is aangeduid als beschermd cultuurhistorisch landschap Domein Ertbrugge - Zwarte Arend
Deze bescherming is geldig sinds
Het complex met de kastelen Ertbrugge en Zwarte Arend, de hoeven Sitters en Covens, de bijgebouwen, de restanten van de landerijen, de parken, parkbossen en landbouwgronden vormen een uniek overblijfsel van het leefmilieu van voornamelijk de 18de eeuw.
Het gebied, met een oppervlakte van circa 94 hectare, bevindt zich tussen Deurne (ten westen) en Wijnegem (ten oosten) en wordt in het noorden begrensd door de Merksemsebaan, in het oosten door de bebouwing langs de Houtlaan, in het zuiden door de August Van de Wielelei en in het westen door de Schotensesteenweg. Het domein Ertbrugge, ten noorden van de Ertbruggestraat, ligt grotendeels op het grondgebied van Wijnegem, grotendeels gesitueerd op een rug tussen het Groot Schijn en het Klein Schijn.
Het hoogste punt ligt even ten noordoosten van het parkbos Ertbrugge en ligt op 7,5 tot 8 meter +TAW. Naar het noorden toe daalt het terrein en haalt het nog net een hoogte van 5 meter +TAW in de Bremweide. Naar het zuiden toe loopt het terrein weer af tot een hoogte van net 6,5 meter +TAW nabij de Turnhoutsebaan.
Gezien de ligging aan de rand van Groot-Antwerpen is dit gebied nog een vrij gaaf landschap. Het biedt op een relatief beperkte oppervlakte nog heel wat variatie door het voorkomen van verschillende begroeiingstypen met bijhorende, in het landschap geïntegreerde gebouwen. Bijgevolg heeft het landschap een belangrijke esthetische waarde.
Geologisch gezien kunnen het Groot Schijn en het Klein Schijn beschouwd worden als restrivieren - onder de Schelde - van de jong-tertiaire zee. Het terrein bestaat van jong naar oud uit:
De tertiair-geologische kaart vermeldt binnen het gebied de aanwezigheid van groen tot grijsbruin, weinig glauconiethoudend, fijn zand met schelpen aan de basis, behorend tot de Formatie van Lillo (plioceen, 5,3 tot 2,6 miljoen jaar geleden).
De gronden rondom het domein hebben overwegend een diepe antropogene humus A horizont. Door de aanvoer van stalmest, bos- en heidestrooisel met een zeker gehalte aan mineraal materiaal, door diepe grondbewerking, door de egaliserende invloed van die bewerking en door natuurlijke aanvoer van materiaal langs eolische weg kregen de oude cultuurgronden een homogene humushoudende bovengrond met een dikte variërend van 60 tot minimum 40 centimeter. De aanwezige bodems bestaan overwegend uit zandgronden (zeer droog tot nat) met bodemtypes Zan, Zbn, l-Zcm, l-Scp; lemige zandgronden (droog tot matig nat) met bodemtypes Sbn, Scm, Sdm en lichte zandleemgronden (matig nat) met bodemtype Pdm.
Binnen het gebied komen verschillende vegetatietypes voor, die wat betreft verscheidenheid en diversiteit erg waardevol zijn.
Het gebied behoort tot het Kempens plantendistrict en heeft een relatief hoge floristische waarde met ongeveer 272 soorten op 1,2 vierkante kilometer. De graslanden behoren tot de klasse van de zandige droge graslanden, de bossen tot de eikenklasse.
De Biologische Waarderingskaart (versie 2, 1997-2010) vermeldt in het noorden van het gebied de aanwezigheid van eiken-berkenbos, struweelopslag van allerlei aard, zuur eikenbos en verruigd grasland. In domein Ertbrugge werd zuur beukenbos geïnventariseerd. De toegangsdreef wordt weergegeven als een bomenrij met dominantie van linde (Tilia). Aan weerszijden van de dreef komen soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden en soortenarm permanent cultuurgrasland voor.
De natuurwetenschappelijke waarde van het landschap uit zich voornamelijk in de bijzonder rijke gradiëntsituaties: het parkbos met zijn kenmerkende bodembedekkers en de overgangen van droog naar vochtig, de hofgrachten, de boszomen, de wegbermen met in het noorden en het oosten de vegetatie gebonden aan drogere, voedselarme zandgronden, de bosopslag en ten slotte de laatste stukjes droge en zelfs vochtige heide in het noorden van het landschap. Zowel door het groot aantal begroeiingstypen als door de stille aanwezigheid van de mens komen in dit gebied nog een groot aantal vogelsoorten voor, waaronder talrijke broedvogels.
Het landschap is van bijzonder historisch belang omwille van de aanwezigheid van een archeologische site met sporen van vroege bewoning uit het jong-neolithicum (3500 tot 3000 v.Chr.), bronstijd (2000 tot 800 v.Chr.) en ijzertijd (750 v.Chr.-57 v.Chr.). Het gehele complex, bestaande uit de kastelen Ertbrugge en Zwarte Arend, de hoeven Sitters en Covens, de bijgebouwen, de restanten van de landerijen, de parken, parkbossen en landbouwgronden vormen een uniek overblijfsel van het leefmilieu van voornamelijk de 18de eeuw: een landelijk milieu waarin de mens nog in volledige symbiose met zijn natuurlijke omgeving leefde, maar ook een milieu waarin de heerschappij van de bezittende klasse zich tot het uiterste liet gelden.
Het goed Ertbrugge, ten noorden van de Ertbruggestraat centraal in het gebied, was reeds gekend in de 13de eeuw onder de benaming 'Goed ter Joene'. Jan van der Ertbrugge kocht het goed in 1370 en sindsdien werd het 'ter Ertbrugge' genoemd. In 1544 werd het goed eigendom van Heilwich van der Schout en vermoedelijk werd kort daarna een 'hof van plaisantie' opgericht. De oprichting van huizen van plaisantie en speelhuizen rond Antwerpen is kenmerkend voor de 16de eeuw. Het hof van plaisantie bij de hoeve Ertbrugge was in 1581 in bezit van Jacob Van Oproye. Volgens de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) omvatte het nagenoeg rechthoekig omgracht kasteel toen drie gebouwen. Naar alle waarschijnlijkheid betrof het een kasteel, een koetshuis en stallingen die in U-vorm waren geplaatst. Verder was er binnen het domein een bos met stervormig aangelegde dreven aanwezig. Ertbrugge was op dat moment in handen van de familie Wellend, wier bezit het bleef tot op het einde van de 19de eeuw.
Vermoedelijk werd het huidige domein met zijn gebouwen gerealiseerd omstreeks 1790. Dat is vast te stellen op basis van het plan van de gemeente Wijnegem van 1809. Hierop komt het domein Ertbrugge voor in zijn nagenoeg hedendaagse verschijningsvorm. De omgrachting kreeg een grillige vorm met vijverarmen en vermoedelijk een landschapstuin volgens het toen heersende modebeeld. Ook werd toen het huidig classicistisch kasteel gebouwd. Bij de toegang tot de moestuin toont het plan de laat 18de-eeuwse hoevegebouwen.
In de 19de eeuw werd het kasteel Ertbrugge aan de voorgevel voorzien van een portiek met balkon, terwijl de middentraveeën geaccentueerd werden door een mezzanino onder driezijdig fronton. Tegen de voormalige hoevegebouwen, gelegen ten westen van het kasteel, werden voor 1850 een koetshuis en stallingen toegevoegd in neoclassicistische stijl. De basis van de huidige structuur is reeds duidelijk herkenbaar op de kaart van Vandermaelen (1846-1854).
Na 1960 kreeg kasteel Ertbrugge een nieuwe functie. Het werd achtereenvolgens ingericht als bejaardentehuis en als kindertehuis 'Immaculata'.
Het kasteel betreft een classicistisch gebouw op rechthoekig grondplan te dateren eind 18de eeuw. Ten zuidwesten van het kasteel staat een bepleisterd en beschilderd koetshuis met aanpalende woonvertrekken. Aan de westzijde, ten noorden en ten zuiden van de doorgang, liggen de woonvertrekken.
Het kasteel is bereikbaar via de dreef vertrekkende van de August Van de Wielelei. De dreef geeft uit op verharde toegang via een brug over de gracht, afgesloten door een hek tussen hekpijlers. Ten oosten van het kasteel bevindt zich een tuinpaviljoen.
De eerste gekende vermeldingen van het kasteel Zwarte Arend dateren uit 1625 en 1639 bij verkoop aan Laureys Biel, rechtsgeleerde, en Aloysius du Bois, koopman, van "eene hoeve gemeenlyck het Arentshoff genaempt, met poorthuyse, huyzing van playsantie en hove, rontsom omwaetert, met twee pachtershuysen". Volgens een plan van Ricquier uit 1734, naar een origineel van 1645, bestond het kasteel uit een eenvoudig stenen huis met voorgevel naar het noorden, omgeven door een rechthoekige hofgracht en symmetrisch aangelegde tuinen. In 1756 wordt jonker Simon Karel de Neuf als eigenaar vermeld. Zijn zoon Simon Jozef gaf het kasteel in 1784 zijn huidig uitzicht, confer de gedenksteen in de noordelijke muur. Het U-vormige grondplan, zoals weergegeven op het plan van P. Stijnen uit 1783, werd opgegeven door sloping van de flankerende bijgebouwen. Een nieuwe vleugel met oranjerie, koetshuis en stallingen werd ten westen van het domein opgericht, de voorgevel van het kasteel werd naar het zuiden gericht en de toegang naar het westen verlegd. De kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) geeft het kasteel weer als “het hof van Dassche”. Het omgrachte domein wordt omgeven door dreven. Op het kasteeleiland bevinden zich moestuinen, ten zuiden ervan ligt een sterrenbos.
In 1792 kwam het goed in het bezit van de familie d'Outremont, in 1840 van de familie Cogels, in 1869 van de familie Meeûs. In 1903 werd het aangekocht door Albert Maquinay, bouwheer van het perron aan de zuidelijke gevel, naar het ontwerp van Joseph Hertogs, en het neo-Lodewijk XVI-tuinpaviljoen. De laatste private eigenaar (1937) was professor dokter L. Van den Wildenberg. In 1957 werden kasteel en aansluitend parkgedeelte (3,3 hectare) eigendom van het huidige O.C.M.W.. Na aanpassingswerken onder leiding van Jul De Roover werd het kasteel in 1960 ingehuldigd als bejaardentehuis. De begane grond werd vergroot door de uitbouw van het perron in 1987 naar ontwerp van Michel Gransard.
De in 1945 tot woonhuis omgevormde semi-gesloten westelijke dienstgebouwen bevinden zich op het omhaagde domein en bestaan uit bepleisterde en beschilderde U-vormige voormalige remise en koetshuis ten oosten, bakstenen stallingen ten noordwesten en ten zuiden en de voormalige moes- en fruittuin ten westen. De oude verbouwde remise en het koetshuis met de vroegere moes- en fruittuin vormen nog een landschappelijk geheel met het kasteel.
Het kasteel Zwarte Arend is ingeplant in een rechthoekig omgracht park met westelijke toegang. Slechts één vierde van het oorspronkelijk park bleef ongeschonden bewaard: vermeldenswaard zijn de vijver in vierpasvorm, geflankeerd door bloemperken en twee eeuwenoude loofgangen van door elkaar gevlochten beukenhaagstruiken, een 18de-eeuws tuinbeeld, siervaas, een tuinpaviljoen (eerste kwart 20ste eeuw) en ijskelder. De rest van het stervormig park, met inbegrip van paviljoen en poort aan de August Van de Wielelei, verdween in de verkaveling van 1959. Een eikendreef (Quercus) vormt de toegang naar het kasteel Zwarte Arend.
Bij het kasteel hoorden twee hoeven op grondgebied Deurne en Wijnegem, nu de hoeven Sitters en Covens. Het belang van dit hof ligt niet alleen in de bouwstijl van de gebouwen, maar vooral in de opbouw van het gehele complex, parkzone en hoeven inbegrepen. Waarschijnlijk is dit complex als een oorspronkelijk gesloten leefeenheid, bestaande uit één of meerdere hoeven binnen een gracht ter verdediging, te beschouwen. Deze leefeenheid is in de 18de eeuw uitgegroeid tot een lusthof met bijhorende hoeven.
De hoeven Sitters en Covens, beiden pachthoeven van kasteel Zwarte Arend ten oosten van het kasteel, zijn typische 18de-eeuwse langgevelhoeven. Vooral bij de hoeve Sitters zijn de inplanting van de bijgebouwen en deze gebouwen zelf, onder meer de schuur en het melkhuis, zeer goed bewaard gebleven. Ook de hoeve Covens vertoont tal van merkwaardige details. De historische evolutie van deze hoeven is nauw verbonden met deze van het kasteel Zwarte Arend.
Hoeve Sitters klimt op tot het vierde kwart van de 18de eeuw. De losstaande bestanddelen omvatten het oostelijk gelegen woonhuis met stal onder één dak, westelijke stallingen, wagenhuizen, melkhuis en de zuidelijke langsschuur.
Hoeve Covens bevindt zich op een deels omhaagd domein. De losstaande bestanddelen omvatten onder meer het oostelijke woonhuis met stal onder één dak met kern uit het vierde kwart van de 18de eeuw, de westelijke langsschuur die grotendeels uit het derde kwart van de 20ste eeuw dateert (afgebrand in 1947) en het zuidelijke (houten) wagen- en bakhuis. Ten westen van het woonhuis bevindt zich een waterput.
Auteurs: Plomteux, Greet; van den Bossche, Herman; Cox, Lise; Meesters, Ludo; De Winter, G.
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Recent onderzoek van akten in het Antwerpse stadsarchief leverde enkele verfijningen en aanvullingen op voor de bezits- en bouwgeschiedenis van het kasteel Ertbrugge. Zo bezat de prinsbisschop van Luik eertijds het 'goed ter Biest' en het 'goed ten Houte' als cijnshoeves binnen het huidige landschappelijk geheel.
Vermoedelijk wordt de naam “kasteel Ertbrugge” pas voor de eerste maal vermeld in een akte van 1470, honderd jaar nadat Jan van den Eertbrugghen, lid van de Antwerpse schepenbank, het "goet te Morte" aankocht. Het goed zou al in 1544 eigendom van Jacob Van Oproye zijn geweest.
Het goed wordt een eerste maal afgebeeld op een kaart uit 1753, opgemaakt door de Antwerpse landmeter Petrus Stynen. Regina Schut, weduwe van Joannes Nackens, was op dat moment de eigenaresse van Ertbrugge. Hun kleindochter Regina huwde in 1788 met Ferdinand du Bois de Vroylande. Dit echtpaar was vermoedelijk de opdrachtgever voor de bouw en aanleg van het tot op heden bewaarde domein Ertbrugge.
Door huwelijk kwam het domein achtereenvolgens in bezit van de families Bosschaert, van de Werve de Vorsselaar en de Borrekens.