De groenaankleding bij de noordoostelijke diensttoegang van de hogere afdeling, bestaat uit een plantvak van sneeuwbes en klimop met bovenstaande honingbomen.De groenzone aan de Abdisstraat is grotendeels ingenomen door een verlaagde speelkoer met betonnen zitbanken aan de noordwestzijde van de meisjesblok, oorspronkelijk in zwarte asfalttegels, met een evenwijdige belijning met witte betontegels. De zone is bereikbaar via een aflopend betonnen vlak met ingebouwde traptreden. In de resterende plantvakken groeien onder meer mahonie, sneeuwbes en struikkamperfoelie. Naast de toegang tot de administratieve vleugel bevindt zich een verhoogd betonnen plantvak met afgeschuinde sokkel, waarvan de oorspronkelijke beplanting ingenomen is door gewone esdoorn, vlier en klimop. Ook voor de conciërgewoningen bevindt zich een verhoogd betonnen plantvak met afgeschuinde sokkel. Lage betonnen muurtjes schermen de lagergelegen zones langs de Abdisstraat af.

Constructie en exterieur

Alle gebouwen zijn gefundeerd op palen omwille van de moerassige ondergrond en hebben een betonnen skeletstructuur die een vrije indeling mogelijk maakt van zowel de gevels als het grondplan. De betonnen palen bevinden zich net achter de gevels, aan de langszijde om de 4,5 meter (bij de refter-keuken-sporthal om de 6 meter).

De gebouwen van de eerste bouwfase aan de zuidwest-, noordwest- en noordoostzijde van de binnentuin (evenals de sporthal, oorspronkelijk de overdekte speelplaats) zijn functioneel-modernistische rechthoekige en horizontale volumes van één tot drie bouwlagen met een plat dak. De keuken-refter en de administratieve vleugel tellen elk één bouwlaag: de eerste aansluitend op het niveau van de Henleykaai, de tweede op het niveau van de Abdisstraat op twee rijen van 18 pilotis die een tweetal meter inspringen ten aanzien van de langsgevels. De meisjesvleugel telt drie bouwlagen, die splitlevel gesitueerd zijn ten opzichte van de administratieve vleugel en de keuken-refter-sporthal. De overdekte speelplaats telde oorspronkelijk één bouwlaag maar bij de verbouwing tot sporthal werd deze vleugel deels verhoogd.

De lange zijden van deze vleugels zijn afgewerkt met een gordijngevel die het ritme van de betonnen pijlers volgt (met drie of vier vensters van 1,5 m breedte per travee), bestaande uit met roestvrij staal beklede aluminium basisstijlen, en omlijstingen in neopreen (een synthetisch rubber) voor glaspanelen (dubbel glas) in het midden, en met wit geëmailleerde staalplaat afgewerkte kurken sandwichpanelen onderaan en bovenaan. De korte zijgevels van de meisjesvleugel en refter-keuken-sporthal zijn afgewerkt met verticale betonpanelen die qua afmetingen het ritme volgen van de gordijngevel. De korte gevels van de administratieve vleugel aan de Abdisstraat en Henleykaai zijn bijna volledig beglaasd met fijn, met roestvrij staal bekleed aluminium schrijnwerk en een lage rechthoekige aluminium luifel aan de Abdisstraat.

De twee conciërgewoningen met hoogspanningscabine eronder vormen samen één brutalistisch getrapt volume van drie bouwlagen met een partiële vierde bouwlaag tegen de bestaande hogere bebouwing van de Abdisstraat aan de westzijde, onder een plat dak. Op de begane grond van deze symmetrische halfopen tweewoonst is de oostgevel vrijwel volledig gesloten en bekleed met betonnen gevelpanelen. Bij de noordelijke gevel aan de Abdisstraat is de begane grond juist sterk opengewerkt met een betonnen skeletstructuur en bovenlicht. De geveluitwerking van de tweede en derde bouwlaag is tegengesteld aan die van de begane grond, met een bijna volledig gesloten, met betonpanelen beklede noordgevel. Ook de uitkragende vierde bouwlaag van de rechtertravee is volledig gesloten aan deze zijde. Enkel op de eerste en tweede verdieping van deze travee bevindt zich een klein rechthoekig raam, en helemaal links een heel smal stuk gordijngevel. De bovenverdiepingen van de oostgevel daarentegen zijn volledig opengewerkt met de typerende gordijngevel met een wit sandwichpaneel onderaan en glas bovenaan. Boven- en onderaan deze gordijngevel bevindt zich een gevelbreed betonnen balkon en in het midden een dubbelhoge rechthoekige betonnen pijler. De zuidgevel is analoog aan de noordgevel maar ook op de begane grond volledig gesloten.

De uitbreiding van het secundair die eind jaren zeventig werd opgetrokken aan de zuidwestzijde van de pijpenkop van de Abdisstraat is verbonden met de administratieve vleugel door een gang tegen de zuidwestelijke gevel van die administratieve vleugel. Net zoals de gebouwen van de eerste fase is het een functioneel-modernistisch rechthoekig en horizontaal volume met een plat dak. Bij de bouw telde het twee bouwlagen aan de Abdisstraat (drie aan de achterzijde) maar hieraan werd in 2012 een bouwlaag toegevoegd, evenals een volume met verticale circulatie aan de noordwestzijde. De langsgevels (zuidwest en noordoost) zijn op de begane grond en de eerste verdieping (niveau Abdisstraat) uitgewerkt met een gordijngevel die aansluit bij die van de andere gebouwen van het complex met één opengaand raam per travee. Onderaan de Abdisstraat werden geen gevelpanelen aangebracht maar wel schuine glazen panelen die de ondergrondse verdieping verlichten (afgewisseld met metalen verluchtingselementen). Aan de zuidoost- en zuidwestgevel is deze verdieping begane grond. Aan de zuidwestzijde wordt deze gevel gekenmerkt door rechthoekige betonnen pijlers om de 4,5 m die meestal ingevuld zijn met een drieledig raam (aansluitend op het ritme van de gordijngevel) en eerder uitzonderlijk met betonstenen metselwerk. Boven de derde bouwlaag bevindt zich zowel aan de zuidwest- als de zuidoostzijde een uitkraging op betonnen liggers. De zuidoostgevel is verder heterogeen: op de begane grond en de kelderverdieping bestaat deze uit een betonskelet ingevuld met betonsteen of glaspartijen, op de eerste verdieping uit de typische gordijngevel.

De later toegevoegde, zuidoostelijke vleugel aan de binnentuin (de hogere afdeling) is groter dan de andere drie (vijf bouwlagen in plaats van één tot drie) en complexer van volumetrie: een vierkante basisvorm met een plat dak, naar boven toe uitkragend (de derde en vierde verdieping, evenals een luifel boven de vierde verdieping) en met een gevarieerde hoekafwerking: uitspringend op de begane grond, eerste, tweede en derde verdieping (en licht uitkragend bij die laatste) en inspringend bij de vierde verdieping. Bovendien heeft dit gebouw lage annexen aan de noordwest-, noordoost- en zuidoostzijde, een traptoren tegen de westelijke hoek, en een kleinere dakverdieping in de vorm van een afgeknot schilddak: een vierkant plat dak is verbonden met een grotere vierkante uitsparing in het grote dak door middel van schuine, met glas ingevulde wanden. De annex aan de binnentuin is centraal ingeplant en symmetrisch, met als grondplan een Grieks kruis met toegevoegde vierkanten in de hoeken. De twee overige annexen zijn excentrisch ingeplant aan de oostzijde en tellen twee bouwlagen onder een plat dak met uitbouwen. Aan de noordelijke hoek van het gebouw bevindt zich nog een kleine annex van één bouwlaag die een verbinding maakt met de keuken-refter. Aan de westelijke hoek van het gebouw is een traptoren aangebouwd als verbinding met de administratieve vleugel, die ook verbouwd werd.

Bij het hoofdvolume wordt de gevel op de begane grond (niveau Henleykaai) gevormd door rechthoekige betonnen pijlers (opnieuw om de 4,5 m) met daartussen dieper geplaatste drieledig ramen in donker geschilderd metaal, boven een aflopende betonstenen vensterbank en soms ook een betonstenen muur. De bovenverdiepingen zijn gelijkaardig uitgewerkt aan die van de andere vleugels rond de binnentuin: een gordijngevel met gebruik van betonnen panelen voor de uitwerking van de hoeken. Deze betonpanelen hebben dezelfde verhouding als die bij de eerste fase maar wel een ander uitzicht (houten bekisting). Een meer opvallend verschil is de toevoeging van een betonnen overkraging (op betonnen liggers) tussen de tweede, de derde en de vierde verdieping, evenals de overkragende betonnen luifel boven de vierde verdieping die bekleed is met dezelfde witte gevelpanelen.

Grondplan

De administratieve vleugel en de meisjesvleugel hebben een gelijkaardige indeling met een middengang evenwijdig aan de langsgevels, en aan weerszijden lokalen van 6 meter breed en uiteenlopende lengte. De verticale circulatie is bij de meisjesvleugel ondergebracht in de begin- en eindzone, bij de administratieve vleugel is die begin- en eindzone uitgewerkt als een gevelbreed onthaal en is de verticale circulatie centraal gesitueerd. De planindeling van de uitbreiding van het secundair aan de Abdisstraat sluit aan bij die van de meisjesafdeling: een centrale gang met aan weerszijden klaslokalen, en verticale circulatie in de begin- en eindzone. De twee conciërgewoningen aan de Abdisstraat zijn opgevat als maisonnettes, met het woongedeelte op de eerste verdieping en het nachtgedeelte op de tweede en derde verdieping. Op de begane grond bevindt zich de hoogspanningscabine en aan de Abdisstraat, van links naar rechts, een fietsenberging, twee garages en de inkomhal.

De hogere afdeling is opgevat rond een open vierkante binnenhal (agora) van 40 meter op 40 meter en 12 meter hoogte, waarvan het vloerniveau zich bevindt op de eerste verdieping. Zenithaal licht valt binnen door de glazen lessenaarsdaken die aangebracht zijn rond het vierkante, platte dak van de agora. Ook tussen het hoofdvolume en de annexen wordt zo licht binnenbracht. Rondom de agora bevinden zich op de tweede, derde en vierde verdieping open gangen als balkons die toegang verlenen tot de klassen. Deze gangen zijn toegankelijk via vier trappen die aangebracht zijn rond de pijlers die het dak van de agora dragen, en één lift in de centrale hal, naast een lift en trap in de traptoren. Centraal in de hal bevindt zich wel een afgesloten auditorium met aan de noordoostzijde het sanitair (symmetrisch uitgewerkt) en aan de zuidwestzijde een groot, veelhoekig maar ook symmetrisch lokaal dat visueel verbonden is met de agora door ramen in en boven de hoekpartijen. Een vijftal vides van verschillende grootte zorgen voor een visuele verbinding met de begane grond (niveau Henleykaai). Op het niveau van de Henleykaai bevindt zich centraal het archief en gelijkaardig, symmetrisch uitgewerkt sanitair, en daarrond een gang die toegang geeft tot bureaus en enkele grotere lokalen zoals de leraarskamer die doorloopt in de annex van de binnentuin. De tweede verdieping van de zuidoostvleugel heeft een centrale vide met een open gang rondom die toegang verleent tot vier klaslokalen aan ieder van de vier zijden. Ter hoogte van de tweede verdieping bevinden zich centraal in de hal, op het dak van het auditorium en het aanpalende lokaal, twee open ruimtes (splitlevel geplaatst ten opzichte van elkaar) en afgescheiden met lage muurtjes. Deze platformen zijn bereikbaar via twee aparte draaitrappen, die symmetrisch geplaatst zijn aan weerszijden van het auditorium en het veelhoekige lokaal. De derde en vierde verdieping zijn analoog opgevat aan de tweede verdieping, weliswaar met een steeds grotere vide naar boven toe, en met klaslokalen van verschillende grootte. De vijfde verdieping die zich bevindt boven het dak van de agora, is toegankelijk via een aparte trap.

Interieur

De administratieve vleugel heeft op het niveau van de Henleykaai, dat oorspronkelijk open was naar buiten toe, een plafond in bekist beton en een vloer van geprefabriceerde gewapende betonplaten met gewassen keien en ribben. Rond de rechthoekige pilotis is een band aangebracht met grote witte keien. Op het niveau van de Abdisstraat is de vloer van de inkomhallen uitgevoerd in betonplaten met gepolierde Roemeense kwarts. Alle lokalen hebben een verlaagd plafond ter hoogte van de bovenzijde van de ramen wat de horizontaliteit van de ruimtes benadrukt. Bij het ingangssas aan de Henleykaai is deze plafond nog verder verlaagd en bestaat deze uit wit gespoten glaspanelen. In de inkomhallen en tussen de pilotis zijn betonnen plantenbakken voorzien. Centraal bevindt zich een elegante en open U-vormige bordestrap in staal, zonder stootborden en met een fijne balustrade van verticale spijlen.

Bijna alle binnenwanden hebben een bovendeel van circa één meter hoogte in glas, gevat in een aluminium kader. Daar net onder, op ongeveer twee meter hoogte, bevindt zich in de wanden van de gang een doorlopende verlichtingsarmatuur bestaande uit rechthoekige aluminiumkaders met dezelfde breedte als de gordijngevel, ingevuld met buisvormige lampen achter een opaak paneel of een metalen rooster en doorschijnend paneel. Deze verlichtingsarmatuur wordt op dezelfde hoogte herhaald aan de gordijngevels. Ook boven een aantal inkomdeuren wordt deze verlichtingsarmatuur hernomen, evenals in de traphal. Het meubilair in de bibliotheek heeft ten slotte een aluminium hoofdgestel waarin een gelijkaardige verlichting is ingewerkt. Door deze verlichtingsarmatuur kon het plafond volledig leeg blijven wat aansloot bij de sobere, minimalistische esthetiek van het gebouw. De onderste zone van de binnenwanden is meestal uitgewerkt in panelen met olmfineer en heel wat lokalen hebben ingewerkte deuren en kasten in hetzelfde materiaal: (half)open en gesloten boekenkasten, soms met glazen schuifdeuren, open vestiairekasten en smalle, gesloten lockers. Daarnaast bevat de administratieve vleugel ook enkele vaste meubels die vrij in de ruime staan (met name boekenrekken in de bibliotheek en het lokaal van de syllabussen). De kasten, wanden en deuren hebben een aluminium of roestvrij stalen detaillering: plint, smalle rechthoekige handgrepen in roestvrij staal, ronde kleerhaken of functienaamplaatjes met zwarte belettering.

De meisjesafdeling heeft een heel gelijkaardige interieurafwerking als de administratieve vleugel, wat de trap en de binnenwanden betreft. Betonnen pijlers aan weerszijden van de middengang breken hier wel enigszins de horizontaliteit van de binnenwandafwerking in de gangen. Het meubilair in de gangen bestaat uitsluitend uit gesloten lockers, deels met de originele handgrepen. De refter-keuken heeft een open plattegrond. Enkele houten wandpanelen in een metalen kader zorgen voor een zekere afscherming en verder bewaart deze vleugel tientallen vaste tafels met een massief houten tafelblad op een metalen poot.

De hogere afdeling heeft in vergelijking met de oudere vleugels rond de binnentuin een eerder brutalistische interieurafwerking met een zichtbare betonstructuur van rechthoekige pijlers en liggers, aangevuld met een parement van betonsteen, en ruw bekiste beton voor een aantal wanden en onderdelen zoals de platforms van de trappen. Enkel de wanden van de dakverdieping boven de centrale hal hebben een eerder immaterieel karakter door de bepleistering en witte beschildering, waardoor ze beter het licht weerkaatsen. Bij de afscheiding tussen de lokalen en de openbare ruimten wordt het betonstenen parement meestal maar doorgetrokken tot de hoogte van de deur en daarboven aangevuld met glas zonder zichtbaar schrijnwerk, met uitzondering van de bovenlichten van de deuren. De wanden van het sanitair bestaan uit een lage betonstenen onderbouw, een geometrische uitbouw in beige kunststof (waarachter zich de wasbakken bevinden) en een ruime glaspartij die de uitbouw volgt. In het interieur is verder veel gebruik gemaakt van zichtbaar hout, onder andere voor de balustrades van de vier grote trappen in de agora, en van de open gangen errond.

Dit eerder brutalistisch gebruik van vooral beton(steen) en hout wordt gecombineerd met enkele terugkerende elementen die in felle kleuren beschilderd zijn: de veelal horizontale en prominent aanwezige metalen verwarming (in oranje), de deuren en ingemaakte kasten zoals de postvakjes in de leraarskamer en de ingemaakte kasten aan weerszijden van de deur in de klassen (in oranje en geeloranje), de metalen trappalen en balustrades aan de kleinere trappen en vides op de begane grond en eerste verdieping (en in de traptoren), evenals de ventilatiebuizen en de waaiervormige uitgangen ervan (geel), de liften (groen) en het zitmeubilair zoals de vaste, oranjerode kuipstoeltjes in het auditorium. Voor de hogere afdeling ontwierpen Serck en Tanghe zelf geen meubilair maar ze overtuigden het provinciebestuur zoveel mogelijk om meubilair van de Italiaanse firma Tecno aan te kopen, zoals de driezitten in metaaldraad (in de leraarskamer met leren kussens) met zijtafeltje(s) en sokkels in natuursteen (WS – Waiting System "Centro Progetti Tecno" uit 1983), en de kunststoffen kuipstoeltjes in oranje, groen of blauw, op zwart metalen poten (type Modus naar ontwerp van Osvaldo Borsani uit 1970-1979).

De interieurafwerking van de uitbreiding van het secundair aan de Abdisstraat is gelijkaardig aan die van de latere vleugel van de hogere afdeling: gebruik van zichtbaar beton, betonsteen, houten schrijnwerk rond de deur en bovenlichten met ernaast een dieper geplaatste doorlopende glasstrook die met de bovenlichten verbonden is door een loodrecht erop geplaatst glazen paneel, veelhoekige sanitaire ruimtes, geeloranje deuren en ingemaakte kasten in de klassen.

Erfgoedwaarde

Het Provinciaal Handels- en Taalinstituut heeft architecturale waarde omdat het beschouwd wordt als het belangrijkste werk in het oeuvre van de twee hoofontwerpers Francis Serck (1929) en Jan Tanghe (1929-2003). Zij werden beiden van 1948 tot 1953 opgeleid als architect aan het Sint-Lucasinstituut in Gent en bouwden tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw een indrukwekkend oeuvre uit, Francis Serck onder eigen naam en vooral in de omgeving van Gent, Jan Tanghe vanaf 1966 als voorzitter van het multidisciplinair bureau Planning (later Groep Planning) in heel Vlaanderen en Brussel. Daarenboven getuigt de bouwgeschiedenis van het Provinciaal Handels- en Taalinstituut ook van de inbreng van andere ontwerpers, zoals architect Alfred Haeck die in de jaren zeventig werkte op het bureau van Serck, raadgevende ingenieurs zoals Leon Durin en Willy Canfin die verantwoordelijk waren voor het beton, de architecturale diensten van de opdrachtgever (de provincie) en de subsidiërende overheden, en uitvoerders zoals de Vilvoordse firma CHAMEBEL die van in het begin mee verantwoordelijk was voor het ontwerp van de gordijngevel.

Stilistisch sluit het Provinciaal Handels- en Taalinstituut aan bij verschillende stromingen. De eerste fase (1960-1970) is nog duidelijk geïnspireerd door het internationale modernisme. Overblijfselen van het CIAM-functionalisme is de vertaling van de functies in verschillende vleugels, de pilotis en de skeletstructuur die een volledige vrije plattegrond mogelijk maakt. Het meest in het oog springende modernistische element van dit complex is echter de gordijngevel waarvan de structurele strengheid en eerlijkheid aansluit bij de benadering van Mies Van der Rohe, de kwalitatieve en innovatieve materiële opbouw bij Eero Saarinens gebouwen voor General Motors in Michigan (1949-1955), en de aandacht voor esthetiek bij de jaren vijftig architectuur van de Deen Arne Jacobsen, in de eerste plaats diens stadhuis van Rødovre (1952-1956). De combinatie van gordijngevels aan de lange zijden met volledig gesloten of beglaasde kopse gevels, orthogonaal ingeplante, rechthoekige horizontale volumes, een modulair, flexibel interieur zonder dragende wanden, verzorgd uitgewerkte trappartijen en een luifel als overgang van binnen naar buiten. Ook de uitwerking van het interieur (scherp afgelijnd, ruimtelijk en met verfijnde detaillering), het meubilair (multiplex) en zelfs de groenaanleg (met berken en ruw bekiste beton) zijn sterk geïnspireerd door het Scandinavisch modernisme. Bij de latere fasen van het complex behielden de ontwerpers de vormelijke en technische aspecten van het modernisme zoals de gordijngevel, maar ze verrijkten dit met een grotere plasticiteit zoals de naar boven uitkragende verdiepingen, een gevarieerde en complexe hoekafwerking en allerlei annexen zoals traptorens. Dit ging gepaard met een grotere aandacht voor de gebruikers van het gebouw, wat aansluit bij opkomende stromingen die eind jaren vijftig voortkwamen uit het modernisme en er tegelijkertijd een kritiek op vormden, met name het structuralisme en het brutalisme. Onder invloed van het structuralisme en meer bepaald de Nederlandse architect Herman Hertzberger werd bij de hogere afdeling (1973-1984) gekozen voor een open en een gevarieerd interieur. Typisch voor het brutalisme is de ruwe, onbewerkte esthetiek van de hogere afdeling met een naar boven uitkragende betonnen structuur aan de buitenzijde, en gebruik van veel zichtbeton en hout aan de binnenzijde. Het interieur van de hogere afdeling sluit ook aan bij de high-tech architectuur of het structureel expressionisme door structurele elementen in de centrale hal zichtbaar te laten en door technische elementen zoals verwarming en verluchting zelfs te benadrukken met felle kleuren.

Het Provinciaal Handels- en Taalinstituut heeft ook architecturale waarde als representatief voorbeeld van de moderne, naoorlogse schoolbouw zoals die door onder andere A.F. Van Bogaert, de directeur-generaal van het Constructiefonds voor Schoolgebouwen van het Belgische Rijk, werd gepropageerd in een publicatie uit 1972. Kenmerken hiervan, die men ook bij het Provinciaal Handels- en Taalinstituut terugvindt, zijn de aandacht voor een contemplatieve sfeer (de grote centrale groenzone), een zuidoostelijke oriëntatie van de klaslokalen, het inspelen op de bestaande natuurlijke omgeving (in dit geval het niveauverschil tussen de Abdisstraat en de Henleykaai), een functionele planindeling met voldoende differentiatie naar gelang het soort leerlingen en de activiteit, en een zonering met een onderscheid tussen stilte- en lawaaizones. Ook de noodzakelijke flexibiliteit werd voorzien door rekening te houden met latere uitbreidingen, en door te kiezen voor een skeletstructuur met niet dragende wanden die een opdeling of herindeling van de gebouwen mogelijk maakte. De multifunctionaliteit of polyvalentie van de ruimtes is in de eerste plaats zichtbaar in de centrale overdekte hal van de hogere afdeling, maar ook in de open gangen ervan. De zorg voor het economische aspect ten slotte vertaalde zich in eenvoudige en compacte volumes, stevige en onderhoudsvriendelijke materialen zoals de met geëmailleerd staal afgedekte sandwichpanelen, en industrialisatie van het bouwproces door standaardisatie van de skeletstructuur en de gordijngevel. Die gordijngevel zorgt er ook voor dat het complex ondanks de lange bouwfase van bijna 25 jaar een zeldzaam homogeen geheel vormt met een hoge ensemblewaarde.

Het Provinciaal Handels- en Taalinstituut heeft stedenbouwkundige waarde als voorbeeld van de verwevenheid van architectuur en stedenbouw zoals die door Jan Tanghe vanaf de jaren zestig werd bepleit onder invloed van de hedendaagse Engelse architectuurtheorie en -praktijk: de projecten van de Great London Council, de opvattingen van architect Frederick Gibberd, de studies van de herwaardering van Engelse steden en hun patrimonium en het voorbeeld van geïntegreerde hedendaagse architectuur (in het bijzonder de universiteitscolleges) in historische steden zoals Oxford en Cambridge. De aandacht voor die stedenbouwkundige dimensie is duidelijk aanwezig in de opvatting van de administratieve vleugel. Deze vleugel speelt niet alleen in op de bestaande omgeving (met name het hoogteverschil tussen Abdisstraat en Henleykaai) maar fungeert tevens als een semipublieke verbinding tussen beide straten voor de buurtbewoners. Ook de rest van het complex getuigt van een grote aandacht voor zowel bebouwde als open ruimtes, in de eerste plaats door de inplanting van vier vleugels rond een grote groenzone, wat Tanghe zelf omschreef als een herinterpretatie van het kloosterpandpatroon.

De gordijngevel die bij de opeenvolgende bouwfasen van het Provinciaal Handels- en Taalinstituut gebruikt werd, illustreert het gebruik van zowel traditionele als innovatieve technieken en materialen (technische waarde). Het kader werd vervaardigd uit met roestvrij staal bekleed aluminium, de sandwichpanelen bestaan uit kurk maar kregen aan de buitenzijde een afwerking met geëmailleerd staal, een eerder traditioneel maar ook kwalitatief materiaal met een hoge resistentie waardoor de gevel tot op heden goed bewaard (herkenbaar) bleef. Zowel de sandwichpanelen als het glas werden in het kader geplaatst met raamkozijnen van neoprene (een synthetisch rubber). Deze toepassing was al lang gekend in de auto-industrie maar was op dat moment nog vrij innovatief in de bouw. Het werd voor het eerst toegepast in de door Eero Saarinen ontworpen bedrijfsgebouwen van General Motors (1949-1955) in Warren, Michigan (VS). Om deze gordijngevel te realiseren werden heel wat detailtekeningen gemaakt, zelfs één op één, door de architecten, de aannemers en de firma’s. Deze technische vernieuwingen in de naoorlogse gevelarchitectuur werden immers ontwikkeld door grote, toonaangevende firma’s zoals Chamebel (1933) en La Brugeoise & Nivelles (1956) die beide betrokken waren bij de uitvoering van de gordijngevel, al van bij de opmaak van het wedstrijdontwerp.

Het Provinciaal Handels- en Taalinstituut getuigt van de toenemende onderwijsactiviteit die de provinciale overheden in Vlaanderen ontwikkelden na de Tweede Wereldoorlog en vooral na de Schoolpactwet van 29 mei 1959 (historische waarde). In Oost-Vlaanderen trachtte het provinciebestuur op die manier om de economische stagnatie van de provincie in vergelijking met de andere Belgische provincies te counteren. De aanpassingen van de plannen in de jaren zestig en zeventig getuigen van het onverwacht grote succes van dit onderwijs. De aanwezigheid van andere provinciale hogescholen in de onmiddellijke omgeving zoals de verpleegstersschool aan de Nonnemeerssstraat (de allereerste provinciale school in Oost-Vlaanderen) en de kappersschool aan de Godshuizenlaan draagt bij tot de contextwaarde.

  • Privéarchief architectenbureau Serck.
  • Provinciearchief 3B/22-1267, 1270, 1295, 1688, 1731, 1762 en 1765; 31/47-2851, 2892, 2984, 2997-3000, 3009, 3011 en 3013.
  • Rijksarchief, Provinciaal Archief Oost-Vlaanderen (PAOV), Griffie 335 en 347/7; Provinciale Technische Dienst Gebouwen (PTDG) 548A-B, 568 en 631.
  • Stadsarchief Gent, archief Francis Serck, rollen 274-289.
  • Stadsarchief Gent, reeks G12 Bouwvergunningen, H/3/76, H/4/76, H/19/64 en H/50/77.
  • ARON J., BURNIAT P. & PUTTEMANS P. 1996: De hedendaagse architectuur in België. Gids, Brussel.
  • BARTHÉLEMY e.a. 1986: Provinciaal Handels- en Taalinstituut te Gent: architekten Groep Planning en F. Serck: kritische ontleding van het projekt, A+ 92, 16-21.
  • BEKAERT G. 1995: Hedendaagse architectuur in België, Tielt.
  • BEKAERT G. & STRAUVEN F. 1971: Bouwen in België 1945-1970, Brussel.
  • CORNILLY J. 2013: Ruimte voor bestuurders en ambtenaren, in: CORNILLY J., HELLEMANS B. & MIGOM S., Een huis voor de provincie, Antwerpen, 8-24.
  • DEBO R., JANUARIUS J., SPOLSPOEL J. e.a. 2017: Eeuwen ondernemen, 100 honderdjarige bedrijven vertellen hun verhaal, Gent-Mechelen.
  • DE CLERCQ M. 2012: Tussen tuinwijk en hoogbouw : architectuur tussen 1950 en 1975 in Gent, Lezingen Dienst monumentenzorg en architectuur, Gent, 13-21.
  • DEMEY A. e.a. 1992: Provinciaal Instituut voor Hoger Onderwijs, Henleykaai, Gent, Gent.
  • LAPORTE D. 1994: Architectuurgids Gent, Turnhout.
  • LIEVEVROUW P. e.a. 1997: Groep Planning, Verweven als leidraad 1966-1996, Brugge.
  • MESTDAG J. & VAN LANDSCHOOT R. 1996: 100 jaar Provinciaal Onderwijs Gent (1894-1994): feestbundel, Gent.
  • MÜLLER T. 2010: Das klassenzimmer = The classroom, Berlin.
  • Officiële processen-verbaal der zittingen van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, 1890-1985.
  • POULAIN N., DESEYN G., DUBOIS M. e.a. 1985: Gent & architectuur. Trots, schande en herwaardering in een overzicht, Brugge.
  • S.N. 1974: Feestbundel. Provinciaal Handels- en Taalinstituut Gent 1952-1977, Gent.
  • S.N. 1992: Provinciaal onderwijs. 70 jaar bouwen aan toekomst, Gent.
  • S.N. 1994: Erfgenamen van de English Club : Provinciaal onderwijs Gent, Gent.
  • STOOP M. (ed.) 1995: Walter Steenhoudt, Uit de loopbaan van een architect, 1995.
  • TANGHE J. 1968: La pensée urbanistique et architecturale en Grande-Bretagne, La Maison 24.4, 149-150.
  • TANGHE J. e.a. 1986: Group Planning Partnership, Vision and reality, Milaan.
  • THAU C. & VINDUM K. 2001: Arne Jacobsen, Kopenhagen.
  • VAN BOGAERT A.F. 1972: Logica en actie in de scholenbouw, Brussel.
  • VAN DE VOORDE S., WOUTERS I. & BERTELS I. 2015: Post-war building materials in housing in Brussels 1945-1975, Brussel.
  • VAN DE PERRE D. 2003: Op de grens van twee werelden. Beeld van het architectuuronderwijs aan het Sint-Lucasinstituut te Gent in de periode 1919-1965/1974, Gent.
  • S.N. 1987: Archis 9, 8.
  • VERPOEST L. 2003: Groep Planning, in: VAN LOO A. (ed.) Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 324-325.
  • VERPOEST L. 1992: Twee eeuwen scholenbouw, Brussel.
  • Mondelinge informatie verkregen van Francis Serck (21 december 2017 en 17 juli 2018).

Bron     : OnroerendErfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/44021/139.1, Provinciaal Handels- en Taalinstituut in Gent (VANDEWEGHE E. 2018).
Auteurs :  Vandeweghe, Evert
Datum  : 2018


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Provinciaal Handels- en Taalinstituut [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/306487 (Geraadpleegd op 13-12-2019)