Geografisch thema

Hazegras

ID: 14518   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14518

Beschrijving

Wijk van Oostende; herwaarderingsgebied (B.S. van 30.10.1987) met nadruk op woon- en openbare functie, naast de militaire functie van de kazerne. Gelegen in de noordoostelijke hoek van de vroegere Sint-Catharinapolder, vanaf 1584 deel van de "Historische Polders van Oostende", ingedijkt in 1746. Hazegras is te situeren ten zuiden van de oude binnenstad van Oostende, met als noordgrens de jachthaven, als zuidgrens het Maria-Hendrikapark, ten oosten de haven en ten westen de Verenigde Natieslaan. De belangrijkste doorgangsweg is de Graaf de Smet de Naeyerlaan, aangelegd in 1899, die naar de haven leidt (cf. Oostende-Haven). Op de Brandariskaai wordt in 1988-1989 een nieuw tramstation aangelegd, van waaruit tramverkeer naar de hele kuststreek vertrekt.

De benaming "Hazegras" verwijst vermoedelijk naar de natuurlijke begroeiing van de ingepolderde schorren; komt voor het eerst voor in 1786. Tijdens het Oostenrijks bewind aangeduid als "Nieuwe stad bezuiden de dokken" of "Al den overcant van de bassin". Bij de administratieve indeling van de Fransen in 1794 was dit de veertiende wijk met de naam "Nieuwe stad over de bassin" of in 1796 "Section des Corderies".

De aanleg van drie handelsdokken ten zuiden van de binnenstad tussen 1776 en 1781, is de aanleiding voor Oostende om over te gaan tot uitbreiding van het territorium van de stad naar het zuiden en westen. Thomas De Grysperre en Lt. Kolonel De Brou maken de plannen op. De zuidelijke stadswallen worden in 1781-1782 geslecht: ten noorden van de handelskommen wordt een commerciële residentiewijk gepland; ten zuiden van de kommen, later "Hazegras" genoemd, moeten industrieën en magazijnen gevestigd worden, naast woongelegenheden voor ambachts- en zeelieden. Ten westen van de stad worden enkel de buitenwerken genivelleerd voor een nieuwe wijk zonder specifiek stedelijk karakter.

De zuidelijke uitbreiding wordt bij de vrijhavenstad gevoegd en van het resterende poldergebied afgesloten door een eenvoudige ringmuur. Tot eind 1783 wordt het gebied slechts gebruikt als werfruimte voor de handelskommen, ten noorden is er sinds 1765 een oesterput aanwezig van de gebroeders De Looze. Er is nog geen behuizing of stratentracé aanwezig, behalve een rudimentaire weg, de latere Polderstraat. Vanaf 1784 interesse van industriëlen, vooral voor de gronden in de noordoostelijke hoek langsheen de Amerikaanse Kreek en de Sint-Catherinakreek: exportgerichte en vervuilende industrieën zoals traansmelterijen.
In 1785 wordt het stratenplan goedgekeurd: zeventien bouwblokken in dambordpatroon met straten van 15 m. breed die nu nog steeds hun oorspronkelijke namen dragen; ten zuiden van de Sint-Thomasbrug tussen het eerste en tweede dok, op het geslechte ravelijn, een groot plein, "Place Neuve". Voor de huizen worden bouwvoorschriften opgesteld: minstens twee bouwlagen hoog; gevels uitgevend op de Nieuwe Markt moeten aansluiten bij de Keizerskaai (cf. Vindictivelaan). In 1788 komt het zuidelijk industriegebied van lijndraaierijen tot stand, tegen de zuidelijke omwallingen. In 1790, start van de behuizing van de bouwblokken. In 1792 stichting van een brouwerij tussen de Polder- en Lijndraaiersstraat.
Onder de Fransen, in 1798, worden de eigenaars verplicht om de percelen te bebouwen: deze maatregel versnelt de bebouwing aanzienlijk. Eind 18de eeuw is Hazegras een woonwijk in wording, omringd door industrieën; in hoofdzaak bewoond door arbeiders, ambachtslieden en vissers; gegoede burgers in de buurt van de Nieuwe Markt.

Vanaf 1794 voorzien de Fransen een verdere stadsuitbreiding in zuidelijke richting, waarrond een omwalling met vier bastions en een ravelijn, uitgevoerd ca. 1804. Onder het Hollands bewind wordt die versterking uitgebreid met een brilschans; het terrein tussen de stad en de zuidoostelijke bastions wordt ingericht als militair fort met hospitaal, legermagazijn, kazerne, poedermagazijn en later een opslagplaats voor artillerie.

In 1820 worden de vernieuwde dokken ingehuldigd. Aan de westelijke kant van de wijk wordt een arm van de Sint-Catharinakreek uitgegraven om het overtollige water uit de polder via de Amerikaanse kreek naar de geul af te leiden. Ten oosten van die arm wordt in 1829 het eerste park van Oostende aangelegd: het Leopoldpark, oorspronkelijk "Jardin Public", gr.m. te situeren tussen het Vuurkruisenplein en de J. Bauwensschool (cf. Oostende). Het park moet in 1838-1839 wijken voor de aanleg van het eerste station van Oostende naar ontwerp van A. Payen (Brussel) tussen 1840 en 1844, de westelijke terminus op de nieuwe spoorlijn Gent-Oostende, gelegen aan de "Nieuwe Markt", sindsdien "Stationsplein" geheten.

Omdat het bevolkingsaantal groeit, wordt het Hazegras in 1861 een aparte parochie. De bouw van de kerk naar ontwerp van architect F. Laureys (Oostende) wordt in 1862 gestart, de "O.-.L.-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenis" wordt ingewijd op 1 november 1864.

In 1865 wordt Oostende van haar vestingfunctie ontheven: het gebastioneerd vestingstelsel wordt afgebroken tussen 1865 en 1875 en door een nieuwe stadsuitbreiding vervangen. De gebouwen ten zuiden van de Hazegraswijk blijven als kazerne functioneren: de bijhorende drie bastions blijven bestaan, de twee voltooide ravelijnen worden in het toenmalige "Bois de Boulogne" opgeslorpt. Een ander gevolg van het slopen van de vestingen is het bouwen van een nieuwe kaai met zeestation ten oosten van Oostende in 1871 (cf. Oostende-Haven). De sporen krijgen een nieuw tracé, wat repercussies heeft op het Hazegras: de twee molens aan de westelijke kant van de wijk worden in 1865-1866 onteigend, de Amerikaanse kreek wordt in 1867-1869 gedempt en de sporen doorkruisen het Stationsplein. Eveneens in 1871 besluit men het spoorwegstation van 1844 te vergroten om het groeiende toerisme aan te kunnen: het "Nieuw Station" naar ontwerp van architect F. Laureys (Oostende) wordt gebouwd tussen 1880 en 1882; het oude station wordt in de westelijke gevel geïncorporeerd.

In 1876 krijgt de Duitse landschapsarchitect E. Keilig van Leopold II de opdracht de in onbruik zijnde zuidbastions in een globale parkaanleg (het huidige Maria Hendrikapark) te betrekken. Pas in 1888 wordt met de werken gestart, afgewerkt in 1892.
In het kader van de grootschalige herinrichting van het havengebied onder impuls van Leopold II (cf. Oostende-Haven), krijgt de stad in 1899 toestemming tot de aanleg van een nieuwe noord-zuid-laan dwars door de wijk, de Graaf de Smet de Naeyerlaan, met aansluitend de nodige bruggen. Daarvoor worden de gebouwen van de lijndraaiers, de huizen aan westkant van de Goede Windstraat en een groot deel van de oude kazerne afgebroken. Er wordt in de zuidwesthoek een nieuwe kleinere kazerne opgericht, in het begin van de 20ste eeuw uitgebreid met de *Bootsman Jonsenkazerne naar ontwerp van L. dela Censerie (Brugge). Op de terreinen aan de andere kant van de nieuwe laan, creatie van nieuwe bouwblokken in dambordpatroon.

De functie van de wijk blijft vanaf de 19de eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog dezelfde als in de 18de eeuw. Er zijn industrie en ambachten aanwezig, gelieerd met de nabijheid van de haven, o.m. de ijskelder en de scheepswerven van Hamman op de Slachthuiskaai, oesterputten, lijndraaiers; het slachthuis van de stad heeft van 1882 tot 1995 een belangrijke functie voor het Hazegras. Ook de bewoning is constant: een dichtbevolkte, vanaf de tweede helft van de 19de eeuw verarmde arbeidersbuurt, met uitzondering van de middenklasse langs het Vandersweepplein en de Graaf de Smet de Naeyerlaan.
De nabijheid van de haven, het station en vooral de kazerne, maakt van het Hazegras een beruchte uitgaansbuurt met talrijke cafés, herbergen, danszalen en hotels, o.m. Hotel d'Allemagne van A. Stracké in de Polderstraat; dit zorgt er ook voor dat een politiekantoor noodzakelijk is vanaf 1855, eerst langs de Stapelhuiskaai, later op het Vandersweepplein (cf. Ernest Feysplein). Oprichting in de wijk van kosteloze scholen in de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw door de stad en kloosterorden.

Zware beschadigingen in de Eerste Wereldoorlog; in jaren 1920-1930 grootschalig herstel van de wijk en bebouwing van een aantal straten met interbellumgevelensembles, o.m. zuidelijk deel van de Graaf de Smet de Naeyerlaan en Vaartstraat.
De vernielingen van de Tweede Wereldoorlog komt de wijk nooit te boven; o.m. totale kaalslag van het gebied tussen het Ernest Feysplein en de spoorweg. Op die plaats inplanting van de Stedelijke Hotelschool in 1956-1957. Een andere grote school in de wijk is de Stedelijke Visserijschool "John Bauwens" (1963) langs Mercatorlaan naar ontwerp van stadsingenieur A. De Vos.
Grootschalige urbanisatieplannen van 1945 naar ontwerp van J. Eggericx in samenwerking met stadsingenieur A. De Vos, met als basis aanleg in 1956 van het Vuurkruisenplein van waaruit de Verenigde Natieslaan, Leopold II- en Leopold III-laan vertrekken. Daarbij verdwijnen veel straten, o.m. de Werfkaai en de Polderstraat, en gebouwen, o.m. politiekantoor naar ontwerp van architect G. Vandamme (Oostende) en station naar ontwerp van architect F. Laureys.
In de jaren 1970 inplanting van dienstensector in de wijk: nieuw goederenstation op de Brandariskaai, in de Lijndraaiersstraat Ministerie van Financiën in 1977 en Administratief Centrum in 1982. Verdere uitbouw van deze functie in het kader van herwaarderingsgebied sinds 1983: tramstation in 1988-1989 langs de Brandariskaai en postsorteercentrum op de plaats van het oud slachthuis in 1995 naar ontwerp van het Oostends architectenbureau Felix-Glorieux (functieverschuiving van binnenstad naar Hazegras). Tweede luik van het herwaarderingsproject: sociale woningbouw door bouwmaatschappijen "De Gelukkige Haard" en "De Oostendse Haard", waarvoor bouwblokken worden vrijgemaakt, o.m. afbraak van de kerk in 1996 en de huizenrij Graaf de Smet de Naeyerlaan nrs. 2-10.

In dambordpatroon aangelegde wijk met dichte bebouwing, beheerst door de kazerne in het zuiden; oorspronkelijk centrum van de wijk is het Ernest Feysplein. Basisbebouwing ten noorden van de Lijndraaiersstraat (eerste stadsuitbreiding) daterend van de tweede helft van de 19de eeuw of het eerste kwart van de 20ste eeuw: vnl. burgerhuizen in neoclassicistische of eclectische stijl met neo-Vlaamse renaissance-invloed; meestal enkelhuizen van twee à drie traveeën en twee à drie bouwlagen onder zadeldak; ook school- en nijverheidsgebouwen uit die periode. Zuidelijk gedeelte van de wijk (tweede uitbreiding) bebouwd met kazerne in het westen en vier bouwblokken met interbellumbasisbebouwing in het oosten: enkelhuizen van twee traveeën en drie à vier bouwlagen, getypeerd door over verschillende verdiepingen doorlopende erker en gebruik van cementering voor verticaliserende accenten, vooral in de vensterpartijen. Daarbij zijn vaak dezelfde mensen aan het werk, o.m. architect A. Devreese (Oostende), architect A. Vereecke (Middelkerke) en aannemer I. Lingier (Bredene). Doorsnee heropbouwarchitectuur. Urbanisatieplannen sinds jaren 1970 maken bebouwing minder gesloten en brengen administratieve en openbare functies in de wijk.

DREESEN J.-B., Het Hazegras, in De Plate, 1986, p. 19.
DESCHACHT D., Straatnamen van Oostende van A tot Z, Oostende, 1998.
LOGGHE F., Het Hazegras. De verloren rijkdom van een wijk. Een greep uit de geschiedenis, Oostende, 1999.


Bron     : Callaert G., Delepiere A.-M., Hooft E., Kerrinckx H. & Vanneste P. met medewerking van Santy P. & Snauwaert L. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Oostende, Deel IA: Stad Oostende, Straten A-M, Deel IB: Stad Oostende, Straten N-Z en wijken Haven, Hazegras, Opex, Deel II: Deelgemeenten Mariakerke, Raversijde, Stene en Zandvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL6, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed


Relaties