erfgoedobject

Historische stadskern van Herentals

archeologisch geheel
ID: 140033   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140033

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Herentals is een stad van ongeveer 27.000 inwoners (2014) en is gelegen in het centrum van de provincie Antwerpen en de Kempen, langs de Kleine Nete. De Kleine Nete zelf flankeert de noordelijke stadsvesten en de Molennete, een aftakking van de Kleine Nete, stroomt door het noordelijke stadsdeel. De stad is gelegen op het uiteinde van een oost-west georiënteerde dekzandrug die de Netevallei flankeert. Het zuidelijke deel van de stad is hoger gelegen (ca. 15 m TAW) dan het noordelijke deel dat afhelt naar het alluviale gebied van de Kleine Nete en Molennete (ca. 12 m TAW).

Op bodemkundig vlak is Herentals gelegen in de regio Kempen die gekenmerkt wordt door zandgronden. Het zuidelijke deel van de stad met als kern de Sint-Waldetrudiskerk, is gelegen op de hogere en drogere zandgronden die in de onmiddellijk omgeving van de stad gekarakteriseerd zijn door de aanwezigheid van een plaggendek. Het noordelijke stadsdeel is gelegen op eerder natte alluviale zandgronden.

Op het gewestplan staat heel de historische kern van Herentals ingevuld als woongebied waarvan de zone rond de Sint-Waldetrudiskerk, de Grote Markt, het Besloten Hof van de norbertinessen en in het noorden de kleine zone rond de Benedenpoort en het Begijnhof aangeduid zijn als woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. De zone ten westen van het Sint-Elisabethgasthuis is voorbehouden als woonuitbreidingsgebied. Ten westen van deze woonzone is nog een kleine zone grenzend aan de Kleine Nete als natuurgebied ingekleurd. Net ten noorden van de Neteloop valt een klein deel van een recreatieve zone binnen de afbakening. De meest noordelijke zone van de vesten is voorzien als parkgebied. Ter hoogte van de Begijnenvest in het oostelijke deel van de stad, valt nog een klein deel groenzone binnen de afbakening.

Archeologische nota

De archeologische kennis over Herentals is vrijwel nihil. De archeologische interventies bleven voor 2004 beperkt tot zeer kleinschalige ingrepen naar aanleiding van werfcontroles. Vanaf 2004 vond op enkele plaatsen een beperkt vooronderzoek plaats.

Over de pre-stedelijke occupatiegeschiedenis zijn tot op heden geen gegevens voorhanden.

De historische gegevens staan beschreven in het werk van Goris (Goris 1969; Goris 1975; Goris 1990) waarop dit korte overzicht gebaseerd is. De oorsprong van Herentals zou teruggaan op een vroegmiddeleeuws villadomein (villam de Hernehals) dat als onverdeeld allodium op een niet gekend tijdstip in handen kwam van het kapittel van reguliere kanunnikessen van Bergen en waaruit zich de Sint-Waldetrudiskerk en de parochie van Sint-Waldetrudis ontwikkeld hebben. Over de aanwezigheid van een mogelijk oudere bidplaats op dit domein is niets gekend. Het patrocinium is gewijd aan de in 1039 heilig verklaarde 7de-eeuwse adellijke vrouw die het klooster van Chateaulieu stichtte waarrond zich de stad Bergen ontwikkelde en waar zich de moederkerk van de reguliere kanunnikessen bevond (zie ook Cools, 1997, 3-4).

De eerste vermelding van ‘Herentals’ duikt pas op in een pauselijke bul uit 1147-1150. Wellicht ging het om een nederzettingskern die zich ten noorden aan de Neteloop ontwikkelde. Herentals had dus oorspronkelijk twee kernen, een kern in kerkelijk bezit op een ouder domein ten zuiden en een nieuwere economische kern, de villa nova, ten noorden. Deze ontwikkeling verklaart ook de langgerekte peervorm van de latere stad.

Omdat de belangen van de twee gemeenschappen voor conflicten zorgden, greep Hendrik I, hertog van Brabant, in en stichtte in oktober 1209 de stad Herentals op het goed van de reguliere kanunnikessen van Bergen waarvan hem vanaf dan ook ten dele de rechten en inkomsten toekwamen. De stad had vanwege de ligging op de kruising van twee belangrijke handelslijnen, de economisch belangrijke landweg Brugge-Antwerpen-Maastricht-Keulen en de waterweg van de Kleine Nete, een belangrijke strategische positie binnen het hertogdom Brabant. In eerste instantie ontwikkelde de nieuwe stad zich voornamelijk in het noordelijke deel met o.a. de oprichting van het Elisabethgasthuis (voor 1253) en het oude begijnhof (voor 1266). Van deze instellingen resteren nog verschillende monumentale resten.

Jan II reikte in 1303 een stadskeure uit die de administratie, wetgeving en rechtspraak regelde. Reeds voor het einde van de 13de eeuw ontwikkelde Herentals zich dank zij de plaatselijke lakennijverheid tot een belangrijke economische speler in het hertogdom Brabant. Het politieke belang van de stad blijkt uit het uitroepen van Herentals tot hoofdstad van het markgraafschap in 1356 ter vervanging van Antwerpen dat toen naar het graafschap Vlaanderen werd overgeheveld. De oprichting van de Latijnse school in de eerste decennia van de 14de eeuw gaf een belangrijke impuls op cultureel vlak. In de 15de eeuw zagen twee nieuwe kloosterstichtingen het licht: het Besloten Hof van de norbertinessen in 1410 en het minderbroedersklooster in 1472. Uit diezelfde bloeiperiode stammen de gotische Sint-Waldetrudiskerk (14de-15de eeuw) en de lakenhal/stadhuis (15de eeuw). Deze gebouwen zijn nog bewaard, zij het soms in verbouwde toestand.

Onder de huidige Sint-Waldetrudiskerk (1417-1449: koor; 1453-1479: schip; 1901: torenspits) zitten wellicht de funderingen van oudere kerkfasen verborgen (zie ook Cools, 1997). Deze kerk is echter nog nooit het onderwerp geweest van archeologisch onderzoek. Rond de kerk zijn verder ook sporen van de oudste (vroeg)middeleeuwse bewoningskern te verwachten.

De lakenhal is rond het begin van de 15de eeuw opgetrokken en stond geciteerd als ‘gulden huys’, ‘meethuys’ en ‘loter huys’. Vanaf 1430 deed het ook dienst als stadhuis. Bij de heropbouw na een brand (1512) werd een belfort toegevoegd (1534). De restauratiewerken van de Lakenhal gingen gepaard met een archeologische werfbegeleiding (Smeets, 2010). Deze bracht (paal)sporen, kuilen, uitbraaksporen en ophogingslagen ouder dan de bouw van de Lakenhal aan het licht, alsook de funderingen en oude bouwelementen (o.a. een oude haard) van de Lakenhal zelf. De paalsporen worden gezien de marktfunctie van dit areaal, in verband gebracht met marktkramen en andere bouwsels (met archeologisch vondstenmateriaal vanaf de tweede helft van de 12de eeuw tot de 14de/15de eeuw). De uitbraaksporen zouden afkomstig zijn van een ouder gebouw, mogelijk het oorspronkelijke gebouw uit het begin van de 15de eeuw. De vondsten uit de ophogingslagen wijzen op een datering in de 15de en 16de eeuw, de periode van de heropbouw van de Lakenhal na de brand van 1512.

Over het ontstaan van de stadsomwalling is nog zeer weinig gekend. De oprichting van de stad in 1209 hield ook het recht tot stadsomwalling in maar het is niet geweten wanneer de oudste omwalling tot stand is gekomen (zie ook Pluys 2004, 27). De oudste vermeldingen van Bovenpoort alias Hoogpoort, poort van Diest of Hooge Poort en Zandpoort alias Sandpoorte of Antwerpsche Poort gaan terug tot resp. 1361/1389 en 1400/1402. De andere poorten, Nederpoort of Neerpoort, Benedenpoort, Bredaelse Poort of Bospoort en Koepoort of Coeijpoort zijn reeds vroeg in de 19de eeuw afgebroken. De tussenliggende wallen waren echter opgeworpen uit aarde. Deze aarden omwalling is eveneens in de 19de eeuw afgegraven: resten ervan zijn nog zichtbaar ter hoogte van de Nonnenvest en de Begijnenvest. De walgracht werd ten dele gevoed door de Nete. Om de waterhuishouding binnen de stad te regelen waren er dammen en sluizen op aangebracht (zie ook Pluys 2004, 28). Het tracé van de verdwenen omwalling is nog zichtbaar in het stratenpatroon. Terwijl graafwerken aan de Bovenpoort niet archeologisch beleid werden, vond in 2007, naar aanleiding van de restauratie van de Zandpoort, wel een beperkt archeologisch onderzoek plaats dat sporen van de toestand voor 1643 en van latere herstellingen aan het licht bracht (Vandegehuchte e.a. 2007).

Ook in de 16de eeuw bleef de bloei van Herentals stand houden. Vele monumenten werden gebouwd (o.a. het Vleeshuis) of verbouwd (o.a. de Lakenhal).

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) had Herentals als garnizoensstad veel te lijden zodat in de 17de eeuw de economische rol van de stad uitgespeeld was. Herentals was enkel nog van betekenis als lokaal marktcentrum en kende een terugval van bevolking. In deze periode deed de orde van de Augustijnen zijn intrede (1613 met voltooiing van het klooster in 1727). De orde werd ontbonden in de Franse revolutie. Het infirmeriegebouw van het klooster bleef in gebruik als brandweerkazerne. Vanaf 1578 is de Herentalse stadsomwalling om militair-strategische doelstellingen verkleind tot achter de Nete en zijn de stadspoorten onder militaire invloed aangepast tot een systeem van vooruitspringende vijfhoekige bastions en schansen in aarde (Pluys 2004, 27, 29-51; Vandegehuchte e.a. 2007, 2). Door de verkleining van de stadsomwalling vielen het oude begijnhof en een artisanale zone buiten de muren. Het begijnhof werd in 1578 gesloopt maar het areaal kreeg tijdens de Spaanse bezetting vanwege de strategische ligging, de functie van Spaans Fort. Een archeologische werfbegeleiding bracht in deze zone oudere uitbraaksporen en bakstenen muurfunderingen uit de 16de eeuw aan het licht (archief Onroerend Erfgoed 2001). Een noodopgraving van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium na een toevalsvondst van muren ter hoogte van de Sint-Antoniusstraat bracht er een stuwmuur of beer en een verdedigingstoren ingebed in de aarden stadsomwalling aan het licht (Van Iseghem 2004). De stuwmuur had als functie om het water van de gracht op te houden en stond dus loodrecht op de gracht waardoor een extra verdediging noodzakelijk was (de toren). Deze constructie dateerde uit de 16de eeuw, de periode van de Tachtigjarige oorlog, en bleef nog langdurig in gebruik.

Een van de taferelen van de Boerenkrijg (einde 18de eeuw) speelde zich af in de straten van Herentals (slag bij Herentals in 1798) door toedoen van boerenleider L.J. Heylen. De vesten en bolwerken waren in deze periode al in verval (zie ook Pluys 2004, 51-55).

Onder invloed van de toenemende industrialisatie kent Herentals in de 19de en 20ste eeuw een nieuwe economische impuls waar ook de ontwikkeling van de buurtspoorwegen en de aanleg van het Kempens Kanaal (1839-1856, gedempt op Herentals’ territorium in 1940) en het Albertkanaal (1935-1939) een belangrijke rol innemen.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een pre-stedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdende met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimtes tussen de bebouwde kern en strategische elementen zoals de rivieroever worden mee opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Onroerend Erfgoed Zellik, gemeentedossier Herentals, ongepubliceerd verslag (s.n., 2001).

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20.000.

COOLS J. 1997: De Sint-Waldetrudiskerk te Herentals. Gids voor de bezoeker, Herentals.

GORIS J.M. 1969: Bijdrage tot de aloude geschiedenis van de stad Herentals, Herentals.

GORIS J.M. 1975: Herentals, momumentenstad, Herentals.

GORIS J.M. 1990: Herentals: van welvarend industrieel centrum tot arme garnizoensstad (1560-1650), Bijdragen tot de Geschiedenis LXXIII, 211-235.

PLUYS R. 2004: Tweehonderd jaar fortificaties te Herentals (1576-1775), Historisch Jaarboek van Herentals XIV, 27-66.

SMEETS M. 2010: De archeologische begeleiding tijdens de restauratiewerken van de Lakenhal te Herentals, Archeo-rapport 22, Kessel-Lo.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-rapport 5, Brussel.

VANDEGEHUCHTE C., FEXER C., SMEETS M., COENEN M. & BOELS S. 2007: Archeologisch onderzoek van de Zandpoort te Herentals, Tessenderlo.

VAN ISEGHEM K. 2004: Een stuk Herentalse stadsomwalling opgegraven. Noodonderzoek, Historisch Jaarboek van Herentals XIV, 5-25.

https://www.dov.vlaanderen.be (geraadpleegd op 30 juni 2014).

http://www.herentals.be/geschiedenis (geraadpleegd op 30 juni 2014).

http://www.toerismeherentals.be/een-beetje-geschiedenis (geraadpleegd op 30 juni 2014).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Herentals (geraadpleegd op 30 juni 2014).

STEYAERT R. 2001: Herentals [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/21665 (geraadpleegd op 2 juli 2014).


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Annaert, Rica
Datum  : 2015


Relaties


Waarnemingen

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Historische stadskern van Herentals [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140033 (Geraadpleegd op 09-08-2020)