Vleeshuiswijk

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ bouwkundig geheel

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Braderijstraat, Bullinckplaats, Driehespenstraat, Gildekamersstraat, Kuipersstraat, Lange Doornikstraat, Oude Beurs, Palingbrug, Repenstraat, Ruckersplaats, Vleeshouwersstraat, Willem Ogierplaats, Zilversmidstraat
Locatie Braderijstraat 2, Bullinckplaats 1-7, 2-6, Driehespenstraat 1-3, Gildekamersstraat 1, Kuipersstraat 9-15, 2-6, Lange Doornikstraat 16, Oude Beurs 16, Palingbrug 12, Repenstraat 8, Ruckersplaats 1-7, 2-6, Vleeshouwersstraat 10, 21-23, Willem Ogierplaats 1-2, Zilversmidstraat 1-9, 2-10 (Antwerpen)
Status (deels) bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen

Juridische gevolgen

Beschrijving

Bouwgeschiedenis en situering

Tijdens het interbellum stond de historische buurt rond het vleeshuis algemeen gekend als een ongezonde volksbuurt. Om deze reden werden plannen gemaakt voor een openbaar badhuis maar deze bleven ongerealiseerd. De vernieling van een reeks panden in 1944 door een vliegende bom op de hoek van de Oude Beurs en Lange Doornikstraat vormde de directe aanleiding voor de opmaak van enkele ingrijpende plannen voor deze wijk. De stedelijke Dienst der Werken stelde al in 1945 voor om een groot plein te creëren voor het vleeshuis, om dit gebouw beter te doen uitkomen. De stadsarchitect Emiel Van Averbeke verzette zich hiertegen en bepleitte het behoud van het gesloten karakter van de oude wijk, hierin gesteund door architect Leon Stynen. Hetzelfde jaar nog vroeg de nationale overheid de opmaak van een Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) voor deze buurt als voorwaarde om te wederopbouw te subsidiëren. Ook de opmaak van dit BPA lokte heel wat discussie uit over de keuze voor vernieuwing, dan wel het herstel van een traditionele toestand, waardoor het pas 13 mei 1952 bij Koninklijk Besluit goedgekeurd werd. Het resultaat was een compromis waarbij het bestaande stratentracé behouden werd, mits enkele verbredingen.

Ondertussen had het stadsbestuur echter besloten tot sanering van de volledige Eerste Wijk (gelegen ten noorden van de kathedraal, ten westen van de Sint-Kathelijnevest – Mustaardstraat - Falconplein en ten zuiden van de Adriaan Brouwerstraat). In het kader hiervan verwierf de stad tussen 1955 en 1970 447 panden (1.217 woningen) met het oog op afbraak. Dit was een voorwaarde om staatssubsidies te bekomen vanuit de Wet op de Krotopruiming van 7 december 1953. Een eerste aanlegplan voor de Eerste Wijk (gedateerd 13 maart 1959) voorzag de bijna volledige afbraak en vernieuwing met grote verkeersaders, open ruimtes en vrijstaande hoogbouw. In de Vleeshuiswijk zelf brak men effectief zo’n 160 woningen af, waarvan een aantal later zou heropgebouwd worden in Bokrijk.

Tegelijkertijd groeide echter het verzet tegen een dergelijke ingrijpende stadssanering. In 1960 studeerden Walter Cogge, Walter Toubhans en Herwig Verbruggen af als architect aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw te Antwerpen met een stedenbouwkundig plan voor de historische binnenstad. Voor de Vleeshuiswijk voorzag dit plan het behoud van de meest interessante huizen maar ook van het bestaande stratentracé, de gesloten context rond het Vleeshuis en het bestaande gabarit. Op vraag van de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon werkten Cogge en Toubhans deze plannen verder uit (1966) en ze hernamen hun ideeën nogmaals in een stadsplan dat ze opmaakten in opdracht van het URCA (Urbanisatie en Renovatie Centrum Antwerpen), een verzameling van verschillende commerciële verenigingen en bedrijven. Onder invloed van deze en andere opmerkingen werd het saneringsplan van de stad meermaals aangepast (laatst 8 juli 1963) tot men uiteindelijk besliste om het plan niet te weerhouden en deelprojecten uit te werken per buurt.

Voor de buurt van het vleeshuis werd 25 juli 1969 bij Koninklijk Besluit een nieuw BPA (2/68) goedgekeurd dat centraal een zone voorzag voor gegroepeerde sociale woningbouw, en errond grotendeels een bestendiging van de bestaande toestand, zowel qua stratentracé als qua architectuur. De afdeling Planologie van de stedelijke dienst Werken maakte reeds in 1968 een bebouwingsvoorstel voor de sociale woningbouw, bestaande uit een laag- en middelhoogbouw van gestapelde en geschakelde patiowoningen, voorzieningen, een volledig nieuw stratentracé, beperkt autoverkeer en een grote ondergrondse parkeergarage aan de rand.

De uitvoering van de sociale woningbouw was al eind 1967 door het stadsbestuur toevertrouwd aan de sociale huisvestingsmaatschappij Onze Woning. Een eerste ontwerp van Roger Groothaert (gedateerd begin 1969) voorzag een volledig nieuw verkeerstracé en verkeersvrije straten. De bebouwing bestond uit appartementen, maisonnettes en enkele gewone gezinswoningen van drie of vier bouwlagen onder zadeldaken, met een vrij sobere, repetitieve gevelarchitectuur in grijsbruine baksteen en beton. Betonnen buitentrappen en galerijen (balkons) verleenden toegang tot de eerste of tweede verdieping en de bouwblokken werden ingeplant rond gemeenschappelijke open ruimtes.

Dit ontwerp werd niet weerhouden omwille van kritiek van het stadsbestuur en het hoofdbestuur voor de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening (die eiste dat de volledige gelijkvloerse verdieping voorbehouden werd voor winkels en dienstverlening en dat een hotel voorzien werd). Ook de KCML (de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen) had bemerkingen. Omwille van de nabijheid van het vleeshuis en het stadhuis vroeg ze het behoud van het bestaande stratentracé, evenals aangepaste bouwvolumes, daken en gevelmaterialen, en een diversificatie in de functies, met de bedoeling de wijk meer te integreren in de stad. Renaat Braem maakte in 1973 als lid van de KCML zelf plannen voor sociale woningbouw rond het vleeshuis waarin de nadruk ligt op de diversiteit aan materialen, volumes en functies en op het respect voor het bestaande stratentracé. Dit heeft waarschijnlijk gediend als inspiratie voor Groothaert om zijn plan te herwerken.

In april 1974 werd een sterk aangepast ontwerp van Groothaert goedgekeurd bestaande uit 141 sociale woningen, 11 winkels, een ruime ondergrondse parkeergarage en een hotel (Willem Ogierplaats 1-2). De sociale woningen en winkels werden in opdracht gegeven aan de sociale huisvestingsmaatschappij Onze Woning, de ondergrondse parkeergarage en het hotel aan een privéfirma. In 1978 werd een eerste fase van 63 woningen en 2 winkels opgeleverd (bouwblok Vleeshouwersstraat-Oude Beurs-Lange Doornikstraat). Een tweede fase van 137 woningen en 7 winkels werd opgeleverd in 1982, wat het totaal aantal woningen op 200 bracht (in plaats van de oorspronkelijke 141). Een derde project – bestaande uit 25 appartementen boven het stedelijk poppentheater De Poesje aan de Palingbrug – was aanvankelijk toevertrouwd aan een privéfirma maar werd uiteindelijk ook door Onze Woning gerealiseerd naar ontwerp van Roger Groothaert (aannemer E.G.T.A. Contractors Antwerpen N.V.). De inhuldiging hiervan vond plaats 15 juni 1988.

Typering en beschrijving

De tussen 1978 en 1988 gerealiseerde Vleeshuiswijk is één van de meest bekende voorbeelden van de sociale stadsvernieuwing, die vanaf midden jaren zeventig het licht zag. Het aanlegplan volgt het traditionele concept van het gesloten bouwblok, met twee grote binnenpleinen (Bullinckplaats en Ruckersplaats). Deze brengen gemeenschappelijk groen in de wijk, bieden speel- en zitruimte, maken een doorsteek mogelijk (via portiekdoorgangen) en geven toegang tot een aantal woningen. De straten werden grotendeels autovrij gehouden, wat de mogelijkheid bood om niveauverschillen met trappartijen uit te werken (aan de Repenstraat en Krabbenstraat, afdalend naar het vleeshuis). Hier en daar zijn kleine groenelementen voorzien en het plaveisel is gevarieerd, met gebruik van kasseien. Een beeldhouwwerk van de Antwerpse kunstenaar Sam Herciger werd 29 september 1978 ingehuldigd. Het bestaat uit een bronzen arm met vier handen op een ronde, bakstenen sokkel en symboliseert volgens het bijhorende opschrift dat met deze wijk terug een hart gegeven werd aan deze oude stadskern.

De vormgeving kan bestempeld worden als een uitzonderlijk grootschalig voorbeeld van integratiearchitectuur, die zich qua volumes, materiaal en structuur inschrijft in de omgeving, maar eigentijds is van vormgeving. Het gevelbeeld is heel verticaliserend met panden van twee tot vijf bouwlagen (de tweede fase rond de Bullinckplaats is nog iets hoger dan de eerste rond de Ruckersplaats), met steile zadeldaken en puntgevels. Bij de vormgeving van de architectuur werd gezocht naar een evenwicht tussen variatie en standaardisatie en tussen integratie en moderniteit. Zo werd gekozen voor traditionele dak- en gevelvormen (zoals de uitkragende puntgevels), in combinatie met hedendaagse vormen en detaillering (zoals de achthoekige ramen). Ook het gevelmateriaal kenmerkt zich door dit samengaan van traditie en moderniteit: verschillende soorten bakstenen (Kempense machinesteen, Paasrode Scheldesteen, Mangaan steen en recuperatiesteen), hier en daar met siermetselwerk, gebouchardeerd wit zichtbeton, (beperkte) houten gevelbekleding (in sequoia) en houten schrijnwerk in Meranti. De daken zijn gedekt met Engobe dakpannen en gegolfde of platte leipannen, en worden hier en daar doorbroken door houten dakkapellen. Boven de in 1976 als monument beschermde Poesjenellekelder werd gekozen voor een puur historiserende vormgeving en materiaalgebruik (hout en gerecupereerde, oude bakstenen).

De planindeling van de gebouwen bestaat – in tegenstelling tot wat de gevels suggereren – uitsluitend uit appartementen (voor één tot vijf personen), en een tiental buurtwinkels op de gelijkvloerse verdieping. De steile daken maakten het mogelijk om boven de appartementen enkele gemeenschappelijke ruimtes in te richten.

Evaluatie

Deze wijk werd binnen de thematische inventarisatie van het sociale woningbouwpatrimonium zeer hoge tot uitzonderlijke erfgoedwaarde toegekend (top van de selectie).

De beoordeling van het gerealiseerde plan van Groothaert was wisselend. Het project won in 1988 de prijs Europa Nostra (de prijs van de Europese Unie voor Cultureel Erfgoed) “for the exemplary restoration and rehabilitation of the inner city area” maar kreeg ook heel wat kritiek. Die kritiek betrof zowel het monotone en monofunctionele karakter van de wijk (inherent aan sociale woningbouw in België) als de discrepantie tussen de gevelarchitectuur en de planindeling, de combinatie van historiserende en moderne elementen in de gevels, de wanverhouding tussen de vrij hoge bebouwing en het behouden stratentracé, en het gebrek aan private buitenruimtes.

Anderzijds is er een consensus dat de Vleeshuiswijk – samen met ‘t Zilverpand in Brugge – voor Vlaanderen een keerpunt betekende qua stadssanering, waarbij het modernistische tabula rasa werd ingeruild voor een hedendaagse architectuur en stedenbouw die zich tracht in te schrijven in het bestaande historische stadsbeeld. Deze aanpak bleef decennialang richtinggevend voor sociale woningbouw in historische binnensteden. Ook in de directe omgeving van de Vleeshuiswijk (met name ten noorden ervan) werden de volgende jaren en decennia heel wat gelijkaardige projecten gerealiseerd, zoals de 65 woningen aan de Veemarkt naar ontwerp van architect Frank Commers en Jef Fuyen, uit 1977-1983. Om deze reden heeft de wijk ontegensprekelijk een stedenbouwkundige en architecturale waarde. De lange ontstaansgeschiedenis van deze wijk kan bovendien gekoppeld worden aan ruimere historische fenomenen zoals de vernieling van Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog, de krotopruimingen uit de jaren vijftig en de stadsvernieuwing vanaf midden jaren zeventig (historische waarde).

Deze waardering gaat in mindere mate op voor de derde fase van de sociale woningbouw (aan de Palingbrug 12) en het hotel (aan de Willem Ogierplaats 1-2), respectievelijk omwille van de uitgesproken historiserende vormgeving, en de bovenmaatse schaal.

Bepalend voor de erfgoedwaarde van het bouwkundig geheel is het circulatiepatroon (inclusief trappartijen en materialiteit), evenals de inplanting van de architecturale volumes (met gesloten straatwanden en gemeenschappelijke, groene binnenpleinen), de verticale ritmering en het silhouet van de gevelarchitectuur, en het dakenlandschap.

  • Antwerpen, FelixArchief, dossiers 18#53800, 57755, 59497 en 62502.
  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 1050, Antwerpen, 1ste wijk – buurt Vleeshuis.
  • BEKAERT G., BASTIN C. & EVRARD J. 1995: Hedendaagse architectuur in België, Tielt, 90 en 95.
  • COGGE W., TOUBHANS W. & VERBRUGGEN H. 1960: Toepassing van aktuele stedebouwkundige beginselen op een verouderd stadsgebied, onuitgegeven verhandeling Nationaal Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw Antwerpen.
  • DE MEULDER B. 1997: Wonen tussen de gemeenplaats van de “fermette” en het stigma van het woonblok. Naoorlogse stedenbouw en huisvesting in de versplinterde Vlaamse ruimte, in: D’HAVE Willy (ed.), Bouwstenen van sociaal woonbeleid, de VHM bekijkt 50 jaar volkshuisvesting in Vlaanderen. Deel 1, Brussel, 295-335.
  • DE MEULDER B., DE DECKER P., VAN HERCK K., RYCKEWAERT M. & VANSTEELANT H. 1999: Over de plaats van de volkswoningbouw in de Vlaamse ruimte, in: Huiszoeking. Een kijkboek sociale woningbouw, Brussel, 315-317.
  • KAEKEBEKE H. 1984: Sociale woningbouw door de s.v. ‘Onze Woning’, Antwerpen, tijdschrift der stad Antwerpen, 1, 1-6.
  • MIGOM S. 1998: Le Vleeshuis et son Quartier, Evolution de 1500 à 1998, onuitgegeven verhandeling R. Lemaire Centrum, 64-74.
  • SMETS M. 1980: Belgisch bouwen in de zeventiger jaren, kultuurleven, maandblad voor kultuur & samenleving, 47.5, 460-461.
  • VLAEMINCK S. 1981: Sociale stadsvernieuwing concreet : middelen, moeilijkheden, mogelijkheden, Gent.
  • STALMANS W. 1980: Verslag van de studiedagen stadsvernieuwing, Antwerpen, 148-154.
  • VROOM K. 1977: Sociale woningbouw in de buurt van het Vleeshuis te Antwerpen, Wonen, nummer 75, 42-53.

Bron: -

Auteurs: Vandeweghe, Evert

Datum tekst: 2016

Relaties

maakt deel uit van Antwerpen - Historische binnenstad

Antwerpen (Antwerpen)

omvat Poppentheater De Poesje

Palingbrug 12, Antwerpen (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.