erfgoedobject

Klooster, kapel en school van de zusters franciscanessen

bouwkundig element
ID: 7129   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7129

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het voormalige kloostercomplex van de zusters franciscanessen – missionarissen van Maria ligt op Stuivenberg, een wijk in Antwerpen-Noord binnen de 19de-eeuwse gordel. Het is gelegen in het zogenaamd “Kongoblok”, begrensd door Lange Kongo-, Pothoek- en Vlagstraat. De oudste, de Pothoekstraat, is de verbindingsweg tussen de Sint-Willibrorduskerk en het vanouds bestaande extra-muros gehucht Dambrugge (tot 1871 bij Merksem). Nog voor de bouw van het klooster werd vanuit de Pothoekstraat de “Congostraat” aangelegd (naamgeving bij Koninklijk Besluit van 26 juli 1892), in 1936 gewijzigd in “Lange” Kongostraat.

Het complex bestaat uit we drie U-vormige binnenruimten waarrond de oudere volumes zijn gegroepeerd en rechts de grote kloostertuin met nieuwbouwappartementen. De grootste binnenruimte, de speelplaats van de lagere school, wordt aan de oostzijde afgesloten door de kapel met uitspringende voorbouw (1910), aan de noordzijde door de aansluitende voormalige kloostervleugel (1891), aan de westzijde door de lagere school (1899) en aan de zuidzijde (straat) door de kloostermuur (1899). De twee kleinere meer noordelijk gelegen binnenruimten zijn van elkaar gescheiden door het voormalige patronaat en het oudste deel van de bewaarschool (1890), en sluiten aan bij het voormalige naai- en weefatelier aan de Vlagstraat (1903). De rechterbinnenplaats wordt aan de zuidzijde grotendeels afgesloten door voormelde kloostervleugel, voorst door overwegend twintigste-eeuwse vleugels. De linkerbinnenplaats, met muur en toegang aan de Pothoekstraat wordt aan de noordzijde afgesloten door de voormalige bewaarschool (1896) en aan de zuidzijde door overwegend twintigste-eeuwse vleugels, beide met aansluitende huizen nummers 108 en 110 aan de Pothoekstraat.

Ontstaansgeschiedenis van het klooster

De orde van de zusters franciscanessen – missionarissen van Maria werd in 1877 gesticht door Hélène de Chappotin de Neuville. Ze legde zich voornamelijk toe op buitenlandse missionering met in een aantal grote Europese steden huizen waar giften en bestaansmiddelen konden worden ingezameld. Om in hun levensonderhoud te voorzien zouden de zusters zich wijden aan onderwijs en catechese voor arme kinderen. Dit was ook het geval met het huis van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand dat vanaf 1889 werd opgericht in de Pothoek nabij Borgerhout. In deze armoedige buurt, gemeenlijk “de witte Congo” genoemd, werd op 19 februari 1890 ook de Sint-Eligiusparochie gesticht.

In november 1890 verwierven de zusters een terrein aan de Pothoekstraat voor de bouw van een bewaarschool en klooster. Hetzelfde jaar nog werd begonnen met de bouw van een patronaat waarvan de architect niet gekend is. De aanpalende bewaarschool naar ontwerp van architect Henri Thielens dateert van 1890-1891. Van 1891 ook dateren ontwerp en eerstesteenlegging van het klooster door de architecten Jean Le Roij en Antoine Van den Berghe-Le Roy, dat in 1910 respectievelijk met 11 meter (begane grond) en 4,50 meter (bovenverdiepingen) werd verlengd. In 1892 bouwden de zusters voor eigen onderhoud een schuur, koestal, bakkersoven en varkensstallen, eveneens naar ontwerp van de architecten Jean Le Roij en Antoine Van den Berghe-Le Roy. Tussen 1896 en 1899 breidde de kloostergemeenschap verder uit met de bouw van een bewaarschool aan de Pothoekstraat, de twee huizen met kloostermuur en toegangspoort ter hoogte van de nummers 108 en 110 aan dezelfde straat (1896) alsook de nieuwe lagere school met huishoudschool aan de Lange Kongostraat (1899), alle naar ontwerp van architect Henri Thielens. De bestaande gebouwen werden toen verlengd tot op de rooilijn van de Pothoekstraat. Nog in 1899 werd de kloostermuur aan de Lange Kongostraat opgetrokken. Na 1900 werd aan de Vlagstraat 22 een naai- en weefatelier gebouwd waardoor de kloostersite ook langs deze straat toegankelijk werd. De kapel, het fraaiste gebouw van de site, werd opgetrokken naar ontwerp van architect Jules Bilmeyer, die hiervoor tussen 1910 en 1914 vier bouwaanvragen indiende. Tot 1914 waren de gezusters de Geslin de Bourgogne, kloosterlingen van rijke afkomst, opdrachtgevers voor de bouwwerken. De meeste latere bouwaanvragen betreffen verbouwingen van de bestaande gebouwen en een beperkt aantal nieuwe toevoegingen.

Mettertijd wijzigden de oorspronkelijke functies van de gebouwen: de gelijkvloerse verdieping van het patronaat alsook de gelijkvloerse en eerste bovenverdieping van de bewaarschool en het aansluitende huis Pothoekstraat nummer 110 worden heden gebruikt door Sint-Jozef dagcentrum voor motorisch en mentaal gehandicapten en een deel van het huis Pothoekstraat nummer 108 door Kind & Gezin. Het grootste deel van de nog in gebruik zijnde oude gebouwen wordt ingenomen door de kleuter- en lagere school De Vuurtoren (voorheen Maris Stella), met name de gelijkvloerse verdieping van de lagere school (gedeeltelijk), een klein stukje van de kelder-, en de gehele gelijkvloerse en eerste bovenverdieping van het klooster, de twee verdiepingen van de verbindingsvleugel tussen kapel en klooster, de gelijkvloerse verdieping van de eerste bewaarschool en de gelijkvloerse verdieping van het vroegere naai- en weefatelier, alsook enkele recentere gebouwen rond de speelplaats die aansluit bij de toegang tot de Vlagstraat. Het overgrote deel van de gebouwen staat leeg, is onderkomen of zelfs bouwvallig; een deel wordt benut als berging. Van de bovengemelde gebouwen werd alleen het boerderijgedeelte gesloopt (1994).

Architectuur

Kapel

Laatneogotische kapel van 1910-1914 naar ontwerp van architect Jules Bilmeyer, waarvoor op 16 april 1910 een aanvraag werd ingediend, omschreven als bouw van een “kapel en bijhorigheden”. Op 17 juni daaropvolgend verleende het college de bouwtoelating. Ze behield haar religieuze bestemming tot in 1982 toen de zusters de school verlieten; vanaf dan tot in 2001 werd ze als turnzaal gebruikt en sindsdien staat ze leeg. Noord-zuidelijke oriëntatie met ingang aan Lange Kongostraat en verbinding met de kloostervleugel aan noordzijde. De afstand tussen hoofdingang en straat wordt ingenomen door een afsluitbare voortuin, waardoor rijtuigen konden voorrijden. De verbinding tussen kapel en klooster gebeurt over twee niveaus via de sacristie.

De plattegrond ontvouwt een L-vormige voorbouw, volgens plan met ingangen, spreekkamers, portiersloge en op de bovenverdiepingen slaapcellen voor de zusters, en een loodrecht aansluitende, transeptloze gebedsruimte met schip van zeven traveeën, koor van een halve rechte travee en smallere driezijdige sluiting; aan weerszijden van het schip zijn gesloten zijbeuken aangebracht en naast en achter de koorpartij zijn in het verlengde van de zijbeuken rechthoekige vertrekken, onder meer de vroegere sacristieën, en een trapzaal ingewerkt. De twee andere trapzalen bevinden zich links en rechts van de voorbouw. Naast de zijbeuken zijn, ter hoogte van het souterrain, aan weerszijden circulatiegangen uitgegraven met trappen naar de tuin.

Materiaaltechnisch is het een metselwerkconstructie van rode baksteen en cementmortel met gebruik van blauwe hardstenen speklagen, waterlijsten, dorpels, plinten, omlijstingen, buitentrappen, de bekroning van de topgevels, dekstenen en maaswerk; de meeste natuurstenen constructieonderdelen werden fijn gefrijnd. Andere toegepaste materialen zijn hout voor het schrijnwerk, helder glas naast gewone en gebrandschilderde glas-in-loodramen, en voor de dakbekleding natuurleien en roofing. Voor de draagstructuren in het souterrain werd gietijzer gebruikt en voor de dakspanten staal.

Exterieur: voorbouw van in totaal negen traveeën en twee à drie bouwlagen met centrale hoger opgaande kapelvleugel van drie traveeën, flankerende lagere vleugels van elk twee traveeën en een haakse uitbouw van twee op twee traveeën aan westzijde. Voorbouw en kapel zijn volledig onderkelderd. Steile zadeldaken (nok loodrecht en parallel met de straat) met spitse dakkapellen en kenmerkende schoorstenen. Lijst- en puntgevels op ruwe plint met getraliede keldervensters, verticaal gemarkeerd door steunberen, horizontaal door speklagen, waterlijsten, eenvoudige kroonlijsten of aandaken op schouderstukken. Rond-, spitsboog- en pseudo-kloostervensters (getralied op de begane grond); spiegelboogdeuren met bovenlicht, houten vleugeldeur, smeedijzeren beslag. Drieledig opgebouwde kapelgevel, geaccentueerd door een risalietvormende middentravee met in de eerste geleding de inkompartij met dubbele bovenlichten in een geprofileerde spitsboog op ranke zuiltjes, in de tweede vier gekoppelde, gelijkaardig omlijste spitsboogvensters onder een reeks wapenschilden, in de derde een monumentaal, vierdelig spitsboogvenster met omlijsting en maaswerk. Gevelbekroning met uitkragend achthoekig torentje op getrapte console, met opengewerkte houten klokkenstoel, ingesnoerde leien spits en smeedijzeren kruis, wellicht geïnspireerd op een ontwerp van 1878 door ingenieur architect Joris Helleputte voor de kapel van de franciscanen conventuelen aan het Herbert Hooverplein in Leuven. Naar het noorden toe uitgebouwd schip en koor (confer plattegrond) met ritmerende steunberen per travee (volume confer plattegrond), gemarkeerd door enerzijds de parallel aansluitende zijbeuken van één of twee bouwlagen onder plat dak (de eerste aan oost-, de tweede aan westzijde) en de overdekte circulatiegangen onder lessenaarsdak, anderzijds door de loodrecht aansluitende trapzalen onder zadel- en plat dak (respectievelijk ter hoogte van de voorbouw aan de west- en ter hoogte van de eerste travee en de sacristie aan de oostzijde); in de lagere volumes naast de trapzalen zijn ter hoogte van de bordessen toiletten ingebouwd. Ter hoogte van het souterrain zijn per travee dubbele beglaasde deuren ingebracht. De zijbeuken (niveaus 1 en 2 aan de west- en niveau 1 aan de oostzijde) vertonen zesdelige segmentboogvensters, de lichtbeuken (niveau 3 aan de west- en niveaus 2 en 3 aan de oostzijde) telkens twee spitsboogvensters per travee. De golfplaten afdaken met smeedijzeren structuur boven de buitencirculatie van het souterrain sluiten aan op de zijgevels. Het hoogteverschil tussen de tuin en deze gangen wordt afgeschermd met een smeedijzeren balustrade met verticale stijlen en bloemornamenten. Een gelijkaardige balustrade is aangebracht aan de platte daken van de oostelijke zijbeuk en -sacristie.

Interieur: bepleisterd en beschilderd interieur op omlopende arduinen plint; opgaande muren en vensteromlijstingen met afwerking in imitatienatuursteen (schijnvoegen). Pilasters met op ooghoogte polychrome voorstelling van omcirkelde maltezerkruisen. Vloeren van granito met mozaïekinvullingen (schip), parket en witte marmer (koor). Drieledig wandschema met lijstwerk, de onderste geleding met grote spitsboogdoorbrekingen tussen midden- en zijbeuken (rechte koortravee + vier traveeën van het schip) voorzien van dubbele houten deuren met groen gekleurde, ruitvormige glas-in-loodbeglazing, de tweede geleding met gelijkaardig beglaasde, gekoppelde spitsboogvensters per travee met aan de westzijde schuiframen die uitgeven op de verdieping van de zijbeuk zodat zieke zusters van hieruit de viering konden volgen, de derde geleding met gebrandschilderde glas-in-loodramen (confer infra). Spitstongewelf met stalen spanten (gordelbogen), dito trekstangen en een houten structuur, ondersteund door colonetten met knoppenkapiteel en sokkel, die samen met de pilasters en de alternerende spaarvelden het rijzige karakter van het interieur bepalen. Doksaalzijde met diepe spitsboognissen met orgel op de derde bouwlaag en driezijdige zangtribune met smeedijzeren balustrade met verticale stijlen, bloem- en vierpasmotieven op de tweede. Souterrain van de kapel met draagstructuur van gietijzeren kolommen op blauwe hardstenen sokkels, stalen I-profielen en stalen liggers van de bakstenen troggewelven. Onderverdeling in kleinere ruimten door middel van gipskartonnen wanden. Betegeling tot op 1,50 meter van de wanden rondom rond. Natuurlijk lichtinval vanuit de circulatiegangen die met lichtdoorlatende luifels overdekt zijn. Granitovloeren, ook in de buitencirculatie. Houten trappen en dito vloeren op de bovenverdiepingen. Stalen dakspanten met houten gordingen en kepers.

Mobilair: uitgezonderd de twee altaren, het orgel en de glas-in-loodramen is al het mobilair verwijderd. Verhoogd platform met bewaarde witstenen altaartafels van hoofd- en dienstaltaar. Romantisch orgel door Georges Cloetens, ingewijd op 22 mei 1913. Bovenste geleding van schip, koor en doksaal met 35 gebrandschilderde glas-in-loodramen uit het Antwerpse atelier Stalins & Janssens, ontworpen door Augustin Stalins in 1911, doch vermoedelijk pas na de Eerste Wereldoorlog uitgevoerd. De voorgestelde heiligenfiguren en de gegevens in verband met de schenkers houden verband met de orde en het verhaal achter de kapel: Franciscus, Maria Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand, Clara, Jozef, Rafael, Paulus, Marcus, Johannes, Johannes de Doper, Elisabeth, Paschalis, Tarcitius, Alfonsius, Joris, Augustinus, Juliana, Agnes, H. Maagd Maria en Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, Michael, Petrus, Mattheus, Lucas, Anna, Helena, Dominicus, Fernandez, Eligius, Jeanne d’Arc, Pius IX, Ambrosius, Cecilia, Christus - Alfa-Omega, Christus met Engelen (drie ramen).

Klooster

Exterieur: volledig onderkelderde langgerekte vleugel van drie bouwlagen onder afgewolfd zadeldak met dakruiter (leien, nok parallel en loodracht Lange Kongostraat), bestaande uit twee linkervolumes van 1891 naar ontwerp van de architecten Jean Le Roij en Antoine Van den Berghe-Le Roy, met name de acht traveeën met lijstgevel en het aanpalend volume met puntgevel ter hoogte van de kapel, en één rechtervolume, met name de bij de bouw van de kapel in 1910-1914 trapsgewijs opgebouwde uitbreiding van respectievelijk 11 meter op de begane grond en 4,50 meter op de bovenverdiepingen. Metselwerkconstructie van rode baksteen en cementmortel met gebruik van blauwe hardstenen, dorpels, plinten, dekstenen en het aandak van de puntgevel. Houten schrijnwerk. Sober uitgewerkte gevels met versneden steunberen per travee, afgesloten met een metselwerkboogfries onder houten kroonlijst. Begane grond en eerste bovenverdieping met grote zesdelige segmentboogvensters, derde bouwlaag met gekoppelde spitsboogvensters. Enkele later aangepaste muuropeningen.

Interieur: van het oorspronkelijke interieur bleef vrijwel niets bewaard. Gelijkvloerse en eerste bovenverdieping werden omgevormd tot refter en klaslokalen; alleen de granitovloer in de gang en de houten trap zijn nog origineel. Op de tweede bovenverdieping en de zolder bleef de onderverdeling in “chambretten” bewaard.

Kloostermuur

Hoge bakstenen kloostermuur van 1891, in zichtmetselwerk aan voor- en achterkant van de tuin, witgeschilderd aan de speelplaats. De gesegmenteerde opbouw vertoont grote rechthoekige muurvlakken met plint, spaarvelden, aflijnend lijstwerk en dekstenen alternerend met hoog oprijzende steunberen onder natuurstenen ezelsrug. Verhoogde eerste travee met omlijste segmentboogpoort als toegang tot de school. Lagere muur met afwerking van ruwe blokken hardsteen ter hoogte van de kapel.

Tuin

De oorspronkelijke tuin reikte tot aan de Potvliet, die de grens vormt tussen Antwerpen en Borgerhout. Een eerste stuk werd verkocht om er het appartementenblok Leyenhof op te trekken, een tweede stuk werd vanaf 1980 bebouwd met nieuwe appartementen voor de zusters. De nog steeds aanzienlijk grote tuin is aan voor- en achterzijde begrensd door de oorspronkelijke kloostermuren uit 1891 en momenteel opgedeeld in twee grote percelen met verschillende fruitbomensoorten: appelen (renet), peren, perzik, kers, okkernoten, verder hazelaar, linde, vlier en hulst en drie monumentale treurwilgen. Tussen de fruitbomen loopt in het midden van het perceel parallel aan de straat een pad dat geflankeerd wordt door rozenstruiken. Ligusterhagen zorgen voor bijkomende verdelingen ter hoogte van de kapel waar ook een grot voorkomt. Planten die vroeger reeds in de tuin groeiden zijn: meiklokjes, stokrozen, boshyacint, maagdenpalm, tulpen, pioenrozen, oosterse papaver, framboos, buxus, asters, guldenroede, forthysia, weigelia, rabarber, helicantus, enzovoort. Serrebakken in metselwerk verwijzen naar de vroegere tuinbouwactiviteiten van de zusters. De kloostermuren zijn begroeid met klimop, de voorgevel van de kapel met wingerd. Een tiental gezinnen uit de buurt onderhouden de tuin met respect voor de bestaande structuur en genieten in ruil van de opbrengst.

Bewaarschool

Evenwijdige schoolvleugels aan de Pothoekstraat, verbonden door afsluitmuur met korfboogpoort links. Verankerde baksteenbouw van twee bouwlagen onder leien zadeldaken (nok loodrecht op de straat). Aan straatzijde: trapgevels met natuurstenen banden, overhoekse topstukken, kruiskozijnen, spiegelboogdeuren en sierankers. Lijstgevels aan speelplaats met decoratieve baksteenfries en segmentboogvensters.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1890#1466, 1891#817, 1891#1086, 1892#1298, 1896#462, 1896#1196, 1902#2551-2552, 1903#9, 1910#1065 en 1914#5710.
  • Cindy Wynants, Restauratie en reconversie van de neogotische kloosterkapel van de zusters franciscanessen-missionarissen van Maria te Antwerpen, onuitgegeven nota, Hogeschool Antwerpen, Departement Ontwerpwetenschappen, Master in de Monumenten- en Landschapszorg, Academiejaar 2005-2006.

Bron     : Beschermingsdossier DA002464
Auteurs :  Plomteux, Greet


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Klooster, kapel en school van de zusters franciscanessen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7129 (Geraadpleegd op 16-09-2019)