erfgoedobject

De Zonnewijzer

bouwkundig element
ID: 7325   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7325

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Appartementsgebouw in brutalistische architectuur op de hoek van Mechelsesteenweg en Zonnewijzerstraat, naar een ontwerp door de architecten Léon Stynen en Paul De Meyer, in samenwerking met Walter Bresseleers en Paul Meekels uit 1955. Het vastgoedproject was een gezamenlijk initiatief van Stynen zelf en Georgette Ceurvorst, echtgenote van Georges Vander Elst, die elk instonden voor de helft van de investering. Voor het echtpaar Vander Elst-Ceurvorst had de architect in 1948 al een villa in regionalistische stijl gebouwd aan de Gabriëllelei in Brasschaat. Zijn professionele relatie met tabaksfabrikant Tabacofina-Vander Elst, producent van het populaire sigarettenmerk Belga, ging terug tot de vroege jaren 1920. Tijdens het interbellum ontwierp Stynen onder meer een reeks tabakswinkels in Antwerpen en Brussel, een nooit gerealiseerde tabaksfabriek, en een stand op de Wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Het project "De Zonnewijzer" ging van start met de aankoop van het perceel door Stynen zelf. In oktober 1954 verzocht hij het stadsbestuur om een sloopvergunning voor de bestaande bebouwing, en een principiële goedkeuring voor de nieuwbouw op basis van een eerste voorontwerp. Na het verkrijgen van de definitieve bouwvergunning in mei 1955, ging aannemer Jos. Quick uit Essen in juli van dat jaar met de werken van start. Voor het toevoegen van een duplexniveau bovenop het penthouse, volgde in augustus 1956 nog een tweede bouwvergunning. Voltooid in de lente van 1957 en bedoeld voor verkoop in mede-eigendom, werd voor het beheer van "De Zonnewijzer" vervolgens de Immobilière du Gnomon opgericht.

Het architectenbureau Stynen en De Meyer vestigde zelf zijn nieuwe kantoren in “De Zonnewijzer”, dat de oppervlakte van twee appartementen innam op de eerste verdieping, met een eigen toegang in de Zonnewijzerstraat. Het multifunctionele complex op een hoekperceel van slechts 13 bij 25 m, omvatte behalve het architectenbureau en twee winkels, in totaal elf appartementen van vier verschillende types waaronder twee duplexappartementen en een duplexpenthouse, en een conciërgewoning. De uiteindelijke inplanting van de conciërgewoning op het gelijkvloers van de achterbouw, en van het architectenbureau over de volledige diepte van de noordflank, stemt niet geheel overeen met de vergunde bouwplannen die uitgingen van in totaal twaalf flats. Wellicht was de conciërgewoning aanvankelijk niet voorzien, daar waar het architectenbureau volgens plan gelijkvloers, tussen- en eerste verdieping van de achterbouw zou innemen. Georgette Vander Elst-Ceurvorst betrok vermoedelijk zelf het duplexpenthouse.

“De Zonnewijzer” geldt als één van de sleutelwerken uit het naoorlogse oeuvre van Léon Stynen, en als één van de meest opmerkelijk en innovatieve flatgebouwen uit de jaren 1950 in Antwerpen. Volgens Albert Bontridder bundelt Stynen’s doctrine in deze periode drie basisprincipes: "uiterste rationalizatie van de bruikbaarheid van het gebouw, (…) maatvoering onderworpen aan een wiskundig schema waarvan de minste afwijking als een fout aangerekend wordt, en (…) krampachtige zorg voor de bouwfysisch volmaakte uitvoering." Tijdens de late jaren 1940 poogde Stynen het modernisme met klassieke elementen een mondaine allure te geven, getuige daarvan het Casino-Kursaal in Oostende. Midden jaren 1950 oriënteerde het bureau zich mede door toedoen van de nieuwe medewerkers Walter Bresseleers en Paul Meekels opnieuw uitdrukkelijk op Le Corbusier, met ontwerpen die uiting gaven aan een verfijnd brutalisme. “De Zonnewijzer”, waarvan het multifunctionele karakter en de ingenieuze opdeling in appartementen en duplexflats inging tegen standaardprogramma’s voor private woningbouw, stond aan het begin van deze evolutie.

Architectuur

Het hoekgebouw op een L-vormige plattegrond van drie bij negen traveeën, omvat acht bouwlagen waaronder een tussenverdieping en een terugwijkend penthouse met extra dakopbouw. Aan de zijde van de Zonnewijzerstraat daalt het aantal bouwlagen halverwege het volume tot zes. De constructie wordt gevormd door een skeletstructuur uit gewapend beton, voor het gevelparement ingevuld met witte natuursteen in groot metselverband van ongelijke lagen. Uit de door regelmaat beheerste ordonnantie van vensters en terrasloggia’s, met volledig behouden aluminium schrijnwerk en borstweringen, valt de indeling af te lezen in appartementen en duplexflats, met hun dag- en nachtzones. Daarbij onderscheidt de frontgevel zijde Mechelsesteenweg zich door een open, ruim beglaasd karakter, daar waar in de veeleer gesloten zijgevel zijde Zonnewijzerstraat enkel het architectenbureau over substantiële raampartijen met noorderlicht beschikt. Bepalend voor het brutalistische karakter van het gebouw is de nadrukkelijke, plastische articulatie van de gebouchardeerde betonnen skeletstructuur, met als beeldbepalende accenten het sterk uitkragende middenbalkon en de luifel van het penthouse. Bestudeerde proporties en overlappende ritmes leveren een evenwichtige asymmetrische compositie op, die het grote oppervlak opdelen in fragmenten op menselijke schaal. Met name de alternerend inspringende terrasloggia’s, dragen bij tot het plastisch reliëf en de levendige dynamiek van het gevelvlak. De dubbelhoge pui met oplopende glaswanden zijde Mechelsesteenweg, is opgevat als een pilotisstructuur, die het volume twee niveaus hoog boven het maaiveld uittilt. De centrale loggia van het privéportaal, wordt daarbij volgens een symmetrisch opzet geflankeerd door de rijzige winkelportalen en -puien.

Ondanks de bescheiden afmetingen van het perceel slaagden de ontwerpers in hun opzet, door een compacte organisatiestructuur het veeleisende bouwprogramma rationeel en met aandacht voor leefcomfort in het volume in te passen. Daarbij werd de westelijke oriëntatie van het gevelfront, met een vrij zicht op het Koning Albertpark maximaal uitgebuit, door de combinatie van duplexflats en appartementen. Het minst gunstig van inplanting zijn de drie meest bescheiden flats in de achterbouw, die weliswaar met een zuidelijk terras op de binnentuin georiënteerd zijn. De appartementen worden ontsloten door de gemeenschappelijke inkomhal met glazen liftkoker en de traphal, die als een apart volume schuin aan de oksel van het gebouw ontspringt, verlicht door oplopende raampartijen.

In de noordflank van de voorbouw nemen de twee duplexflats de tweede tot vijfde verdieping in. Ontleend aan het typemodel van de flats in Le Corbusier's Unité d’habitation, omvat het eerste niveau de inkomhal met vestiaire, de keuken en de living met terras en open steektrap; het tweede niveau biedt ruimte aan twee slaapkamers en de badkamer. De vijf grote appartementen van één niveau op de eerste tot vijfde verdieping in de zuidflank van de voorbouw, bestaan uit een inkomhal, vestiaire en keuken, een ruime woonkamer met terras, en toegang tot de nachthal die de twee slaapkamers en de badkamer ontsluit. De drie kleine, compacte flats van één niveau op de tweede tot vierde verdieping van de achterbouw, bieden vooraan ruimte aan de inkomhal, vestiaire en keuken, gevolgd door de woonkamer met terras, met achteraan een slaapkamer en dressing, een kleine kinderkamer en de badkamer. Het penthouse dat met een ruim dakterras de volledige zesde verdieping beslaat, herhaalt in spiegelbeeld het schema van de onderliggende grote appartementen, echter met een L-vormige woonkamer en eethoek, en een extra meidenkamer. Voor het toegevoegde duplexniveau met steektrap, vermelden de bouwplannen slechts bergplaatsen met wandrekken.

Beide winkels beslaan het gelijkvloers en de tussenverdieping, met een vide vooraan en een open steektrap. Tussen beide bevindt zich de dubbelhoge gemeenschappelijke inkomhal van de appartementen, met een beglaasd toegangssas en wintertuin. Verder omvat de begane grond een fietsenstalling en de kleine conciërgewoning. Het architectenbureau bood op de eerste verdieping over de volledige diepte van de noordflank ruimte aan twee tekenkamers, een kantoor en vergaderzaal; vermoedelijk omvatte de onderliggende tussenverdieping een secretariaat met ontvangstbalie en een tweede kantoor.

Het tijdschrift Habitat et Habitation wijst in zijn bespreking van “De Zonnewijzer” op het structurele kleurgebruik als essentieel onderdeel van het ontwerp, met een gebruik van contrasterende kleurvlakken in functie van de lichtinval volgens de principes van Le Corbusier. Als voorbeeld worden de combinaties van nachtblauw, wit en donkergroen aangehaald voor de winkels, en rood, blauw en grijs voor een hoekje van de woonkamer in één van de appartementen. Deze onderscheiden zich verder door het typische gebruik van natuurhouten wanden in verticaal latwerk. Van de inkomhal met een kleurstelling in violetblauw, ‘grège’ en wit, wordt de vloer uit grijze marmertegels vermeld (ook bewaard in de winkels), en het beschilderde zichtmetselwerk van de wanden. Het schuin ingeplante trappenhuis, waarin een open, stalen trapconstructie met bordessen en geschrankte trapvleugels, vormt hier het sluitstuk van een ruimtelijke compositie, in combinatie met het contrasterende kleurgebruik gekenmerkt door een plastische articulatie van verticale en horizontale vlakken.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#33176, 18#33749 en 18#35498.
  • Architectuurarchief Vlaanderen, Archief Léon Stynen, dossier De Zonnewijzer.
  • BONTRIDDER A. 1979: Gevecht met de rede. Léon Stynen. Leven en werk, Brussel, 139, 141-143.
  • S.n. 1958: Appartements, magasins, atelier d’architectes dans un immeuble face à un espace vert, Habitat et Habitation 18.4, 52-55.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: De Zonnewijzer [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7325 (Geraadpleegd op 26-05-2020)